Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2019:1796

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
27-05-2019
Datum publicatie
27-05-2019
Zaaknummer
08-996084-15 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank Overijssel veroordeelt een 59-jarige man uit Friesland tot een gevangenisstraf van 16 maanden, waarvan 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar. Daarnaast mag hij 3 jaar lang geen bestuurder of vennoot van een bedrijf zijn. De man is onder andere schuldig aan faillissementsfraude met zijn oude bouw- en vastgoedbedrijf en aan belastingfraude. Een grote rol in dit dossier is de bouw van een appartementencomplex in Assen. Zijn 58-jarige vrouw is veroordeeld tot 100 uur taakstraf wegens witwassen. Een 49-jarige medewerkster van de voormalige bedrijven heeft een voorwaardelijke gevangenisstraf van 2 weken, met een proeftijd van 2 jaar en een taakstraf van 180 opgelegd gekregen voor haar rol in de belastingfraude. Een 75-jarige medeverdachte is vrijgesproken van zijn betrokkenheid bij de faillissementsfraude.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JONDR 2019/854
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Strafrecht

Meervoudige kamer

Zittingsplaats Zwolle

Parketnummer 08-996084-15 (P)

Datum vonnis: 27 mei 2019

Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1959 in [geboorteplaats] ,

wonende aan de [woonplaats] .

1 Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 27 november 2017, 18 juni 2018, 15 april 2019, 16 april 2019, 17 april 2019, 18 april 2019 en 14 mei 2019.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. H.M. Pluimers en van hetgeen door verdachte [verdachte] (hierna: [verdachte] ) en diens raadsman mr. H.J. Voors, advocaat te Zwolle, naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

De verdenking komt er – na wijziging van de tenlastelegging op de terechtzitting van 16 april 2019 – kort en zakelijk weergegeven, op neer dat [verdachte] :

feit 1: in de periode van 11 september 2009 tot en met 6 april 2010 feitelijk leiding heeft gegeven aan [bedrijf 1] BV bij het plegen van faillissementsfraude, bestaande uit:

(1) het onttrekken van goederen aan de boedel van [bedrijf 1] BV door:

(a) het onderhanden werk van [bedrijf 1] BV, bestaande uit de werkzaamheden voor het project ‘ [appartementencomplex] ’ waarvan [bedrijf 1] BV de kosten heeft gedragen, onverschuldigd en zonder enige vergoeding over te dragen aan [bedrijf 2] BV en die BV in staat te stellen (een gedeelte van) de aanneemsom te factureren;

(b) meerdere geldbedragen van bankrekeningen van [bedrijf 1] BV onverschuldigd over te boeken naar bankrekeningen van [bedrijf 3] BV en andere aan verdachte gelieerde rechtspersonen en verdachte in privé;

(c) onverschuldigd meerdere betalingen te verrichten ten behoeve van aan verdachte gelieerde rechtspersonen en verdachte in privé;

(d) meerdere geldbedragen contant op te nemen;

(2) het bevoordelen van schuldeisers van [bedrijf 1] BV ter gelegenheid van het faillissement van [bedrijf 1] BV of op een moment dat [bedrijf 1] BV wist dat het faillissement niet kon worden voorkomen;

(3) het niet voldoen aan de administratie-, bewaar- en informatieplicht door [bedrijf 1] BV;

feit 2: in de periode van 6 april 2010 tot en met 12 februari 2016 als bestuurder van [bedrijf 1] BV, na het faillissement van [bedrijf 1] BV:

(1) heeft geweigerd om de vereiste inlichtingen te geven, door niet de volledige administratie van [bedrijf 1] BV aan de curator over te leggen, en

(2) opzettelijk onjuiste inlichtingen heeft gegeven over:

(a) het overboeken van geldbedragen van bankrekeningen van [bedrijf 1] BV naar bankrekeningen van [bedrijf 3] BV en andere aan verdachte gelieerde rechtspersonen en [verdachte] in privé;

(b) het verrichten van meerdere betalingen ten behoeve van aan verdachte gelieerde rechtspersonen en aan verdachte in privé;

feit 3: in de periode van 30 november 2010 tot en met 6 december 2011 feitelijk leiding heeft gegeven aan [bedrijf 4] BV bij het plegen van faillissementsfraude, bestaande uit:

(1) het onttrekken van goederen aan de boedel van [bedrijf 4] BV door:

(a) het onderhanden werk van [bedrijf 4] BV, bestaande uit de werkzaamheden voor het project ‘ [appartementencomplex] ’ waarvan [bedrijf 4] BV de kosten heeft gedragen, onverschuldigd en zonder enige vergoeding over te dragen aan [bedrijf 5] BV en die BV in staat te stellen (een gedeelte van) de aanneemsom te factureren;

(b) meerdere geldbedragen van bankrekeningen van [bedrijf 4] BV onverschuldigd over te boeken naar bankrekeningen van [bedrijf 3] BV en andere aan verdachte gelieerde rechtspersonen en verdachte in privé;

(c) onverschuldigd meerdere betalingen te verrichten ten behoeve van aan verdachte gelieerde rechtspersonen en verdachte in privé;

(d) meerdere geldbedragen contant op te nemen;

(2) het bevoordelen van schuldeisers van [bedrijf 4] BV ter gelegenheid van het faillissement van [bedrijf 4] BV of op een moment dat [bedrijf 4] BV wist dat het faillissement niet kon worden voorkomen;

(3) het niet voldoen aan de administratie-, bewaar- en informatieplicht door [bedrijf 4] BV;

feit 4: in de periode van 6 december 2011 tot en met 12 februari 2016 als bestuurder van [bedrijf 4] BV na het faillissement van [bedrijf 4] BV heeft geweigerd om de vereiste inlichtingen te geven, door niet de volledige administratie van [bedrijf 4] BV aan de curator over te leggen;

feit 5: in de periode van 7 april 2010 tot en met 27 augustus 2013 feitelijk leiding heeft gegeven aan [bedrijf 2] BV bij het plegen van faillissementsfraude, bestaande uit:

(1) het onttrekken van goederen aan de boedel van [bedrijf 2] BV door:

(a) het onderhanden werk van [bedrijf 2] BV, bestaande uit de werkzaamheden voor het project ‘ [appartementencomplex] ’ waarvan [bedrijf 2] BV de kosten heeft gedragen, onverschuldigd en zonder enige vergoeding over te dragen aan [bedrijf 5] BV en die BV in staat te stellen (een gedeelte van) de aanneemsom te factureren;

(b) meerdere geldbedragen van bankrekeningen van [bedrijf 2] BV onverschuldigd over te boeken naar bankrekeningen van [bedrijf 3] BV en andere aan verdachte gelieerde rechtspersonen en verdachte in privé;

(c) onverschuldigd meerdere betalingen te verrichten ten behoeve van aan verdachte gelieerde rechtspersonen en verdachte in privé;

(d) meerdere geldbedragen contant op te nemen;

(2) het bevoordelen van schuldeisers van [bedrijf 2] BV ter gelegenheid van het faillissement van [bedrijf 2] BV of op een moment dat [bedrijf 2] BV wist dat het faillissement niet kon worden voorkomen;

(3) het niet voldoen aan de administratie-, bewaar- en informatieplicht door [bedrijf 2] BV;

feit 6: in de periode van 27 augustus 2013 tot en met 5 februari 2016 als bestuurder van [bedrijf 2] BV, na het faillissement van [bedrijf 2] BV:

(1) heeft geweigerd om de vereiste inlichtingen te geven door niet de volledige administratie van [bedrijf 2] BV aan de curator over te leggen, en

(2) heeft geweigerd om de vereiste inlichtingen te geven en/of opzettelijk onjuiste inlichtingen heeft gegeven:

(a) over de auditfiles, de huurovereenkomst van de onroerende zaak in Rotterdam en het juridische dossier ter zake van het verwijderen van de krakers;

(b) over het overboeken van meerdere geldbedragen van bankrekeningen van [bedrijf 2] BV naar bankrekeningen van [bedrijf 3] BV en andere aan verdachte gelieerde rechtspersonen en verdachte in privé;

(c) over het onverschuldigd meerdere betalingen verrichten ten behoeve van aan verdachte gelieerde rechtspersonen en verdachte in privé;

feit 7: in de periode van 29 april 2011 tot en met 31 oktober 2011 feitelijk leiding heeft gegeven aan [bedrijf 2] BV bij het samen met een ander opzettelijk onjuist doen van de aangiften omzetbelasting over de maanden maart 2011, juni 2011 en september 2011;

feit 8: in de periode van 27 mei 2014 tot en met 5 februari 2016 samen met een ander faillissementsfraude in verdachte’s persoonlijk faillissement heeft gepleegd, bestaande uit:

(1) het niet verantwoorden van baten door niet aan de curator te melden dat hij geldbedragen uit door hem verrichte werkzaamheden heeft ontvangen;

(2) het onttrekken van goederen aan de boedel door onverschuldigd meerdere betalingen te verrichten;

feit 9: in de periode van 27 mei 2014 tot en met 5 februari 2016 na het persoonlijk faillissement van verdachte:

(1) heeft geweigerd om de vereiste inlichtingen te geven, door niet de volledige (privé-) administratie van verdachte aan de curator over te leggen, en

(2) opzettelijk onjuiste inlichtingen heeft gegeven over de inkomsten uit arbeid die verdachte genoot.

Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:

1.

[bedrijf 1] B.V., welke rechtspersoon bij vonnis (van de rechtbank Leeuwarden van 6 april 2010) in staat van faillissement is verklaard,

in de periode van 11 september 2009 tot en met 6 april 2010, in Twijzel (gemeente Achtkarspelen) en/of in Burgum (gemeente Tietjerksteradeel) en/of Grou (gemeente Leeuwarden) en/of elders in Nederland,

tezamen en in vereniging met een of meer natuurlijke en/of rechtspersonen, althans alleen,

meermalen, althans eenmaal,

(telkens) ter bedrieglijke verkorting van de rechten van zijn schuldeisers, enig goed aan de boedel onttrokken heeft of onttrekt, hierin bestaande, dat hij en/of zijn mededader(s),

- het onderhanden werk van de failliet, [bedrijf 1] B.V., bestaande in de werkzaamheden die zijn verricht voor het project ' [appartementencomplex] ' en waarvan de failliet de kosten heeft gedragen, onverschuldigd heeft/hebben overgedragen aan [bedrijf 2] B.V. en die in staat heeft/hebben gesteld (een gedeelte van) de aanneemsom te factureren en te incasseren, zonder dat voor het aldus overgedragen onderhanden werk door de failliet enige vergoeding is ontvangen; en/of

- ( onverschuldigd) een of meer geldbedrag(en) van een of meer bankrekening(en) die te naam was/waren gesteld van [bedrijf 1] B.V. heeft/hebben overgeboekt en/of laten overboeken naar een of meer bankrekening(en) die te naam was/waren gesteld van [bedrijf 3] B.V. en/of een of meer ander(e) aan hem, verdachte, gelieerde rechtsperso(o)n(en) en/of aan hem, verdachte, privé; en/of

- ( onverschuldigd) een of meer betaling(en) heeft/hebben verricht ten behoeve van een of meer aan hem, verdachte, gelieerde rechtsperso(o)n(en) en/of hem, verdachte; en/of

- een of meer geldbedrag(en) contant heeft/hebben opgenomen; en/of

- ter gelegenheid van het faillissement of op een tijdstip waarop hij, [bedrijf 1] B.V., wist dat het faillissement niet kon worden voorkomen, een of meer schuldeiser(s) op enige wijze bevoordeeld heeft of bevoordeelt; en/of

- niet voldaan heeft aan de op hem, [bedrijf 1] B.V., rustende verplichtingen ten opzichte van het voeren van een administratie ingevolge artikel 15i van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek, en het bewaren en te voorschijn brengen van boeken, bescheiden en gegevensdragers in dat artikel bedoeld,

tot welk(e) feit(en) hij, verdachte, tezamen en in vereniging met een of meer ander(en), althans alleen, opdracht heeft gegeven en/of aan welke verboden gedraging(en) hij, verdachte, tezamen en in vereniging met een of meer ander(en), althans alleen, feitelijke leiding heeft gegeven;

2.

Hij, verdachte, als bestuurder van [bedrijf 1] B.V., welke rechtspersoon bij vonnis (van de rechtbank Leeuwarden van 6 april 2010) in staat van faillissement is verklaard,

in de periode van 6 april 2010 tot en met 12 februari 2016, in Twijzel (gemeente Achtkarspelen) en/of in Burgum (gemeente Tietjerksteradeel) en/of Grou en/of Leeuwarden (gemeente Leeuwarden) en/of elders in Nederland,

meermalen, althans eenmaal,

terwijl hij (telkens) wettelijk opgeroepen was tot het geven van inlichtingen, heeft geweigerd de vereiste inlichtingen te geven door,

- ( de volledige) administratie van [bedrijf 1] B.V. niet aan de curator te overleggen;

en/of heeft geweigerd de vereiste inlichtingen te geven over, en/of opzettelijk verkeerde inlichtingen heeft gegeven over,

- het (laten) overboeken van een of meer geldbedrag(en) van een of meer bankrekening(en) die te naam was/waren gesteld van [bedrijf 1] B.V. naar een of

meer bankrekening(en) die te naam was/waren gesteld van [bedrijf 3] B.V. en/of een

of meer ander(e) aan hem, verdachte, gelieerde rechtsperso(o)n(en) en/of aan hem, verdachte, privé; en/of

- het (laten) verrichten van een of meer betaling(en) ten behoeve van een of meer aan hem, verdachte, gelieerde rechtsperso(o)n(en) en/of hem, verdachte;

3.

