Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2019:1794

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
13-05-2019
Datum publicatie
27-05-2019
Zaaknummer
08/994506-19 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank Overijssel veroordeelt een 70-jarige man tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van 1 maand met een proeftijd van 3 jaar en een taakstraf van 120 uren voor overtreding van de Woningwet en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. De man heeft op een bedrijventerrein toestemming gegeven een groot aantal bomen te rooien zonder te beschikken over de daarvoor benodigde vergunningen. Op datzelfde terrein heeft hij tevens toestemming gegeven de aanwezige snijerij te verwijderen. Hij heeft dit gedaan zonder daarvan melding te maken bij de bevoegde autoriteiten. Zie ook: ECLI:NL:RBOVE:2019:1795

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Strafrecht

Meervoudige economische kamer

Zittingsplaats Zwolle

Parketnummer 08/994506-19 (P)

Datum vonnis: 13 mei 2019

Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1952 in [geboorteplaats] ,

wonende te [adres 1] .

1 Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 29 april 2019.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie

mr. C.V. van Overbeeke en van hetgeen door verdachte en de raadsman mr. R.G.J. Laan, advocaat te Hoorn, naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

De verdenking komt er na wijziging van de tenlastelegging van 29 april 2019, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte opdracht tot en/of feitelijk leiding heeft gegeven aan het:

feit 1: dat [bedrijf 1] in de periode december 2015 tot en met maart 2016 een groot aantal bomen in strijd met het bestemmingsplan zonder vergunning heeft gekapt;

feit 2: dat [bedrijf 1] in mei 2016 de productielijn van een snijerij zonder sloopmelding heeft gesloopt.

Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:

1

[bedrijf 1] op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode december 2015 t/m maart 2016 in Tiel, althans in Nederland, al dan niet opzettelijk, zonder omgevingsvergunning een project heeft uitgevoerd, geheel en/of gedeeltelijk bestaande uit het uitvoeren van een werk en/of van werkzaamheden, in strijd met de regels van het bestemmingsplan [naam 1] van de gemeente Tiel, immers heeft zij, in strijd met artikel 18.4.1 van dit bestemmingsplan diepwortelende beplanting verwijderd en/of bos gerooid dieper dan 0,30 meter, op of in als 'Waarde - Archeologie 4' aangewezen gronden, niet zijnde een bouwwerk; zulks terwijl verdachte tot vorenomschreven feit opdracht heeft gegeven en/of aan die verboden gedraging feitelijke leiding heeft gegeven;

2

[bedrijf 1] op een of meer tijdstippen in of omstreeks de maand mei 2016 in Tiel, althans in Nederland, al dan niet opzettelijk, zonder een sloopmelding, een bouwwerk en/of object, te weten de productielijn van een snijerij, althans een van een bouwwerk deel uitmakende installatie, geheel of gedeeltelijk heeft gesloopt, waarbij asbest is verwijderd en/of het sloopafval naar redelijke inschatting 80 m3, althans in elk geval meer dan 10 m3, bedroeg; zulks terwijl verdachte tot vorenomschreven feit opdracht heeft gegeven en/of aan die verboden gedraging feitelijke leiding heeft gegeven.

3 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is en dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 De bewijsoverwegingen

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft ten aanzien van feit 1 vrijspraak bepleit en daartoe aangevoerd, samengevat, dat het rooien van de bomen in overeenstemming met de bestemming bedrijventerrein normaal onderhoud en beheer betrof, waarvoor geen vergunning vereist was. Ten aanzien van feit 2 heeft de verdediging aangevoerd dat, samengevat, het gerechtvaardigde vertrouwen bestond dat er geen vergunning nodig was voor het demonteren van de snijerij. Ook is er in de ten laste gelegde periode geen asbest aangetroffen.

4.3

Het oordeel van de rechtbank 1

De rechtbank is van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte de tenlastegelegde feiten heeft begaan. De rechtbank overweegt daartoe het volgende.

