Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2019:1572

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
09-05-2019
Datum publicatie
10-05-2019
Zaaknummer
ak_ 18 _ 1190
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2020:2523, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Intrekking omgevingsvergunning voor een uitrit op het perceel aan de Wheeme ongenummerd te Goor in verband met een daar te vestigen supermarkt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Zittingsplaats Zwolle

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 18/1190

uitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen

Lidl Nederland GmbH, te Huizen, eiseres,

gemachtigde: mr. R.J.H. Minkhorst,

en

het college van burgemeester en wethouders van Hof van Twente, verweerder,

gemachtigde: mr. C.J.H. Delissen.

Als belanghebbenden hebben aan het geding deelgenomen: bewoners/huurders/eigenaren appartementencomplex Wheeme 1, (centrum-)ondernemers, stichting Historisch Goor, eigenaren diverse winkelpanden Goor, wonende/gevestigd te Goor,

gemachtigde: mr. I.C. Dunhof-Lampe.

Procesverloop

Bij besluit van 11 augustus 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder de aan eiseres verleende omgevingsvergunning voor een uitrit op het perceel aan de Wheeme ongenummerd te Goor in verband met een daar te vestigen supermarkt, ingetrokken.

Bij besluit van 25 mei 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 februari 2019.

Namens eiseres zijn verschenen gemachtigde voornoemd en N.J.G. van Laar. Namens verweerder zijn verschenen gemachtigde voornoemd, mr. A.A. van den Brand, B.J.M. Rouweler en G.R.F. ter Braak. Namens belanghebbenden zijn verschenen gemachtigde voornoemd en [naam].

Overwegingen

1. Voorgeschiedenis

Op 9 mei 2016 heeft Lidl Nederland GmbH te Huizen een omgevingsvergunning aangevraagd voor het aanleggen van een (extra) in- en uitrit ten behoeve van laden en lossen op het eigen perceel de Wheeme ongenummerd te Goor, kadastraal bekend Goor, sectie C, nummer 5823. De uitrit is bedoeld voor het laden en lossen ten behoeve van een nieuw te bouwen supermarkt aan de Kerkstraat te Goor.

Bij besluit van 25 augustus 2016 heeft verweerder de omgevingsvergunning verleend met toepassing van de artikelen 2.2, eerste lid, aanhef en onder e, en 2.18 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo) in samenhang met artikel 2.12 van de Algemene Plaatselijke Verordening 2016 Hof van Twente (hierna: de APV).

Bij brief van 3 maart 2017 is een verzoek om intrekking van de verleende omgevingsvergunning gedaan door belanghebbenden omdat op grond van thans beschikbare onderzoeksresultaten geconcludeerd kan worden dat geen sprake is van een verkeersveilige situatie.

Bij besluit van 11 augustus 2017 heeft verweerder de verleende omgevingsvergunning ingetrokken omdat op basis van nieuwe inzichten van verweerder, gebaseerd op het rapport van Goudappel Coffeng (GC) van 24 januari 2017, geconcludeerd wordt dat sprake is van gevaar voor het verkeer op de weg.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder de intrekking onder overneming van het advies van de bezwaarschriftencommissie gehandhaafd.

In het commissieadvies wordt overwogen dat ook het rapport dat op verzoek van eiseres is uitgebracht het bereiken van de supermarkt via de westzijde van de Wheeme vanuit het oogpunt van verkeersveiligheid alleen door middel van een persoon die de manoeuvres begeleidt, aanvaardbaar acht. Het is maar de vraag of een dergelijke voorschrift betreffende begeleiding nagekomen wordt en een dergelijk voorschrift lijkt niet goed handhaafbaar.

Overwogen wordt dat het inrijden van de smalle Wheeme, het manoeuvreren voor laden en lossen en vertrekken uit deze straat gevaar oplevert voor kwetsbare verkeersdeelnemers zoals voetgangers en fietsers.

De uitwegvergunning houdt verband met een nieuw te vestigen Lidl supermarkt aan de Kerkstraat 2 tot en met 16 te Goor.

