Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2019:1347

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
19-04-2019
Datum publicatie
19-04-2019
Zaaknummer
08/910063-17 en 08/113062-16 (tul) (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De 33-jarige Maick S. is verantwoordelijk voor de gewelddadige dood van de 14 maanden oude peuter Xaja uit Hengelo. De rechtbank Overijssel veroordeelt de Hengeloër voor moord tot een celstraf van 22 jaar. De moeder van Xaja is vrijgesproken. Tegen de 23-jarige Sarinda van E. is geen bewijs dat zij haar dochter iets heeft aangedaan of bewust heeft nagelaten haar te helpen. De man moet zo’n 84.000 euro aan schadevergoedingen betalen aan de vader en oma van het slachtoffertje.

Zie ook ECLI:NL:RBOVE:2019:1362

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2019-0688
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Strafrecht

Meervoudige kamer

Zittingsplaats Almelo

Parketnummers: 08/910063-17 en 08/113062-16 (tul) (P)

Datum vonnis: 19 april 2019

Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum 1] 1985 in [geboorteplaats] ,

wonende in [woonplaats] ,

nu verblijvende in PI Arnhem.

1 Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van

25 januari 2018, 17 april 2018, 3 juli 2018, 17 september 2018, 1 oktober 2018, 6 december 2018, 4 maart 2019, 5 maart 2019 en 9 april 2019.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie
mr. A.E. Postma en van hetgeen door verdachte en de raadsman mr. J.B.A. Kalk, advocaat te Enschede, naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

- op 12 oktober 2017 al dan niet samen met een of meer anderen [slachtoffer] heeft vermoord dan wel gedood (primair) of haar heeft mishandeld met de dood tot gevolg (subsidiair), of

- in de periode van 8 tot en met 12 oktober 2017 al dan niet samen met een of meer anderen opzettelijk [slachtoffer] in een hulpeloze toestand heeft gebracht en gelaten, met de dood van [slachtoffer] tot gevolg (meer subsidiair), dan wel

- in de periode van 17 augustus 2017 tot en met 12 oktober 2017 al dan niet samen met een of meer anderen zeer, althans aanmerkelijk onvoorzichtig, onachtzaam en/of nalatig heeft gehandeld, waardoor [slachtoffer] is overleden (nog meer subsidiair) althans waardoor [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen (meest subsidiair).

Voluit luidt de gewijzigde tenlastelegging aan verdachte, dat:

hij op of omstreeks 12 oktober 2017, althans in of omstreeks de periode van 8 oktober 2017 tot en met 12 oktober 2017, te Hengelo, gemeente Hengelo (O), althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] (geboren op [geboortedatum 2] 2016) van het leven heeft beroofd, door

-die [slachtoffer] meerdere malen met kracht te schoppen, te stompen en/of (met enig voorwerp) te slaan tegen het hoofd en/of lichaam en/of

-die [slachtoffer] meerdere malen met kracht tegen/op haar hoofd, kin, hals, ledematen en/of haar lichaam te stoten, te duwen en/of te drukken en/of

-die [slachtoffer] meerdere malen met kracht met haar hoofd tegen/op de grond en/of enig voorwerp te slaan/stoten en/of

-de mond en/of neus van die [slachtoffer] dicht te drukken/duwen en gedrukt/geduwd te houden (smoren) en -aldus- haar ademhaling te beletten en/of te belemmeren en/of

-de nek en/of hals van die [slachtoffer] dicht te drukken/duwen en gedrukt/geduwd te houden of anderszins geweld toe te passen op de hals en/of nek (verwurging/strangulatie) van die [slachtoffer] en -aldus- haar ademhaling te beletten en/of te belemmeren en/of

-die [slachtoffer] hevig heen en weer te schudden en/of

-meerdere malen heftig mechanisch botsend geweld toe te passen op het hoofd en/of het lichaam van die [slachtoffer] en/of

-die [slachtoffer] een hoeveelheid van een stof, bevattende amfetamine, toe te dienen;

ALTHANS, voor zover voor het vorenstaande onder 1 geen veroordeling mocht of zou

kunnen volgen, SUBSIDIAIR, terzake dat

hij op of omstreeks 12 oktober 2017, althans in of omstreeks de periode van 8 oktober 2017 tot en met 12 oktober 2017, te Hengelo, gemeente Hengelo (O), althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, aan [slachtoffer] (geboren op [geboortedatum 2] 2016) opzettelijk en met voorbedachten rade, zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht, door

