Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2019:2221

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
01-07-2019
Datum publicatie
01-07-2019
Zaaknummer
08/770022-19 en 96/057992-17 (vtvv) (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank Overijssel veroordeelt een 43-jarige man tot een gevangenisstraf van 332 dagen, waarvan 180 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar. Hij heeft zich schuldig gemaakt aan een mishandeling en twee bedreigingen met een mes van meerdere jongens in Dedemsvaart. De man is onder invloed van alcohol naar buiten gegaan en heeft een keukenmes meegenomen waarmee hij één slachtoffer, die er niets mee te maken had, heeft verwond en de andere omstanders heeft bedreigd met het mes.

Naast de gevangenisstraf moet de man zich houden aan bijzondere voorwaarden, waaronder een meldplicht bij de Reclassering en moet hij zich ambulant laten behandelen. Ook moet hij een van de slachtoffers een schadevergoeding betalen van 978,45 euro.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Strafrecht

Meervoudige kamer

Zittingsplaats Zwolle

Parketnummers: 08/770022-19 en 96/057992-17 (vtvv) (P)

Datum vonnis: 1 juli 2019

Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1976 in [geboorteplaats] ,

wonende te [adres] ,

nu verblijvende in PPC Zwolle te Zwolle.

1 Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 17 mei 2019 en 17 juni 2019.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie

mr. M.H. de Weert en van hetgeen door verdachte en de raadsman mr. O.R.R. Hetterscheidt, advocaat te Utrecht, naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

De verdenking komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

feit 1: op 30 januari 2019 in Dedemsvaart [slachtoffer 1] heeft mishandeld;

feit 2: op 30 januari 2019 in Dedemsvaart diezelfde [slachtoffer 1] en/of omstanders heeft bedreigd met een mes en

feit 3: op 25 januari 2019 in Dedemsvaart [slachtoffer 2] en/of omstanders heeft bedreigd met een mes.

Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:

1

hij op of omstreeks 30 januari 2019 te Dedemsvaart, gemeente Hardenberg, [slachtoffer 1] heeft mishandeld door die [slachtoffer 1] (met kracht) bij het hoofd te pakken en/of (vervolgens) aan de haren te trekken en/of (met) een mes, althans met een scherp en/of puntig voorwerp, op/tegen het hoofd te duwen waardoor die [slachtoffer 1] (uit reactie) in het mes heeft gegrepen;

2

hij op of omstreeks 30 januari 2019 te Dedemsvaart, gemeente Hardenberg, [slachtoffer 1] en/of een of meer omstanders heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door

- een mes, althans een soortgelijk scherp en/of puntig voorwerp, (uit zijn, verdachtes, jaszak) te pakken en/of

- voornoemd mes, althans soortgelijk scherp en/of puntig voorwerp, op/tegen het hoofd van die [slachtoffer 1] te zetten/te duwen/te houden en/of op korte afstand van die [slachtoffer 1] en/of omstanders te houden en/of

- hem/hen (daarbij) de woorden toe te voegen: "Kankerlijers, ik pak jullie nog wel" en/of " [slachtoffer 2] kom dan hier! Je kunt niet met mij fucken" en/of "Jullie mogen geen politie bellen", althans handelingen en/of woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking;

3

hij op of omstreeks 25 januari 2019 te Dedemsvaart, gemeente Hardenberg, [slachtoffer 2] en/of een of meer omstanders heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door

- een mes, althans een soortgelijk scherp en/of puntig voorwerp, te pakken en/of

- voornoemd mes, althans soortgelijk scherp en/of puntig voorwerp, op (zeer) korte afstand en/of in de richting te houden van die [slachtoffer 2] en/of omstanders en/of

- met voornoemd mes, althans soortgelijk scherp en/of puntig voorwerp, in zijn, verdachtes, handen, te lopen in de richting van die [slachtoffer 2] en/of omstanders en/of

- hem/hen daarbij de woorden toe te voegen: "Achteruit, anders doe ik jullie wat!" en/of "Ik steek jullie neer", althans handelingen en/of woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

3 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 De bewijsoverwegingen

4.1

Inleiding

Op 30 januari 2019 heeft [slachtoffer 1] aangifte gedaan dat hij die dag in Dedemsvaart bij de jeugdsoos [naam 1] buiten op een bankje zat, toen rond 21.15 uur een man op hem kwam aflopen, die hem met veel kracht aan zijn haar trok en met iets hards tegen zijn hoofd duwde. Aangever [slachtoffer 1] greep als reactie naar zijn hoofd en greep hierbij in een mes. Hierbij liep aangever een snee in zijn hand op en tevens was zijn bril van zijn hoofd gevallen.

