Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2019:1833

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
28-05-2019
Datum publicatie
03-06-2019
Zaaknummer
ak_ 19 _ 891
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Last onder bestuursdwang sluiting woning in Deventer voor de duur van drie maanden op grond van artikel 13b Opiumwet; aangevoerde omstandigheden maken niet dat handelen conform de Beleidsregel onevenredige gevolgen heeft; afwijzing verzoek om voorziening.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Zittingsplaats Zwolle

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 19/891

uitspraak van de voorzieningenrechter op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[verzoeker] , te [woonplaats] verzoeker,

gemachtigde: mr. H. Tadema,

en

de burgemeester van Deventer, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 10 mei 2019 (het primaire alsmede het bestreden besluit) heeft verweerder verzoeker onder aanzegging van bestuursdwang gelast de woning aan de [adres] te Deventer (hierna: de woning) te sluiten voor de duur van drie maanden, ingaande op 27 mei 2019 om 10:00 uur.

Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Hij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Bij fax van 16 mei 2019 heeft verweerder de voorzieningenrechter meegedeeld dat de feitelijke woningsluiting is opgeschort tot 30 mei 2019.

Verweerder heeft de op het geding betrekking hebbende stukken ingebracht. Hierbij is tevens een stuk ingebracht ten aanzien waarvan verweerder op grond van artikel 8:29, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) heeft meegedeeld dat uitsluitend de voorzieningenrechter van dit stuk mag kennisnemen. Uit de beslissing van de geheimhoudingskamer van 22 mei 2019 blijkt dat dit stuk een bestuurlijke rapportage, gedateerd 16 april 2019, betreft. De geheimhoudingskamer heeft geoordeeld dat beperking van de kennisneming van dit stuk gerechtvaardigd is. Bij fax van 23 mei 2019 heeft verzoeker geweigerd de voorzieningenrechter toestemming te verlenen als bedoeld in artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb.

Bij fax van 24 mei 2019 heeft verweerder alsnog deze bestuurlijke rapportage in het geding gebracht. Er zijn persoonsgegevens weggelakt.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 mei 2019. Verzoeker is verschenen, vergezeld door zijn zoon en bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door A.I. Duivenvoorde en A.M.M. Hutten-Bekemeier. Ter zitting was een tolk, E.M.M. Mulder, aanwezig.

Overwegingen

Algemeen

1. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

Wettelijk kader

2. Artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet bepaalt dat de burgemeester bevoegd is tot oplegging van een last onder bestuursdwang indien in een woning of lokaal of op een daarbij behorend erf:

a. een middel als bedoeld in lijst I of II dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid, wordt verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel daartoe aanwezig is;

b. een voorwerp of stof als bedoeld in artikel 10a, eerste lid, onder 3°, of artikel 11a voorhanden is.

Hennep wordt vermeld in lijst II. Hierbij is als nadere omschrijving gegeven ‘elk deel van de plant van het geslacht Cannabis (hennep), waaraan de hars niet is onttrokken, met uitzondering van de zaden’.

Artikel 5:21 van de Awb bepaalt dat onder last onder bestuursdwang wordt verstaan: de herstelsanctie, inhoudende:

a. een last tot geheel of gedeeltelijk herstel van de overtreding, en

b. de bevoegdheid van het bestuursorgaan om de last door feitelijk handelen ten uitvoer te leggen, indien de last niet of niet tijdig wordt uitgevoerd.

Onder ‘herstelsanctie’ wordt verstaan: een bestuurlijke sanctie die strekt tot het geheel of gedeeltelijk ongedaan maken of beëindigen van een overtreding, tot het voorkomen van herhaling van een overtreding, dan wel tot het wegnemen of beperken van de gevolgen van een overtreding (artikel 5:2, eerste lid, onder b, van de Awb).

Vaststaande feiten

3. Verzoeker is huurder van de woning. De woning betreft een appartement/flat in een gebouw met meerdere appartementen (zogenaamde portiekflat). De woning wordt alleen door verzoeker bewoond.