-die [slachtoffer] meerdere malen met kracht te schoppen, te stompen en/of (met enig voorwerp) te slaan tegen het hoofd en/of lichaam en/of

-die [slachtoffer] meerdere malen met kracht tegen/op haar hoofd, kin, hals, ledematen en/of haar lichaam te stoten, te duwen en/of te drukken en/of

-die [slachtoffer] meerdere malen met kracht met haar hoofd tegen/op de grond en/of enig voorwerp te slaan/stoten en/of

-de mond en/of neus van die [slachtoffer] dicht te drukken/duwen en gedrukt/geduwd te houden (smoren) en -aldus- haar ademhaling te beletten en/of te belemmeren en/of

-de nek en/of hals van die [slachtoffer] dicht te drukken/duwen en gedrukt/geduwd te houden of anderszins geweld toe te passen op de hals en/of nek (verwurging/strangulatie) van die [slachtoffer] en -aldus- haar ademhaling te beletten en/of te belemmeren en/of

-die [slachtoffer] hevig heen en weer te schudden en/of

-meerdere malen heftig mechanisch botsend geweld toe te passen op het hoofd en/of het lichaam van die [slachtoffer] en/of

-die [slachtoffer] een hoeveelheid van een stof, bevattende amfetamine, toe te dienen,

terwijl het feit de dood ten gevolge heeft gehad, en zulks terwijl het misdrijf is begaan tegen een kind dat hij verzorgde en/of opvoedde als behorend tot zijn gezin, en zulks terwijl het misdrijf werd gepleegd -mede door toediening van een voor het leven of de gezondheid (van een -14 maanden oud- kind) schadelijke stof, te weten een stof bevattende amfetamine;

ALTHANS, voor zover voor het vorenstaande onder 1 geen veroordeling mocht of zou

kunnen volgen, MEER SUBSIDIAIR, terzake dat

hij op of omstreeks 12 oktober 2017, althans in of omstreeks de periode van 8 oktober 2017 tot en met 12 oktober 2017 te Hengelo, gemeente Hengelo (O), althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk [slachtoffer] (geboren op [geboortedatum 2] 2016), tot wiens onderhoud, verpleging of verzorging hij krachtens de wet verplicht was, in een hulpeloze toestand heeft gebracht en/of gelaten, immers heeft hij, verdachte, toen die [slachtoffer] (medische) verzorging behoefde,

(onder meer) opzettelijk nagelaten die (medische) verzorging te verlenen

en/of nagelaten tijdig -adequate- (medische) hulp in te roepen,

en/of heeft hij opzettelijk nagelaten er voor te zorgen dat er voor die [slachtoffer] sprake was van een veilige thuissituatie in die zin dat hij niet heeft voorkomen dat aan die [slachtoffer] letsels zijn toegebracht

en/of heeft hij nagelaten om in te grijpen ter verhindering of voorkoming dat een of meerdere geweldshandelingen zouden worden gepleegd/plaatsvinden tegen die [slachtoffer] , terwijl dit feit de dood van die [slachtoffer] ten gevolge heeft gehad;

ALTHANS, voor zover voor het vorenstaande onder 1 geen veroordeling mocht of zou

kunnen volgen, NOG MEER SUBSIDIAIR, terzake dat

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 17 augustus 2017 tot en met

12 oktober 2017, te Hengelo (ov) of in ieder geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander, of anderen, althans alleen, zeer, althans aanmerkelijk onvoorzichtig, onachtzaam en/of nalatig heeft gehandeld, immers heeft hij, verdachte:

- een of meerdere keren bij [slachtoffer] (geboren op [geboortedatum 2] 2016) blauwe plekken en/of letsel(s) geconstateerd en/of zich daarbij niet of onvoldoende afgevraagd hoe zij aan die blauwe plekken is gekomen,

- en/of vervolgens onvoldoende getracht te voorkomen dat die [slachtoffer] blauwe plekken of ander letsel opliep,

