Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2019:1631

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
06-05-2019
Datum publicatie
15-05-2019
Zaaknummer
7654707 \ CV EXPL 19-1808
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Bij werkgever is een reorganisatie gaande. Partijen hebben overleg gevoerd over een vertrekregeling, maar hierover is geen overeenstemming bereikt.

Werknemer vordert in kort geding onder andere dat zijn bezwaar tegen de boventallig verklaring door de werkgever inhoudelijk behandeld gaat worden, dat er een loopbaanadviseur wordt ingeschakeld ten behoeve van een van werk-naar-werk-traject, dat de ten behoeve van werknemer betaalde advocaatkosten niet met zijn salaris verrekend zullen worden en dat aan hem zijn volledige loon (zonder korting) wordt uitbetaald. Dit alles op straffe van een dwangsom.

De vorderingen worden grotendeels toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2019-0538
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Zwolle

Zaaknummer : 7654707 \ CV EXPL 19-1808

Vonnis in kort geding van 6 mei 2019

in de zaak van

[eiser] ,
wonende te [woonplaats] ,

eisende partij, hierna te noemen [eiser],

gemachtigde: mr. E.A.C. van de Wiel,

tegen

de naamloze vennootschap NOORDWESTGROEP,
gevestigd en kantoorhoudende te Steenwijk,

gedaagde partij, hierna te noemen NWG,

gemachtigde: mr. W. Hogenkamp.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding met producties,

- een conclusie van antwoord van de zijde van NWG, met een productie,

- de mondelinge behandeling op 15 april 2019, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

NWG is een leer- en werkbedrijf voor werknemers met een afstand tot de arbeidsmarkt. Gemeente Steenwijkerland is de enige aandeelhouder van NWG.

2.2.

[eiser] is sinds 1 april 2001 in dienst bij NWG, laatstelijk in de functie van sectormanager Werken en Leren. Op de dienstbetrekking is/zijn (onderdelen van) de CAR/UWO van toepassing.

2.3.

Bij NWG is een reorganisatie gaande, waarbij de functie van [eiser] is komen te vervallen. Op de rechtspositionele gevolgen van deze reorganisatie, voor de medewerkers met een vast dienstverband, is een Sociaal Statuut van toepassing.

2.4.

Vanwege deze reorganisatie hebben partijen onderhandeld over een vertrekregeling. De Raad van Commissarissen heeft in de zomer van 2018 haar goedkeuring onthouden aan een concept-vaststellingsovereenkomst. Aldus hebben partijen over een vertrekregeling geen overeenstemming bereikt.

2.5.

[eiser] heeft zich op 3 september 2018 ziek gemeld.

2.6.

In het kader van de reorganisatie heeft NWG [eiser] op 14 januari 2019 boventallig verklaard. Tegen dat besluit heeft [eiser] bezwaar aangetekend.

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert – samengevat:

I. NWG te gebieden om uiterlijk binnen twee dagen na de datum van dit vonnis:

  1. Het bezwaar van [eiser] tegen de boventalligverklaring inhoudelijk te behandelen conform de regels uit het Sociaal Statuut van kaderpersoneel van 1 juli 2104;

  2. Een gecertificeerd loopbaanadviseur in te schakelen ten einde een begin te maken met het van werk naar werk traject als bedoeld in art. 10d:15 CAR/UWO;

  3. De ten behoeve van [eiser] betaalde advocaatkosten niet van [eiser] terug te vorderen dan wel te verrekenen;

  4. Aan [eiser] diens volledige loon te betalen, totdat aan zijn dienstverband rechtsgeldig en onherroepelijk een einde zal zijn gekomen;

  5. Al haar medewerkers per e-mail te informeren als volgt: “Op last van de kantonrechter te Assen deel ik u mede dat in tegenstelling tot mijn eerdere berichtgeving [eiser] niet alleen veel voor NWG heeft betekend, maar nu nog steeds een gewaardeerd medewerker is van NWG. Het staat een iedere van u volkomen vrij met hem contact op te nemen en te onderhouden.”

Alles op straffe van verbeurte van een direct opeisbare en aan [eiser] verschuldigde dwangsom van € 5.000,= per overtreding en € 1.000,00 per dag dat NWG in gebreke blijft aan (een onderdeel van) het vonnis te voldoen, zulks met een maximum van € 100.000,= althans op straffe van verbeurte van een zodanige dwangsom als de kantonrechter in goede justitie zal vermenen te behoren.

en

II. NWG te veroordelen om aan [eiser] :

  1. De 10% van zijn loon die hem vanaf 3 maart 2019 bij wijze van korting is onthouden te betalen, te vermeerderen met 50% wettelijke verhoging, (hoofdsom en verhoging) en te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 3 maart 2019 althans de dag der dagvaarding, tot de dag der algehele voldoening;

  2. De buitengerechtelijke incassokosten ad € 462,50 te voldoen;

een en ander met veroordeling van NWG in de proceskosten en de nakosten.

