Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2019:2234

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
03-07-2019
Datum publicatie
03-07-2019
Zaaknummer
08-994519-19 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank Overijssel veroordeelt een 52-jarige man uit Coevorden tot een taakstraf van in totaal 240 uur, waarvan 80 uur voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar. De man is in meerdere opzichten ernstig tekort geschoten in de verzorging van het van hem afhankelijke vee. Daarnaast heeft hij ook niet op tijd een melding gemaakt van de aanwezige kadavers.

Naast de taakstraf legt de rechtbank als bijkomende straf een voorwaardelijke stillegging van de onderneming op voor de duur van 1 jaar met een proeftijd van 3 jaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JM 2019/117 met annotatie van Pieters, S.
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Strafrecht

Meervoudige economische kamer

Zittingsplaats Zwolle

Parketnummer 08-994519-19 (P)

Datum vonnis: 3 juli 2019.

Vonnis op tegenspraak in de economische strafzaak van de officier van justitie tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1967 in [geboorteplaats] ,

wonende te [adres] .

1 Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 19 juni 2019.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie,

mr. S. Buist, en van hetgeen door verdachte en zijn raadsman mr. P. Sipma, advocaat te Drachten, naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

De verdenking komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

feit 1:

zich op 14 januari 2019 schuldig heeft gemaakt aan het niet tijdig, te weten binnen de wettelijke termijn van twee dagen, melding doen bij de ondernemer [naam 1] van de aanwezigheid van drie of vier kadavers van kalveren/ runderen op zijn agrarische bedrijf;

feit 2:

op 14 januari 2019 er geen zorg voor heeft gedragen dat het op zijn agrarische bedrijf aanwezige vee - te weten 60 runderen waaronder 4 stuks jongvee - kon beschikken over voldoende water of water van een passende kwaliteit;

feit 3:

op 7 maart 2019 er geen zorg voor heeft gedragen dat het op zijn agrarische bedrijf aanwezige vee - te weten 74 runderen - kon beschikken over toereikende en voldoende hygiënische behuizing en ligplaatsen;

feit 4:

op 7 maart 2019 er geen zorg voor heeft gedragen dat het op zijn agrarische bedrijf aanwezige vee kon beschikken over voldoende, dan wel geschikt, voer.

Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:

1

hij op of omstreeks 14 januari 2019 te Coevorden in de gemeente Coevorden, als houder van aangewezen dierlijke bijproducten, te weten kadavers van runderen, er niet voor heeft zorggedragen dat de kadavers zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk op de eerste werkdag volgend op de dag waarop de bijproducten zijn ontstaan, zijn aangegeven bij de ondernemer ( [naam 1] ),

immers werden op 30 januari 2018,

 twee kadavers van kalveren (in de kalverenstal aan de woning),

althans één of meerdere kadavers van runderen, en/of

 twee kadavers van een koe en/of een kalf (voor de werktuigenloods),

althans één of meerdere kadavers van runderen,

aangetroffen die langer dan 48 uur dood waren;

2

hij op of omstreeks 14 januari 2019 te Coevorden in de gemeente Coevorden, als houder van 55 melkkoeien en/of vier stuks jongvee en/of één dekstier,

althans een aantal runderen, al dan niet opzettelijk,

er geen zorg voor heeft gedragen dat:

 vier stuks jongvee (in de jongveestal),

althans één of meer rund(eren), en/of

55 melkkoeien en een dekstier (in de ligboxenstal),

althans één of meer rund(eren),

toegang hadden tot een toereikende hoeveelheid water van passende kwaliteit of

op een andere wijze aan hun behoefte aan water konden voldoen,

zulks terwijl voornoemde overtreding(en) plaatsvond(en) in de uitoefening van een bedrijf waar dieren van krachtens artikel 2.3, tweede lid, van de Wet dieren aangewezen soorten of categorieën worden gehouden;

