Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2019:1834

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
29-05-2019
Datum publicatie
29-05-2019
Zaaknummer
08-952013-19 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank Overijssel veroordeelt een 19-jarige jongen tot een gevangenisstraf van 12 maanden, waarvan 4 voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar. De man en zijn mededader overvielen in december vorig jaar een pizzakoerier en gebruikten daarbij geweld en bedreiging met geweld. Het slachtoffer is zodanig bang gemaakt dat hij ook nu nog veel last heeft van deze actie en overweegt om hulp te zoeken. Naast de gevangenisstraf moet de man zich houden aan de bijzondere voorwaarden, waaronder een meldplicht bij de Reclassering en een contactverbod met medeverdachte. Daarnaast moet hij het slachtoffer een schadevergoeding betalen van 750 euro.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Strafrecht

Meervoudige kamer

Zittingsplaats Almelo

Parketnummer 08-952013-19 (P)

Datum vonnis: 29 mei 2019

Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum 1] 1999 in [geboorteplaats 1] ( [land] ),

wonende te [adres 1] ,

nu verblijvende in Detentiecentrum Schiphol HvB te Badhoevedorp.

1 Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 6 mei 2019 en 16 mei 2019.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. G. Jansen en van hetgeen door verdachte en de raadsman mr. H.G. Koopman, advocaat te Amsterdam, naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

De verdenking komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

primair: samen met een ander een portemonnee met inhoud en een telefoon van [slachtoffer] heeft gestolen, waarbij verdachte en de medeverdachte geweld hebben toegepast en/of hebben gedreigd met geweld, of

subsidiair: samen met een ander [slachtoffer] heeft afgeperst door hem met geweld en/of dreiging met geweld te dwingen een portemonnee met inhoud en een telefoon af te geven.

Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:

hij op of omstreeks 10 december 2018 te Almelo, in elk geval in Nederland, op of aan de openbare weg, te weten aan [adres 2] , tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een portemonnee met inhoud en/of een telefoon (een Iphone 7s), in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander dan aan verdachte en/of zijn

mededader(s)toebehoorde, te weten aan [slachtoffer] en/of [pizzaria] , heeft weggenomen, met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond dat hij, verdachte en/of zijn mededader(s): - die [slachtoffer] heeft/hebben vastgegrepen en/of die [slachtoffer] op de grond heeft/hebben geduwd en/of - vervolgens een of meer vuurwapen(s) aan die [slachtoffer] heeft/hebben getoond en/of op voornoemde [slachtoffer] heeft/hebben gericht en/of - vervolgens op de borst en/of het bovenlichaam en/of het hoofd van die [slachtoffer] heeft/hebben gestaan en/of gedrukt om die [slachtoffer] in bedwang te houden en/of - daarbij een of meermalen heeft/hebben geroepen: "Geef me je geld. Geef me alles wat je hebt.", althans woorden van gelijke strekking;

ALTHANS, voor zover voor het vorenstaande onder 1 geen veroordeling mocht of zou kunnen volgen, SUBSIDIAIR ter zake dat

hij op of omstreeks 10 december 2018 te Almelo, in elk geval in Nederland, op of aan de openbare weg, te weten aan [adres 2] , tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, [slachtoffer] heeft gedwongen tot de afgifte van een portemonnee met inhoud en/of een telefoon (een Iphone 7s), in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde, te weten aan [slachtoffer] en/of [pizzaria] , met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen, door geweld en/of bedreiging met geweld, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond dat hij, verdachte en/of zijn mededader(s):

- die [slachtoffer] heeft/hebben vastgegrepen en/of die [slachtoffer] op de grond heeft/hebben geduwd en/of

- vervolgens een of meer vuurwapen(s) aan die [slachtoffer] heeft/hebben getoond en/of op voornoemde [slachtoffer] heeft/hebben gericht en/of

- vervolgens op de borst en/of het bovenlichaam en/of het hoofd van die [slachtoffer] heeft/hebben gestaan en/of gedrukt om die [slachtoffer] in bedwang te houden en/of

- daarbij een of meermalen heeft/hebben geroepen: "Geef me je geld. Geef me alles wat je hebt.", althans woorden van gelijke strekking;