Besluitvorming

4. Naar aanleiding van een melding en een daarop volgend onderzoek heeft de politie op 3 april 2019 de woning betreden. De politie heeft op 16 april 2019 een bestuurlijke rapportage opgesteld. In deze rapportage staat vermeld dat de politie het volgende in de woning heeft aangetroffen: 209 hennepplanten, 12 assimilatielampen, koolstoffilter, tijdschakelaar, dompelpomp, ventilator en 12 voorschakelapparaten.

Aan de bestuurlijke rapportage is een ‘hennepbericht’, gedateerd 4 april 2019, gehecht.

Hierin staat vermeld dat de elektriciteitsinstallatie in de woning was gemanipuleerd.

In het primaire besluit heeft verweerder de sluiting van de woning voor de duur van drie maanden bevolen. De wettelijke grondslag is artikel 13b van de Opiumwet.

De bevoegdheid

5. Verzoeker stelt dat verweerder zich ten onrechte bevoegd heeft geacht om de sluiting van de woning te bevelen. Artikel 13b van de Opiumwet biedt hiervoor immers niet de grondslag. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft verzoeker ten eerste aangevoerd dat in deze zaak enkel sprake is van het kweken van hennep. De enkele aanwezigheid van een hennepkwekerij in een woning biedt geen grondslag voor sluiting van die woning op grond van artikel 13b van de Opiumwet, zo blijkt uit de totstandkoming van dit artikel. Ten tweede heeft verzoeker aangevoerd dat verweerder heeft verwezen naar de tekst van dit artikel zoals dit luidde voor 1 januari 2019. Dat artikel had ten tijde van het nemen van het bestreden besluit geen gelding meer.

6. De voorzieningenrechter overweegt hierover het volgende.

6.1.

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) heeft in haar uitspraak van 11 december 2013, ECLI:NL:RVS:2013:2362, het navolgende overwogen.

“4.3. Dat dit geval een hennepkwekerij in een woning betreft, brengt niet met zich dat de burgemeester, ondanks de aanwezigheid van een handelshoeveelheid softdrugs in de woning, niet bevoegd was tot toepassing van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet. Naar zijn tekst is artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet onmiskenbaar van toepassing op een hennepkwekerij in een woning waarvan de hennep bestemd is voor verkoop, aflevering of verstrekking in of vanuit de woning. Voorts volgt uit de parlementaire behandeling van het voorstel tot uitbreiding van de werkingssfeer van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet naar woningen niet dat beoogd is om hennepkwekerijen in woningen zonder meer uit te sluiten van het toepassingsgebied van die bepaling. Zo heeft de minister bij de behandeling van het wetsvoorstel door de Tweede Kamer op de vraag wanneer op grond van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet kan worden ingegrepen bij hennepteelt in een woning niet geantwoord dat dat niet mogelijk is. In plaats daarvan heeft hij gewezen op het criterium van verkopen, afleveren of verstrekken, dan wel daartoe aanwezig zijn, en gezegd dat aangenomen mag worden dat de teelt in een huis dat is ingericht als een plantage, niet bedoeld is voor eigen consumptie (Handelingen II 2006/07, blz. 55-3138 en 55-3139).

De in rechtsoverweging 2.10 van de aangevallen uitspraak aangehaalde opmerkingen van de minister bij de behandeling van voormeld wetsvoorstel (Handelingen II 2006/07, blz. 55-3137) en de in dezelfde rechtsoverweging genoemde verwerping van het amendement-Teeven (Kamerstukken II 2006/07, 30 515, nr. 14) wijzen er niet op dat beoogd is om hennepkwekerijen in woningen zonder meer uit te sluiten van het toepassingsgebied van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet. De opmerkingen van de minister houden in dat er niet voor is gekozen om in artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet, naast verkoop, aflevering en verstrekking van drugs, ook productie van drugs op te nemen, waarin het amendement-Teeven voorzag. Dat het toepassingsgebied van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet niet aldus is verruimd, neemt niet weg dat die bepaling wel van toepassing is bij aanwezigheid in een pand van drugs die bestemd zijn voor verkoop, aflevering of verstrekking in of vanuit het pand.”