[bedrijf 4] B.V., welke rechtspersoon bij vonnis (van de rechtbank Leeuwarden van 6 december 2011) in staat van faillissement is verklaard, in de periode van 30 november 2010 tot en met 6 december 2011, in Twijzel (gemeente Achtkarspelen) en/of in Heerenveen (gemeente Heerenveen) en/of in Burgum (gemeente Tietjerksteradeel) en/of in Grou (gemeente Leeuwarden) en/of elders in Nederland,

tezamen en in vereniging met een of meer natuurlijke en/of rechtspersonen, althans alleen,

meermalen, althans eenmaal,

(telkens) ter bedrieglijke verkorting van de rechten van zijn schuldeisers, enig goed aan de boedel onttrokken heeft of onttrekt, hierin bestaande, dat hij en/of zijn mededader(s),

- het onderhanden werk van de failliet, [bedrijf 4] B.V., bestaande in de werkzaamheden die zijn verricht voor het project ' [appartementencomplex] ' en waarvan de failliet de kosten heeft gedragen, onverschuldigd heeft/hebben overgedragen aan [bedrijf 5] B.V. en die in staat heeft/hebben gesteld (een gedeelte van) de aanneemsom te factureren en te incasseren, zonder dat voor het aldus overgedragen onderhanden werk door de failliet enige vergoeding is ontvangen; en/of

- ( onverschuldigd) een of meer geldbedrag(en) van een of meer bankrekening(en)

die te naam was/waren gesteld van [bedrijf 4] B.V. heeft/hebben

overgeboekt en/of laten overboeken naar een of meer bankrekening(en) die te

naam was/waren gesteld van [bedrijf 3] B.V. en/of een of meer ander(e) aan hem,

verdachte, gelieerde rechtsperso(o)n(en) en/of aan hem, verdachte, privé; en/of

- ( onverschuldigd) een of meer betaling(en) heeft/hebben verricht ten behoeve

van een of meer aan hem, verdachte, gelieerde rechtsperso(o)n(en) en/of hem,

verdachte; en/of

- een of meer geldbedrag(en) contant heeft/hebben opgenomen; en/of

- ter gelegenheid van het faillissement of op een tijdstip waarop hij, [bedrijf 4] B.V., wist dat het faillissement niet kon worden voorkomen, een of meer schuldeiser(s) op enige wijze bevoordeeld heeft of bevoordeelt; en/of

- niet voldaan heeft aan de op hem, [bedrijf 4] B.V., rustende verplichtingen ten opzichte van het voeren van een administratie ingevolge artikel 15i van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek, en het bewaren en te voorschijn brengen van boeken, bescheiden en gegevensdragers in dat artikel bedoeld,

tot welk(e) feit(en) hij, verdachte, tezamen en in vereniging met een of meer

ander(en), althans alleen, opdracht heeft gegeven en/of aan welke verboden

gedraging(en) hij, verdachte, tezamen en in vereniging met een of meer

ander(en), althans alleen, feitelijke leiding heeft gegeven;

4.

Hij, verdachte, als bestuurder van [bedrijf 4] B.V., welke rechtspersoon bij vonnis (van de rechtbank Leeuwarden van 6 december 2011) in staat van faillissement is verklaard,

in de periode van 6 december 2011 tot en met 12 februari 2016, in Twijzel (gemeente Achtkarspelen) en/of in Heerenveen (gemeente Heerenveen) en/of in Burgum (gemeente Tietjerksteradeel) en/of in Grou en/of Leeuwarden (gemeente Leeuwarden) en/of elders in Nederland,

meermalen, althans eenmaal,

terwijl hij (telkens) wettelijk opgeroepen was tot het geven van inlichtingen, heeft geweigerd de vereiste inlichtingen te geven door,

- ( de volledige) administratie van [bedrijf 4] B.V. niet aan de curator te overleggen;

5.

[bedrijf 2] B.V., welke rechtspersoon bij vonnis (van de rechtbank Noord Nederland van 27 augustus 2013) in staat van faillissement is verklaard,

in de periode van 7 april 2010 tot en met 27 augustus 2013, in Twijzel (gemeente Achtkarspelen) en/of in (de gemeente) Tietjerksteradeel en/of in Burgum (gemeente Tietjerksteradeel) en/of in Grou (gemeente Leeuwarden) en/of elders in Nederland,

tezamen en in vereniging met een of meer natuurlijke en/of rechtspersonen, althans alleen,

meermalen, althans eenmaal,

(telkens) ter bedrieglijke verkorting van de rechten van zijn schuldeisers, enig goed aan de boedel onttrokken heeft of onttrekt, hierin bestaande, dat hij en/of zijn mededader(s),

- het onderhanden werk van de failliet, [bedrijf 2] B.V., bestaande in de werkzaamheden die zijn verricht voor het project ' [appartementencomplex] ' en waarvan de failliet de kosten heeft gedragen, onverschuldigd heeft/hebben overgedragen aan [bedrijf 5] B.V. en die in staat heeft/hebben gesteld (een gedeelte van) de aanneemsom te factureren en te incasseren, zonder dat voor het aldus overgedragen onderhanden werk door de failliet enige vergoeding is ontvangen; en/of

- ( onverschuldigd) een of meer geldbedrag(en) van een of meer bankrekening(en) die te naam was/waren gesteld van [bedrijf 2] B.V. heeft/hebben overgeboekt en/of laten overboeken naar een of meer bankrekening(en) die te naam was/waren gesteld van [bedrijf 3] B.V. en/of een of meer ander(e) aan hem, verdachte, gelieerde rechtsperso(o)n(en) en/of aan hem, verdachte, privé; en/of

- ( onverschuldigd) een of meer betaling(en) heeft/hebben verricht ten behoeve van een of meer aan hem, verdachte, gelieerde rechtsperso(o)n(en) en/of hem, verdachte; en/of

- een of meer geldbedrag(en) contant heeft/hebben opgenomen; en/of

- ter gelegenheid van het faillissement of op een tijdstip waarop hij, [bedrijf 2] B.V., wist dat het faillissement niet kon worden voorkomen, een of meer schuldeiser(s) op enige wijze bevoordeeld heeft of bevoordeelt; en/of

- niet voldaan heeft aan de op hem, [bedrijf 2] B.V., rustende verplichtingen ten opzichte van het voeren van een administratie ingevolge artikel 15i van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek, en het bewaren en te voorschijn brengen van boeken, bescheiden en gegevensdragers in dat artikel bedoeld;

tot welk(e) feit(en) hij, verdachte, tezamen en in vereniging met een of meer ander(en), althans alleen, opdracht heeft gegeven en/of aan welke verboden gedraging(en) hij, verdachte, tezamen en in vereniging met een of meer ander(en), althans alleen, feitelijke leiding heeft gegeven;

6.

Hij, verdachte, als bestuurder van [bedrijf 2] B.V., welke rechtspersoon bij vonnis (van de rechtbank Noord Nederland van 27 augustus 2013) in staat van faillissement is verklaard,

in de periode van 27 augustus 2013 tot en met 5 februari 2016, in Twijzel (gemeente Achtkarspelen) en/of in (de gemeente) Tietjerksteradeel en/of in Burgum (gemeente Tietjerksteradeel) en/of in Grou en/of Leeuwarden (gemeente Leeuwarden) en/of elders in Nederland,

meermalen, althans eenmaal,

terwijl hij (telkens) wettelijk opgeroepen was tot het geven van inlichtingen, heeft geweigerd de vereiste inlichtingen te geven door,

- ( de volledige) administratie van [bedrijf 2] B.V. niet aan de curator te overleggen;

en/of heeft geweigerd de vereiste inlichtingen te geven over, en/of opzettelijk verkeerde inlichtingen heeft gegeven over,

- de auditfiles; en/of

- de huurovereenkomst van de onroerende zaak in Rotterdam; en/of

- het juridische dossier ter zake van het verwijderen van de krakers; en/of

- het (laten) overboeken van een of meer geldbedrag(en) van een of meer bankrekening(en) die te naam was/waren gesteld van [bedrijf 2] B.V. naar een of meer bankrekening(en) die te naam was/waren gesteld van [bedrijf 3] B.V. en/of een of meer ander(e) aan hem, verdachte, gelieerde rechtsperso(o)n(en) en/of aan hem, verdachte, privé; en/of

- het (laten) verrichten van een of meer betaling(en) ten behoeve van een of

meer aan hem, verdachte, gelieerde rechtsperso(o)n(en) en/of hem, verdachte;

7.

[bedrijf 2] B.V., in of omstreeks de periode van 29 april 2011 tot en met 31 oktober 2011, in Twijzel (gemeente Achtkarspelen) en/of in (de gemeente) Tietjerksteradeel en/of in Burgum (gemeente Tietjerksteradeel) en/of in Grou (gemeente Leeuwarden) en/of elders in Nederland,

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

meermalen, althans eenmaal,

(telkens) opzettelijk een of meer bij de belastingwet voorziene aangifte(n), als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten:

- de aangifte omzetbelasting over de maand maart 2011; en/of

- de aangifte omzetbelasting over de maand juni 2011; en/of

- de aangifte omzetbelasting over de maand september 2011,

onjuist of onvolledig hebben/heeft gedaan en/of door een ander heeft doen doen bij de belastingdienst in Leeuwarden, terwijl dat/die feit(en) er (telkens) toe strekte(n), dat te weinig belasting zou worden geheven, hebben die onjuistheid of onvolledigheid hierin bestaan dat in die aangifte(n)

- een te hoog bedrag aan voorbelasting; en/of

- een te laag bedrag aan te betalen omzetbelasting was vermeld,

tot welk(e) feit(en) hij, verdachte, tezamen en in vereniging met een of meer ander(en), althans alleen, opdracht heeft gegeven en/of aan welke verboden gedraging(en) hij, verdachte, tezamen en in vereniging met een of meer ander(en), althans alleen, feitelijke leiding heeft gegeven;

8.

Hij, die bij vonnis (van de rechtbank Noord Nederland van 27 mei 2014) in staat van

faillissement is verklaard, in de periode van 27 mei 2014 tot en met 5 februari 2016, in Burgum (gemeente Tietjerksteradeel) en/of in Grou (gemeente Leeuwarden)

en/of elders in Nederland,

tezamen en in vereniging met [medeverdachte 1] , althans alleen,

meermalen, althans eenmaal,

(telkens) ter bedrieglijke verkorting van de rechten van zijn schuldeisers, baten niet verantwoord heeft of niet verantwoordt, hierin bestaande, dat hij en/of zijn mededader(s), - niet aan de curator heeft/hebben gemeld dat hij, verdachte, (uit door hem verrichte werkzaamheden) een of meer geldbedrag(en) heeft/hebben ontvangen;

en/of enig goed aan de boedel onttrokken heeft of onttrekt, hierin bestaande, dat hij en/of zijn mededader(s),

- ( onverschuldigd) een of meer betaling(en) heeft/hebben verricht;

9.

Hij, die bij vonnis (van de rechtbank Noord Nederland van 27 mei 2014) in staat van faillissement is verklaard, in de periode van 27 mei 2014 tot en met 5 februari 2016, in Burgum (gemeente Tietjerksteradeel) en/of in Grou (gemeente Leewuarden)

en/of elders in Nederland, meermalen, althans eenmaal, terwijl hij (telkens) wettelijk opgeroepen was tot het geven van inlichtingen, heeft geweigerd de vereiste inlichtingen te geven door,

- de (volledige) (prive)administratie niet aan de curator te overleggen;

en/of heeft geweigerd de vereiste inlichtingen te geven over, en/of opzettelijk verkeerde inlichtingen heeft gegeven over,

- de inkomsten (uit arbeid) die hij, verdachte, genoot.

3 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 De bewijsoverwegingen met betrekking tot de feiten 1, 3 en 5

4.1

De relevante feiten

De rechtbank stelt op basis van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting de volgende feiten en omstandigheden vast.

De betrokken rechtspersonen en hun feitelijk leidinggever

[bedrijf 1] BV

[bedrijf 1] BV (hierna: [bedrijf 1] ) is op 20 augustus 2002 opgericht door [verdachte] . De schoonzus van [verdachte] , [naam 6] , is voor 50% aandeelhouder, [verdachte] voor 49% en de heer [naam 1] voor 1%. Vanaf 1 juni 2008 tot 6 april 2010 trad [bedrijf 3] BV (hierna: [bedrijf 3] ) op als bestuurder van [bedrijf 1] .

Op 6 april 2010 is [bedrijf 1] failliet verklaard. Mr. R.S. van der Spek is als curator aangewezen.

[bedrijf 2] BV

[bedrijf 2] BV (hierna: [bedrijf 2] ) is op 24 december 2004 opgericht. [verdachte] en [bedrijf 1] zijn ieder voor 50% aandeelhouder en [verdachte] is vanaf 1 januari 2006 tot en met 27 augustus 2013 algemeen directeur geweest.

[bedrijf 2] is op 27 augustus 2013 failliet verklaard. Mr. C. Grondsma is als curator aangewezen.

[bedrijf 4] BV

[bedrijf 4] BV (hierna: [bedrijf 4] ) is op 25 januari 1990 opgericht door [bedrijf 5] BV (hierna: [bedrijf 5] ). In de periode van 1 oktober 2010 tot 6 december 2011 was [bedrijf 3] , middels [bedrijf 5] , bestuurder.

