Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2019:1606

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
13-05-2019
Datum publicatie
13-05-2019
Zaaknummer
08.760170-18 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank Overijssel veroordeelt een 62-jarige man tot een gevangenisstraf van 18 maanden, waarvan 9 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar voor poging tot doodslag. Nadat de man en het slachtoffer beiden de hele avond alcohol hadden gedronken, kwam het tot een confrontatie. Bij deze confrontatie heeft de man het slachtoffer met een schaar in zijn borst gestoken.

Naast de gevangenisstraf moet de man zich ook houden aan de bijzondere voorwaarden. De rechtbank heeft hem o.a. een meldplicht en een contactverbod opgelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Strafrecht

Meervoudige kamer

Zittingsplaats Zwolle

Parketnummer: 08.760170-18 (P)

Datum vonnis: 13 mei 2019

Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum 1] 1957 te [geboorteplaats] ( [land] ),

wonende te [adres] ,

thans verblijvende Huis van Bewaring Zwolle te Zwolle.

1 Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 31 januari 2019 en 29 april 2019.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. A. Reah en van hetgeen door verdachte en de raadsman, mr. H.W. Bongers, advocaat te Ommen, naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

De verdenking komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

op 5 november 2018 heeft geprobeerd [slachtoffer] te doden door hem met een schaar in de borst te steken/prikken. Als dit feit niet kan worden bewezen wordt hem verweten dat hij die [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht, dan wel dat hij heeft geprobeerd die [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen.

Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:

hij op of omstreeks 5 november 2018 te Zwolle ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven, die [slachtoffer]

-meermalen, althans eenmaal, (met kracht) met een schaar, althans een daarop gelijkend scherp en/of puntig voorwerp, in de borst, althans het bovenlichaam heeft gestoken/geprikt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

ALTHANS, voor zover voor het vorenstaande onder 1 geen veroordeling mocht of zou

kunnen volgen, SUBSIDIAIR, terzake dat

hij op of omstreeks 5 november 2018 te Zwolle aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een steekwond tussen sleutelbeen en borst (nabij de rechterlong), heeft toegebracht, immers heeft verdachte die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal, (met kracht) met een schaar, althans een daarop gelijkend scherp en/of puntig voorwerp gestoken/geprikt;

ALTHANS, voor zover voor het vorenstaande onder 1 geen veroordeling mocht of zou

kunnen volgen, MEER SUBSIDIAIR, terzake dat

hij op of omstreeks 5 november 2018 te Zwolle ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen,

die [slachtoffer]

-meermalen, althans eenmaal, (met kracht) met een schaar, althans een daarop gelijkend scherp en/of puntig voorwerp, in de borst, althans het bovenlichaam heeft gestoken/geprikt,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

3 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 De bewijsoverwegingen

4.1

Inleiding

Op maandag 5 november 2018 om 1.59 uur deed [getuige 1] , werkzaam als woonbegeleider van het Leger des Heils, gevestigd te Zwolle, een 112-melding. Deze melding hield in dat de bewoner van [nummer 1] , zijnde verdachte, de bewoner van [nummer 2] , genaamd [slachtoffer] , zou hebben neergestoken met een mes of schaar. Verdachte is vervolgens, toen de politie ter plaatse kwam, aangehouden.

4.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat het primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen wordt verklaard.

4.3

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht verdachte van het onder primair, subsidiair en meer subsidiair ten laste gelegde vrij te spreken. Hij heeft daartoe - zakelijk weergegeven - het volgende aangevoerd.

Indien de rechtbank uitgaat van de verklaring van verdachte, afgelegd op 26 februari 2019, dat [slachtoffer] zichzelf met de schaar heeft gestoken, zal dit tot een vrijspraak moeten leiden. Ook in het geval bewezen wordt dat verdachte [slachtoffer] heeft gestoken, zal vrijspraak moeten volgen omdat verdachte geen (voorwaardelijk) opzet op het doden of het toebrengen van zwaar lichamelijk heeft gehad. Evenmin is het letsel dat is toegebracht te kwalificeren als zwaar lichamelijk letsel.

4.4

Het oordeel van de rechtbank 1

Verdachte heeft tijdens de eerste twee verhoren bij de politie verklaard dat hij [slachtoffer] met een schaar heeft gestoken. Tijdens de pro forma zitting op 31 januari 2019 heeft verdachte zijn verklaring gewijzigd in die zin - kort samengevat - dat [slachtoffer] zichzelf met een schaar zou hebben gestoken. Bij een volgende verhoor bij de politie en ook ter zitting van 29 april 2019 is verdachte bij deze laatste verklaring gebleven. Aangever [slachtoffer] weet zich van het steekincident niets meer te herinneren.