3.2.

NWG voert verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

Bezwaarschriftprocedure

4.1.

Ten aanzien van de vordering tot behandeling van het ingediende bezwaarschrift tegen de boventalligheid, heeft NWG erkend dat zij daartoe gehouden is, ingevolge het Sociaal Statuut. NWG heeft aangevoerd geen ervaring te hebben met een dergelijke bezwaarprocedure, waardoor het wat meer tijd vergt. Zij heeft de verwachting uitgesproken dat de inhoudelijke behandeling binnen drie maanden na de mondelinge behandeling van dit kort geding op 15 april 2019, zijn beslag zal krijgen.

4.2.

Blijkens de toelichting op dit onderdeel van de vordering, wil [eiser] met zijn bezwaarschrift vooral een aantal formaliteiten aan de orde stellen, maar verwacht hij niet dat het inhoudelijk iets aan het besluit tot boventalligheid zal veranderen.

4.3.

De kantonrechter is van oordeel, gelet op de erkenning van NWG, dat dit onderdeel van de vordering voor toewijzing in aanmerking komt. Maar de kantonrechter zal de termijn waarbinnen het bezwaarschrift door NWG inhoudelijk moet worden behandeld, gelet op het belang dat [eiser] stelt te hebben bij deze inhoudelijke behandeling, vaststellen op twee maanden na de datum van dit vonnis.

Loopbaanadviseur

4.4.

NWG heeft zich niet verzet tegen inschakeling van een gecertificeerd loopbaanadviseur. Dit onderdeel komt dus eveneens voor toewijzing in aanmerking, met dien verstande dat de kantonrechter NWG een termijn van 14 dagen zal gunnen om hier uitvoering aan te geven. De kantonrechter overweegt nog dat er geen reden bestaat om hiermee te wachten tot er op het bezwaarschrift zal zijn beslist, ervan uitgaande dat het indienen van dat bezwaarschrift geen schorsende werking heeft op het besluit van het bestuur van NWG om [eiser] boventallig te verklaren.

Advocaatkosten

4.5.

NWG heeft in reactie op dit onderdeel aangevoerd, dat zij zal afzien van verrekening van de advocaatkosten met loonaanspraken. Wel heeft NWG zich voor de toekomst alle rechten met betrekking tot deze advocaatkosten voorbehouden.

4.6.

De kantonrechter is van oordeel dat de vordering met betrekking tot verrekening van de advocaatkosten, gelet op het verweer van NWG, voor toewijzing in aanmerking komt. Daarmee is dan een voorlopige voorziening gegeven waarbij [eiser] een voldoende spoedeisend belang heeft. Voor zover [eiser] ook wenst dat NWG wordt verboden om de advocaatkosten in de toekomst terug te vorderen, gaat die vordering het bestek van dit kort geding te buiten. Een spoedeisend belang daarbij ontbreekt, althans is niet voldoende toegelicht, en een goede beoordeling van deze vordering vergt meer inhoudelijk debat en nader onderzoek.

Volledige loondoorbetaling

4.7.

Dit onderdeel van de vordering is eigenlijk nog het enige waarover tussen partijen echt verschil van inzicht bestaat. Enerzijds stelt [eiser] zich op het standpunt dat NWG op grond van art. 7:3 lid 7 van de CAR/UWO geen korting op het loon mag toepassen, omdat de arbeidsongeschiktheid van [eiser] in en door de dienst is ontstaan. NWG stelt zich daartegenover op het standpunt dat zij gerechtigd is om een korting van 10% toe te passen, nu [eiser] inmiddels langer dan 6 maanden arbeidsongeschikt is en NWG in redelijkheid niet beschouwd kan worden als de veroorzaker daarvan.

4.8.

De kantonrechter overweegt hierover het volgende. In art. 7:3 lid 7 van de CAR/UWO is het volgende bepaald:

De ambtenaar behoudt na afloop van de termijn van zes maanden recht op de doorbetaling van zijn volledige salaris en de toegekende salaristoelage(n) bij arbeidsongeschiktheid in en door de dienst.