Op 6 december 2011 is [bedrijf 4] failliet verklaard en is mr. C. Grondsma als curator aangewezen.

[bedrijf 5]

is opgericht op 25 januari 1990. Vanaf 1 oktober 2010 is [bedrijf 3] bestuurder. [bedrijf 5] is op 7 februari 2012 in staat van faillissement verklaard.

[bedrijf 3]

is opgericht op 13 augustus 2003. [verdachte] is voor 56% aandeelhouder en [bedrijf 1] voor 44%. Voornoemde schoonzus van [verdachte] , [naam 6] , stond van 22 juli 2005 tot

1 maart 2013 als algemeen directeur ingeschreven bij de Kamer van Koophandel. [verdachte] is vanaf 1 juni 2012 algemeen directeur.

[bedrijf 3] vervulde voor [bedrijf 1] , [bedrijf 2] , [bedrijf 5] en [verdachte] in privé een bankiersfunctie. Een deel van de inkomsten van deze vennootschappen werd telkens overgeboekt naar [bedrijf 3] , als gevolg waarvan die vennootschappen vrijwel steeds over een banksaldo van minder dan € 100,-- beschikten. [bedrijf 3] verrichtte op haar beurt weer betalingen voor de genoemde vennootschappen.

In de periodes van de tenlastegelegde feiten was [verdachte] de feitelijk leidinggever van alle hiervoor genoemde vennootschappen. Hij deelde naar eigen zeggen de lakens uit.

[bedrijf 6] BV

[bedrijf 6] BV (hierna: [bedrijf 6] ) is opgericht op 11 augustus 1977. Medeverdachten [medeverdachte 2] (hierna: [medeverdachte 2] ) en [medeverdachte 3] (hierna: [medeverdachte 3] ) zijn ieder
– middellijk – voor 50% aandeelhouder.

[medeverdachte 3] is vanaf 25 juli 2005 bestuurder van [bedrijf 6] .

Het project [appartementencomplex]

In 2007 is [verdachte] met [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] mondeling een aannemingsovereenkomst overeengekomen voor de ontwikkeling van het appartementencomplex [appartementencomplex] aan de [adres] te Assen (35 appartementen en 55 inpandige garages) voor een bedrag van € 4.120.000,-- inclusief omzetbelasting. [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] vertegenwoordigden [bedrijf 6] en [verdachte] vertegenwoordigde [bedrijf 1] . Daarbij is de afspraak gemaakt dat de verkoopopbrengst van de appartementen boven de kostprijs fifty-fifty verdeeld zou worden tussen [bedrijf 6] en [bedrijf 1] .

[bedrijf 6] heeft in 2007 voor een bedrag van € 1.500.000,-- exclusief omzetbelasting de grond verworven waarop het appartementencomplex gebouwd zou worden. Begin 2008 is [bedrijf 1] begonnen met de bouw van [appartementencomplex] .

Eind 2008 is een bouwvergunning verleend voor vier extra appartementen, waardoor het totaal aantal te bouwen appartementen uitkwam op 39. De aanneemsom voor de vier extra appartementen bedroeg € 400.000,-- inclusief omzetbelasting, waarmee de totale aanneemsom uitkwam op € 4.520.000,-- inclusief omzetbelasting.

[bedrijf 1] heeft de aanneemsom in termijnbedragen aan [bedrijf 6] gefactureerd. Deze facturen zijn telkens voldaan. In september 2009 was de volledige aanneemsom van € 4.520.000,-- door [bedrijf 6] aan [bedrijf 1] betaald. Het appartementencomplex was op dat moment echter nog niet gereed. [verdachte] is toen met [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] mondeling overeengekomen dat het bouwkundig deel van het project [appartementencomplex] door [bedrijf 2]

zou worden afgemaakt en dat de installatiewerkzaamheden door [bedrijf 4] zouden worden verricht.

Vanaf september 2009 heeft [bedrijf 2] de facturen voor het afbouwen van [appartementencomplex] naar [bedrijf 6] gestuurd. Deze facturen heeft [bedrijf 6] voldaan. De crediteuren werd(en) echter nog steeds ten laste van [bedrijf 1] geboekt.

In totaal is in de periode van 3 september 2009 tot en met het faillissement van [bedrijf 1] op 6 april 2010 voor € 1.213.435,76 aan crediteuren bij [bedrijf 1] ingeboekt. In dezelfde periode heeft [bedrijf 2] – direct of indirect via [bedrijf 3] – € 796.554,82 naar [bedrijf 1] overgeboekt, waarvan de crediteuren betaald zijn die nog nodig waren om de bouw van [appartementencomplex] te voltooien. De crediteuren die niet meer nodig waren werden bewust niet meer betaald. Het totaal aan niet betaalde crediteuren bedroeg in deze periode € 416.880,94.

Vanaf 7 april 2010 zijn de crediteuren ten laste van [bedrijf 2] geboekt en is [bedrijf 2] gestopt met het uitfactureren naar [bedrijf 6] .

In totaal is in de periode van 13 april 2010 tot en met het faillissement van [bedrijf 2] op 27 augustus 2013 voor een bedrag van € 2.834.671,89 aan crediteuren bij [bedrijf 2] ingeboekt. Deze crediteuren zijn voor een bedrag van ten hoogste € 1.785.451,91 betaald uit van [bedrijf 5] en [bedrijf 3] ontvangen bedragen. Dit betrof crediteuren die nog nodig waren om de bouw van [appartementencomplex] te voltooien. Ook nu werden de crediteuren die niet meer nodig waren bewust niet meer betaald. Het totaal aan niet betaalde crediteuren bedroeg in deze periode tenminste € 1.049.219,98.

In november 2010 is [bedrijf 5] begonnen met het uitschrijven van facturen aan [bedrijf 6] in verband met werkzaamheden die door [bedrijf 2] en [bedrijf 4] waren verricht. Ook deze facturen zijn door [bedrijf 6] voldaan. De crediteuren in verband met de installatiewerkzaamheden zijn tot aan het faillissement van [bedrijf 4] op 6 december 2011 ten laste van [bedrijf 4] geboekt.

[bedrijf 6] heeft voor de bouw van [appartementencomplex] over de jaren 2008 tot en met 2012 uiteindelijk in totaal een bedrag van € 7.509.447,37 aan [bedrijf 1] , [bedrijf 2] en [bedrijf 5] betaald.

Het totaal aan niet betaalde crediteuren in verband met de bouw van [appartementencomplex] bedraagt € 3.563.781,39.

4.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het onder 1, 3 en 5 tenlastegelegde en heeft daarbij, zakelijk weergegeven, het volgende naar voren gebracht.

[verdachte] heeft bij de bouw van het project [appartementencomplex] gebruik gemaakt van een sterfhuisconstructie. Hij heeft – als feitelijk leidinggever van [bedrijf 1] , [bedrijf 2] en [bedrijf 4] – kosten van de bouw van [appartementencomplex] telkens voor rekening van deze vennootschappen laten komen, terwijl de bijbehorende inkomsten naar andere vennootschappen werden overgemaakt. Dat die andere vennootschappen daarna een gedeelte van de inkomsten weer naar [bedrijf 1] , [bedrijf 2] en [bedrijf 4] overboekten doet daaraan niet af.

Vanaf het moment van de overboeking van de inkomsten naar de andere vennootschappen bestond de aanmerkelijke kans dat [bedrijf 1] , [bedrijf 2] en [bedrijf 4] daardoor failliet zouden gaan. Andere oorzaken voor die faillissementen acht de officier van justitie niet aannemelijk.

Daarnaast werden de ontvangen termijnen van de aanneemsom door de betreffende vennootschappen telkens direct doorgeboekt naar [bedrijf 3] , waardoor die gelden nog verder buiten het bereik van de schuldeisers, en later de curatoren, werden gebracht. Hetzelfde geldt voor betalingen door [bedrijf 3] ten behoeve van [verdachte] en aan hem gelieerde rechtspersonen en voor het opnemen van contante gelden. De officier van justitie spreekt in dit verband van ‘voortgezette onttrekkingen’.

De officier van justitie is tevens van mening dat schuldeisers zijn bevoordeeld en verwijst hierbij naar [bedrijf 8] in het faillissement van [bedrijf 1] , [bedrijf 7] in het faillissement van [bedrijf 2] en naar een aantal Excel-bestanden in het dossier.

Tot slot acht de officier van justitie ook bewezen dat telkens geen deugdelijke administratie is gevoerd, hetgeen volgt uit de bevindingen van de Belastingdienst.

Van het niet bewaren en tevoorschijn brengen van boeken, bescheiden en gegevensdragers dient [verdachte] te worden vrijgesproken omdat daarvan in de tenlastegelegde periode geen sprake is geweest, aldus de officier van justitie.

4.3

Het standpunt van de verdediging

De tenlastelegging onder 1, 3 en 5 ziet telkens op overtreding van artikel 341 (oud) onder a, sub 1º, sub 3º en sub 4º van het Wetboek van Strafrecht (Sr). [verdachte] dient hiervan naar de mening van de raadsman geheel te worden vrijgesproken, reeds vanwege het feit dat geen sprake is van een sterfhuisconstructie die door [verdachte] is opgezet met de bedoeling om de crediteuren telkens de prijs te laten betalen. De raadsman heeft hier nog het volgende aan toegevoegd.

Met betrekking tot het op verschillende manieren onttrekken van goederen aan de boedel:

- het onderhanden werk, bestaande uit de werkzaamheden voor het project ‘ [appartementencomplex] ’, vormt volgens de Belastingdienst niet een balanspost die thuishoort op de winst- en verliesrekening, zodat geen sprake is van een overdraagbaar goed dat aan de boedel onttrokken kan worden. Daarnaast was er slechts sprake van het doorbelasten van kosten zonder winst en niet van de overdracht van een goed van waarde;

- als er wel sprake is van onderhanden werk is niet bewezen dat dit ‘om niet’ is overgedragen nu er wél overboekingen hebben plaatsgevonden van [bedrijf 2] naar/ten behoeve van [bedrijf 1] , van [bedrijf 5] naar/ten behoeve van [bedrijf 4] en van [bedrijf 5] naar/ten behoeve van [bedrijf 2] (telkens al dan niet via [bedrijf 3] );

- niet bewezen is dat de onder de overige gedachtestreepjes genoemde overboekingen telkens zijn uitgevoerd met het opzet om schuldeisers in een toekomstig faillissement te benadelen.

Met betrekking tot het bevoordelen van schuldeisers:

- in het dossier wordt in dit verband eigenlijk maar één factuur genoemd, te weten die van [bedrijf 8] aan [bedrijf 1] . Deze factuur is echter (verdeeld over twee facturen) door [bedrijf 2] voldaan, als gevolg waarvan de crediteuren van [bedrijf 1] niet benadeeld zijn;

- indien in dit verband gedoeld wordt op de factuur van [bedrijf 7] is niet bewezen dat deze schuldeiser betaald is op een moment dat het faillissement van [bedrijf 2] voorzienbaar was;

- voor de algemene verklaring van [verdachte] dat hij soms dwangcrediteuren wel betaald heeft en andere crediteuren niet bevat het dossier geen steunbewijs. Bovendien is niet bewezen dat dergelijke betalingen zijn verricht op een moment dat [verdachte] wist dat een faillissement niet kon worden voorkomen.

Met betrekking tot het niet voldoen aan de administratieplicht:

- volgens [verdachte] en [medeverdachte 4] klopt de administratie telkens wel degelijk en is deze kundig bijgehouden. Weliswaar is de Belastingdienst van mening dat er van alles niet klopte aan de boekhouding, maar de fiscale administratieplicht is een zwaardere dan de administratieplicht uit artikel 3:15i Burgerlijk Wetboek (BW);

- daarnaast kan niet bewezen worden dat [verdachte] in dit verband heeft gehandeld met het (al dan niet voorwaardelijk) opzet om schuldeisers te benadelen.

4.4

Het oordeel van de rechtbank

Onder 1, 3 en 5 zijn telkens drie vormen van faillissementsfraude ten laste gelegd, waaraan [verdachte] feitelijk leiding zou hebben gegeven, te weten onttrekking van goederen aan de boedel, bevoordeling van schuldeisers en niet voldoen aan de administratieverplichtingen. Deze onttrekking en bevoordeling en dit niet voldoen aan verplichtingen zou telkens hebben plaatsgevonden ‘ter bedrieglijke verkorting van de rechten van de schuldeisers’. De rechtbank overweegt hieromtrent het volgende.

De in art. 341 Sr gebezigde bewoordingen ‘ter bedrieglijke verkorting van de rechten der schuldeisers’ brengen tot uitdrukking dat de verdachte het opzet moet hebben gehad op benadeling van de schuldeisers en dat voorwaardelijk opzet in dat verband voldoende is. Voor het bewijs van het opzet is derhalve ten minste vereist dat de gedraging van de verdachte de aanmerkelijke kans op benadeling van de schuldeisers heeft doen ontstaan en dat de verdachte door die gedraging die aanmerkelijke kans bewust heeft aanvaard. Dit betekent dat er ten tijde van de ten laste gelegde handelingen reeds een aanmerkelijke kans op een faillissement bestond of dat als gevolg van die handelingen een aanmerkelijke kans op een faillissement is ontstaan. Een aanmerkelijke kans is in dit verband een redelijke mate van waarschijnlijkheid.