De rechtbank zal verdachte aan zijn eerste bij de politie afgelegde verklaring houden2. Deze verklaring komt overeen met wat verdachte, vlak nadat [slachtoffer] was gestoken, tegen de nachtwaker, [getuige 2] heeft gezegd. [getuige 2] heeft verdachte immers tegen hem horen zeggen: “kun je even meelopen en bel de ambulance want ik heb [slachtoffer] neergestoken”.3

De verklaring van verdachte dat [slachtoffer] zichzelf heeft gestoken is, mede in het licht van het voorgaande, ongeloofwaardig. Daarbij acht de rechtbank van belang dat blijkens het reclasseringsrapport en het rapport van de psycholoog bij verdachte sprake lijkt te zijn van ‘confabuleren’. Dit is een stoornis in het geheugen waarbij iemand gaten in het geheugen opvult met gefantaseerde verhalen. Voor de rechtbank is dit reden te meer om verdachte aan de verklaring te houden die hij vlak na het gebeurde heeft afgelegd.

De vraag die de rechtbank vervolgens moet beantwoorden, is hoe het handelen van verdachte dient te worden gekwalificeerd. De rechtbank overweegt hieromtrent als volgt.

Voor een bewezenverklaring van een poging tot doodslag moet volgens vaste rechtspraak sprake zijn van opzet, al dan niet in voorwaardelijke zin, op het overlijden van het slachtoffer. Op basis van het dossier en de verklaring van verdachte kan niet wettig en overtuigend bewezen worden dat verdachte willens en wetens [slachtoffer] om het leven heeft willen brengen. Voor een voorwaardelijk opzet geldt dat bewezen zal moeten worden dat verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat hij [slachtoffer] door zijn gedraging zou hebben kunnen doden. De beantwoording van de vraag of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Er is geen grond de inhoud van het begrip "aanmerkelijke kans" afhankelijk te stellen van de aard van het gevolg. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans op het gevolg die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten.

Verdachte heeft in zijn eerste verklaring verklaard dat hij niet heeft nagedacht over waar hij aangever met de schaar stak, maar dat hij van zich heeft afgestoken. De rechtbank leidt daaruit af dat verdachte ongericht in de borst van [slachtoffer] heeft gestoken. Naar het oordeel van de rechtbank is het een feit van algemene bekendheid dat in de borstkas vitale organen zitten en dat het steken in het bovenlichaam daardoor een aanmerkelijke kans op de dood oplevert. Dit wordt bevestigd door het rapport van GGD IJsselland van 20 november 2018, waarin is geconcludeerd dat het steken door verdachte met een schaar op de bedoelde plek, zeker potentieel dodelijk had kunnen zijn4. Op de plaats waar verdachte heeft gestoken zit aan de borstzijde een dunne spierlaag (borstspier) waardoor bij een minimale steekdiepte van slechts enkele centimeters de inwendige organen van de borstholte bereikt kunnen worden. Aldaar aanwezige (slag)aders kunnen worden beschadigd waardoor bloedingen kunnen ontstaan die binnen enkele minuten tot de dood kunnen leiden. Uit de ongerichtheid van verdachtes handelen, leidt de rechtbank af dat verdachte, zoals reeds geconcludeerd, niet de (volle) opzet had [slachtoffer] dood te steken, maar uit het steken in de richting van de borst volgt wel dat van voorwaardelijk opzet sprake is. De gedraging van verdachte kan naar zijn uiterlijke verschijningsvorm worden beschouwd als zozeer te zijn gericht op het toebrengen van dodelijk letsel aan het slachtoffer, dat het - behoudens contra-indicaties, waarvan de rechtbank niet is gebleken - niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het intreden van dit gevolg heeft aanvaard. De rechtbank is derhalve van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte het primair ten laste gelegde feit heeft begaan.

4.5

De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in de voetnoten genoemde bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat:

hij op 5 november 2018 te Zwolle ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven, die [slachtoffer] eenmaal met een schaar in de borst heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

5 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging nu hij heeft gehandeld uit noodweer.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat dit verweer moet worden verworpen, nu - primair- onvoldoende aannemelijk is geworden dat sprake is geweest van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van verdachtes lijf door [slachtoffer] . Subsidiair kan volgens de officier van justitie dit verweer niet slagen omdat niet is voldaan aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit.