Meerdere getuigen hebben verklaard dat zij op 30 januari 2019 na dit steekincident hebben gezien dat de persoon met een mes weg liep en daarbij dreigende woorden riep. Hiervan heeft [getuige 1] op 1 februari 2019 aangifte gedaan.

Op 30 januari 2019 heeft [slachtoffer 2] aangifte gedaan nu hij op 25 januari 2019 door een persoon was bedreigd met een mes. Aangever [slachtoffer 2] heeft verklaard dat hij op 25 januari 2019 met meerdere personen was en dat de persoon waar hij eerder een keer wiet van had gekocht met een mes in hun richting wees en hen tevens dreigende woorden toevoegde.

Deze persoon bleek verdachte te zijn, die vervolgens op 30 januari 2019 op heterdaad in Dedemsvaart is aangehouden door de politie.

Verdachte heeft aanvankelijk bij de politie ten aanzien van alle drie de ten laste gelegde feiten een ontkennende verklaring afgelegd.

Ter terechtzitting van 17 juni 2019 heeft verdachte een bekennende verklaring afgelegd. Verdachte heeft verklaard dat hij al langer ruzie had met een groep jongeren in Dedemsvaart en dat hij op 30 januari 2019 onder invloed van alcohol met een keukenmes naar buiten is gegaan en daar een jongen heeft mishandeld en meerdere anderen heeft bedreigd met een mes. Verdachte heeft verklaard dat hij regelmatig met een mes naar buiten ging in die periode, omdat hij zich bedreigd voelde door de groep jongeren.

Verdachte heeft verklaard dat hij op 25 januari 2019 door [slachtoffer 2] samen met zes of zeven andere jongens is belaagd, waarna hij [slachtoffer 2] en de anderen ook met een mes heeft bedreigd en bedreigende woorden tegen hen heeft geroepen, al kan hij het zich niet meer precies herinneren.

4.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld voor het onder
1, 2 en 3 ten laste gelegde, gelet op de aangiftes in het dossier, de getuigenverklaringen en de bekennende verklaring van verdachte.

4.3

Het standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte heeft zich – overeenkomstig een aan de rechtbank overgelegde schriftelijke pleitnota – gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank ten aanzien van alle drie de ten laste gelegde feiten, gelet op de bekennende verklaring van verdachte.

4.4

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van de tenlastegelegde feiten op grond van de in de bijlage genoemde bewijsmiddelen, waarbij de rechtbank - nu verdachte deze feiten heeft bekend en door of namens hem geen vrijspraak is bepleit - conform artikel 359, derde lid, laatste volzin van het Wetboek van Strafvordering (Sv), in de bijlage zal volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen.

4.5

De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in de bijlage genoemde bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat:

1

hij op 30 januari 2019 te Dedemsvaart, gemeente Hardenberg, [slachtoffer 1] heeft mishandeld door die [slachtoffer 1] (met kracht) bij het hoofd te pakken en (vervolgens) aan de haren te trekken en (met) een mes, tegen het hoofd te duwen waardoor die [slachtoffer 1] (uit reactie) in het mes heeft gegrepen;

2

hij op 30 januari 2019 te Dedemsvaart, gemeente Hardenberg, [slachtoffer 1] en omstanders heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, door

- een mes, uit zijn, verdachtes, jaszak te pakken en

- voornoemd mes, tegen het hoofd van die [slachtoffer 1] te zetten en op korte afstand van die [slachtoffer 1] en omstanders te houden en

- hen (daarbij) de woorden toe te voegen: "Kankerlijers, ik pak jullie nog wel" en/of " [slachtoffer 2] kom dan hier! Je kunt niet met mij fucken" en/of "Jullie mogen geen politie bellen", althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking;