De rechtbank stelt verder voorop dat voor het bewijs van opzet de aard van de gedraging, de omstandigheden van het geval, de bijzondere positie van de verdachte, algemene ervaringsregels, feiten van algemene bekendheid etc. van belang zijn. Deze aspecten kunnen tot de conclusie leiden dat het – behoudens contra-indicaties – niet anders kan zijn dan dat de verdachte zich bewust is geweest van de aanmerkelijke kans op een faillissement en daarmee op benadeling van de schuldeisers en die kans ook heeft aanvaard (gewild).

Met betrekking tot [bedrijf 1] leidt de rechtbank uit het dossier af dat in de periode van de tenlastelegging in verband met het project [appartementencomplex] de volgende bedragen aan crediteuren in de administratie zijn opgenomen:

geboekt in 2009: € 1.068.052,62 betaald in 2009: € 604.576,85

geboekt in 2010: € 145.383,14 betaald in 2010: € 191.977,97 € 1.213.435,76 € 796.554,82

Het totaal aan niet betaalde crediteuren bedraagt dus € 416.880,94.

[verdachte] heeft verklaard dat hij het binnengekomen geld verdeelde over de crediteuren die hij ook echt nodig had voor de bouw van het project [appartementencomplex] . De crediteuren die hij niet meer nodig had heeft hij bewust niet betaald.

Gezien het bedrag van de in 2009 niet betaalde crediteuren, het feit dat [bedrijf 1] niet over een positief eigen vermogen beschikte en het feit dat [bedrijf 1] uitsluitend geld ontving van [bedrijf 2] en [bedrijf 3] voor het betalen van de crediteuren die nog nodig waren voor de bouw van [appartementencomplex] , is de rechtbank van oordeel dat tenminste vanaf 1 januari 2010 een aanmerkelijke kans op een faillissement van [bedrijf 1] bestond en dat [verdachte] zich van die kans, en daarmee de aanmerkelijke kans op benadeling van de schuldeisers, bewust is geweest en dat hij die kans ook heeft aanvaard.

Met betrekking tot [bedrijf 2] leidt de rechtbank uit het dossier af dat in de periode van de tenlastelegging in verband met het project [appartementencomplex] de volgende bedragen aan crediteuren in de administratie zijn opgenomen:

geboekt in 20101: € 1.754.659,-- betaald in het hele jaar 2010: € 1.234.785,49

geboekt in 2011: € 660.177,89 betaald in 2011: € 517.823,64

geboekt in 2012: € 419.835,-- betaald in 2012: € 32.842,78 € 2.834.671,89 € 1.785.451,91

Het totaal niet betaalde crediteuren bedraagt derhalve tenminste € 1.049.219,98.

De rechtbank leidt uit dit overzicht af dat [verdachte] zijn handelwijze, inhoudende dat enkel de crediteuren die nog nodig waren voor de bouw van [appartementencomplex] betaald werden, na het faillissement van [bedrijf 1] heeft voortgezet met betrekking tot [bedrijf 2] . Dit betekent dat reeds vanaf 7 april 2010 sprake is geweest van een aanmerkelijke kans op een faillissement van [bedrijf 2] , van welke kans [verdachte] zich bewust is geweest en die hij ook aanvaard heeft.

Met betrekking tot [bedrijf 4] blijkt uit het dossier niet welke bedragen aan crediteuren in de tenlastegelegde periode geboekt zijn en tot welke bedragen deze crediteuren betaald zijn, zodat niet vastgesteld kan worden vanaf welk moment sprake is geweest van een aanmerkelijke kans op een faillissement van [bedrijf 4] .

De rechtbank zal vervolgens de tenlastegelegde drie vormen van faillissementsfraude voor elk van de drie vennootschappen hieronder apart bespreken. Daarbij zal de rechtbank zich telkens beperken tot de periode vanaf het moment dat sprake was van een aanmerkelijke kans op een faillissement, te weten 1 januari 2010 voor [bedrijf 1] en 7 april 2010 voor [bedrijf 2] .

4.4.1

[bedrijf 1] (feit 1)

Onttrekking van goederen aan de boedel

De onttrekking van goederen aan de boedel van [bedrijf 1] is in de tenlastelegging als volgt nader feitelijk omschreven:

( a) door het onderhanden werk, bestaande uit de werkzaamheden voor het project ‘ [appartementencomplex] ’ waarvan [bedrijf 1] de kosten heeft gedragen, onverschuldigd over te dragen aan [bedrijf 2] en die BV in staat te stellen (een gedeelte van) de aanneemsom te factureren, zonder dat voor het aldus overgedragen onderhanden werk door [bedrijf 1] enige vergoeding is ontvangen;

( b) door meerdere geldbedragen van bankrekeningen van [bedrijf 1] onverschuldigd over te boeken naar bankrekeningen van [bedrijf 3] en andere aan verdachte gelieerde rechtspersonen en verdachte in privé;

( c) door onverschuldigd meerdere betalingen te verrichten ten behoeve van aan [verdachte] gelieerde rechtspersonen en ten behoeve van [verdachte] in privé;

( d) door meerdere geldbedragen contant op te nemen.

ad (a) de onverschuldigde overdracht van het onderhanden werk

Uit het dossier blijkt dat [bedrijf 2] in de onder 1 tenlastegelegde periode direct en

indirect (via [bedrijf 3] ) geldbedragen naar [bedrijf 1] heeft overgeboekt, teneinde bepaalde crediteuren te betalen.

Reeds hierom kan niet bewezen verklaard worden dat [bedrijf 1] onderhanden werk heeft overgedragen zonder dat daarvoor door die BV enige vergoeding is ontvangen. Dat [bedrijf 1] de geldbedragen niet rechtstreeks aan [bedrijf 6] in rekening heeft gebracht en van [bedrijf 6] heeft ontvangen, doet daar naar het oordeel van de rechtbank niet aan af.

De rechtbank merkt in dit verband op dat het uitstrepen van de zinsnede ‘zonder dat voor het aldus overgedragen onderhanden werk door de failliet enige vergoeding is ontvangen’ onder eventuele bewezenverklaring van de overige tekst van dit onderdeel van de tenlastelegging onder 1 – gezien de inhoud van het overzichtsproces-verbaal en hetgeen de officier van justitie ter zitting in reactie op het partiële nietigheidsverweer en in zijn requisitoir naar voren heeft gebracht – zou leiden tot denaturering van de tenlastelegging op dit onderdeel.

De rechtbank zal [verdachte] dan ook vrijspreken van dit onderdeel van de tenlastelegging.

ad (b) de overboeking van geldbedragen van [bedrijf 1] naar [bedrijf 3] , naar andere aan [verdachte] gelieerde rechtspersonen en naar [verdachte] in privé

In 2010 hebben geen overboekingen plaatsgevonden van [bedrijf 1] naar aan [verdachte] gelieerde rechtspersonen.

In februari 2010 is een bedrag van € 1.500,-- naar een rekening van [verdachte] overgeboekt en in maart 2010 een bedrag van € 550,--. De rechtbank acht het onder 1 tenlastegelegde met betrekking tot deze bedragen wettig en overtuigend bewezen.

ad (c) het verrichten van betalingen ten behoeve van (rechtspersonen van) [verdachte]

In 2010 hebben geen betalingen ten behoeve van aan [verdachte] gelieerde rechtspersonen of ten behoeve van [verdachte] plaatsgevonden. De rechtbank zal [verdachte] partieel vrijspreken voor dit deel van de tenlastelegging.

ad (d) het contant opnemen van geldbedragen

In 2010 heeft [verdachte] geen contante bedragen van [bedrijf 1] opgenomen. De rechtbank zal [verdachte] partieel vrijspreken voor dit deel van de tenlastelegging.

Bevoordeling van schuldeisers

[verdachte] heeft verklaard dat hij bepaalde onderaannemers en leveranciers van [bedrijf 1] die hij nodig had voor de continuïteit van de realisatie van het project [appartementencomplex] (door [verdachte] ‘dwangcrediteuren’ genoemd) – via [bedrijf 3] – betaald heeft. De crediteuren die hij niet meer nodig had heeft hij bewust niet betaald.

Voor bewezenverklaring van dit onderdeel van de tenlastelegging geldt echter de eis dat de betalingen hebben plaatsgevonden op een tijdstip waarop [verdachte] zeker wist dat het faillissement van [bedrijf 1] , afgezien van onverwachte omstandigheden, onvermijdelijk was, of op een tijdstip nadat het faillissement was uitgesproken.

De rechtbank kan op basis van het dossier niet vaststellen vanaf welk moment [verdachte] zeker wist dat het faillissement van [bedrijf 1] onvermijdelijk was, zodat alleen eventuele bevoordeling van schuldeisers die na het faillissement op 6 april 2010 heeft plaatsgevonden, tot bewezenverklaring van dit onderdeel van de tenlastelegging kan leiden.

De officier van justitie heeft de creditfactuur van [bedrijf 8] BV ad € 84.268,68 d.d. 29 april 2010, en de bijbehorende factuur voor hetzelfde bedrag, gericht aan [bedrijf 2] d.d. 29 april 2010, als bewijs van de tenlastegelegde bevoordeling van schuldeisers opgevoerd. De rechtbank volgt de officier van justitie hierin echter niet, nu niet bewezen kan worden dat deze creditering van [bedrijf 1] en facturering aan [bedrijf 2] heeft geleid tot benadeling van de schuldeisers van [bedrijf 1] .

De rechtbank acht dit onderdeel van de tenlastelegging dan ook niet bewezen.

Niet voldoen aan de administratieve verplichtingen

Met betrekking tot het niet voldoen aan de administratieve verplichtingen door [bedrijf 1] wordt in de tenlastelegging verwezen naar artikel 3:15i van het Burgerlijk Wetboek (BW).

In artikel 3:15i BW is de eis opgenomen dat een ieder die een bedrijf of zelfstandig een beroep uitoefent, verplicht is om van zijn vermogenstoestand en van alles betreffende zijn bedrijf of beroep, naar de eisen van dat bedrijf of beroep, op zodanige wijze een administratie te voeren en de daartoe behorende boeken, bescheiden en andere gegevensdragers op zodanige wijze te bewaren, dat te allen tijde zijn rechten en verplichtingen kunnen worden gekend. Deze eis moet op grond van de jurisprudentie aldus worden begrepen dat daaraan is voldaan indien de boekhouding van een zodanig niveau is dat men snel inzicht kan krijgen in de debiteuren- en crediteurenpositie op enig moment en deze posities en de stand van de liquiditeiten, gezien de aard en omvang van de onderneming, een redelijk inzicht geven in de vermogenspositie.

Naast de debiteuren- en crediteurenpositie en de stand van de liquiditeiten kunnen echter ook andere elementen van belang zijn voor het antwoord op de vraag of de boekhouding aan de daaraan te stellen eisen voldoet.

De rechtbank is met de officier van justitie en de verdediging van oordeel dat niet bewezen is dat [bedrijf 1] in de tenlastegelegde periode boeken, bescheiden en gegevensdragers niet bewaard en tevoorschijn gebracht heeft, zodat [verdachte] van dit onderdeel van de tenlastelegging zal worden vrijgesproken.

De rechtbank stelt op basis van de aangifte van curator mr. R.S. van der Spek en de bevindingen van de controlemedewerkers [naam 2] en [naam 3] van de Belastingdienst/

Kantoor Leeuwarden vast dat de primaire vastleggingen in de administratie van [bedrijf 1] niet volledig waren. Zo ontbreken calculaties of bestekken van bouwprojecten, extern berichtenverkeer met leveranciers en afnemers en contracten en bouw- en aanneem-overeenkomsten nagenoeg geheel en is geen (klad)kasboek bijgehouden. Daarnaast ontbreken subsidiaire vastleggingen zoals een separate inkoop- en verkoopadministratie, project-administraties en vastleggingen met betrekking tot de verbanden tussen inkoop en verkoop van activiteiten (nagenoeg) geheel.

De administratie van [bedrijf 1] is daarmee naar het oordeel van de rechtbank niet zodanig gevoerd dat te allen tijde de eigen rechten en verplichtingen duidelijk konden worden gekend.

Door niet te voldoen aan de op [bedrijf 1] rustende verplichtingen ten opzichte van het voeren van een administratie, heeft [verdachte] naar het oordeel van de rechtbank – vanaf 1 januari 2010 tot en met 6 april 2010 – willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat rechten van schuldeisers van [bedrijf 1] zouden worden verkort. De rechtbank verwijst in dit verband naar hetgeen is overwogen met betrekking tot het bestanddeel ‘ter bedrieglijke verkorting van de rechten van de schuldeisers’.

4.4.2

[bedrijf 4] (feit 3)

Onttrekking van goederen aan de boedel

De onttrekking van goederen aan de boedel van [bedrijf 4] is in de tenlastelegging als volgt nader feitelijk omschreven:

( a) door het onderhanden werk, bestaande uit de werkzaamheden voor het project ‘ [appartementencomplex] ’ waarvan [bedrijf 4] de kosten heeft gedragen, onverschuldigd over te dragen aan [bedrijf 5] en die BV in staat te stellen (een gedeelte van) de aanneemsom te factureren, zonder dat voor het aldus overgedragen onderhanden werk door [bedrijf 4] enige vergoeding is ontvangen;

( b) door meerdere geldbedragen van bankrekeningen van [bedrijf 4] onverschuldigd over te boeken naar bankrekeningen van [bedrijf 3] en andere aan verdachte gelieerde rechtspersonen en verdachte in privé;

( c) door onverschuldigd meerdere betalingen te verrichten ten behoeve van aan [verdachte] gelieerde rechtspersonen en ten behoeve van [verdachte] in privé;

( d) door meerdere geldbedragen contant op te nemen.

ad (a) de onverschuldigde overdracht van het onderhanden werk

Uit het dossier blijkt dat [bedrijf 5] in de onder 3 tenlastegelegde periode direct en indirect (via [bedrijf 3] ) geldbedragen naar [bedrijf 4] heeft overgeboekt, teneinde bepaalde crediteuren te betalen.