3

hij op of omstreeks 7 maart 2019 te Coevorden in de gemeente Coevorden, als

houder van 74, althans een aantal rund(eren),

tezamen en in vereniging met één of meer anderen, althans alleen,

al dan niet opzettelijk,

er geen zorg voor heeft gedragen dat 74 (althans een deel van deze) runder(en), over een toereikende behuizing beschikte(n) onder voldoende hygiënische omstandigheden,

aangezien (een deel van) die runderen niet de beschikking had(den) over een voldoende schone, droge en/of hygiënische ligplaats en/of huisvesting,

immers waren/was

 in de kalverenstal aan de woning een laag natte mest en urine aanwezig, de ligplaatsen bijna volledig bevuild met natte mest en urine en/of de runderen op de buik, flanken en achterwerk bevuild met opgedroogde en natte mest en/of

 in de ligboxenstal de roosters tussen de boxen aan de rechterkant bevuild met een laag mest, de betonvloer zonder de boxafscheidingen sterk bevuild met een dikke laag verse mest en/of bijna alle koeien op de buiken, poten, staarten en flanken bevuild met natte en opgedroogde mest en/of

 in de jongvee/stierenstal de roostervloeren sterk bevuild met natte mest en urine en/of de runderen op de buik, flanken en achterwerk bevuild met opgedroogde en natte mest,

zulks terwijl voornoemde overtreding(en) plaatsvond(en) in de uitoefening van een bedrijf waar dieren van krachtens artikel 2.3, tweede lid, van de Wet dieren aangewezen soorten of categorieën worden gehouden;

4

hij op of omstreeks 7 maart 2019 te Coevorden in de gemeente Coevorden, tezamen en in vereniging met één of meer anderen, althans alleen,

als houder van 59, althans een aantal rund(eren) al dan niet opzettelijk, er geen zorg voor heeft gedragen dat:

52, althans een aantal runderen (in de ligboxenstal), en/of

7, althans een aantal runderen (in de jongvee/stierenstal)

een voor dat dier toereikende hoeveelheid gezond en voor de soort en de leeftijd geschikt voer kregen toegediend op een wijze die past bij het ontwikkelingsstadium van het dier, immers was/waren

de voerplaatsen in de ligboxenstal en/of de jongvee/stierenstal sterk bevuild met oude voerresten en/of

er op de voergangen en op de voerplaatsen direct voor het voerhek oude beschimmelde voerresten en/of mest aanwezig,

zulks terwijl voornoemde overtreding(en) plaatsvond(en) in de uitoefening van een bedrijf waar dieren van krachtens artikel 2.3, tweede lid, van de Wet dieren aangewezen soorten of categorieën worden gehouden.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

3 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 De standpunten en bewezenverklaring

4.1

Inleiding

De Nederlandse Voedsel en Warenautoriteit (hierna: NVWA) bezocht op 14 januari 2019, 30 januari 2019 en 7 maart 2019 het bedrijf ‘ [bedrijf] ’ te Coevorden ter controle op de naleving van relevante bepalingen van de Wet Dieren en het Besluit houders van dieren.

Tijdens de controles constateerde de NVWA dat op het bedrijf - ondanks gegeven waarschuwingen in het verleden – (opnieuw) sprake was van verwaarlozing en ernstige benadeling van de gezondheid en het welzijn van de aldaar aanwezig runderen. Er was sprake van gebrekkige en uiterst onhygiënische huisvesting, gebrekkige verzorging van de dieren en onvoldoende beschikbaarheid van water en voer van voldoende kwaliteit.

Daarnaast werden op diverse plaatsen op het erf en/of in de stallen kadavers van runderen aangetroffen, soms in een reeds verregaande staat van ontbinding, alsook een lijdend stervend rund, zonder dat verdachte daarvan melding had gemaakt.

4.2

Standpunt openbaar ministerie

De officier van justitie heeft betoogd dat alle ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend kunnen worden bewezen verklaard.

Hij heeft daarbij verwezen naar de zich in het dossier bevindende rapportage van de NVWA over de bevindingen tijdens de bezoeken aan het bedrijf en de daarbij gevoegde veterinaire verklaringen.

4.3

Standpunt raadsman

De raadsman heeft aangevoerd dat alle ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend kunnen worden bewezen verklaard. Verdachte erkent de feiten te hebben begaan.

4.4.

Oordeel rechtbank

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van de tenlastegelegde feiten op grond van de volgende bewijsmiddelen, waarbij zij - nu verdachte deze feiten heeft bekend en door of namens hem geen vrijspraak is bepleit - conform artikel 359, derde lid, laatste volzin van het Wetboek van Strafvordering (Sv), zal volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen:

 de verklaring van verdachte, afgelegd ter zitting van de meervoudige economische strafkamer in de rechtbank Overijssel op 19 juni 2019;

 een Pro Justita proces-verbaal, opgemaakt door verbalisanten [verbalisant] en [verbalisant] , beiden buitengewoon opsporingsambtenaar werkzaam bij de Nederlandse Voedsel – en Warenautoriteit, gesloten op 8 maart 2019;

 een drietal veterinaire verklaringen gedateerd 21 januari 2019, 11 februari 2019 en 7 maart 2019, opgemaakt door toezichthoudend dierenarts bij de NVWA, [naam 2] .