Bij de beoordeling van het beroep op noodweer zal de rechtbank, om de reden zoals onder 4.4 is overwogen, van de eerste verklaring van verdachte, zoals afgelegd bij de politie, uitgaan. Volgens die verklaring zouden verdachte en [slachtoffer] die bewuste avond op verdachtes kamer alcohol hebben gedronken. [slachtoffer] zou vervolgens, dronken en overmand door herinneringen uit het verleden, verdachte op zijn borst hebben geslagen. Omdat [slachtoffer] daar, ondanks waarschuwing van verdachte, niet mee wilde ophouden, heeft verdachte een schaar gepakt en heeft hij [slachtoffer] gestoken. Verdachtes verklaring dat [slachtoffer] hem heeft aangevallen, wordt mede geloofwaardig geacht vanwege de verklaringen van het personeel van het Leger des Heils. Zij hebben verklaard dat [slachtoffer] , die getraumatiseerd is, onder invloed van alcohol verbaal en fysiek agressief kan worden. Zowel verdachte als [slachtoffer] bevestigt daarbij dat het wel vaker is voorgekomen dat zij in dronken toestand ruzie met elkaar hebben gehad.

Uitgaande van dit scenario is naar het oordeel van de rechtbank sprake geweest van een ogenblikkelijke wederrechtelijk aanranding van verdachtes lijf. Daarbij wordt er niet van uitgegaan dat [slachtoffer] verdachte bij de keel heeft vastgepakt en deze heeft dichtgeknepen, nu verdachte hier tijdens het eerste verhoor niets over heeft verklaard. Mede gezien hetgeen onder 4.4 is overwogen over het ‘confabuleren’ door verdachte, is zijn verklaring op dit punt niet aannemelijk geworden.

Hoewel wordt uitgegaan van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding, is het de vraag of het plegen van het feit geboden was door de noodzakelijk verdediging van verdachtes lijf. In dat kader is de rechtbank van oordeel dat niet is voldaan aan de vereisten van proportionaliteit en subsidiariteit. Allereerst is onvoldoende komen vast te staan dat verdachte zich niet heeft kunnen onttrekken aan de aanranding. Het is voorts niet aannemelijk geworden dat de aanranding van dien aard is geweest, dat voor een onttrekking geen reële en redelijke mogelijkheid heeft bestaan en dat dit niet van verdachte kon worden gevergd. Daarnaast staat het door verdachte gekozen verdedigingsmiddel niet in redelijke verhouding tot de ernst van de aanranding. Van verdachte had in redelijkheid mogen worden gevergd dat hij zich op een minder ingrijpende wijze tegen de hierboven beschreven aanranding zou hebben verdedigd. Verdachte heeft immers de aanval afgeweerd door met een scherp voorwerp een potentieel dodelijke steekwond toe te brengen, terwijl de aanval van [slachtoffer] slechts uit het slaan met de blote handen dan wel met de vuisten bestond. Verdachte had ook de hulp van de nachtwaker kunnen roepen, zoals hij bij eerdere ruzies heeft gedaan. Door een schaar te pakken en [slachtoffer] direct in de borst te steken, heeft verdachte disproportioneel gehandeld. Het verweer zal aldus worden verworpen.

Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld in de artikelen 45 en 287 van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:

primair

poging tot doodslag

6 De strafbaarheid van verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor het primair bewezenverklaarde feit.

7 De op te leggen straf of maatregel

7.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van wat hij bewezen heeft geacht, gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zesendertig maanden waarvan twaalf maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en met de algemene voorwaarden en de bijzondere voorwaarden, zoals geadviseerd in het rapport van Tactus Verslavingszorg van 2 april 2019, te weten de meldplicht, ambulante behandeling, begeleid wonen of maatschappelijke opvang en een contactverbod met betrekking tot

[slachtoffer] .

7.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft, in het geval van een veroordeling, verzocht verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen die wat betreft duur gelijk is aan het reeds ondergane voorarrest. Verder heeft de raadsman verzocht een voorwaardelijke straf op te leggen met daaraan gekoppeld de voorwaarden zoals geadviseerd door Tactus Verslavingszorg.

7.3

De gronden voor een straf of maatregel

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan zijn en de persoon van verdachte, zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij het volgende van belang.

Verdachte heeft zich op 5 november 2018 schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag door [slachtoffer] met een schaar in zijn borst te steken. Het slachtoffer was een zogeheten ‘drinkebroer’ van verdachte die net als hij op de beschermde woonlocatie van het Leger des Heils woonde. Nadat beiden de hele avond alcohol hadden gedronken, is het tot een confrontatie gekomen, waarbij verdachte het feit heeft gepleegd. Verdachte heeft met zijn handelwijze een grove inbreuk op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer gemaakt. Hij mag van geluk spreken dat het slachtoffer niet is komen te overlijden.