[eiser] heeft een arbeidsdeskundig rapport van het UWV d.d. 20-02-2019 overgelegd. Daarin staat op pagina 5 onder 3.3. over de actuele belastbaarheid volgens de bedrijfsarts het volgende te lezen:

Door de bedrijfsarts is op 20 september 2018 een Probleemanalyse opgesteld. (…) De klachten zijn werkgerelateerd en werknemer is hierdoor niet geschikt te achten voor zijn werkzaamheden.
Op 29 januari 2019 sprak ik de bedrijfsarts telefonisch. Op mijn vraag of er alleen sprake is van een situatie die puur situatief is, of dat er sprake is van ziekte en gebrek antwoord de bedrijfsarts dat de ziekte van werknemer niet alleen maar situatief te achten is. De bedrijfsarts vertelt verder dat hij bij het geven van zijn adviezen de Stecr Werkwijzer Arbeidsconflicten (protocol) volgt.”

De kantonrechter komt op grond van hiervan tot het voorlopig oordeel dat de arbeidsongeschiktheid van [eiser] zozeer aan het werk is te relateren, dat daarvan gezegd moet worden dat de arbeidsongeschiktheid “in en door de dienst” is ontstaan. [eiser] behoudt derhalve aanspraak op zijn volledige salaris. De desbetreffende vorderingen van [eiser] zullen worden toegewezen als in het dictum vermeld, waarbij de kantonrechter nog het volgende overweegt. De hiervoor onder 3.1. weergegeven vordering onder I. sub d) is te algemeen geformuleerd. Op dit moment valt niet te voorzien of NWG tussen nu en het einde van het dienstverband misschien enige rechtsgeldige reden zal hebben/krijgen om het loon toch niet volledig aan [eiser] uit te keren (bijvoorbeeld derdenbeslag).

Informatie medewerkers

4.9.

[eiser] heeft dit onderdeel van de vordering ingetrokken, omdat NWG inmiddels (maar na het uitbrengen van de dagvaarding in dit kort geding) haar medewerkers heeft geïnformeerd in lijn met de wensen van [eiser] .

Dwangsom

4.10.

[eiser] heeft gevraagd dwangsommen op te leggen, waartegen NWG bezwaar heeft gemaakt. De kantonrechter ziet in de onderliggende verstandhouding tussen partijen reden om wel een dwangsom op te leggen, maar deze fors te matigen tot 10% van de gevorderde dwangsommen, nu NWG grotendeels heeft toegezegd het gevorderde te zullen nakomen en de gevorderde dwangsommen niet in verhouding staan tot de belangen van [eiser] bij het gevorderde.

Buitengerechtelijke incassokosten

4.11.

De gevorderde incassokosten worden afgewezen, omdat deze onvoldoende zijn onderbouwd en het vereiste spoedeisende belang niet is toegelicht.

Proceskosten

4.12.

De kantonrechter zal NWG als de in overwegende mate in het ongelijk gestelde partij veroordelen in de kosten van deze procedure, aan de zijde van [eiser] begroot op € 905,54 (te weten € 104,54 aan explootkosten, € 81,00 aan griffierecht en € 720,00 aan salaris gemachtigde), en te vermeerderen met een bedrag van € 120,00 aan nakosten.

5 De beslissing

De kantonrechter

5.1.

gebiedt NWG om:

  1. het bezwaar van [eiser] tegen zijn boventalligverklaring inhoudelijk te behandelen conform de regels uit het Sociaal Statuut voor kaderpersoneel van 1 juli 2014, binnen 2 maanden na de datum van dit vonnis;

  2. een gecertificeerd loopbaanadviseur in te schakelen ten einde een begin te maken met het van werk naar werk traject als bedoeld in artikel 10d:15 CAR/UWO, binnen 14 dagen na de datum van dit vonnis;

5.2.

verbiedt NWG om:

  1. op het loon van [eiser] een korting toe te passen wegens diens arbeidsongeschiktheid gedurende een periode van langer dan zes maanden;

  2. om de ten behoeve van [eiser] betaalde advocaatkosten te verrekenen met het aan hem uit te betalen loon;

5.3.

bepaalt dat NWG een direct opeisbare en aan [eiser] verschuldigde dwangsom zal verbeuren van € 500,00 per overtreding en € 100,00 per dag dat NWG in gebreke blijft aan (een onderdeel van) dit vonnis onder 5.1. en 5.2. te voldoen, met een maximum van € 10.000,00.

5.4.

veroordeelt NWG om aan [eiser] te betalen de 10% van zijn loon die hem vanaf 3 maart 2019 bij wijze van korting is onthouden, te vermeerderen met de wettelijke verhoging als bedoeld in artikel 7:625 BW en te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van de dagvaarding tot de dag der algehele voldoening;

5.5.

veroordeelt NWG in de kosten van deze procedure, tot op heden aan de zijde van [eiser] begroot op € 905,00 en te vermeerderen met een bedrag van € 120,00 aan nakosten;

5.6.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

5.7.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. F. Koster, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 6 mei 2019.