Uit deze jurisprudentie volgt dat artikel 13b van de Opiumwet van toepassing is op een hennepkwekerij in een woning, mits deze hennep bestemd is voor verkoop, aflevering of verstrekking in of vanuit de woning. Bij een hoeveelheid die groter is dan de hoeveelheid voor eigen gebruik, is in beginsel aannemelijk dat het middel bestemd is voor verkoop, aflevering of verstrekking.

In deze zaak heeft de politie 209 hennepplanten alsmede de daarbij behorende attributen aangetroffen. Verzoeker heeft desgevraagd ter zitting meegedeeld dat hij deze constatering niet betwist. Gelet op de hoeveelheid hennepplanten heeft verweerder zich op het standpunt kunnen stellen dat het aannemelijk is dat de hennep bestemd is voor verkoop, aflevering of verstrekking. Verzoeker heeft niet aannemelijk gemaakt (en overigens ook niet gesteld) dat deze aanname niet juist is. In tegendeel, in de bestuurlijke rapportage staat vermeld dat verzoeker tijdens een verhoor op 3 april 2019 heeft verklaard dat hij de kwekerij heeft opgezet om van zijn schulden af te komen. De hennep werd dan ook gekweekt met de bedoeling dit te verkopen.

Deze bezwaargrond slaagt niet.

6.2.

Op 1 januari 2019 is het gewijzigde artikel 13b van de Opiumwet in werking getreden. Deze wetswijziging voorziet in een verruiming van de bevoegdheid van de burgemeester om een last onder bestuursdwang op te leggen. Dit verruimde artikel biedt verweerder, evenals de ‘vorige versie’ van dit artikel, de wettelijke grondslag om een woning te sluiten indien in die woning of op een daarbij behorend erf hennep (een middel als bedoeld in lijst II) wordt verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel daartoe aanwezig is.

De verwijzing naar de ‘oude’ versie van artikel 13b van de Opiumwet kan in de beslissing op bezwaar worden hersteld. Verweerder heeft ter zitting meegedeeld dat hij dit zal gaan doen.

Deze bezwaargrond slaagt niet.

6.3.

De voorzieningenrechter oordeelt dat verweerder zich terecht bevoegd heeft geacht om op grond van artikel 13b van de Opiumwet aan verzoeker een last onder bestuursdwang op te leggen.

De aanwending van de bevoegdheid

7. Verzoeker stelt dat verweerder in redelijkheid geen gebruik heeft kunnen maken van zijn handhavingsbevoegdheid. In dat kader heeft verzoeker aangevoerd dat het enkele feit dat artikel 13b van de Opiumwet de wettelijke grondslag biedt voor het maken van een inbreuk op het in artikel 8 van het EVRM neergelegde woonrecht, geen afdoende motivering is om deze inbreuk daadwerkelijk te maken. Uit de jurisprudentie van de Afdeling (de uitspraak van 5 november 2014, ECLI:NL:RVS:2014:3941) volgt dat, gelet op het zeer ingrijpende karakter van een woningsluiting voor de bewoners, een waarschuwing of soortgelijke maatregel het uitgangspunt blijft. Het sluiten van een woning is een ultieme remedie die pas wordt ingezet als minder ingrijpende middelen niet voor herstel van de legale situatie kunnen zorgen. Verweerder had daarom moeten kiezen voor een minder ingrijpende maatregel, zoals het opleggen van een last onder dwangsom. Dat niet onmiddellijk over moet worden gegaan op het sluiten van de woning, is tevens neergelegd in de handhavingsmatrix in de Beleidsregels handhavingsprotocol art 13b Opiumwet (hierna: de Beleidsregel). Er zijn geen gronden om in negatieve zin van de Beleidsregel af te wijken. De antecedenten van de (mede)eigenaar, de huisbaas van verzoeker, mogen verzoeker niet worden tegengeworpen.