Blijkens het uittreksel uit de justitiële documentatie is er sinds 2018 sprake van een patroon van alcohol gerelateerd overlastgevend gedrag, zoals openbaar dronkenschap. Verder is verdachte op 15 mei 2008 ter zake het plegen van een mishandeling tot een geheel voorwaardelijke werkstraf veroordeeld.

Tactus verslavingszorg heeft twee rapporten over verdachte uitgebracht, de laatste dateert van 2 april 2019. Door psycholoog J. Yntema is eveneens een rapport opgemaakt, met als datum 30 januari 2019. Blijkens de rapportages is bij verdachte sinds lange tijd sprake van een stoornis in het gebruik van alcohol en cannabis. Daarbij wordt de aanwezigheid van neurologische schade of mogelijk het ‘syndroom van Korsakov’ vermoed. Verdachte kan geen weerstand bieden aan de neiging om te drinken en drugs te gebruiken. Daarbij heeft al langere tijd last van geheugenstoornissen, waarbij er sprake lijkt te zijn van het reeds eerder aangehaalde ‘confabuleren’. Verdachte heeft daarbij een geringe draagkracht, maar vooral een gebrekkige coping. Het ontbreekt hem aan stress reducerende vaardigheden als situaties hem te onoverzichtelijk worden. Wanneer verdachte onder invloed van middelen is, wordt zijn inschattingsvermogen verder ingeperkt en reageert hij impulsiever. Volgens de psycholoog hebben de stoornissen verdachtes gedragskeuzes/gedragingen ten tijde van het ten laste gelegde deels beïnvloed. De psycholoog heeft geadviseerd verdachte het hem ten laste gelegde, indien bewezen, (licht) verminderd toe te rekenen.

Het risico op recidive wordt, zonder adequate hulpverlening, door Tactus als laaggemiddeld en door de psycholoog als matig ingeschat. Zowel Tactus als de psycholoog concludeert dat als beschermende factoren zijn aan te merken de woonomgeving, het toezicht en de hulpverlening. Wanneer deze wegvallen, zal het risico op recidive verhoogd worden. De zorg die verdachte nodig heeft, moet gericht zijn op het beperken van het alcoholgebruik, overlastbeperking voor zijn leefomgeving en de maatschappij en praktische ondersteuning op de leefgebieden. Dit alles ontving hij binnen de beschermde woonvorm van het Leger des Heils in Zwolle, waar verdachte sinds een jaar verbleef. Als gevolg van deze strafzaak is hij echter zijn huisvesting kwijtgeraakt en zal hij opnieuw moeten worden aangemeld.

Tactus adviseert verdachte een gedeeltelijk voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen met een proeftijd van twee jaren, met daaraan gekoppeld bijzondere voorwaarden, te weten de meldplicht, ambulante behandeling, begeleid wonen of maatschappelijke opvang en een contactverbod met [slachtoffer] . Hoewel behandeling voor zijn verslaving door Tactus niet geïndiceerd wordt geacht, wordt deelname aan een ambulante behandeling wel als voorwaarde geadviseerd. Uit de toelichting in het rapport van Tactus blijkt dat de ambulante behandeling meer ziet op de begeleiding door Tactus van verdachte met betrekking tot zijn alcoholgebruik en zijn dagelijks functioneren en aldus niet op het volgen van een behandeling.

De psycholoog heeft eveneens geadviseerd verdachte verblijfszorg op te leggen, waarbij er op moet worden toegezien dat verdachtes alcoholgebruik binnen de perken blijft. Ten slotte acht zowel Tactus als de psycholoog het verrichten van een neuropsychologisch onderzoek op termijn aangewezen.

Naar het oordeel van de rechtbank rechtvaardigt de ernst van het feit in beginsel oplegging van een onvoorwaardelijke straf van aanzienlijke duur. De rechtbank ziet echter met name in de persoon van verdachte reden te komen tot een lagere straf dan door de officier van justitie is gevorderd. Verdachte is reeds op leeftijd en heeft een gering strafblad, waarbij een ernstig feit als het onderhavige niet eerder door hem is gepleegd. Daarbij neemt de rechtbank de conclusie van de psycholoog over dat verdachte (licht) verminderd toerekeningsvatbaar moet worden geacht. Verder is uit de rapportages naar voren gekomen dat verdachte, gezien zijn psychische problematiek en zijn alcoholverslaving, het meest gebaat is bij een beschermde woonomgeving, toezicht en hulpverlening. Binnen een dergelijke setting zal de kans op recidive laag tot matig zijn. Naar het oordeel van de rechtbank zou verdachte, gezien zijn problematiek en leeftijd, met een langdurig verblijf in de gevangenis onevenredig zwaar worden gestraft.