[bedrijf 1] is opgericht op 20 januari 2016 en verricht werkzaamheden op het gebied van het hergebruiken van materialen. [bedrijf 2] is enig aandeelhouder en bestuurder van [bedrijf 1] Verdachte is enig bestuurder en feitelijk leidinggevende van [bedrijf 2] Zowel [bedrijf 1] als [bedrijf 2] zijn gevestigd op het terrein [adres 2] te Tiel (hierna: het terrein). Verdachte heeft verklaard de dagelijkse aansturing binnen het bedrijf te hebben en te bepalen wat er gebeurt.

Feit 1 :

Op 3 februari 2016 kreeg mevrouw [naam 2] , werkzaam bij de gemeente Tiel, het signaal dat er bomen waren gekapt op het terrein.2 Op 16 februari 2016 constateerde mevrouw [naam 2] , tijdens een bezoek aan het terrein, dat er inderdaad op grote schaal bomen werden gerooid.

Op 16 maart 2016 werd door de Omgevingsdienst Rivierenland (hierna: OdR) een controle op het kappen van bomen zonder vergunning uitgevoerd. De OdR stelde vast dat er 1526 boomstronken met een stamdikte van tenminste 30 cm op het terrein lagen en dat daar geen vergunning voor aangevraagd was.3

Ingevolge artikel 2.1 lid 1 onder b van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo) is het verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden, in gevallen waarin dat bij een bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit is bepaald.

Ingevolge artikel 2.1 lid 1 onder c van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo) is het verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan.

In het bestemmingsplan is het volgende opgenomen:

18.4.1 Verbod

Het is verboden op of in de als ‘Waarde – Archeologie 4’ aangewezen gronden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende [...] werkzaamheden uit te voeren: [...]

i. het rooien van bos of boomgaarden dieper dan 0.30 meter [...]

18.4.2

Uitgezondere werkzaamheden

Het verbod als bedoeld onder 18.4.1 is niet van toepassing voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden die:

a. het normale onderhoud en beheer betreffen”.

Verdachte heeft bekend dat hij opdracht heeft gegeven een groot aantal bomen, waaronder een perenboomgaard, die zich op het terrein bevonden, te rooien.4

Anders dan de verdediging stelt, betreft het rooien van de bomen, waaronder een perenboomgaard, gezien de schaal van de werkzaamheden, zowel in tijd als in aantal gerooide bomen, naar het oordeel van de rechtbank geen normaal onderhoud of beheer van het terrein. De rechtbank overweegt voorts dat daarbij sprake is van beplanting met een worteldiepte van meer dan 0.30 meter die geheel verwijderd werd.5

Aangezien [bedrijf 1] voor het verwijderen van de bomen een omgevingsvergunning had moeten aanvragen, maar dit heeft nagelaten, is de rechtbank van oordeel dat aan de voorwaarden voor strafbaarheid van [bedrijf 1] is voldaan. De verboden gedragingen hebben in de sfeer van de rechtspersoon plaatsgevonden. Nu verdachte als bestuurder van [bedrijf 2] die bestuurder van [bedrijf 1] is, opdracht tot het verwijderen van de bomen heeft gegeven, is daarmee ook wettig en overtuigend bewezen dat verdachte daaraan feitelijk leiding heeft gegeven.

Verdachte heeft verklaard onmiddellijk na de aankoop te hebben besloten om alle beplanting, waaronder de bomen, te laten kappen en verwijderen, omdat hij vond dat ze “gewoon weg moesten” en weg mochten om het terrein voor de bestemming “bedrijfsterrein” te kunnen aanwenden. Verdachte heeft op geen enkele wijze geïnformeerd naar de voorwaarden die daarvoor golden, terwijl hij redelijkerwijs had kunnen verwachten en had behoren te weten dat daarvoor een melding gedaan had moeten worden en/of een vergunning aangevraagd had moeten worden. Verdachtes belang bij de bedrijfsvoering was zijn enige prioriteit. Het risico dat hij daarmee strafbaar zou handelen heeft hij voor lief genomen. Door aldus te handelen is er in elk geval sprake van voorwaardelijke opzet op het handelen in strijd met artikel 2.1 lid 1 onder b en c Wabo. Daarmee is sprake van opzet als bedoeld in artikel 2 Wed.