Ter zitting heeft verzoeker hieraan toegevoegd dat in de bestuurlijke rapportage staat vermeld dat er in de woning geen sprake was van extreme gevaarzetting.

Verweerder had bovendien rekening moeten houden met de negatieve gevolgen van huisuitzetting op de fysieke en geestelijke gezondheid, zoals stress, depressies en ontwrichting. Ook had verweerder rekening moeten houden met het feit dat hij slechts ruimte ter beschikking heeft gesteld en dat hij geen invloed had op de omvang van de hennepkwekerij, aldus verzoeker. Ter zitting heeft verzoeker excuses aangeboden voor zijn handelen en om vergeving gevraagd.

8. De voorzieningenrechter overweegt hierover het volgende.

8.1.

In de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet (Kamerstukken II 2005/06, 30 515, nr. 3, blz. 8, en Kamerstukken II 2006/07, 30 515, nr. 6, blz. 1 en 2) is in algemene zin vermeld dat bij een eerste overtreding nog niet tot sluiting van de woning dient te worden overgegaan, maar moet worden volstaan met een waarschuwing of soortgelijke maatregel. Zoals de Afdeling meermalen heeft overwogen (onder andere de uitspraak van 2 november 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2906), moet dit echter worden beschouwd als een uitgangspunt waarvan in ernstige gevallen mag worden afgeweken.

In de Beleidsregel heeft verweerder een getrapte sanctionering in de handhavingsmatrix weergegeven. Hierdoor wordt voor de zwaarte van de maatregel aansluiting gezocht bij de aard en frequentie van de overtreding teneinde te bereiken dat de overtreding ongedaan wordt gemaakt dan wel herhaling wordt voorkomen. Bij een handelshoeveelheid softdrugs van meer dan 30 gram wordt bij een eerste overtreding zowel het strafrechtelijke als het bestuursrechtelijke traject opgestart. Het bestuursrechtelijke traject betreft alsdan het voornemen om een last onder dwangsom van € 5.000,- op te leggen. Bij de derde en vierde overtreding wordt overgegaan tot het sluiten van de woning gedurende maximaal zes respectievelijk twaalf maanden. De Beleidsregel is dan ook niet in strijd met het hiervoor beschreven uitgangspunt.

In de Beleidsregel staat verder verwoord dat er situaties zijn die dermate ernstig zijn dat van de matrix afgeweken moet kunnen worden. In de Beleidsregel worden een aantal voorbeelden van dergelijke situaties gegeven. Dit betreft, onder meer, het voorbeeld waarbij er sprake is van ernstige gevaarzetting, bijvoorbeeld door woningbrand.

In deze zaak heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat er in de woning sprake was van een verhoogd gevaar op brand doordat de elektriciteitsinstallatie was gemanipuleerd en is geconstateerd dat er sprake was van een niet kundig aangelegd stroomnet. Dit, in relatie tot de woonomgeving (een flatgebouw), resulteert in ernstige gevaarzetting voor de bewoners van het flatgebouw. Ter zitting heeft verweerder in dit kader verwezen naar het aan de bestuurlijke rapportage gehechte hennepbericht. In dit bericht staat verwoord dat de netbeheerder heeft verklaard dat er sprake was van brandgevaar door manipulatie aan de installatie van de netbeheerder. Verweerder heeft ter zitting gesteld dat hij zijn standpunt met betrekking tot een verhoogd gevaar op brand, heeft mogen baseren op deze verklaring van de netbeheerder.