3 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 De bewijsoverwegingen

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie staat op het standpunt dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte en de medeverdachte [medeverdachte] het slachtoffer [slachtoffer] – die op dat moment als pizzakoerier aan het werk was – hebben overvallen, waarbij sprake was van bedreiging met geweld en ook geweld doordat verdachte werd geduwd en op de grond viel en er een voet op zijn borst en helm is gezet. Dat volgt uit de verklaring van het slachtoffer en uit de bekennende verklaringen van verdachten. Uit de omstandigheid dat verdachte en de medeverdachte zich met een sjaal en bivakmuts zo goed als onherkenbaar hadden gemaakt, volgt dat er sprake was van een gezamenlijk plan. Dat er gedreigd is met een vuurwapen is niet bewezen.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman refereert zich voor wat de betreft de bewezenverklaring aan het oordeel van de rechtbank, zij het dat er geen sprake was van afpersing maar van een diefstal met geweld, derhalve het onder primair tenlastegelegde. Er is geen vuurwapen gebruikt en er is evenmin sprake geweest van geweld in de zin van vastgrijpen en duwen: het slachtoffer is uit zichzelf op de grond gaan liggen. Wel is bewezen dat er een voet op de borst en/of helm van [slachtoffer] is gezet.

4.3

Het oordeel van de rechtbank 1

De rechtbank is van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte het primair tenlastegelegde feit, samen met een medeverdachte, heeft begaan.

De rechtbank overweegt daartoe het volgende.

Uit de verklaring van aangever2 en die van verdachte3 alsmede uit de verklaring van medeverdachte [medeverdachte] tegenover de politie afgelegd4 volgt het volgende: op 10 december 2018 kreeg [slachtoffer] , op dat moment werkzaam als pizzabezorger, het verzoek een pizza te brengen naar [adres 3] in Almelo. Medeverdachte [medeverdachte] had de telefoon van verdachte gebruikt om een pizza op dat adres te bestellen. Toen [slachtoffer] daar arriveerde kwamen twee jongens – verdachte en [medeverdachte] – op hem aflopen: één van hen zei tegen [slachtoffer] dat hij moest blijven staan. Beide jongens hadden zich zo gekleed dat zij onherkenbaar waren. [slachtoffer] zag en voelde dat de jongen die voorop liep met zijn hand op de helm van [slachtoffer] tikte. Vervolgens ging [slachtoffer] op de grond liggen. Daarna kreeg hij een voet van één van de jongens op de borst. Verdachte en [medeverdachte] riepen tegen [slachtoffer] dat hij geld moest geven. Daarop heeft verdachte de portemonnee uit de jas van [slachtoffer] gehaald. Vervolgens werd er een voet op de helm van [slachtoffer] geplaatst en haalde één van de jongens de telefoon uit de achterzak van de broek van [slachtoffer] .

Hoewel verdachten naar elkaar wijzen als het gaat om het initiatief voor de diefstal met geweld/bedreiging met geweld en om wie dat geweld heeft toegepast zodat de rolverdeling niet vaststaat, volgt uit het voorgaande dat er sprake was van diefstal van een portemonnee met inhoud en een mobiele telefoon. Daarbij hebben verdachte en de medeverdachte [medeverdachte] geweld gebruikt tegen [slachtoffer] door een voet op zijn borst en helm – die [slachtoffer] op dat moment op zijn hoofd had – te zetten. De bedreiging met geweld bestond uit het tikken tegen de helm van [slachtoffer] en het roepen tegen [slachtoffer] dat hij geld en alles wat hij had moest geven.

Niet is komen vast te staan dat verdachte of de medeverdachte [medeverdachte] [slachtoffer] hebben vastgegrepen, op de grond hebben geduwd en gebruik hebben gemaakt van een vuurwapen of van een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, zodat verdachte van dit onderdeel van de tenlastelegging wordt vrijgesproken.