Reeds hierom kan niet bewezen verklaard worden dat [bedrijf 4] onderhanden werk heeft overgedragen zonder dat daarvoor door die BV enige vergoeding is ontvangen. Dat [bedrijf 4] de geldbedragen niet rechtstreeks aan [bedrijf 6] in rekening heeft gebracht en van [bedrijf 6] heeft ontvangen, doet daar naar het oordeel van de rechtbank niet aan af.

De rechtbank merkt in dit verband op dat het uitstrepen van de zinsnede ‘zonder dat voor het aldus overgedragen onderhanden werk door de failliet enige vergoeding is ontvangen’ onder eventuele bewezenverklaring van de overige tekst van dit onderdeel van de tenlastelegging onder 3 – gezien de inhoud van het overzichtsproces-verbaal en hetgeen de officier van justitie ter zitting in reactie op het partiële nietigheidsverweer en in zijn requisitoir naar voren heeft gebracht – zou leiden tot denaturering van de tenlastelegging op dit onderdeel.

De rechtbank zal [verdachte] dan ook vrijspreken van dit onderdeel van de tenlastelegging.

ad (b) de overboeking van geldbedragen van [bedrijf 4] naar [bedrijf 3] , naar andere aan [verdachte] gelieerde rechtspersonen en naar [verdachte] in privé

Het dossier bevat naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende boekhoudkundig bewijs dat geldbedragen van de rekening van [bedrijf 4] naar rekeningen van [bedrijf 3] , van andere aan [verdachte] gelieerde rechtspersonen of van [verdachte] in privé – ter verkorting van de rechten van de schuldeisers van [bedrijf 4] – zijn overgeboekt.

ad (c) het verrichten van betalingen ten behoeve van (rechtspersonen van) [verdachte] +

ad (d) het contant opnemen van geldbedragen

Ook voor de tenlastegelegde betalingen en contante opnames bevat het dossier naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende boekhoudkundig bewijs.

Bevoordeling van schuldeisers

Het dossier bevat onvoldoende boekhoudkundig bewijs dat [bedrijf 4] – ter gelegenheid van haar faillissement of op een tijdstip waarop dat faillissement niet kon worden voorkomen – een of meer schuldeisers op enige wijze heeft bevoordeeld.

Niet voldoen aan de administratieve verplichtingen

Curator mr. R.S. van der Spek heeft in zijn aangifte weliswaar opgemerkt dat de aan hem overhandigde administratie van [bedrijf 4] niet volledig en actueel is, maar deze constatering wordt naar het oordeel van de rechtbank in onvoldoende mate ondersteund door andere bewijsmiddelen.

De rechtbank zal [verdachte] dan ook vrijspreken van het onder 3 aan hem tenlastegelegde.

4.4.3

[bedrijf 2] (feit 5)

Onttrekking van goederen aan de boedel

De onttrekking van goederen aan de boedel van [bedrijf 2] is in de tenlastelegging als volgt nader feitelijk omschreven:

( a) door het onderhanden werk, bestaande uit de werkzaamheden voor het project ‘ [appartementencomplex] ’ waarvan [bedrijf 2] de kosten heeft gedragen, onverschuldigd over te dragen aan [bedrijf 5] en die BV in staat te stellen (een gedeelte van) de aanneemsom te factureren, zonder dat voor het aldus overgedragen onderhanden werk door [bedrijf 2] enige vergoeding is ontvangen;

( b) door meerdere geldbedragen van bankrekeningen van [bedrijf 2] onverschuldigd over te boeken naar bankrekeningen van [bedrijf 3] en andere aan verdachte gelieerde rechtspersonen en verdachte in privé;

( c) door onverschuldigd meerdere betalingen te verrichten ten behoeve van aan [verdachte] gelieerde rechtspersonen en ten behoeve van [verdachte] in privé;

( d) door meerdere geldbedragen contant op te nemen.

ad (a) de onverschuldigde overdracht van het onderhanden werk

Uit het dossier blijkt dat [bedrijf 5] in de onder 5 tenlastegelegde periode direct en indirect (via [bedrijf 3] ) geldbedragen naar [bedrijf 2] heeft overgeboekt, teneinde bepaalde crediteuren te betalen.

Reeds hierom kan niet bewezen verklaard worden dat [bedrijf 2] onderhanden werk heeft overgedragen zonder dat daarvoor door die BV enige vergoeding is ontvangen. Dat [bedrijf 2] de geldbedragen niet rechtstreeks aan [bedrijf 6] in rekening heeft gebracht en van [bedrijf 6] heeft ontvangen, doet daar naar het oordeel van de rechtbank niet aan af.

De rechtbank merkt in dit verband op dat het uitstrepen van de zinsnede ‘zonder dat voor het aldus overgedragen onderhanden werk door de failliet enige vergoeding is ontvangen’ onder eventuele bewezenverklaring van de overige tekst van dit onderdeel van de tenlastelegging onder 5 – gezien de inhoud van het overzichtsproces-verbaal en hetgeen de officier van justitie ter zitting in reactie op het partiële nietigheidsverweer en in zijn requisitoir naar voren heeft gebracht – zou leiden tot denaturering van de tenlastelegging op dit onderdeel.

De rechtbank zal [verdachte] dan ook vrijspreken van dit onderdeel van de tenlastelegging.

ad (b) de overboeking van geldbedragen van [bedrijf 2] naar [bedrijf 3] , naar andere aan [verdachte] gelieerde rechtspersonen en naar [verdachte] in privé +

ad (c) het verrichten van betalingen ten behoeve van (rechtspersonen van) [verdachte]

De rechtbank leidt uit het dossier af dat [bedrijf 2] in de periode van 7 april 2010 tot en met 31 december 2011 telkens geldbedragen naar [bedrijf 3] heeft overgemaakt. Echter, (kort) voor die overboekingen en ook daarna zijn veel grotere bedragen door [bedrijf 3] naar [bedrijf 2] overgeboekt. Naar het oordeel van de rechtbank kan reeds hierom niet bewezen verklaard worden dat deze overboekingen van [bedrijf 2] hebben plaatsgevonden ‘ter bedrieglijke verkorting van de rechten van zijn schuldeisers’.

In het jaar 2012 heeft [bedrijf 2] echter een bedrag van € 31.577,64 méér overgeboekt naar [bedrijf 3] dan zij van [bedrijf 3] heeft ontvangen. Naar het oordeel van de rechtbank is het tenlastegelegde voor dit bedrag wettig en overtuigend bewezen.

Verder blijkt uit het dossier dat in de tenlastegelegde periode overboekingen hebben plaatsgevonden van [bedrijf 2] naar aan [verdachte] gelieerde rechtspersonen en naar [verdachte] in privé.

Voor 2010 kan dit bedrag niet exact worden vastgesteld, nu uit het dossier niet zonder meer blijkt welke overboekingen na 7 april 2010 hebben plaatsgevonden.

In 2011 heeft [bedrijf 2] per saldo € 9.511,81 overgeboekt naar [bedrijf 9] BV en in dat jaar is per saldo € 24.749,69 overgeboekt naar of vergoed aan, dan wel namens [verdachte] voldaan. In 2012 betreft dit bedragen van per saldo € 1.550,-- en € 7.492,37.

De rechtbank acht dit onderdeel van het onder 5 tenlastegelegde dan ook wettig en overtuigend bewezen.

ad (d) het contant opnemen van geldbedragen

Uit het dossier blijkt dat [verdachte] in de tenlastegelegde periode contante bedragen heeft opgenomen van de rekening en uit de kas van [bedrijf 2] .

Voor 2010 kan dit bedrag niet exact worden vastgesteld, nu uit het dossier niet zonder meer blijkt welke opnamen na 7 april 2010 hebben plaatsgevonden.

In 2011 heeft [verdachte] in totaal € 22.990,-- contant opgenomen en in 2012 € 4.105,04.

De rechtbank acht ook dit onderdeel van het onder 5 tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen.

Bevoordeling van schuldeisers

De rechtbank kan op basis van het dossier niet vaststellen vanaf welk moment [verdachte] zeker

wist dat het faillissement van [bedrijf 2] onvermijdelijk was, zodat alleen eventuele bevoordeling van schuldeisers die na het faillissement op 27 augustus 2013 heeft plaatsgevonden, tot bewezenverklaring van dit onderdeel van de tenlastelegging kan leiden.

Uit het dossier blijkt niet van bevoordeling na 27 augustus 2013, zodat de rechtbank [verdachte] van dit onderdeel van de tenlastelegging zal vrijspreken.

Niet voldoen aan de administratieve verplichtingen

Onder verwijzing naar hetgeen hiervoor met betrekking tot de administratieve verplichtingen en artikel 3:15i BW is overwogen, merkt de rechtbank het volgende op.

De rechtbank is met de officier van justitie en de verdediging van oordeel dat niet bewezen is dat [bedrijf 2] in de tenlastegelegde periode boeken, bescheiden en gegevensdragers niet bewaard en tevoorschijn gebracht heeft, zodat [verdachte] van dit onderdeel van de tenlastelegging zal worden vrijgesproken.

De rechtbank stelt op basis van de aangifte van curator mr. C. Grondsma en de bevindingen van de controlemedewerkers [naam 2] en [naam 3] van de Belastingdienst/Kantoor Leeuwarden vast dat de primaire vastleggingen in de administratie van [bedrijf 2] niet volledig waren. Zo ontbreken calculaties of bestekken van bouwprojecten, extern berichten-verkeer met leveranciers en afnemers en contracten en bouw- en aanneemovereenkomsten nagenoeg geheel en is geen (klad)kasboek bijgehouden. Daarnaast ontbreken subsidiaire vastleggingen zoals een separate inkoop- en verkoopadministratie, projectadministraties en vastleggingen met betrekking tot de verbanden tussen inkoop en verkoop van activiteiten (nagenoeg) geheel.

De administratie van [bedrijf 2] is daarmee naar het oordeel van de rechtbank niet zodanig gevoerd dat te allen tijde de eigen rechten en verplichtingen duidelijk konden worden gekend.

Door niet te voldoen aan de op [bedrijf 2] rustende verplichtingen ten opzichte van het voeren van een administratie heeft [verdachte] naar het oordeel van de rechtbank – vanaf 7 april 2010 tot en met 27 augustus 2013 – willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat rechten van schuldeisers van [bedrijf 2] zouden worden verkort. De rechtbank verwijst in dit verband naar hetgeen is overwogen met betrekking tot het bestanddeel ‘ter bedrieglijke verkorting van de rechten van de schuldeisers’.

5 De bewijsoverwegingen met betrekking tot de feiten 2, 4 en 6

5.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie is van mening dat het onder 2, 4 en 6 tenlastegelegde bewezen kan worden verklaard.

5.2

Het standpunt van de verdediging

De feiten 2, 4 en 6 zien telkens op overtreding van artikel 194 Sr, het opzettelijk niet voldoen aan de inlichtingenplicht bij een faillissement.

De raadsman heeft bepleit dat [verdachte] hiervan geheel wordt vrijgesproken. [verdachte] is van mening dat de administratie die hij aan de curator heeft aangeleverd zowel deugdelijk als volledig was. Meer was er niet, dus kan hij niets geweigerd hebben. Dat hij opzettelijk onjuiste inlichtingen zou hebben verschaft wordt in het dossier niet verder uitgewerkt en kan niet worden bewezen, aldus [verdachte] .

5.3

Het oordeel van de rechtbank

Onder 2, 4 en 6 is het niet voldoen aan de inlichtingenplicht als bestuurder van respectievelijk het op dat moment failliete [bedrijf 1] (5.3.1), [bedrijf 4] (5.3.2) en [bedrijf 2] (5.3.3) ten laste gelegd. [verdachte] zou hebben geweigerd vereiste inlichtingen te geven en opzettelijk onjuiste of onvolledige informatie hebben gegeven.

De rechtbank overweegt dat de plicht tot het geven van inlichtingen bij faillissement voornamelijk is vastgelegd in de Faillissementswet (Fw). Krachtens artikel 105 juncto 106 Fw is een bestuurder van een gefailleerde verplicht de curator alle inlichtingen te verschaffen. Volgens vaste jurisprudentie valt daaronder ook het overleggen van bescheiden over de failliete boedel2 en het overleggen van de volledige grootboekadministratie, de loon-administratie en relevante bankafschriften.3

5.3.1

Als bestuurder van [bedrijf 1] (feit 2)

[bedrijf 3] was in de ten laste gelegde periode formeel de bestuurder van [bedrijf 1] . Op grond van de verklaringen van [naam 6] , de curator en [verdachte] , mede gelet op het arrest van de Hoge Raad van 3 december 1974 (NJ 1975, 229, ECLI:NL:HR:1974:AB6908) is de rechtbank van oordeel dat [verdachte] in de ten laste gelegde periode kan worden aangemerkt als bestuurder van [bedrijf 3] en van [bedrijf 1] .