4.5

De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van genoemde bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat:

1

hij op 14 januari 2019 te Coevorden, als houder van aangewezen dierlijke bijproducten, te weten kadavers van runderen, er niet voor heeft zorggedragen dat kadavers zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk op de eerste werkdag volgend op de dag waarop de bijproducten zijn ontstaan, zijn aangegeven bij de ondernemer ( [naam 1] ),

immers werden

 in de kalverenstal aan de woning één kadaver van runderen, en

 voor de werktuigenloods: meerdere kadavers van runderen,

aangetroffen, die langer dan 48 uur dood waren;

2

hij op 14 januari 2019 te Coevorden, als houder van 55 melkkoeien en vier stuks jongvee en één dekstier, opzettelijk er geen zorg voor heeft gedragen dat:

 vier stuks jongvee (in de jongveestal) en

 55 melkkoeien en een dekstier (in de ligboxenstal),

toegang hadden tot een toereikende hoeveelheid water van passende kwaliteit of

op een andere wijze aan hun behoefte aan water konden voldoen,

zulks terwijl voornoemde overtreding plaatsvond in de uitoefening van een bedrijf waar dieren van krachtens artikel 2.3, tweede lid, van de Wet dieren aangewezen soorten of categorieën worden gehouden;

3

hij op 7 maart 2019 te Coevorden als houder van een aantal runderen, opzettelijk,

er geen zorg voor heeft gedragen dat 74 runderen, over een toereikende behuizing beschikte(n), onder voldoende hygiënische omstandigheden,

aangezien (een deel van) die runderen niet de beschikking hadden)over een voldoende schone, droge en hygiënische ligplaats en huisvesting, immers waren

 in de kalverenstal aan de woning een laag natte mest en urine aanwezig, de ligplaatsen bijna volledig bevuild met natte mest en urine en de runderen op de buik, flanken en achterwerk bevuild met opgedroogde en natte mest en

 in de ligboxenstal de roosters tussen de boxen aan de rechterkant bevuild met een laag mest, de betonvloer zonder de boxafscheidingen sterk bevuild met een dikke laag verse mest en bijna alle koeien op de buiken, poten, staarten en flanken bevuild met natte en opgedroogde mest en

 in de jongveestal de roostervloeren sterk bevuild met natte mest en urine en de runderen op de buik, flanken en achterwerk bevuild met opgedroogde en natte mest,

zulks terwijl voornoemde overtreding(en) plaatsvond(en) in de uitoefening van een bedrijf waar dieren van krachtens artikel 2.3, tweede lid, van de Wet dieren aangewezen soorten of categorieën worden gehouden;

4

hij op 7 maart 2019 te Coevorden, als houder van een aantal rund(eren) opzettelijk er geen zorg voor heeft gedragen dat:

52 runderen in de ligboxenstal, en

 een aantal runderen in de jongvee/stierenstal

een voor dat dier toereikende hoeveelheid gezond en voor de soort en de leeftijd geschikt voer kregen toegediend op een wijze die past bij het ontwikkelingsstadium van het dier, immers waren

de voerplaatsen in de ligboxenstal en de jongvee/stierenstal sterk bevuild met oude voerresten en er op de voergangen en op de voerplaatsen direct voor het voerhek oude beschimmelde voerresten en mest aanwezig,

zulks terwijl voornoemde overtreding(en) plaatsvond(en) in de uitoefening van een bedrijf waar dieren van krachtens artikel 2.3, tweede lid, van de Wet dieren aangewezen soorten of categorieën worden gehouden.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