4.5

De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van genoemde bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat:

hij op 10 december 2018 te Almelo, op de openbare weg, te weten aan [adres 2] , tezamen en in vereniging met een ander, een portemonnee met inhoud en een telefoon (een IPhone 7s), dat toebehoorde aan [slachtoffer] en/of [pizzaria] , heeft weggenomen, met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, welk geweld en welke bedreiging met geweld hierin bestond dat hij, verdachte en zijn mededader:

- op de borst en het hoofd van die [slachtoffer] hebben gestaan en gedrukt om die [slachtoffer] in bedwang te houden en daarbij hebben geroepen: "Geef me je geld. Geef me alles wat je hebt.", althans woorden van gelijke strekking.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

Indien in de bewezenverklaring taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

5 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld in de artikelen 310 en 312 van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:

primair

het misdrijf:

diefstal, voorafgegaan en vergezeld met geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.

6 De strafbaarheid van verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor het bewezenverklaarde feit.

7 De op te leggen straf of maatregel

7.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 15 maanden, waarvan 5 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar en met de bijzondere voorwaarden zoals op 11 april 2019 geadviseerd door de reclassering, waaronder de voorwaarde dat verdachte geen contact mag opnemen met het slachtoffer en met de medeverdachte. Uit de brief van de reclassering van 14 mei 2019 blijkt dat verdachte inmiddels niet meer mag terugkeren naar zijn voormalige huisadres, zodat de voorheen geadviseerde voorwaarde van de avondklok komt te vervallen. In plaats daarvan adviseert de reclassering dat als voorwaarde geldt dat verdachte verblijft bij Stichting Exodus of een dergelijke instelling voor beschermd wonen. De officier heeft ter terechtzitting van 16 mei 2019 gevorderd dat de voorwaarden in die zin worden aangepast.

7.2

Het standpunt van de verdediging

Volgens de raadsman wijkt de eis in aanmerkelijke mate af van de oriëntatiepunten van het LOVS (Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht) die voor soortgelijke zaken gelden. Uit jurisprudentie volgt dat er door de lagere rechter uitdrukkelijk moet worden gemotiveerd wanneer van deze richtlijn wordt afgeweken. Uit de LOVS-oriëntatiepunten volgt dat – bij enige recidive zoals bij verdachte – een gevangenisstraf van 8 maanden wordt opgelegd, waarvan een gedeelte voorwaardelijk teneinde de door de reclassering geadviseerde voorwaarden mogelijk te maken. Verder dient er rekening te worden gehouden met de omstandigheid dat verdachte heeft ingezien dat hij fout gehandeld heeft en dat hij zijn excuses aan het slachtoffer heeft aangeboden.

7.3

De gronden voor een straf of maatregel

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandelingen ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij het volgende van belang.

Verdachte en zijn mededader hebben met geweld en bedreiging met geweld een jonge pizzakoerier zodanig bang gemaakt dat hij – zo blijkt uit zijn ter terechtzitting voorgelezen slachtofferverklaring – ook nu nog veel last heeft van de bijzonder bedreigende confrontatie met zijn belagers en overweegt om psychische hulp te zoeken. Het slachtoffer heeft noodgedwongen zijn baan moeten opzeggen en gaat niet meer onbevangen over straat. Verdachte en zijn mededader hebben niet laten blijken zich hiervan op enige manier bewust te zijn geweest en hebben zich uitsluitend laten leiden door hun eigen financiële gewin.

De rechtbank neemt de door het LOVS vastgestelde landelijke oriëntatiepunten straftoemeting als uitgangspunt. Deze oriëntatiepunten geven voor een straatroof met licht geweld of verbale bedreiging als uitgangspunt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden. Bij recidive en frequente recidive wordt uitgegaan van respectievelijk acht en tien maanden.

Verdachte is eerder veroordeeld voor diefstallen tot onder meer een (deels) onvoorwaardelijke jeugddetentie en een werkstraf, maar blijkbaar trekt hij zich niets aan van de in die veroordelingen besloten liggende waarschuwing.