Uit de verklaringen van curator R.S. van der Spek en [naam 4] , een medewerker van de curator, blijkt dat de curator [verdachte] na het faillissement een lijst heeft overhandigd waarop stond vermeld welke administratie hij nodig had. De curator heeft [verdachte] meermalen mondeling en schriftelijk verzocht om administratie te verstrekken. De administratie die uiteindelijk (in delen) door [verdachte] werd verstrekt bleek echter niet volledig. Op een gegeven moment heeft Mollema een bezoek aan het kantoor van [bedrijf 1] gebracht. Daar heeft hij administratie van [bedrijf 1] aangetroffen. Dat bleek de administratie te zijn die ondanks verzoeken van de curator niet door [verdachte] was uitgeleverd.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat [verdachte] heeft geweigerd de vereiste inlichtingen te geven door (ondanks meerdere verzoeken daartoe) niet de volledige administratie van [bedrijf 1] aan de curator over te leggen. De rechtbank acht dit onderdeel van het onder 2 tenlastegelegde dan ook wettig en overtuigend bewezen.

Dat [verdachte] heeft geweigerd vereiste inlichtingen te geven en/of opzettelijk verkeerde inlichtingen heeft gegeven over overboekingen en/of betalingen, zoals onder het tweede gedachtestreepje is ten laste gelegd, blijkt niet uit het dossier. Van dit onderdeel van de tenlastelegging zal de rechtbank [verdachte] daarom vrijspreken.

5.3.2

Als bestuurder van [bedrijf 4] (feit 4)

Curator R.S. van der Spek heeft in zijn aangifte weliswaar opgemerkt dat de aan hem overhandigde administratie van [bedrijf 4] niet volledig en actueel is, maar op basis van het dossier kan niet worden vastgesteld dat er meer administratie was dan [verdachte] aan de curator heeft overgelegd. De rechtbank zal [verdachte] daarom vrijspreken van het onder 4 aan hem ten laste gelegde.

5.3.3

Als bestuurder van [bedrijf 2] (feit 6)

In de ten laste gelegde periode stond [verdachte] als bestuurder van [bedrijf 2] in het handelsregister vermeld. Uit de verklaring van curator C. Grondsma blijkt dat [verdachte] haar benodigde stukken en informatie heeft onthouden of met vertraging heeft aangeleverd. Ook heeft Grondsma verklaard dat het verkrijgen van informatie veel energie heeft gevergd, en dat nog altijd veel van de informatie waar [verdachte] expliciet om is gevraagd niet is verstrekt, zoals de auditfiles. Uit de bevindingen van de controlemedewerkers [naam 2] en [naam 3] van de Belastingdienst/Kantoor Leeuwarden blijkt dat de Belastingdienst wel auditfiles van [verdachte] heeft ontvangen. Door [verdachte] is niet ontkend dat hij de auditfiles niet aan de curator heeft verstrekt.

Daarnaast heeft de FIOD de tijdens de doorzoeking aangetroffen administratie van [bedrijf 2] aan de curator verstrekt, opdat deze kon controleren of zij reeds de beschikking had over deze administratie. Uit het e-mailbericht van de heer [naam 7] van 23 maart 2016 blijkt dat door de FIOD diverse bedrijfsmappen zijn verstrekt die ondanks eerdere verzoeken niet door [verdachte] aan de curator waren verstrekt.

Naar het oordeel van de rechtbank is dan ook wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte] heeft geweigerd de vereiste inlichtingen te verstrekken door niet de volledige administratie aan de curator over te leggen. De rechtbank acht dit onderdeel van het onder 6 tenlastegelegde dan ook wettig en overtuigend bewezen.

Van de andere gedachtestreepjes die onder ‘heeft geweigerd de vereiste inlichtingen te geven over, en/of opzettelijk verkeerde inlichtingen heeft gegeven over’ ten laste zijn gelegd zal de rechtbank [verdachte] vrijspreken, omdat de verklaring van Grondsma op dit specifieke punt in onvoldoende mate wordt ondersteund door andere bewijsmiddelen. Curator Grondsma heeft in haar aangifte weliswaar opgemerkt dat de in de tenlastelegging specifiek benoemde stukken haar door [verdachte] werden onthouden, maar op basis van het dossier kan niet worden vastgesteld dat deze stukken onderdeel hebben uitgemaakt van de administratie van [bedrijf 2] . De rechtbank zal [verdachte] daarom vrijspreken van dit deel van de tenlastelegging.

6 De bewijsoverwegingen met betrekking tot feit 7

6.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie is van mening dat het onder 7 tenlastegelegde bewezen kan worden verklaard. De genoemde aangiften omzetbelasting zijn onjuist omdat er opzettelijk een te hoog bedrag aan voorbelasting is aangegeven, danwel een te laag bedrag aan te betalen omzetbelasting is vermeld. Het verweer van [verdachte] dat er geen sprake is van opzet op het doen van onjuiste aangiften, omdat in de brief van de Belastingdienst van 12 december 2008 [bedrijf 2] niet genoemd wordt, is volgens de officier van justitie gekunsteld. In die brief kon immers nog geen melding gemaakt worden van [bedrijf 2] omdat er toen nog geen sprake was van onderaanneming door [bedrijf 2] .

6.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak van dit feit bepleit en daartoe het volgende naar voren gebracht.

[verdachte] wilde slechts de administratie van [bedrijf 2] op orde maken, als gevolg waarvan nog een aantal transacties/boekingen moesten worden verwerkt. Verdachte is er altijd van uit gegaan dat de verleggingsregeling alléén gold voor [bedrijf 6] en niet voor [bedrijf 2] . De brief van 12 december 2008, waaraan de officier van justitie refereert, was immers gericht aan [bedrijf 1] en gaat over de verhouding tussen [bedrijf 1] en [bedrijf 6] .

Achteraf bezien is de BTW mogelijk ten onrechte in vooraftrek gebracht, maar verdachte heeft geen opzet op die mogelijke onjuistheid gehad.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Onder 7 is aan [verdachte] ten laste gelegd dat hij feitelijk leiding heeft gegeven aan [bedrijf 2] bij het samen met een ander opzettelijk onjuist doen van de aangiften omzetbelasting over de maanden maart 2011, juni 2011 en september 2011.

De aangifte omzetbelasting over de maand maart 2011

Ten aanzien van de aangifte over maart 2011 overweegt de rechtbank als volgt.

In de administratie van [bedrijf 2] is een factuur d.d. 21 maart 2011 aangetroffen van [bedrijf 2] aan [bedrijf 1] met omschrijving “Door u verrichte werkzaamheden tbv nieuwbouw 39 appartementen en parkeergarage te Assen € -350.000,00”. Op deze factuur staat ook vermeld “19% BTW € -66.500,00”. In de administratie van [bedrijf 2] is een journaalpost verwerkt inhoudende dat het onderhanden werk is verminderd met € 350.000,-- en de af te dragen BTW is verminderd met € 66.500,--. Op 29 april 2011 heeft [bedrijf 2] de aangifte omzetbelasting over maart 2011 ingediend.

Volgens [naam 3] , controlemedewerker van de Belastingdienst/Kantoor Leeuwarden, had de facturatie met toepassing van de verleggingsregeling plaats moeten vinden, hetgeen ten onrechte niet is gebeurd. Daardoor is een te laag bedrag aan omzetbelasting vermeld op de aangifte over maart 2011.

De rechtbank stelt op grond van het voorgaande vast dat de aangifte over maart 2011 onjuist is gedaan. De vraag die de rechtbank vervolgens dient te beantwoorden is of deze aangifte opzettelijk onjuist is ingediend.

In het dossier bevindt zich een brief van belastingambtenaar [naam 5] van 12 december 2008 waarin het volgende staat:

“B\Grou Prjct Assen_ [bedrijf 6] 24b”

en

“Bij controle is vastgesteld dat in het kader van het project te Assen waarbij [bedrijf 1] BV appartementen bouwt in opdracht voor [bedrijf 6] BV, er sprake is van onderaanneming in de zin van artikel 24b van het Uitvoeringsbesluit Omzetbelasting 1968. In dit verband dient de vennootschap alle nog te declareren bedragen te factureren met "Omzetbelasting verlegd" als bedoeld in lid 6 van genoemd artikel.”

Uit het controlerapport blijkt dat [bedrijf 1] in 2008 als enige besloten vennootschap, namens [verdachte] , actief was bij de ontwikkeling en de bouw van [appartementencomplex] .

De officier van justitie heeft gesteld dat [verdachte] en zijn administratieve medewerkster [medeverdachte 4] op de hoogte waren van de inhoud van deze brief en desondanks de verleggings-regeling niet hebben toegepast, zodat daaruit boos opzet op het onjuist indienen volgt. De rechtbank volgt deze redenering niet. Weliswaar is juist dat [verdachte] en [medeverdachte 4] op de hoogte waren van de inhoud van de brief van 12 december 2008, maar dat leidt nog niet tot bewijs voor (voorwaardelijk) opzet op het onjuist indienen van de aangiften. De rechtbank moet het ervoor houden dat de brief van 12 december 2008 betrekking heeft op de rechtstreekse facturatie tussen [bedrijf 6] en [bedrijf 1] , nu er uit het dossier niets blijkt van betrokkenheid van een derde/onderaannemer. De factuur die heeft geleid tot een onjuiste aangifte in maart 2011 was afkomstig van [bedrijf 2] en gericht aan [bedrijf 1] , beiden vennootschappen van [verdachte] . Gelet op dit verschil in rechtsverhoudingen kan naar het oordeel van de rechtbank niet enkel uit het feit dat [verdachte] en [medeverdachte 4] kennis hadden genomen van deze brief en desondanks de verleggingsregeling niet is toegepast, worden geconcludeerd dat zij dit opzettelijk hebben gedaan.

Ook voor het overige bevat het dossier onvoldoende bewijs voor opzettelijk handelen, zodat [verdachte] zal worden vrijgesproken van het feitelijk leiding/opdracht geven aan [bedrijf 2] bij het opzettelijk onjuist doen van de aangifte omzetbelasting over maart 2011.

De aangiften omzetbelasting over de maanden juni en september 2011

Ten aanzien van de aangiftes over juni en september 2011 overweegt de rechtbank als volgt.

In het memoriaal van [bedrijf 2] staan op 29 juni 2011 diverse boekingen onder vermelding van “overn. install. assen”. Eén van die memoriaalboekingen betreft -€ 38.909,34 “BTW af te dragen hoog”.

Op 28 september 2011 staan eveneens diverse memoriaalboekingen, nu met omschrijving “overname install., slottermij”. Eén van die memoriaalboekingen betreft -€ 60.800,-- “BTW af te d”.

Ook zijn op beide data memoriaalboekingen in de rekening-courant van [bedrijf 1] opgenomen, waaruit volgens voornoemde [naam 3] blijkt dat de aan de boekingen ten grondslag liggende facturen aan [bedrijf 1] gericht moeten zijn. Evenwel zijn er geen facturen aangetroffen in de administraties van [bedrijf 1] of [bedrijf 2] .

[verdachte] heeft verklaard dat deze boekingen zijn verwerkt om ervoor te zorgen dat er één partij, [bedrijf 2] , was die rechten kon inroepen in de richting van [bedrijf 5] en [bedrijf 4] en dat hij daarom de verschillende bedragen die zagen op de installatie uit de administratie van het inmiddels failliete [bedrijf 1] heeft gehaald zonder dat daar voor [bedrijf 1] iets tegenover stond. Hij heeft er niet met de curator van [bedrijf 1] over gesproken, want dan zou hij wellicht moeten betalen.

De rechtbank is van oordeel dat uit het vorenstaande blijkt dat [verdachte] willens en wetens [medeverdachte 4] heeft gevraagd om boekingen te doen waar geen facturen tegenover stonden en waar ook anderszins geen juridische grondslag voor bestond. [verdachte] heeft er bewust voor gekozen om hierover tegen de curator van [bedrijf 1] te zwijgen. Een deel van die boekingen resulteerde in een verlaging van de door [bedrijf 2] af te dragen BTW met € 38.909,34 in juni 2011 en € 60.800,-- in september 2011. De rechtbank is van oordeel dat het niet anders kan dan dat [bedrijf 2] en [verdachte] deze boekingen opzettelijk onjuist hebben gedaan en daarop volgend ook de aangiften omzetbelasting over die periodes opzettelijk onjuist hebben gedaan.

De rechtbank acht het onder 7 tenlastegelegde met betrekking tot de aangiften omzetbelasting over juni en september 2011 dan ook wettig en overtuigend bewezen.

7 De bewijsoverwegingen met betrekking tot de feiten 8 en 9

7.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie is van mening dat het onder 8 en 9 tenlastegelegde bewezen is, met dien verstande dat bij feit 8 de periode van de bewezenverklaring beperkt dient te worden tot de periode van 27 mei 2014 tot en met 27 mei 2015 en er bij dat feit sprake is van medeplegen.

Daarnaast heeft [verdachte] privé-administratie achtergehouden voor de curator. Dat de curator geen aangifte heeft willen doen staat aan een bewezenverklaring niet in de weg omdat geen sprake is van een klachtdelict.

7.2

Het standpunt van de verdediging

Met betrekking tot het onder 8 tenlastegelegde heeft de raadsman aangevoerd dat [verdachte] van mening is dat hij de plicht had om voor zijn gezin te zorgen en dat hij ten tijde van zijn persoonlijke faillissement niet verplicht was om calvinistisch te leven. Daarnaast meende [verdachte] niet onjuist te handelen omdat de van [bedrijf 3] afkomstige gelden geen loonbetalingen of anderszins afdwingbare betalingen waren. De raadsman refereert zich aan het oordeel van de rechtbank op dit onderdeel.