Verweerder heeft omgevingsvergunning voor de bouw van het winkelpand en de kap van 19 bomen geweigerd.

Deze rechtbank heeft het door eiseres daartegen ingestelde beroep bij uitspraak van 17 april 2018 gegrond verklaard (ECLI:NL:RBOVE:2018:1265, bevestigd door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op 23 januari 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:160). Uit deze uitspraak volgt dat het bouwplan in overeenstemming is met het bestemmingsplan. Verweerder heeft bij besluit van 28 mei 2018 alsnog de omgevingsvergunning verleend voor de bouw van het winkelpand, waarbij is uitgegaan van laden en lossen aan de Wheeme.

2. Beoordeling

2.1

De rechtbank dient te beoordelen of de intrekking van de omgevingsvergunning voor de uitweg aan de Wheeme ten behoeve van de Lidl in stand kan blijven.

In artikel 2.2, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wabo is bepaald dat voor zover ingevolge een bepaling in een provinciale of gemeentelijke verordening een vergunning of ontheffing is vereist om een uitweg te maken, te hebben of te veranderen of het gebruik daarvan te veranderen een zodanige bepaling geldt als een verbod om een project voor zover dat geheel of gedeeltelijk uit die activiteiten bestaat, uit te voeren zonder omgevingsvergunning.

Artikel 2.18 van de Wabo bepaalt dat voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.2 de omgevingsvergunning slechts kan worden verleend of geweigerd op de gronden die zijn aangegeven in de betrokken verordening.

Ingevolge artikel 2:12, eerste lid, aanhef en onder a, van de APV is het verboden zonder omgevingsvergunning van het bevoegd gezag op grond van de Wabo een uitweg te maken naar de weg.

Artikel 2.33, tweede lid, aanhef en onder g, van de Wabo bepaalt dat het bevoegd gezag de omgevingsvergunning geheel of gedeeltelijk kan intrekken voor zover deze betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.2, op de gronden die zijn aangegeven in de betrokken verordening.

Ingevolge artikel 2:12, derde lid, van de APV kan een vergunning worden geweigerd indien:

a. gevaar of hinder ontstaat of dreigt te ontstaan voor het wegverkeer ter plaatse;

b. het gebruik van een bestaande openbare parkeerplaats onmogelijk wordt gemaakt of dreigt te worden gemaakt;

c. de groenvoorziening in de gemeente wordt geschaad of dreigt te worden geschaad;

d. het uiterlijk aanzien van de omgeving wordt geschaad of dreigt te worden geschaad;

e. het gebruik van de gronden voor parkeerdoeleinden volgens het bestemmingsplan niet is toegestaan.

Artikel 1:6, aanhef en onder b, van de APV bepaalt dat de vergunning of ontheffing kan worden ingetrokken of gewijzigd:

indien op grond van een verandering van de omstandigheden of inzichten opgetreden na het verlenen van de ontheffing of vergunning, intrekking of wijziging noodzakelijk is vanwege het belang of de belangen ter bescherming waarvan de vergunning of ontheffing is vereist.

2.2

Verweerder heeft de intrekking gebaseerd op een afweging van de belangen van eiseres tegen het belang van de verkeersveiligheid. Aan die belangenafweging ligt een rapport van GC ten grondslag van 24 januari 2017, waaruit blijkt dat alle drie onderzochte varianten zowel bij inrijden als bij vertrek via de Wheeme tot verkeersgevaarlijke situaties kunnen leiden. Met deze inzichten valt de belangenafweging in het nadeel van eiseres uit en wordt de vergunning ingetrokken.

Namens eiseres is aangevoerd dat verweerder een onjuist toetsingskader heeft toegepast. Eiseres vindt dat de intrekking ten onrechte is gebaseerd op een belangenafweging. Voor de intrekking is noodzakelijk dat er sprake is van een verandering van de omstandigheden of inzichten opgetreden na het verlenen van de vergunning en dat de intrekking noodzakelijk is van wege het belang of de belangen ter bescherming waarvan vergunning is verleend. Bij het verlenen van de vergunning was op de tekeningen reeds te zien dat het betrekkelijk krappe manoeuvres zijn, hoe die manoeuvres uitgevoerd moeten worden en waar dan de risico’s liggen. Die manoeuvres zijn niet anders geworden. De gemeentelijke verkeerskundige heeft geoordeeld dat het verkeersveilig was en dat bleek ook uit de notitie van 27 oktober 2016 van Roelofs, die door eiseres is ingeschakeld.