- en/of er onvoldoende zorg voor gedragen dat voor die [slachtoffer] sprake was van een veilige thuissituatie, hierin bestaande dat verdachte hetzij onvoldoende heeft voorkomen dat door medeverdachte [medeverdachte] geweld werd gepleegd tegen die [slachtoffer] , hetzij er onvoldoende zorg voor heeft gedragen te voorkomen in een situatie terecht te komen waarin hij zelf is overgegaan tot het plegen van geweld tegen die [slachtoffer] ,


waardoor die [slachtoffer] letsel heeft opgelopen, te weten de letsels genoemd onder 5 rubriek A, rubriek B onder 7 tot en met 15 en rubriek C in het definitief sectieverslag van 20 februari 2018, p452ev FO-dossier, ten gevolge waarvan die [slachtoffer] is overleden;

ALTHANS, voor zover voor het vorenstaande onder 1 geen veroordeling mocht of zou

kunnen volgen, MEEST SUBSIDIAIR, terzake dat

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 17 augustus 2017 tot en met

12 oktober 2017, te Hengelo (ov) of in ieder geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander, of anderen, althans alleen, zeer, althans aanmerkelijk onvoorzichtig, onachtzaam en/of nalatig heeft gehandeld, immers heeft hij, verdachte:

- een of meerdere keren bij [slachtoffer] (geboren op [geboortedatum 2] 2016) blauwe plekken en/of letsel(s) geconstateerd en/of zich daarbij niet of onvoldoende afgevraagd hoe zij aan die blauwe plekken is gekomen,

- en/of vervolgens onvoldoende getracht te voorkomen dat die [slachtoffer] blauwe plekken of ander letsel opliep,

- en/of er onvoldoende zorg voor gedragen dat voor die [slachtoffer] sprake was van een veilige thuissituatie, hierin bestaande dat verdachte hetzij onvoldoende heeft voorkomen dat door medeverdachte [medeverdachte] geweld werd gepleegd tegen die [slachtoffer] , hetzij er onvoldoende zorg voor heeft gedragen te voorkomen in een situatie terecht te komen waarin hij zelf is overgegaan tot het plegen van geweld tegen die [slachtoffer] ,


waardoor die [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen, te weten een breuk in haar bovenbeenbot en/of een of meerdere ribbreuken en/of een gescheurde milt, lever en maag en/of hersenletsel.

3 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 De bewijsoverwegingen

In de navolgende overwegingen zal de rechtbank het slachtoffer aanduiden als [slachtoffer] , verdachte (ook) als [verdachte] en de medeverdachte als [medeverdachte] .

4.1

Inleiding

Op 12 oktober 2017 is na een 112-melding van [verdachte] om 09.53 uur de eerste ambulance om 10.01 uur ter plaatse gekomen bij de woning aan de [adres] in Hengelo (O), waar op dat moment [medeverdachte] , [verdachte] en [slachtoffer] woonden. De tweede ambulance is om 10.07 uur gearriveerd. De ambulancebroeders hebben een levenloos kind, [slachtoffer] , aangetroffen en hebben haar beademd. [slachtoffer] is naar het Medisch Spectrum Twente (MST) in Enschede vervoerd, alwaar zij om 10:55 uur is aangekomen. Na langdurige reanimatie is [slachtoffer] om 11.48 uur in het MST overleden.

4.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat, behoudens de tenlastegelegde voorbedachte rade en het medeplegen, het primair tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden.

4.3

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte van het tenlastegelegde integraal moet worden vrijgesproken.

4.4

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank dient een viertal vragen te beantwoorden:

  1. Als gevolg waarvan is [slachtoffer] overleden?

  2. Op welk tijdstip is het letsel toegebracht?

  3. Wie heeft het letsel aan [slachtoffer] toegebracht?

  4. Levert dit een strafbaar feit op, en zo ja, welk strafbaar feit?

4.4.1

Als gevolg waarvan is [slachtoffer] overleden?

Het letsel

Op 15 oktober 2017 heeft dr. V. Soerdjbalie-Maikoe, arts en patholoog bij het Nederlands Forensisch Instituut (NFI), sectie verricht op het lichaam van [slachtoffer] . De resultaten van dit onderzoek heeft zij vastgelegd in een deskundigenrapport van 20 februari 2018.