3

hij op 25 januari 2019 te Dedemsvaart, gemeente Hardenberg, [slachtoffer 2] en omstanders heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, door

- een mes te pakken en

- voornoemd mes, in de richting te houden van die [slachtoffer 2] en omstanders en

- met voornoemd mes, in zijn, verdachtes, handen, te lopen in de richting van die [slachtoffer 2] en omstanders en

- hen daarbij de woorden toe te voegen: "Achteruit, anders doe ik jullie wat!" en/of "Ik steek jullie neer", althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte onder 1, 2 en 3 meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

5 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld in de artikelen 285 en 300 van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:

feit 1

het misdrijf: mishandeling;

feit 2

het misdrijf: bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd;

feit 3

het misdrijf: bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd.

6 De strafbaarheid van verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor de bewezenverklaarde feiten.

7 De op te leggen straf of maatregel

7.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstaf voor de duur van 242 dagen waarvan 90 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar met aftrek van het voorarrest. De officier van justitie heeft voorts gevorderd aan verdachte op te leggen de bijzondere voorwaarden zoals deze staan vermeld in het rapport van Tactus Verslavingszorg d.d. 12 juni 2019. Tot slot heeft de officier van justitie de rechtbank verzocht om deze bijzondere voorwaarden dadelijk uitvoerbaar te verklaren.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte heeft zich ten aanzien van een eventueel op te leggen straf op het standpunt gesteld dat rekening gehouden moet worden met het feit dat verdachte verminderd toerekeningsvatbaar was ten tijde van het plegen van de strafbare feiten. De raadsman heeft voorts verzocht om aan verdachte een voorwaardelijke straf op te leggen met oplegging van de bijzondere voorwaarden, zoals door de reclassering is geadviseerd.

7.3

De gronden voor een straf of maatregel

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij het volgende van belang.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een mishandeling en aan twee bedreigingen met een mes van meerdere jongens in Dedemsvaart, waarmee verdachte naar zijn zeggen een langer lopend conflict had. Verdachte is onder invloed van alcohol naar buiten gegaan en heeft een groot keukenmes meegenomen waarmee hij één slachtoffer, die niets met het conflict te maken had, heeft verwond en andere omstanders heeft bedreigd door hen een mes voor te houden en hen daarbij dreigende woorden toe te voegen. Ook op eerdere datum had verdachte al diverse jongeren bedreigd met een mes, waaronder [slachtoffer 2] . Verdachte heeft door zijn handelen gevoelens van angst veroorzaakt bij deze jongeren. Daarnaast heeft verdachte door zo te handelen bijgedragen aan de in de maatschappij levende gevoelens van onrust en onveiligheid. De rechtbank rekent verdachte dit handelen aan.

De rechtbank heeft voorts kennisgenomen van:

  • -

    een Pro Justitia rapport psychologisch onderzoek d.d. 12 juni 2019, opgemaakt door
    P.E. Geurkink, gezondheidszorg en forensisch psycholoog;

  • -

    een reclasseringsadvies van Tactus Verslavingszorg d.d. 12 juni 2019, opgemaakt door N. Meijer en

  • -

    een de verdachte betreffend uittreksel justitiële documentatie d.d. 2 mei 2019.

Uit het Pro Justitia rapport is gebleken dat bij verdachte sprake is van een ziekelijke stoornis van de geestvermogens bestaande uit een ernstige verslaving aan middelen, te weten het gebruik van alcohol, amfetamine en cannabis. Daarnaast is bij verdachte sprake van een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens bestaande uit een persoonlijkheidsstoornis met vooral borderline kenmerken. Vanwege deze gecombineerde pathologie is verdachte een psychisch kwetsbare man die snel uit zijn evenwicht is. Deze verslavingspathologie en persoonlijkheidsstoornis waren aanwezig ten tijde van de ten laste gelegde feiten. Verdachte stond psychisch zwaar onder druk vanwege persoonlijke problemen en kon de spanningen en frustraties door zijn zwakke persoonlijkheidsstructuur niet reguleren en niet oplossen en is als gevolg daarvan middelen gaan gebruiken en dan met name alcohol en amfetamine. Dit heeft een verder ontregelend effect op zijn psychische conditie gehad in de zin van verminderd overzicht en een toename van de impulsiviteit. De psycholoog heeft gelet hierop geadviseerd om verdachte als verminderd toerekeningsvatbaar te beschouwen.