De rechtbank leest de door eiseres aangevoerde grond dat een verkeerd toetsingskader is toegepast aldus dat is bedoeld te betogen dat niet aan de voorwaarden voor intrekking van de vergunning wordt voldaan, zodat verweerder daartoe niet bevoegd was. Ter zitting is door de gemachtigde van eiseres nog aangevoerd dat verweerder ten onrechte aan artikel 2.12 van de APV heeft getoetst in plaats van aan artikel 2.33, tweede lid, aanhef en onder g, van de Wabo in combinatie met artikel 1.6 van de APV.

Verweerder heeft in reactie daarop toegelicht dat de intrekking is gebaseerd op artikel 1.6 van de APV en dat naar artikel 2.12 van de APV is verwezen om te onderbouwen dat uit dit artikel blijkt dat daarmee wordt beoogd het belang van de verkeersveiligheid te beschermen.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder het juiste toetsingskader toegepast.

2.3

Volgens verweerder is sprake van gewijzigde inzichten, op basis van het rapport van GC van 24 januari 2017. Bij het nemen van het primaire besluit van 25 augustus 2016 had verweerder deze inzichten nog niet.

Op basis van de stukken en hetgeen op zitting is besproken gaat het met name om de constatering dat bij de bevoorrading aan de Wheeme de vrachtwagen achteruit moet insteken om de losplaats te bereiken. Dit wordt zowel in het rapport van GC als in de notities van Roelofs en RH DHV beschreven en onderkend als een veiligheidsrisico.

Volgens RH DHV is dit echter onder voorwaarden acceptabel. Voor met name het ‘blind’ achteruitrijden waarbij de chauffeur slecht zicht heeft wordt aanbevolen dat het personeel van Lidl het verkeer (met name voetgangers en fietsers) begeleidt. Naleving van deze maatregel maakt dat het achteruitrijden niet meer gevaarlijk is en dat het veiligheidsrisico wordt weggenomen. Eiseres stelt zich op het standpunt dat intrekking van de omgevingsvergunning daardoor niet noodzakelijk is en dat verweerder deze voorwaarde aan de vergunning had moeten verbinden.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich kunnen baseren op het rapport van GC. Daarin zijn de gevolgen voor de verkeersveiligheid zorgvuldig in kaart gebracht.

Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank kunnen overwegen dat de gevaarlijke situaties niet worden weggenomen door het verbinden van de door RH DHV voorgestelde voorwaarde van begeleiding door Lidl-personeel aan de vergunning. Daarbij heeft verweerder betrokken dat de Wheeme een eenrichtingsweg is, er veel schoolgaande kinderen/fietsers van deze straat gebruik maken in beide richtingen en dat begeleiding van het achteruit rijden niet valt te handhaven.

Op basis van het rapport van GC kon verweerder tevens concluderen dat bij het inrijden van de Wheeme en het vertrekken uit deze straat gevaar ontstaat voor voetgangers en fietsers. Ook in de door eiseres ingebrachte notities van Roelofs en RH DHV wordt onderkend dat passerende fietsers de stoep op zullen fietsen en dat voetgangers die de Wheeme inlopen opgehouden worden, hetgeen zij anders dan GC niet als een risico aanmerken.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder het belang van de verkeersveiligheid als doorslaggevend kunnen aanmerken en de intrekking van de omgevingsvergunning noodzakelijk kunnen achten.

2.4

Het beroep is daarom ongegrond.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J. van Lochem, voorzitter, en mr. A. Oosterveld en mr. A.J.G.M. van Montfort, leden, in aanwezigheid van mr. A. Landstra, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.