Alles overwegende acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van achttien maanden waarvan negen maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren passend. Van belang is daarbij dat naast de algemene en van rechtswege geldende voorwaarden de bijzondere voorwaarden van meldplicht, begeleid wonen of maatschappelijke opvang en een contactverbod met betrekking tot [slachtoffer] zullen worden opgelegd. Een (ambulante) behandeling voor zijn verslaving is niet geïndiceerd volgens Tactus en zal dan ook niet als voorwaarde worden opgenomen. De geadviseerde begeleiding door de reclassering, zoals in het rapport van Tactus onder het kopje ‘ambulante behandeling’ is verwoord, zal onder de meldplicht worden geschaard. Aangezien [slachtoffer] mogelijk nog steeds woonachtig is bij de woonvorm van het Leger des Heils te Zwolle, zal bij een (her)plaatsing van verdachte bij een woonvorm met het contactverbod rekening moeten worden gehouden.

7.4

De inbeslaggenomen voorwerpen

De rechtbank is van oordeel dat de inbeslaggenomen schaar moet worden verbeurd verklaard, omdat het een voorwerp betreft met behulp van welke het feit is begaan.

De rechtbank zal de teruggave aan verdachte gelasten van de aan hem toebehorende schoenen en kleding, aangezien deze niet vatbaar zijn voor verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer en het belang van strafvordering zich niet tegen teruggave verzet.

8 De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 33 en 33a Sr.

9 De beslissing

De rechtbank:

bewezenverklaring

- verklaart bewezen dat verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;

- verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;

strafbaarheid feit

- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;

- verklaart dat het bewezenverklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

primair

poging tot doodslag

strafbaarheid verdachte

- verklaart verdachte strafbaar voor het bewezenverklaarde;

straf

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van achttien maanden;

- bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte van negen maanden niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten. De rechter kan de tenuitvoerlegging gelasten indien verdachte voor het einde van de proeftijd van twee jaren de navolgende voorwaarden niet is nagekomen:

- stelt als algemene voorwaarde dat verdachte:

- zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- stelt als bijzondere voorwaarden dat verdachte:

- zich gedurende de proeftijd meldt bij Tactus Verslavingszorg, Pannekoekendijk 17
8021 EX Zwolle, op de door de reclassering te bepalen tijdstippen, zo frequent en zo lang deze instelling dat nodig acht. Verdachte werkt mee aan het toezicht en de begeleiding door de reclassering, ook indien deze begeleiding gericht is op het in de hand houden van verdachtes alcoholgebruik en op diens alcoholverslaving, zolang de reclassering dat nodig vindt. Hieronder valt ook het meewerken aan huisbezoeken;

- verblijft in de beschermde woonvorm van het Leger des Heils aan de Burgermeester van Walsumlaan 1 te Zwolle of een andere instelling voor beschermd wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering. Het verblijf duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. Verdachte houdt zich aan de huisregels die en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering voor hem heeft opgesteld;

- op geen enkele wijze - direct of indirect- contact opneemt en/of onderhoudt met [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum 2] 1979, zo lang het openbaar ministerie dit nodig acht;

- draagt de reclassering op om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;
daarbij gelden als voorwaarden van rechtswege dat verdachte:

- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

- medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, Sr, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

- bepaalt dat de tijd die de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

de inbeslaggenomen voorwerpen

- verklaart verbeurd de inbeslaggenomen schaar;

- gelast de teruggave van de kleding en de schoenen aan verdachte.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.M. van Vuure, voorzitter, mr. S.H. Peper en mr. D.L. Westendorp, rechters, in tegenwoordigheid van mr. B.E. Martini, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 13 mei 2019.

Mr. Westendorp is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van de Districtsrecherche IJsselland, Eenheid Oost-Nederland, met BVH-nummer PL0600-2018499204. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.

2 Proces-verbaal van verhoor verdachte, pagina 36 tot en met 38.

3 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2] , pagina 84 en 85.

4 Letselrapportage GGD IJsselland, met (foto) bijlagen, pagina 54 tot en met 68. Medische verklaring GGD IJsselland, pagina 69 tot en met 71.