Uit het Pro Justitia rapport komt naar voren dat de klinische inschatting van de kans op recidive hoog is op de middellange termijn. Daarbij is bij verdachte sprake van veel onderliggende boosheid, is er een gebrekkige coping, heeft hij een kwetsbare persoonlijkheidsstructuur en is sprake van ernstig middelenmisbruik. Daarnaast is verdachte eerder veroordeeld voor geweldsdelicten. Deze risicofactoren hebben tot gevolg dat het recidiverisico bij verdachte wordt ingeschat als hoog. De psycholoog heeft gelet hierop geadviseerd dat verdachte behandeling nodig heeft om de kans op recidive te verminderen. Deze behandeling dient zich met name te richten op verdachtes verslavingspathologie en het weer in structuur brengen van zijn maatschappelijke situatie. Verdachte is meer een psychisch kwetsbare man die snel – en zeker onder invloed van middelen – het overzicht verliest en tot inadequaat gedrag komt, dan een primair agressieve man. De psycholoog heeft geadviseerd aan verdachte deze behandeling op te leggen als bijzondere voorwaarde bij een voorwaardelijke straf.

In het reclasseringsadvies van Tactus Verslavingszorg van 12 juni 2019 is beschreven dat sprake is van een delictpatroon van ernstige veroordelingen waarbij personen gevaar lopen en alcohol een terugkerend thema is. Gebleken is dat aan verdachte in het verleden diverse verschillende straffen en strafmodaliteiten zijn opgelegd – waaronder een terbeschikkingstelling met dwangverpleging – maar dat deze tot op heden onvoldoende zijn gebleken om verdachte op het rechte pad te houden. Bij verdachte is sprake van een zorgelijke situatie op een aantal leefgebieden. Zo is gebleken dat sprake is van een opbouw in verdachtes agressie, zijn er signalen van huiselijk geweld en is sprake van alcoholgebruik. Voorts is gebleken dat verdachte in een proeftijd liep met reclasseringstoezicht met daarbij een aantal bijzondere voorwaarden, waaronder een meldplicht, urinecontroles en behandelgesprekken, maar dat verdachte zich onvoldoende aan de gestelde voorwaarden heeft gehouden. De reclassering heeft vastgesteld dat bij verdachte een gebrekkige zelfbeheersing in combinatie met het middelengebruik de belangrijkste delictgerelateerde factoren zijn.

De reclassering heeft het risico op recidive en letselschade ingeschat op hoog. Risicofactoren zijn het delictverleden van verdachte, de meldingen van de politie inhoudende overlast en huiselijk geweld, het ontbreken van een dagbesteding, de problematiek op het gebied van alcoholgebruik en de berekenende sociaal wenselijke houding van verdachte. Voornoemde factoren leiden ertoe dat het risico op recidive bij verdachte hoog is. Door de reclassering wordt aan verdachte – vanwege de gemotiveerde houding die hij op dit moment heeft om zich te laten behandelen voor zijn problematiek - nog een laatste kans geboden om te laten zien dat hij zich wel kan houden aan bijzondere voorwaarden en dat hij hulpverlening gaat accepteren. Door Tactus Verslavingszorg wordt geadviseerd aan verdachte een voorwaardelijke straf op te leggen, met daarbij de bijzondere voorwaarden van een meldplicht, het volgen van een ambulante behandeling (met mogelijkheid tot kortdurende klinische opname), begeleid wonen of maatschappelijke opvang en het meewerken aan middelencontrole.

De rechtbank onderschrijft de conclusies van de rapporteurs en maakt deze conclusies tot de hare.

De rechtbank zal bij de strafoplegging aldus rekening houden met de verminderde toerekeningsvatbaarheid van verdachte.