Uit het op 12 maart 2019 over verdachte opgemaakte reclasseringsrapport blijkt dat

de leefsituatie van verdachte in algemene zin redelijk stabiel overkomt. Hij heeft een dagbesteding, een inkomen en een relatie en zijn familie lijkt steunend te zijn. Niettemin blijkt uit de brief van de reclassering van 14 mei jl. dat hij niet meer mag terugkeren naar zijn (voormalige) woonadres in [adres 1] . Er zijn geen aanwijzingen dat verdachte op een verstandelijk beperkt niveau functioneert. Wel is de jeugd van verdachte belastend geweest, vanwege het verblijf in asielzoekerscentra de eerste acht jaren van zijn leven en een periode daarna was sprake van huiselijk geweld door zijn stiefvader. Daarnaast vindt de reclassering de toename in de ernst van de feiten een zorgelijke ontwikkeling.

Bij het reclasseringsrapport van 11 april 2019 adviseert de reclassering een meldplicht, een ambulante behandeling door Forensische Polikliniek de Waag, een drugsverbod, contactverboden ten aanzien van de medeverdachte en het slachtoffer en een locatieverbod met betrekking tot de gemeente Almelo. Nu uit genoemde brief van 14 mei jl. blijkt dat hij niet meer terug kan naar zijn woonadres adviseert de reclassering de voorwaarde op te nemen dat verdachte verblijft bij Stichting Exodus of een andere instelling voor beschermd wonen of maatschappelijke opvang.

Verdachte heeft verklaard dat hij bereid is om zich te houden aan genoemde voorwaarden, zij het dat hij geen medicijnen wenst in te nemen.

De rechtbank acht, gelet op het voorgaande, een gevangenisstraf van 12 maanden, waarvan 4 maanden voorwaardelijk en met een proeftijd van 3 jaar, passend en geboden. De rechtbank legt een deel van de gevangenisstraf voorwaardelijk op en neemt de voorwaarden zoals voorgesteld door de reclassering – met inachtneming van de brief van 14 mei 2019 – geheel over inclusief de verplichting om de medicijnen in te nemen die voor de behandeling worden voorgeschreven, teneinde verdachte ervan te weerhouden zich in de toekomst opnieuw schuldig te maken aan strafbare feiten.

8 De schade van benadeelde

8.1

De vordering van de benadeelde partij

Mr. J. Keupink, advocaat te Almelo, heeft zich namens de benadeelde partij [slachtoffer] gevoegd in dit strafproces. Namens de benadeelde partij vordert hij verdachte te veroordelen om schadevergoeding te betalen tot een totaalbedrag van € 750,00, wegens immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd.

8.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie is van mening dat de vordering met de gevraagde wettelijke rente moet worden toegewezen.

8.3

Het standpunt van de verdediging

De raadsman stelt zich op het standpunt dat een verklaring van een specialist over de psychische situatie van [slachtoffer] ontbreekt, zodat het redelijk is om de vordering te matigen tot € 350,00, maar overigens refereert hij zich aan het oordeel van de rechtbank. De raadsman heeft verzocht om bij een eventuele toewijzing van de vordering te bepalen dat verdachte deze in termijnen kan voldoen.

8.4

Het oordeel van de rechtbank

Door de gebezigde bewijsmiddelen en de behandeling op de terechtzitting is komen vast te staan dat verdachte door het bewezenverklaarde feit rechtstreeks schade heeft toegebracht aan de benadeelde partij. De opgevoerde schadepost is onvoldoende betwist en voldoende onderbouwd en aannemelijk. De gevorderde immateriële schadevergoeding acht de rechtbank billijk. Uit het dossier komt immers naar voren dat de impact op de benadeelde partij ten gevolge van het op hem uitgeoefende geweld en de bedreiging met geweld fors was, hetgeen denkbaar is, mede gelet op de jeugdige leeftijd van het slachtoffer. De rechtbank zal het gevorderde daarom toewijzen, te vermeerderen met de verschuldigde wettelijke rente vanaf de datum waarop het strafbare feit is gepleegd.

Nu verdachte kan werken bij zijn stiefvader en daarom een inkomen heeft, zal de rechtbank het verzoek om de schadevergoeding in termijnen te betalen, passeren.