Feit 2:

Op 9 mei 2016 voerden toezichthouder [naam 3]6 en op 10 mei 2016 toezichthouder [naam 4]7 namens de OdR een controle op het terrein uit, waarbij werd geconstateerd dat er sloopactiviteiten aan de gang waren, dat er naar schatting ruim 80 kubieke meter gedemonteerd staal aanwezig was en dat er geen sloopmelding was gedaan.

Verdachte heeft bij de politie verklaard dat hij opdracht heeft gegeven voor de sloop van de snijlijn en dat hij vond dat er geen vergunning of sloopmelding nodig was. Verdachte heeft in dit verband gewezen op een brief van de provincie Gelderland d.d. 5 februari 2013 gericht aan [bedrijf 3] , waaraan hij het meende het vertrouwen te mogen ontlenen dat een vergunning niet nodig was. Nadat de OdR de sloop had stil gelegd, heeft hij alsnog een sloopmelding gedaan.8

Ingevolge artikel 1b lid 5 juncto artikel 2 lid 2 onder c en artikel 2 lid 3 onder b van de Woningwet kunnen er voorschriften gesteld worden met betrekking tot de verplichting van het melden van sloopwerkzaamheden aan het bevoegd gezag. Handelen in strijd hiermee is strafbaar gesteld in artikel 1a onder 2 van de Wed.

Ingevolge artikel 1.26 lid 1 van het Bouwbesluit 2012 (hierna: het Bouwbesluit) is het verboden om zonder of in afwijking van een sloopmelding te slopen indien daarbij asbest wordt verwijderd of de hoeveelheid sloopafval naar redelijke inschatting meer dan 10 m3 zal bedragen.

Anders dan de verdediging stelt, is de rechtbank van oordeel dat, met het afbreken van de snijlijn en delen daarvan verkopen aan een schroothandelaar, er sprake is van slopen in de zin van de Woningwet. De Woningwet definieert slopen als het afbreken van een (gedeelte van) een bouwwerk. Een bouwwerk is een constructie van enige omvang van hout, steen of ander materiaal, die op de plaats van bestemming hetzij direct hetzij indirect steun vindt in of op de grond, bedoeld om ter plaatse te functioneren.

Ter plaatse werden constructies die aard en nagelvast aan de vloer (met keilbouten) bevestigd waren, verwijderd. Dat de stalen balken nog een restwaarde hadden en hergebruikt konden worden, of dat voor een te verwijderen object al een concreet voornemen bestaat om het op een andere plaats weer op te bouwen, maakt dat niet anders.

Het verweer van de verdediging dat op basis van de brief van de provincie Gelderland van 5 februari 20139 het gerechtvaardigde vertrouwen bestond dat er geen melding of vergunning voor het slopen van de snijlijn nodig was, wordt verworpen. Naar het oordeel van de rechtbank betreft de brief een ander onderwerp, te weten het vervangen van een gasgestookte oven door een zuurstof gestookte oven en niet zoals hier aan de orde was, het slopen van de snijlijn. Daarbij meldt de brief dat de constructie waar de oven in hangt wel gezien kan worden als onderdeel van de bouwconstructie.

[bedrijf 1] had voor het slopen van de snijerij bij het bevoegd gezag een melding moeten doen, maar heeft dit nagelaten. Daarmee is, naar het oordeel van de rechtbank, aan de voorwaarden voor strafbaarheid van [bedrijf 1] voldaan. Nu verdachte als bestuurder van [bedrijf 2] die bestuurder van [bedrijf 1] is, opdracht tot het slopen van de productielijn heeft gegeven, is daarmee ook wettig en overtuigend bewezen dat verdachte daaraan feitelijk leiding heeft gegeven.