5 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld in de artikelen 1.7 aanhef en onder d, e en f van het Besluit houders van dieren en artikel 3.22 lid 1 van de Regeling dierlijke producten.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:

feit 1

de overtreding:

overtreding van een voorschrift vastgesteld bij art. 3.22 lid 1 van de Regeling dierlijke producten juncto artikel 3.4 van de Wet dieren;

feit 2

het misdrijf:

overtreding van een voorschrift vastgesteld bij artikel 1.7 aanhef en onder f Besluit houders van dieren juncto artikel 2.3, tweede lid van de Wet dieren;

feit 3

het misdrijf:

overtreding van een voorschrift vastgesteld bij artikel 1.7 aanhef en onder d Besluit houders van dieren juncto artikel 2.3, tweede lid van de Wet dieren;

feit 4

het misdrijf:

overtreding van een voorschrift vastgesteld bij artikel 1.7 aanhef en onder e Besluit houders van dieren juncto artikel 2.3, tweede lid van de Wet dieren;

6 De strafbaarheid van verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor de bewezenverklaarde feiten.

7 De op te leggen straf of maatregel

7.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van de ten laste gelegde feiten wordt veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 240 uren, waarvan 80 uren voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren, met als bijkomende straf een voorwaardelijke stillegging van de onderneming voor de duur van 12 maanden met een proeftijd van 3 jaar.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft ter zitting het volgende aangevoerd - kort weergegeven -.

Zijn cliënt erkent de feiten te hebben begaan.

De raadsman verzoekt de rechtbank om bij de strafoplegging in het bijzonder rekening te houden met de bijzondere persoonlijke omstandigheden van zijn cliënt. Zijn cliënt heeft zijn hele leven samen met zijn vader op de boerderij gewerkt.

Na het overlijden van zijn vader zijn de problemen begonnen. Bij de overgang van maatschap naar eenmansbedrijf ontstonden complicaties. Zijn cliënt heeft er moeite mee om alles administratief op orde te krijgen. Inmiddels heeft hij hulp gezocht en geaccepteerd. Zijn cliënt wil graag weer als zelfstandig agrarisch ondernemer aan de slag.

De raadsman heeft er voorts op gewezen dat zijn cliënt al bijna € 60.000,00 moest betalen in verband met de tijdelijke stillegging van zijn onderneming en het transport van zijn runderen. De raadsman heeft daarbij gewezen op het gevaar van een dubbele bestraffing. Weliswaar sluiten eerdere bestuursrechtelijke maatregelen en sancties een strafrechtelijke vervolging niet (zonder meer) uit, echter de raadsman verzoekt de rechtbank om daarmee rekening te willen houden bij de strafoplegging.

7.3

De gronden voor een straf of maatregel

Verdachte heeft zich tijdens zijn werk als agrarisch ondernemer schuldig gemaakt aan een viertal economische delicten. Verdachte is in meerdere opzichten (zeer) ernstig tekort geschoten in de verzorging van het van hem afhankelijke vee. Daarnaast heeft verdachte verzuimd om tijdig, binnen de in de wet gegeven termijn, melding te doen van de aanwezigheid van kadavers van runderen in de stallen en op het erf.

Als gevolg van het handelen van verdachte is sprake geweest van langdurig en onnodig lijden van meerdere runderen.

Daarnaast heeft het handelen van verdachte risico’s met zich meegebracht ten aanzien van de voedselveiligheid voor personen en daarmee de algemene volksgezondheid.

Dit handelen van verdachte is zeer kwalijk.

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen.

De rechtbank acht neemt bij de strafoplegging voorts het volgende in aanmerking.

Uit een de verdachte betreffend uittreksel justitiële documentatie gedateerd 6 mei 2019 blijkt dat hij in 2012 al eens onherroepelijk is veroordeeld ter zake van strafbare feiten waaronder soortgelijke feiten.

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank voorts rekening met de inhoud van een reclasseringsrapportage van 12 juni 2019, opgemaakt door [naam 3] . Uit dit advies blijkt als volgt.

Verdachte erkent de feiten en betreurt dat hij de runderen in zijn melkveebedrijf heeft verwaarloosd.

Door het verlies van zijn vader en een oom - met wie hij jarenlang een maatschap vormde - is zijn psychisch functioneren verslechterd hetgeen leidde tot verlies van overzicht en financiële problemen. Positief is dat verdachte zich inmiddels heeft ‘herpakt’, ander werk heeft gezocht en gevonden en begeleiding en toezicht accepteert. De reclassering vermoedt dat niet snel sprake zal zijn van recidive, maar acht tevens veranderingen wel noodzakelijk. Verdachte is daarvoor gemotiveerd. In het verleden is echter gebleken dat hij moeite heeft met tegenslag en dat hij koppig kan zijn. Er is sprake van ernstige schuldenproblematiek. De reclassering werpt de vraag op of het wel verstandig en haalbaar is dat verdachte als zelfstandige verder gaat.