De verdachte verdient straf voor wat hij heeft gedaan, maar heeft ook behandeling en begeleiding van de reclassering nodig om te leren omgaan met zijn verslavingsproblematiek, zijn verantwoordelijkheid, wonen en vrije tijd, zodat verdachte niet weer in een situatie terechtkomt waarin hij strafbare feiten pleegt.

De rechtbank is van oordeel dat gelet op de aard en de ernst van de feiten oplegging van een gevangenisstraf aan de orde is, mede vanwege verdachtes aanzienlijke justitiële documentatie. In deze strafzaak zal worden volstaan met oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur die gelijk is aan de duur die verdachte reeds in voorarrest heeft verbleven.

De rechtbank ziet in de bovenvermelde adviezen aanleiding om daarnaast een forse voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen voor de duur van 180 dagen onder de door Tactus Verslavingszorg genoemde voorwaarden in haar reclasseringsadvies van 12 juni 2019. De rechtbank beoogt hiermee verdachte een laatste kans op begeleiding en behandeling te bieden en mede hierdoor de kans op herhaling te verminderen. Een hogere voorwaardelijke straf dan door de officier van justitie geëist is noodzakelijk, omdat sprake is van een hoog recidive risico bij alcoholgebruik op langere termijn en verdachte gebaat is bij een flinke stok achter de deur. Bij haar beslissing heeft de rechtbank verder rekening gehouden met het feit dat de incidenten zeer kort op elkaar hebben plaatsgevonden en verdachte disproportioneel heeft gehandeld richting de slachtoffers.

De rechtbank is van oordeel dat de op grond van artikel 14c Sr te stellen voorwaarden en het op grond van artikel 14d Sr uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar moeten zijn nu er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van één of meer personen. Verdachte heeft immers onder invloed van alcohol forse agressieproblematiek laten zien, die in korte tijd tot meerdere strafbare feiten heeft geleid. Zolang verdachte niet voor zijn verslavingsproblematiek wordt behandeld en zijn alcoholgebruik niet aan banden is gelegd, is de kans groot dat verdachte opnieuw vergelijkbare feiten zal plegen.

8 De schade van benadeelden

8.1

De vordering van de benadeelde partij

[slachtoffer 1] (wettelijke vertegenwoordiger [naam 3] ) heeft zich als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert verdachte te veroordelen om schadevergoeding te betalen tot een totaalbedrag van € 879,08 (achthonderdnegenenzeventig euro en acht cent) te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd. De gevorderde materiële schade bestaat uit de volgende posten:

- verband: € 5,76;

- jas: € 69,99;

- schoenen: € 59,99;

- bril: € 194,50;

- openbaar vervoer: € 48,84.

Wegens immateriële schade wordt een bedrag van € 500,-- gevorderd.

[naam 3] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert verdachte te veroordelen om schadevergoeding te betalen tot een totaalbedrag van

€ 99,37 (negenennegentig euro en zevenendertig cent) te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd. De gevorderde materiële schade bestaat uit de volgende posten:

- reiskosten: € 52,19;

- parkeerkosten: € 5,80;

- reiskosten: € 41,38.

8.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de vordering van de benadeelde partij
[slachtoffer 1] kan worden toegewezen tot € 879,08, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel tot voornoemd bedrag.

De officier van justitie heeft gevorderd dat de vordering van de benadeelde partij
[naam 3] kan worden toegewezen tot € 99,37, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel tot voornoemd bedrag.

8.3

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] geen opmerkingen gemaakt en aangegeven dat verdachte deze vordering zal voldoen.

De raadsman heeft ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [naam 3] geen opmerkingen gemaakt en aangegeven dat verdachte deze vordering zal voldoen.

8.4

Het oordeel van de rechtbank

Door de gebezigde bewijsmiddelen en de behandeling op de terechtzitting is komen vast te staan dat verdachte door het onder 1 bewezenverklaarde feit rechtstreeks schade heeft toegebracht aan de benadeelde partij [slachtoffer 1] . De opgevoerde schadeposten zijn niet betwist en voldoende onderbouwd en aannemelijk. De rechtbank zal het gevorderde daarom toewijzen tot een bedrag van € 879,08 te vermeerderen met de verschuldigde wettelijke rente vanaf de datum waarop het voegingsformulier is ondertekend.