Zoals hierboven overwogen had verdachte er niet op mogen vertrouwen dat de sloop niet onder de bouwregelgeving viel. Ook hier overweegt de rechtbank dat verdachtes prioriteit geheel bij de bedrijfsvoering heeft gelegen. Verdachte had redelijkerwijs moeten weten dat hij een melding had moeten doen en/of een vergunning voor het slopen had moeten aanvragen. Door zich niet (voor dit concrete geval) op de hoogte te stellen van de geldende regelgeving, heeft hij voor lief genomen dat de sloop zonder een melding bij de bevoegde autoriteiten ongeoorloofd zou zijn. Door aldus te handelen is er in elk geval sprake van voorwaardelijke opzet op het handelen in strijd met artikel 1.26 lid 1 van het Bouwbesluit. Daarmee is sprake van opzet als bedoeld in artikel 2 Wed.

Niet vast is komen te staan dat in de ten laste gelegde periode ook asbest verwijderd is. De rechtbank zal verdachte op dat punt dan ook vrijspreken.

4.5

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat:

1

[bedrijf 1] in de periode december 2015 t/m maart 2016 in Tiel, opzettelijk, zonder omgevingsvergunning een project heeft uitgevoerd, bestaande uit het uitvoeren van werkzaamheden, in strijd met de regels van het bestemmingsplan [naam 1] van de gemeente Tiel, immers heeft zij, in strijd met artikel 18.4.1 van dit bestemmingsplan diepwortelende beplanting verwijderd en bos gerooid dieper dan 0,30 meter, op als 'Waarde - Archeologie 4' aangewezen gronden, zulks terwijl verdachte tot vorenomschreven feit opdracht heeft gegeven en aan die verboden gedraging feitelijke leiding heeft gegeven;

2

[bedrijf 1] in de maand mei 2016 in Tiel, opzettelijk, zonder een sloopmelding, een bouwwerk, te weten de productielijn van een snijerij, heeft gesloopt, waarbij het sloopafval naar redelijke inschatting 80 m3 bedroeg, zulks terwijl verdachte tot vorenomschreven feit opdracht heeft gegeven en aan die verboden gedraging feitelijke leiding heeft gegeven.

Indien in de bewezenverklaring taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

5 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld in de artikelen 2.1 lid 1 onder b en onder c Wabo juncto artikel 1a onder 2 jo 2 van de Wet op de economische delicten en de artikelen 1b lid 5, 2 lid 2 onder c en 2 lid 3 onder b van de Woningwet, 1.26 lid 1 van het Bouwbesluit 2012 en 1a jo 2 van de Wet op de economische delicten. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert op:

feit 1:

het misdrijf: overtreding van een voorschrift, gesteld bij of krachtens artikel 2.1 lid 1 onder b en c Wabo, opzettelijk door een rechtspersoon begaan, terwijl hij feitelijk leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging.

feit 2

het misdrijf: overtreding van een voorschrift, gesteld bij of krachtens artikel 1b lid 5 Woningwet, opzettelijk door een rechtspersoon begaan, terwijl hij feitelijk leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging.

6 De strafbaarheid van verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor de bewezenverklaarde feiten.

7 De op te leggen straf of maatregel

7.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie een werkstraf voor de duur van 180 uren en openbaar making van het vonnis geëist.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft geen strafmaatverweer gevoerd.

7.3

De gronden voor een straf of maatregel

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij het volgende van belang.

Verdachte heeft in de periode december 2015 tot en met maart 2016 op het terrein van de voormalige [bedrijf 4] te Tiel, zonder de benodigde vergunning een groot aantal bomen gerooid. In mei 2016 is de op het terrein aanwezige snijerij verwijderd. Verdachte heeft dit gedaan zonder daarvan melding te maken bij de bevoegde autoriteiten.

De Woningwet en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht zijn in het leven geroepen ter bescherming van het algemeen belang, zoals het milieu, het landschap en de omgeving, waaronder de bescherming van objecten van archeologische waarde. Verdachte is zich hier van bewust, maar laat zijn eigen belang dan wel het belang van zijn onderneming zwaarder wegen. De rechtbank rekent dit verdachte zwaar aan.