Met betrekking tot het onder 9 tenlastegelegde heeft de raadsman gewezen op het feit dat de curator in het persoonlijk faillissement van [verdachte] geen aangifte heeft gedaan omdat naar diens mening geen sprake is van een gepleegd strafbaar feit. Uit de door de raadsman overgelegde gespreksverslagen tussen [verdachte] en de curator komt naar voren dat [verdachte] open is geweest en waar mogelijk een toelichting heeft gegeven en behulpzaam is geweest.

7.3

Het oordeel van de rechtbank

Onder 8 is aan [verdachte] tenlastegelegd dat hij, terwijl hij op 27 mei 2014 in staat van faillissement is verklaard, in de periode vanaf dat moment tot en met 5 februari 2016, goederen aan de boedel heeft onttrokken en baten niet aan de curator heeft verantwoord.

Onder 9 is [verdachte] tenlastegelegd dat hij in dezelfde periode niet heeft voldaan aan de op hem rustende verplichting om zijn (volledige) privé-administratie aan de curator over te leggen.

Onttrekkingen aan de boedel en het nalaten baten op te geven (feit 8)

De rechtbank stelt voorop dat van onttrekking van een goed aan de boedel sprake is indien een vermogensbestanddeel dat rechtens onder bereik en beheer van de curator in het faillissement behoort te komen, voorafgaand aan of tijdens het faillissement buiten diens bereik en beheer wordt gesteld. De boedel omvat in beginsel het gehele vermogen van de gefailleerde ten tijde van de faillietverklaring, en al hetgeen hij gedurende het voortduren van het faillissement verwerft (zie artikel 20 Fw). Wanneer de gefailleerde in gemeenschap van goederen gehuwd is, zoals [verdachte] dat is met medeverdachte [medeverdachte 1] , omvat de boedel tevens de hele huwelijksgoederengemeenschap (zie artikel 63 Fw).

[verdachte] is bij vonnis van de rechtbank Noord-Nederland van 27 mei 2014 failliet verklaard, met aanwijzing van mr. P. van der Sluis tot curator in het faillissement van [verdachte] .

Uit het dossier blijkt dat [verdachte] in de periode van 27 mei 2014 tot en met 27 mei 2015 op verschillende momenten vanuit (onder meer) [bedrijf 3] geldbedragen heeft overgemaakt of laten overmaken naar bankrekeningen die op naam stonden van zijn echtgenote [medeverdachte 1] of van zijn zoon [zoon] . Het gaat voor wat betreft de voornoemde periode om een totaalbedrag van
€ 115.459,81. Daarvan is in die periode een bedrag van € 108.534,57 besteed aan uitgaven ten behoeve van [verdachte] en/of [medeverdachte 1] . In zijn verhoor ten overstaan van de rechter-commissaris heeft [verdachte] hierover verklaard dat hij geld van (onder meer) [bedrijf 3] gebruikte als hij geld nodig had, en dat hij inkomsten uit [bedrijf 3] daarnaast heeft aangewend om te voorzien in het levensonderhoud van zijn echtgenote [medeverdachte 1] .

Ter terechtzitting van 15 april 2019 heeft [verdachte] verklaard dat hij een vordering op [bedrijf 3] had, en het hem op grond van die vordering dan ook vrij stond te beschikken over de gelden die hij op de hiervoor omschreven manier aan [bedrijf 3] heeft onttrokken, en vervolgens ten behoeve van zichzelf en/of zijn echtgenote heeft aangewend. Als gevolg van de onttrekkingen zou de vordering die [verdachte] had op [bedrijf 3] met dezelfde bedragen verminderd worden.

Het vorenstaande betekent naar het oordeel van de rechtbank dat de geldbedragen die [verdachte] op deze manier, volgens hem ter voldoening van zijn vordering op [bedrijf 3] , vanuit [bedrijf 3] liet overmaken, moeten worden aangemerkt als inkomsten of baten van [verdachte] , en daarmee van goederen die toebehoorden aan de faillissementsboedel van [verdachte] .

Op [verdachte] rustte dan ook de verplichting deze gelden, die hem ter beschikking stonden en waarmee hij heeft voorzien in zijn levensonderhoud en in dat van zijn echtgenote, [medeverdachte 1] , te verantwoorden aan de curator. Uit het dossier blijkt dat [verdachte] dit opzettelijk niet heeft gedaan, en daarmee de gelden buiten het bereik en het zicht heeft gehouden van de curator in zijn faillissement. Door deze baten in de periode van 27 mei 2014 tot 27 mei 2015 samen met [medeverdachte 1] vrijwel geheel uit te geven, heeft [verdachte] bovendien voor in ieder geval een bedrag van € 108.534,57 goederen aan de boedel onttrokken.

Ter bedrieglijke verkorting van de rechten van schuldeisers

Zoals hiervoor reeds onder 4.4 is uiteengezet brengen de in artikel 341 (oud) Sr gebezigde bewoordingen ‘ter bedrieglijke verkorting van de rechten van zijn schuldeisers’ tot uitdrukking dat verdachte het opzet moet hebben gehad op de benadeling van de schuldeisers, waarbij voorwaardelijk opzet voldoende is. Voor het bewijs van dit voorwaardelijk opzet is allereerst vereist dat de gedragingen van [verdachte] tenminste de aanmerkelijke kans op die benadeling hebben doen ontstaan. Daarnaast moet [verdachte] die aanmerkelijke kans bewust hebben aanvaard.

Evident is dat door voor in ieder geval een bedrag van € 108.534,57 aan de boedel te onttrekken, de aanmerkelijke kans op benadeling van de schuldeisers van [verdachte] is ontstaan. Uit de gedragingen van [verdachte] blijkt verder dat hij die aanmerkelijke kans heeft aanvaard. Door de geldbedragen aan [bedrijf 3] te onttrekken, is [verdachte] immers komen te beschikken over aanzienlijke baten die, zoals hiervoor is overwogen, aan de boedel toebehoorden. Niet alleen heeft [verdachte] die baten niet gemeld aan de curator, maar ook heeft hij deze, samen met zijn echtgenote [medeverdachte 1] , grotendeels ten behoeve van zichzelf en van haar uitgegeven. Beide handelingen hebben er – reeds op zichzelf, maar ook tezamen genomen – toe geleid dat de schuldeisers in [verdachte] faillissement de mogelijkheid is onthouden om zich op deze (aanzienlijke) baten te verhalen. Daarmee heeft [verdachte] die schuldeisers dus benadeeld in hun verhaalsmogelijkheden.

Ten slotte volgt de rechtbank [verdachte] niet in zijn stelling, dat hij niet verplicht was tijdens zijn faillissement ‘calvinistisch’ te leven, voor zover hij daarmee bedoelt dat het hierboven beschreven handelen gelet op zijn leefomstandigheden of die van zijn echtgenote geoorloofd zou zijn. Indien [verdachte] gedurende zijn faillissement van mening was dat een bepaald geldbedrag aan levensonderhoud buiten de boedel moest worden geplaatst, dan had hij die vraag gelet op artikel 21 aanhef en onder 2 Fw aan de rechter-commissaris in zijn faillissement kunnen voorleggen. [verdachte] heeft er zelf voor gekozen om dat niet te doen, maar voor eigen rechter te spelen en zelf in strijd met de wet te beschikken over baten die aan zijn gezamenlijke schuldeisers ten goede hadden kunnen en moeten komen.

Het niet geven van (juiste) inlichtingen (feit 9)

De rechtbank overweegt dat de verplichtingen tot het geven van inlichtingen bij faillissement voornamelijk zijn vastgelegd in de Faillissementswet. Voor zover hier van belang bepaalt artikel 105 Fw dat de gefailleerde verplicht is onder meer de curator alle inlichtingen te verschaffen die van hem worden verlangd, en dat de gefailleerde de curator ook uit eigen beweging in moet lichten over feiten en omstandigheden waarvan hij weet of behoort te weten dat deze voor de omvang, het beheer of de vereffening van de boedel van belang zijn.

Uit het vijfde faillissementsverslag van de curator, hoofdstuk 5, blijkt dat [verdachte] hem heeft aangegeven dat hij geen inkomen geniet, dat hij leeft van financiële steun van vrienden en familie en dat hij uit deelnemingen in BV’s geen inkomen geniet. Tijdens zijn verhoor door de FIOD heeft de curator dit ook verklaard. Uit hetgeen hiervoor ten aanzien van het tenlastegelegde feit 8 is overwogen, volgt dat [verdachte] wel degelijk (aanzienlijke) inkomsten uit [bedrijf 3] genoot. Op [verdachte] rustte de verplichting om de curator hierover in te lichten. Niet alleen heeft [verdachte] dit nagelaten, maar hij heeft de curator zelfs de verkeerde inlichtingen gegeven, door te hebben gemeld dat hij geen inkomsten genoot, ook niet uit deelnemingen in BV’s.

De curator heeft tegenover de FIOD verklaard dat [verdachte] hem had verteld geen privé-administratie te hebben. Tijdens dat verhoor worden de curator meerdere administratieve bescheiden getoond, die afkomstig zijn van en betrekking hebben op [verdachte] . Hierop heeft de curator verklaard dat [verdachte] hem deze stukken ter beschikking had moeten stellen. In een later verhoor heeft de curator die verklaring herhaald. De rechtbank is van oordeel dat hier sprake is van (een deel van) een privé-administratie die – zo nodig uit eigen beweging, zie artikel 105 Fw – aan de curator had moeten zijn verstrekt. Door dit na te laten heeft [verdachte] opzettelijk geweigerd de vereiste inlichtingen te geven.

Dat de curator van dit feit geen aangifte tegen [verdachte] heeft gedaan doet, anders dan de verdediging betoogt, aan het vorenstaande niet af. De rechtbank volgt de verdediging evenmin in haar betoog dat [verdachte] coöperatief is geweest en wel degelijk (al) de vereiste inlichtingen heeft verschaft, omdat die lezing weerlegd wordt door de inhoud van het dossier.

De conclusie

De rechtbank komt tot een bewezenverklaring van het onder 8 en 9 tenlastegelegde.

8 De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat:

1.

[bedrijf 1] BV, welke rechtspersoon bij vonnis van de rechtbank Leeuwarden van 6 april 2010 in staat van faillissement is verklaard,

in de periode van 1 januari 2010 tot en met 6 april 2010 in Nederland,

meermalen, telkens ter bedrieglijke verkorting van de rechten van haar schuldeisers,

- enig goed aan de boedel onttrokken heeft, hierin bestaande, dat zij onverschuldigd geldbedragen van een bankrekening die te naam was gesteld van [bedrijf 1] BV heeft overgeboekt naar een bankrekening die te naam was gesteld van hem, verdachte, privé; en

niet voldaan heeft aan de op haar, [bedrijf 1] BV, rustende verplichtingen ten opzichte van het voeren van een administratie ingevolge artikel 15i van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek, aan welke verboden gedragingen hij, verdachte, feitelijke leiding heeft gegeven;

2.

hij, verdachte, als bestuurder van [bedrijf 1] BV, welke rechtspersoon bij vonnis van de rechtbank Leeuwarden van 6 april 2010 in staat van faillissement is verklaard, in de periode van 6 april 2010 tot en met 12 februari 2016 in Nederland,

meermalen, terwijl hij telkens wettelijk opgeroepen was tot het geven van inlichtingen, heeft geweigerd de vereiste inlichtingen te geven door de volledige administratie van [bedrijf 1] BV niet aan de curator te overleggen;

5.

[bedrijf 2] BV, welke rechtspersoon bij vonnis van de rechtbank Noord-Nederland van

27 augustus 2013 in staat van faillissement is verklaard,

in de periode van 7 april 2010 tot en met 27 augustus 2013 in Nederland,

meermalen, telkens ter bedrieglijke verkorting van de rechten van haar schuldeisers,

- enig goed aan de boedel onttrokken heeft, hierin bestaande, dat zij

- onverschuldigd geldbedragen van een bankrekening die te naam was gesteld van [bedrijf 2] BV heeft overgeboekt naar een bankrekening die te naam was gesteld van [bedrijf 3] BV en een andere aan hem, verdachte, gelieerde rechtspersoon en aan hem, verdachte, privé; en

- geldbedragen contant heeft opgenomen; en

- niet voldaan heeft aan de op haar, [bedrijf 2] BV, rustende verplichtingen ten opzichte van het voeren van een administratie ingevolge artikel 15i van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek,

aan welke verboden gedragingen hij, verdachte, feitelijke leiding heeft gegeven;

6.

hij, verdachte, als bestuurder van [bedrijf 2] BV, welke rechtspersoon bij vonnis van de rechtbank Noord-Nederland van 27 augustus 2013 in staat van faillissement is verklaard,

in de periode van 27 augustus 2013 tot en met 5 februari 2016 in Nederland,

meermalen, terwijl hij telkens wettelijk opgeroepen was tot het geven van inlichtingen,

heeft geweigerd de vereiste inlichtingen te geven door de volledige administratie van [bedrijf 2] BV niet aan de curator te overleggen, en

heeft geweigerd de vereiste inlichtingen te geven over de auditfiles;

7.