Door de gebezigde bewijsmiddelen en de behandeling op de terechtzitting is komen vast te staan dat verdachte door het onder 1 bewezenverklaarde feit rechtstreeks schade heeft toegebracht aan de benadeelde partij [naam 3] . Benadeelde partij [naam 3] is de moeder van het slachtoffer [slachtoffer 1] . Het slachtoffer is minderjarig en om die reden heeft benadeelde reiskosten gemaakt voor haar zoon, zodat sprake is geweest van verplaatste schade. De opgevoerde schadeposten zijn niet betwist en voldoende onderbouwd en aannemelijk. De rechtbank zal het gevorderde daarom toewijzen tot een bedrag van € 99,37 te vermeerderen met de verschuldigde wettelijke rente vanaf de datum waarop het voegingsformulier is ondertekend.

8.5

De schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij heeft verzocht en de officier van justitie heeft gevorderd de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

De rechtbank zal de maatregel als bedoeld in artikel 36f Sr opleggen, aangezien verdachte jegens de benadeelde partij naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het feit is toegebracht.

9 De vordering tenuitvoerlegging

De officier van justitie heeft gevorderd dat de vordering tenuitvoerlegging wordt afgewezen.

De raadsman heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

De rechtbank is van oordeel dat gelet op het feit dat verdachte, zoals hiervoor overwogen, zal worden veroordeeld tot een aanzienlijke voorwaardelijke gevangenisstraf met oplegging van bijzondere voorwaarden, zodat verdachte kan worden behandeld en begeleid door de reclassering, de vordering tot tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter Gelderland, locatie Zutphen van 21 juni 2017 met parketnummer 96/057992-17 voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf voor de duur van 2 weken moet worden afgewezen, nu het uitzitten van een gevangenisstraf op dit moment niet opportuun is.

10 De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d en 57 Sr.

11 De beslissing

De rechtbank:

bewezenverklaring

- verklaart bewezen dat verdachte het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;

- verklaart niet bewezen wat aan verdachte onder 1, 2 en 3 meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;

strafbaarheid feit

- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;

- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1: het misdrijf: mishandeling;

feit 2: het misdrijf: bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen

gepleegd;

feit 3: het misdrijf: bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen

gepleegd;

strafbaarheid verdachte

- verklaart verdachte strafbaar voor het onder 1, 2 en 3 bewezenverklaarde;

straf

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 332 (driehonderd tweeëndertig) dagen;

- bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte van 180 (honderdtachtig) dagen niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten.

De rechter kan de tenuitvoerlegging gelasten indien verdachte voor het einde van de proeftijd van 3 (drie) jaren de navolgende voorwaarde(n) niet is nagekomen:

- stelt als algemene voorwaarde dat verdachte:

- zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- stelt als bijzondere voorwaarden dat verdachte:

- zich gedurende de proeftijd meldt bij Tactus Reclassering op de door de reclassering te bepalen tijdstippen, zo frequent en zo lang deze instelling dat nodig acht;

- zich ambulant laat behandelen bij Tactus Verslavingszorg of een soortgelijke zorgverlener ten behoeve van zijn middelenproblematiek in combinatie met de problematiek op het gebied van psychosociaal functioneren, ter beoordeling van de reclassering, indien en zo lang als de reclassering dit noodzakelijk acht. Verdachte zal zich dan houden aan de regels en aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling. Als daartoe aanleiding is, kan de reclassering een indicatiestelling aanvragen voor een kortdurende klinische opname. Als de voor indicatie verantwoordelijke instantie een kortdurende klinische opname indiceert, laat verdachte zich opnemen in een zorginstelling, te bepalen door de justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing. De kortdurende klinische opname duurt maximaal zeven weken of zoveel korter als de reclassering nodig vindt;

- woonbegeleiding van het Leger des Heils of een andere instelling voor beschermd wonen of maatschappelijke opvang krijgt, te bepalen door de reclassering. De woonbegeleiding duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt;