In geval van veroordeling wordt geadviseerd tot een strafoplegging zonder bijzondere voorwaarden. Voor het opleggen van een taakstraf zijn geen contra-indicaties. De reclassering ziet voor de toekomst opnieuw een rol weggelegd voor de NVWA en de RVO; dit lijken de aangewezen instanties om verdachte en zijn bedrijf op voorwaarden te controleren. Daarnaast is voorlopig ondersteuning aangewezen van instanties als Menso en ‘Maatschappelijk welzijn Coevorden’.

De rechtbank houdt bij de strafoplegging in strafverlichtende zin rekening met het bestuursrechtelijk optreden in deze zaak. Daarnaast is van belang dat verdachte aansprakelijk is gesteld voor de kosten ter hoogte van bijna € 60.000,00 voor het transport van zijn runderen in verband met de tijdelijke stillegging van zijn bedrijf. De stillegging van de onderneming moet voor verdachte moeilijk en pijnlijk zijn geweest.

Alles afwegende komt de rechtbank tot oplegging van een taakstraf van de hierna te melden duur, waarvan een deel voorwaardelijk, als een waarschuwing aan het adres van verdachte voor de toekomst.

Daarnaast is passend om als bijkomende straf een voorwaardelijke stillegging van de onderneming op te leggen voor de duur van een jaar, met een proeftijd van drie jaren.

8 De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen.

Daarnaast berust deze beslissing op artikel 57 Sr, artikel 2.2 lid 10 van de Wet dieren en de artikelen 1 sub 2, 1a sub 3, 2 en 7 onder c van de Wet op de Economische Delicten.

9 De beslissing

De rechtbank:

bewezenverklaring

- verklaart bewezen dat verdachte het onder 1, 2, 3 en 4 tenlastegelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;

- verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;

strafbaarheid feit

- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;

- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1

de overtreding: overtreding van een voorschrift vastgesteld bij art. 3.22 lid 1 van de Regeling dierlijke producten juncto artikel 3.4 van de Wet dieren;

feit 2

het misdrijf: overtreding van een voorschrift vastgesteld bij artikel 1.7 aanhef en onder f Besluit houders van dieren juncto artikel 2.3, tweede lid van de Wet dieren;

feit 3

het misdrijf: overtreding van een voorschrift vastgesteld bij artikel 1.7 aanhef en onder d Besluit houders van dieren juncto artikel 2.3, tweede lid van de Wet dieren;

feit 4

het misdrijf: overtreding van een voorschrift vastgesteld bij artikel 1.7 aanhef en onder e Besluit houders van dieren juncto artikel 2.3, tweede lid van de Wet dieren;

strafbaarheid verdachte

- verklaart verdachte strafbaar voor het bewezenverklaarde;

straf

Ten aanzien van feit 1:

- veroordeelt verdachte tot een taakstraf, bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid voor de duur van 40 (veertig) uren;

- beveelt, voor het geval dat verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 20 (twintig) dagen;

Ten aanzien van feit 2, 3 en 4:

- veroordeelt verdachte tot een taakstraf, bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid voor de duur van 200 (tweehonderd) uren;

- bepaalt dat een deel van de taakstraf ter grootte van 80 (tachtig) uren (subsidiair 40 dagen vervangende hechtenis) niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten.

De rechter kan de tenuitvoerlegging gelasten indien verdachte voor het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren de navolgende algemene voorwaarde(n) niet is nagekomen:

- zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

Ten aanzien van feit 2, 3 en 4:

Bepaalt dat als bijkomende straf aan verdachte wordt opgelegd:

- de voorwaardelijke stillegging van de onderneming voor de duur van 1 (één) jaar.

De rechter kan de tenuitvoerlegging van deze bijkomende straf gelasten indien verdachte voor het einde van de proeftijd van 3 (drie) jaren de navolgende algemene voorwaarde(n) niet is nagekomen:

- zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

Dit vonnis is gewezen door mr. G.H. Meijer, voorzitter, mr. H. Vegter en mr. J.P. Scheffer, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J.M. van Westerlaak, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 3 juli 2019.