[bedrijf 2] BV, in de periode van 29 april 2011 tot en met 31 oktober 2011, in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander,

telkens opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte, als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten:

- de aangifte omzetbelasting over de maand juni 2011 en

- de aangifte omzetbelasting over de maand september 2011,

onjuist heeft gedaan,

terwijl die feiten er toe strekten, dat te weinig belasting zou worden geheven,

hebben die onjuistheid hierin bestaan dat in die aangiften een te laag bedrag aan te betalen omzetbelasting, was vermeld,

aan welke verboden gedragingen hij, verdachte, feitelijke leiding heeft gegeven;

8.

hij, die bij vonnis van de rechtbank Noord-Nederland van 27 mei 2014 in staat van

faillissement is verklaard, in de periode van 27 mei 2014 tot en met 27 mei 2015 in Nederland,

meermalen, telkens ter bedrieglijke verkorting van de rechten van zijn schuldeisers,

baten niet verantwoord heeft, hierin bestaande, dat hij,

- niet aan de curator heeft gemeld dat hij, [verdachte] , geldbedragen heeft ontvangen, en

enig goed aan de boedel onttrokken heeft;

9.

hij, die bij vonnis van de rechtbank Noord-Nederland van 27 mei 2014 in staat van faillissement is verklaard, in de periode van 27 mei 2014 tot en met 5 februari 2016 in Nederland,

meermalen, terwijl hij (telkens) wettelijk opgeroepen was tot het geven van inlichtingen,

heeft geweigerd de vereiste inlichtingen te geven door,

- de (volledige) (privé)administratie niet aan de curator te overleggen; en

opzettelijk verkeerde inlichtingen heeft gegeven over

- de inkomsten die hij, [verdachte] , genoot.

De rechtbank heeft in de tenlastelegging voorkomende schrijffouten verbeterd in de bewezenverklaring. Verdachte wordt hierdoor niet in zijn verdediging geschaad.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

In geval van hoger beroep zullen de gebruikte bewijsmiddelen worden opgenomen in een aanvulling bij dit vonnis. De in die bewijsmiddelen voorkomende feiten en omstandigheden zijn redengevend voor deze beslissing.

9 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld in de artikelen 47, 51, 194 en 341 (oud) Sr en de artikelen 68 en 69 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR). Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:

feit 1 en feit 5, telkens:

het misdrijf: bedrieglijke bankbreuk, begaan door een rechtspersoon, terwijl verdachte feitelijke leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging, meermalen gepleegd;

feit 2 en feit 6, telkens:

het misdrijf: als bestuurder van een rechtspersoon, wettelijk opgeroepen tot het geven van inlichtingen, weigeren de vereiste inlichtingen te geven;

feit 7:

het misdrijf: medeplegen van het opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist of onvolledig doen, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, begaan door een rechtspersoon, terwijl hij feitelijke leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging, meermalen gepleegd;

feit 8:

het misdrijf: bedrieglijke bankbreuk, meermalen gepleegd;

feit 9:

het misdrijf: in staat van faillissement verklaard, wettelijk opgeroepen tot het geven van inlichtingen, weigeren de vereiste inlichtingen te geven en opzettelijk verkeerde inlichtingen geven.

10 De strafbaarheid van verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor de bewezenverklaarde feiten.

11 De op te leggen straf of maatregel

11.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte te veroordelen tot een gevangenisstraf van drie jaren, waarvan zes maanden voorwaardelijk en een proeftijd van twee jaren. Als bijkomende straf dient volgens de officier van justitie een bestuursverbod te worden opgelegd. Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd de schorsing van de voorlopige hechtenis op te heffen.

11.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd dat bij een bewezenverklaring een minder lange gevangenisstraf moet worden opgelegd dan door de officier van justitie is gevorderd. [verdachte] heeft immers nimmer uit lage motieven gehandeld en nimmer de neiging heeft gehad iemand tekort te doen. Wat betreft het bestuursverbod heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

11.3

De gronden voor een straf of maatregel

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij het volgende van belang.

[verdachte] heeft zich schuldig gemaakt aan zeven strafbare feiten. Hij heeft via twee BV’s faillissementsfraude gepleegd. Deze BV’s zijn failliet gegaan met een crediteurenschuld van in totaal ruim 2,8 miljoen euro. Ook heeft [verdachte] zich schuldig gemaakt aan faillissementsfraude in zijn persoonlijke faillissement, waarbij een crediteurenschuld bestond van 1,9 miljoen euro. Daarnaast heeft hij na faillissement van twee van zijn BV’s en zijn persoonlijke faillissement niet voldaan aan zijn inlichtingenplicht aan de curator. Ook heeft hij twee aangiften omzetbelasting opzettelijk onjuist gedaan.

Reeds gezien de ernst van deze feiten dient naar het oordeel van de rechtbank een forse onvoorwaardelijke gevangenisstraf te worden opgelegd.

De rechtbank heeft bij het bepalen van de straf acht geslagen op de oriëntatiepunten voor fraude van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS), waarbij het benadelingsbedrag in grote mate bepalend is. Met zijn handelen heeft [verdachte] nadeel voor de maatschappij veroorzaakt ten bedrage van ongeveer € 250.000,-- (bestaande uit de onttrekkingen uit de boedels van de BV’s en zijn persoonlijk faillissement en de niet afgedragen omzetbelasting). Voor een dergelijk benadelingsbedrag hanteert het LOVS als oriëntatiepunt een gevangenisstraf van twaalf maanden onvoorwaardelijk (voor de feiten 1, 5, 7 en 8). Wat betreft de feiten 2 en 6 heeft de rechtbank, vanwege het ontbreken van oriëntatiepunten van het LOVS, acht geslagen op de straffen die in soortgelijke zaken doorgaans worden opgelegd.

In strafverhogende zin heeft de rechtbank rekening gehouden met het navolgende. [verdachte] is na het faillissement van [bedrijf 1] niet gestopt met zijn handelwijze, maar op dezelfde voet verder gegaan met [bedrijf 2] . [verdachte] heeft zichzelf voor aanzienlijke bedragen verrijkt, terwijl de bedrijven die werkzaamheden hebben verricht of goederen hebben geleverd voor het project [appartementencomplex] , en die [verdachte] niet meer nodig had voor het afbouwen van het project, met lege handen achterbleven.

Ondanks de achttien faillissementen waaraan hij kon worden gerelateerd op het moment dat [bedrijf 1] failliet ging en zijn kennis van het faillissementsrecht, is [verdachte] bovendien telkens weer blijven weigeren om zijn medewerking te verlenen aan de curatoren. [verdachte] pretendeert op de hoogte te zijn van de faillissementsverplichtingen, maar heeft in de tenlastegelegde periode vooral laten zien dat hij er bewust voor kiest om de curatoren niet over al het relevante te informeren, deels om ervoor te zorgen dat hij er zelf financieel beter van kon worden. Door zijn wijze van handelen heeft [verdachte] telkens de juiste afwikkeling van de faillissementen bemoeilijkt. [verdachte] heeft ook ter zitting op geen enkele wijze laten zien het verwijtbare van zijn handelen in te zien.

De rechtbank acht alles afwegende een gevangenisstraf van achttien maanden, waarvan vier maanden voorwaardelijk, passend en geboden.

De feiten zijn gepleegd in de periode van 1 januari 2010 tot en met 12 februari 2016. Op 5 juni 2015 is [verdachte] aangehouden. Op die datum is de redelijke termijn gaan lopen. Op 27 mei 2019 wijst de rechtbank vonnis. Aldus wordt pas na bijna vier jaren vonnis gewezen. Als uitgangspunt geldt dat het geding – behoudens bijzondere omstandigheden die een dergelijke lange duur rechtvaardigen – met een einduitspraak dient te zijn afgerond binnen twee jaren nadat de redelijke termijn is gaan lopen. De zaak heeft voor het eerst op zitting gestaan op 24 augustus 2015. Na aanhouding is de zaak vervolgens pas weer op 27 november 2017 en vervolgens op 18 juni 2018 op zitting aangebracht. De zaak is toen aangehouden en pas op de zittingen van 15 tot en met 18 april 2019 inhoudelijk behandeld.

De ingewikkeldheid en omvang van de onderhavige zaak brengt met zich dat een langere duur dan twee jaren is gerechtvaardigd. Naar het oordeel van de rechtbank is in dit specifieke geval vanaf 5 juni 2018, derhalve drie jaren na aanvang, sprake van overschrijding van de redelijke termijn. Dat betekent dat sprake is van overschrijding van de redelijke termijn met een jaar. Met deze schending dient rekening te worden gehouden bij de strafoplegging.

De rechtbank zal de overschrijding van de redelijke termijn compenseren door vermindering van de gevangenisstraf die zou zijn opgelegd indien de redelijke termijn niet zou zijn overschreden, in die zin dat de rechtbank ongeveer tien procent op voornoemde gevangenisstraf in mindering zal brengen, hetwelk resulteert in oplegging van een gevangenisstraf van zestien maanden, waarvan vier maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.

Opheffing schorsing voorlopige hechtenis

De rechtbank acht geen termen aanwezig de schorsing van de voorlopige hechtenis op te heffen zoals door de officier van justitie is gevorderd. Deze vordering wordt daarom afgewezen.

Bestuursverbod

Gezien de aard en ernst van de bewezenverklaarde feiten en ter bescherming van de maatschappij acht de rechtbank het voorts passend en geboden om aan [verdachte] een bijkomende straf op te leggen van ontzetting van het recht tot uitoefening van het beroep van bestuurder. Daarbij heeft de rechtbank in acht genomen dat [verdachte] de bewezenverklaarde feiten onder 1, 2, 5, 6 en 7 heeft begaan in de hoedanigheid van dat beroep. [verdachte] dient voor de duur van twee jaren van het recht tot uitoefening van het beroep van statutair bestuurder, feitelijk bestuurder of vennoot van enig rechtspersoon te worden ontzet. Nu de periode van ontzetting al ingaat tijdens de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf, bepaalt de rechtbank de duur van ontzetting op drie jaren.

Verbeurdverklaring

Tot slot heeft de officier van justitie gevorderd de Volvo S40 met kenteken [kenteken] verbeurd te verklaren, omdat hiermee het als feit 8 ten laste gelegde strafbare feit zou zijn begaan. Het gratis rijden in dit voertuig is volgens de officier van justitie een bate, waarvan [verdachte] heeft verzuimd deze te verantwoorden aan de curator.

De rechtbank overweegt dat onder 8 aan [verdachte] is ten laste gelegd (en bewezen verklaard) dat hij door niet aan de curator te melden dat hij geldbedragen heeft ontvangen baten niet heeft verantwoord en dat hij door onverschuldigd betalingen te verrichten enig goed aan de boedel heeft onttrokken. De tenlastelegging ziet specifiek op ontvangen geldbedragen als baten die verdachte niet heeft verantwoord: [verdachte] wordt niet verweten dat hij het gebruik van dit voertuig niet aan de curator heeft verantwoord. Dit voertuig staat naar het oordeel van de rechtbank dan ook in een te ver verwijderd verband van het onder 8 ten laste gelegde en reeds daarom zal de rechtbank niet de verbeurdverklaring van dit voertuig uitspreken.

12 De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 14a, 14b, 14c, 28, 31 en 57 Sr.

13 De beslissing

De rechtbank:

vrijspraak

- verklaart niet bewezen dat verdachte het onder 3 en onder 4 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij;

bewezenverklaring

- verklaart bewezen dat verdachte het onder 1, 2, 5, 6, 7, 8 en 9 tenlastegelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;

- verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;

strafbaarheid feit

- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;

- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1 en feit 5, telkens:

het misdrijf: bedrieglijke bankbreuk, begaan door een rechtspersoon, terwijl verdachte feitelijke leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging, meermalen gepleegd;

feit 2 en feit 6, telkens:

het misdrijf: als bestuurder van een rechtspersoon, wettelijk opgeroepen tot het geven van inlichtingen, weigeren de vereiste inlichtingen te geven;

feit 7:

het misdrijf: medeplegen van het opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist of onvolledig doen, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, begaan door een rechtspersoon, terwijl hij feitelijke leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging, meermalen gepleegd;

feit 8:

het misdrijf: bedrieglijke bankbreuk, meermalen gepleegd;

feit 9:

het misdrijf: in staat van faillissement verklaard, wettelijk opgeroepen tot het geven van inlichtingen, weigeren de vereiste inlichtingen te geven;

strafbaarheid verdachte

- verklaart verdachte strafbaar voor het onder 1, 2, 5, 6, 7, 8 en 9 bewezenverklaarde;

straf

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 16 (zestien) maanden;

- bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte van 4 (vier) maanden niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten. De rechter kan de tenuitvoerlegging gelasten indien verdachte voor het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren de navolgende voorwaarde niet is nagekomen:

- stelt als algemene voorwaarde dat verdachte:

- zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- bepaalt dat de tijd die de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

- ontzet de verdachte van het recht tot uitoefening van het beroep van statutair bestuurder, feitelijk bestuurder of vennoot van enig rechtspersoon voor de duur van 3 (drie) jaren;

afwijzing verzoek opheffing schorsing voorlopige hechtenis

- wijst af de vordering tot opheffing van de schorsing van de voorlopige hechtenis.

1 Totaal aan geboekte crediteuren in de periode van 7 april 2010 tot en met 31 december 2010.

2 Zie o.m. ECLI:NL:GHSHE:2000:AD3128.

3 Zie o.m. ECLI:NL:GHSHE:2007:BA23830.