De voorzieningenrechter oordeelt dat de situatie in de woning, gelet op de verklaring van de netbeheerder in combinatie met de woonomgeving (portiekflat uit de jaren ’60), in redelijkheid als een ernstig geval als bedoeld in de Beleidsregel kan worden gekwalificeerd.

Verweerder mocht daarom, conform de Beleidsregel, afwijken van de handhavingsmatrix en behoefde niet te volstaan met het opleggen van een last onder dwangsom.

8.2.

Vorenstaande betekent niet zonder meer dat verweerder in redelijkheid tot sluiting van de woning voor de duur van drie maanden heeft kunnen besluiten. Verweerder dient alle omstandigheden van het geval te betrekken in zijn beoordeling en te bezien of deze op zichzelf dan wel tezamen met andere omstandigheden, moeten worden aangemerkt als bijzondere omstandigheden in de zin van artikel 4:84 van de Awb die maken dat het handelen conform de Beleidsregel gevolgen heeft die onevenredig zijn in verhouding tot de met de Beleidsregel te dienen doelen.

Uit de stukken blijkt dat met de woningsluiting wordt beoogd de relatie van de woning met het criminele milieu en de handel te verbreken alsmede het definitief ongedaan maken van de inbreuk op de openbare orde ter plaatse. Bovendien wil verweerder voorkomen dat, door niet handhavend op te treden, ongewenste precedenten ontstaan. Verder is een zichtbare sluiting voor bij die woningen betrokken drugscriminelen en voor buurtbewoners een signaal dat de overheid optreedt tegen drugscriminaliteit in die woningen.

Verzoeker heeft met de enkele stelling dat er vanuit de woning niet werd verkocht niet aannemelijk gemaakt dat de sluiting niet kan bijdragen aan het te bereiken doel. Verzoekers stelling dat hij ‘alleen maar’ de woning ter beschikking heeft gesteld voor het exploiteren van een hennepplantage door een ander, komt niet overeen met de verklaring die hij heeft afgelegd ten overstaan van de politie. Echter, ook indien verzoeker geen bemoeienis zou hebben gehad met de hennepplantage in de woning, kan honorering van deze stelling resulteren in ongewenste precedenten. Dit betekent immers een vrijbrief om woonruimte voor drugscriminelen ter beschikking te stellen. Verzoeker heeft zijn stelling dat een woningsluiting zal resulteren in een depressie of een ontwrichting niet onderbouwd met een verklaring van een terzake deskundige medicus. De voorzieningenrechter acht verder van belang dat verzoeker alleen in de woning woont zodat geen andere bewoners de dupe worden van de last tot sluiting. Ook heeft verzoeker niet aannemelijk gemaakt dat hij na het verlies van de woning nergens kan worden opgevangen. De voorzieningenrechter laat meewegen dat verweerder ter zitting heeft meegedeeld dat de aangekondigde woningsluiting op 30 mei 2019 enkele dagen is uitgesteld (tot 3 juni 2019) om verzoeker in de gelegenheid te stellen noodzakelijke spullen uit de woning bij elkaar te zoeken en mee te nemen.

Gelet op vorenstaande oordeelt de voorzieningenrechter dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de door verzoeker aangevoerde omstandigheden niet maken dat het handelen conform de Beleidsregel (inclusief de daarin opgenomen mogelijkheid van afwijken van de handhavingsmatrix in ernstige gevallen) gevolgen heeft die onevenredig zijn in verhouding tot de met de Beleidsregel te dienen doelen.

8.3.

De bezwaargronden, gericht tegen de aanwending van de bevoegdheid, slagen niet.

9. Het bestreden besluit kan in bezwaar in stand blijven. Hierbij dient verweerder te verwijzen naar de tekst van artikel 13b van de Opiumwet zoals deze luidt sinds 1 januari 2019. De voorzieningenrechter wijst daarom het verzoek om hangende de bezwaarfase een voorlopige voorziening te treffen, af.

10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.J.B. Cornelissen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A.E.M. Lever, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.