De rechtbank heeft voorts acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 21 februari 2019, waaruit blijkt dat de verdachte eerder ter zake van (soortgelijke) strafbare feiten is veroordeeld. Ondanks de in die veroordelingen gelegen waarschuwingen gaat verdacht door met het plegen van dergelijke feiten. Artikel 63 Wetboek van Strafrecht is van toepassing. Verdachte vertoont een consistent beeld van willen ondernemen zonder daarbij acht te slaan op wettelijke bepalingen die daarbij kosten en/of vertraging opleveren. Niet alleen doet dat onrecht aan bepalingen die de omgeving of de gezondheid van de medemens beogen te beschermen, maar ook is een dergelijke handelswijze ondermijnend en concurrentievervalsend.

De bewezen verklaarde feiten speelden zich af in de periode van december 2015 tot en met mei 2016. De zaak is pas voor het eerst op zitting aangebracht in april 2019. De redelijke termijn, die in de regel ook voor dit soort zaken kan worden gesteld op 2 jaar, is dan ook overschreden met een jaar. Deze overschrijding is niet aan de verdediging toe te rekenen. Dit zou naar vaste jurisprudentie moeten leiden tot een strafvermindering van minimaal tien procent. In plaats van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen zal de rechtbank nu voor een andere strafmodaliteit kiezen.

Alles overwegend is de rechtbank van oordeel dat een taakstraf van na te noemen duur met daarbij een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van na te noemen duur op zijn plaats is.

Voor een openbaar making van het vonnis, anders dan zoals gebruikelijk via de website van de Rechtspraak, is onvoldoende aanleiding.

8 De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c en 22d Sr.

9 De beslissing

De rechtbank:

bewezenverklaring

- verklaart bewezen dat verdachte het onder feit 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;

- verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;

strafbaarheid feit

- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;

- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1: het misdrijf: overtreding van een voorschrift, gesteld bij of krachtens artikel 2.1 lid 1 onder b en c Wabo, opzettelijk door een rechtspersoon begaan, terwijl hij feitelijk leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging;

feit 2: het misdrijf: overtreding van een voorschrift, gesteld bij of krachtens artikel 1b lid 5 Woningwet, opzettelijk door een rechtspersoon begaan, terwijl hij feitelijk leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging;

strafbaarheid verdachte

- verklaart verdachte strafbaar voor het onder feit 1 en 2 bewezenverklaarde;

straf

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 (één) maand;

- bepaalt dat deze gevangenisstraf in zijn geheel niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten. De rechter kan de tenuitvoerlegging gelasten indien verdachte voor het einde van de proeftijd van 3 (drie) jaren de navolgende voorwaarde niet is nagekomen:

- stelt als algemene voorwaarde dat verdachte:

- zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- veroordeelt verdachte tot een taakstraf, bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid voor de duur van 120 (honderdtwintig) uren;

- beveelt, voor het geval dat verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 60 dagen.

Dit vonnis is gewezen door mr. F.C. Berg, voorzitter, mr. G.H. Meijer en mr. F.H.W. Teekman, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.A.J.H. Muurmans, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 13 mei 2019.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s zijn dit pagina’s uit het dossier van de politie eenheid Oost-Nederland, met nummer [nummer] . Tenzij hieronder anders wordt vermeld wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.

2 Proces – verbaal van verhoor getuige [naam 2] , p. 550.

3 Controlerapport Omgevingsdienst Rivierenland, p. 154.

4 Het proces- verbaal van terechtzitting van 29 april 2019, voor zover inhoudende de verklaring van verdachte.

5 Het proces – verbaal van bevindingen, p. 329, voorlaatste alinea.

6 Controlerapport Omgevingsdienst Rivierenland, p. 573.

7 Controlerapport Omgevingsdienst Rivierenland, p. 793.

8 Proces – verbaal verhoor verdachte, p. 89.

9 Brief provincie Gelderland d.d. 3 februari 2013, p. 93.