8.5

De schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij heeft verzocht en de officier van justitie heeft gevorderd de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

De rechtbank zal de maatregel als bedoeld in artikel 36f Sr opleggen, aangezien verdachte jegens de benadeelde partij naar burgerlijk recht (mede) aansprakelijk is voor de schade die door het feit is toegebracht.

9 De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d en 27 Sr.

10 De beslissing

De rechtbank:

bewezenverklaring

- verklaart bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;

- verklaart niet bewezen wat aan verdachte primair meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;

strafbaarheid feit

- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;

- verklaart dat het bewezenverklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

primair het misdrijf: diefstal, voorafgegaan en vergezeld met geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;

strafbaarheid verdachte

- verklaart verdachte strafbaar voor het onder primair bewezenverklaarde;

straf

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 (twaalf) maanden;

- bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte van 4 (vier) maanden niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten. De rechter kan de tenuitvoerlegging gelasten indien verdachte voor het einde van de proeftijd van 3 (drie) jaren de navolgende voorwaarde(n) niet is nagekomen:

- stelt als algemene voorwaarde dat verdachte:

- zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- stelt als bijzondere voorwaarden dat verdachte:

o zich op afspraak meldt bij Reclassering Nederland op het adres Molenstraat 50 te Enschede. Daarna blijft hij zich gedurende de proeftijd melden bij Reclassering Nederland op de door de reclassering te bepalen tijdstippen, zo frequent en zo lang deze instelling dat nodig acht;

o zich ambulant laat behandelen door Forensische Polikliniek de Waag of een soortgelijke hulpverlener, ter beoordeling van de reclassering, indien en zo lang als de reclassering dit noodzakelijk acht. Verdachte zal zich dan houden aan de regels die door of namens de zorgverlener zullen worden gegeven. Het innemen van medicijnen kan onderdeel zijn van de behandeling;

o verblijft bij Stichting Exodus of een andere instelling voor beschermd wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering. Het verblijf start zodra verdachte een kamer toegewezen krijgt. Het verblijf duurt de gehele proeftijd of korter als de reclassering nodig vindt. Verdachte houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering voor hem heeft opgesteld;

o op geen enkele wijze – direct of indirect – contact opneemt en/of onderhoudt met de medeverdachte [medeverdachte] , geboren op [geboortedatum 2] 1989 te [geboorteplaats 2] , zo lang het Openbaar Ministerie dit verbod nodig acht;

o op geen enkele wijze – direct of indirect – contact opneemt en/of onderhoudt met het slachtoffer [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum 3] 2001 te [geboorteplaats 3] , zo lang het Openbaar Ministerie dit verbod nodig acht;

o zich niet ophoudt in de gemeente Almelo, zo lang de reclassering dit nodig acht;

o medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, Sr, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

- bepaalt dat de tijd die de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

schadevergoeding

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer] van een bedrag van € 750,00 (te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 10 december 2018) voor zover dit bedrag niet door een mededader zal zijn voldaan;

- veroordeelt verdachte daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;

- legt de maatregel op dat verdachte verplicht is ter zake van het bewezenverklaarde feit en tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 750,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 10 december 2018 ten behoeve van de benadeelde, met bevel, voor het geval dat volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt, dat vervangende hechtenis voor de duur van 15 dagen zal worden toegepast, (een en ander voor zover dit bedrag niet door een mededader zal zijn voldaan). Tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis laat de betalingsverplichting onverlet;

- bepaalt dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als verdachte aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen.

Dit vonnis is gewezen door mr. F.C. Berg, voorzitter, mr. H. Schimmel en mr. M. van Berlo, rechters, in tegenwoordigheid van E.P. Endlich, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 29 mei 2019.

Buiten staat

Mr. Schimmel is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van de regiopolitie Oost-Nederland, district Twente, met registratienummer 2018556704-18. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.

2 Het proces-verbaal aangifte van [slachtoffer] d.d. 11 december 2018, pagina’s 13 tot en met 16.

3 Het proces-verbaal van de terechtzitting van 16 mei 2019, voor zover inhoudende de bekennende verklaring van de verdachte als bedoeld in art. 359, derde lid, laatste volzin, Sv.

4 Het proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte] d.d. 23 januari 2019 (pagina’s 129 tot en met 130).