- meewerkt aan controle van het gebruik van alcohol, cannabis en amfetamine om het middelengebruik te beheersen. De reclassering kan urineonderzoek en ademonderzoek (blaastest) gebruiken voor de controle. De reclassering bepaalt hoe vaak betrokkene wordt gecontroleerd;

- draagt de reclassering op om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;
daarbij gelden als voorwaarden van rechtswege dat verdachte:

- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

- medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, Sr, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

- beveelt dat de op grond van artikel 14c Sr gestelde voorwaarden en het op grond van artikel 14d Sr uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn;

- bepaalt dat de tijd die de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

schadevergoeding

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 1] (wettelijk vertegenwoordiger [naam 3] ) (feit 1): van een bedrag van € 879,08 (te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 10 april 2019);

- veroordeelt verdachte daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;

- legt de maatregel op dat verdachte verplicht is ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde feit tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 879,08, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 10 april 2019 ten behoeve van de benadeelde, met bevel, voor het geval dat volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt, dat vervangende hechtenis voor de duur van 17 dagen zal worden toegepast. Tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis laat de betalingsverplichting onverlet;

- bepaalt dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als verdachte aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen;

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [naam 3] (feit 1): van een bedrag van € 99,37 (te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 10 april 2019)

- veroordeelt verdachte daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;

- legt de maatregel op dat verdachte verplicht is ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde feit tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 99,37, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 10 april 2019 ten behoeve van de benadeelde, met bevel, voor het geval dat volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt, dat vervangende hechtenis voor de duur van 1 dag zal worden toegepast. Tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis laat de betalingsverplichting onverlet;

- bepaalt dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als verdachte aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen;

opheffing bevel voorlopige hechtenis

- heft het bevel tot voorlopige hechtenis op met ingang van de dag dat het voorarrest gelijk wordt aan de opgelegde onvoorwaardelijke straf;

tenuitvoerlegging voorwaardelijke straf

- wijst af de vordering tot tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter Gelderland, locatie Zutphen van 21 juni 2017 met parketnummer 96/057992-17 voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf voor de duur van twee weken.

Dit vonnis is gewezen door mr. D.L. Westendorp, voorzitter, mr. V.P.K. van Rosmalen en mr. D.E. Schaap, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M. van Nassau, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 1 juli 2019.

Buiten staat

De voorzitter is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage bewijsmiddelen

Leeswijzer

Deze bijlage maakt deel uit van het vonnis en bevat de bewijsmiddelen.

Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit bladzijden uit het dossier van de politie eenheid Oost-Nederland District IJsselland, basisteam Vechtdal met registratienummer PL0600-2019075655 van 21 maart 2019. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.

Feit 1

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen hetgeen verdachte onder 1 is ten laste gelegd, gelet op de volgende bewijsmiddelen:

 Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 1]1;

 Het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 2]2;

 Het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 1]3;

 De bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting4.

Feit 2

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen hetgeen verdachte onder 2 is ten laste gelegd, gelet op de volgende bewijsmiddelen:

 Het proces-verbaal van aangifte van [getuige 1]5;

 Het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 3]6;

 De bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting7.

Feit 3

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen hetgeen verdachte onder 3 is ten laste gelegd, gelet op de volgende bewijsmiddelen:

 Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 2]8;

 Het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 4]9;

 Het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 5]10;

 De bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting11.

1 Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 1] d.d. 30 januari 2019, pag. 13 en 14.

2 Proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 2] d.d. 30 januari 2019, pag. 19 en 20.

3 Proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 1] d.d. 30 januari 2019, pag. 21 en 22.

4 Verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting d.d. 17 juni 2019.

5 Proces-verbaal van aangifte van [getuige 1] d.d. 1 februari 2019, pag. 50 en 51.

6 Proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 3] d.d. 30 januari 2019, pag. 23 en 24.

7 Verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting d.d. 17 juni 2019.

8 Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 2] d.d. 30 januari 2019, pag. 38 t/m 40.

9 Proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 4] d.d. 31 januari 2019, pag. 48 en 49.

10 Proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 5] d.d. 31 januari 2019, pag. 25 en 26.

11 Verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting d.d. 17 juni 2019.