Uit het rapport blijkt dat bij [slachtoffer] sprake was van uitwendig letsel aan het hoofd. Er waren verspreid aan het behaarde hoofd, aan en achter de oren, en in het gelaat aan de kaaklijnen beiderzijds kneuzingen (contusies) gepaard gaande met huidverkleuringen van bloeduitstortingen, veelal rond-ovaal van vorm met plaatselijk oppervlakkige huidbeschadigingen. De letsels aan de oren waren zowel voor- als achterwaarts aan de oren gelokaliseerd. Er waren twee letsels midden en links onder de kin gelokaliseerd.

Aan de neusrug was een ovale rood paarse huidverkleuring van bloeduitstorting. Aan de basis van het neusschotje was een streepvormige oppervlakkige huidbeschadiging met roodheid. In het gebied tussen neus en bovenlip en onder de onderlip was links een rode huidverkleuring van een bloeduitstorting, deels met geringe oppervlakkige huidbeschadiging aanwezig. Inwendig was een verscheuring van zowel het bovenste lipriempje als het tongriempje met omgevende bloeduitstorting aanwezig. Ter plaatse van het tongriempje was tevens een ovaalvormige kraterachtige wond met bloeduitstorting. Er was een bloeduitstorting in en aan de binnenzijde van de bovenlip links tot in het tandvlees. Er was een vlekkige rode verkleuring van het slijmvlies rondom het onderste lipriempje en een rood-paarse verkleuring van het slijmvlies van de onderlip links.

Aan de binnenzijde van de schedelhuid waren bloeduitstortingen in relatie met de letsels aan het hoofd. Er was een bloeduitstorting onder het harde hersenvlies (subduraal, maximaal 10 ml) in de zin van een laagje vloeibaar bloed (geen stolsels), zowel boven als onder (basaal). Er was een bloeduitstorting diffuus onder de zachte hersenvliezen (subarachnoidaal). Ook was er bloed in het wervelkanaal.

Aan de borst, buik en laag aan de rug waren meerdere (circa 39), met name ronde en ovale, huidverkleuringen van bloeduitstortingen. Het merendeel was centraal aan de borstkas en centraal aan de bovenbuik gelokaliseerd. Die aan de buik waren deels in een boogvormige rij gelegen van vijf ovale kneuzingen en daaronder was nog een min of meer boogvormige rij met drie ovale kneuzingen.

Inwendig in de buikholte was circa 220 cc vloeibaar bloed opgehoopt. In relatie met de letsels aan de buik was er een bloeduitstorting in de buikwand. Er waren uitgebreide bloeduitstortingen in de weefsels/weke delen rond de maag, de leverhilus, de ophangband van de darm, de vetweefsels achter de buikholte en rond de linker nier en linker bijnier.

Er was verscheuring van de weefsels boven de kleine bocht van de maag. In het maagslijmvlies werden drie scheuren aangetroffen. Er was een verscheuring van de lever van voor- naar achterwaarts, er waren meerdere bloedblaren aan de lever voor en achterwaarts en er was verscheuring van de milt. De distributie van de bloeduitstorting in de weke delen was opvallend met name achterwaarts en zijwaarts tot in het kleine bekken en achter de buikholte met uitgebreide bloeduitstortingen in de nierkapsels beiderzijds. Er was een laagje bloed rondom het ruggenmerg (subduraal) over de gehele lengte van de wervelkolom.

Er waren breuken van de zesde, zevende, achtste en negende rib rechts voor en zijwaarts en van de zevende, achtste, negende en tiende rib links zijwaarts. Er waren begeleidende bloeduitstortingen in de borstvliezen en de voorste rompwandspieren.

Verspreid aan de ledematen (zowel aan de strekzijde als aan de buigzijde) waren huidverkleuringen van bloeduitstortingen aanwezig. Er was een breuk van het lange pijpbeen van het rechterbovenbeen. Er was een uitgebreide bloeduitstorting in de spieren van de achterzijde van het rechterbeen over de gehele lengte van het been, diep reikend en mate name achterwaarts gelokaliseerd.

Aan de hals waren uitwendig geen letsels; wel waren er letsels aan de kin. Inwendig in de hals was een bloeduitstorting in de schuine halsspier links laag van 0,7x0,4 cm. Er waren bloeduitstortingen tussen de diepe halsspieren links en rechts en aan de achterzijde van de linker- en rechterhalsslagader. Er waren vlekkige bloeduitstortingen in het slijmvlies rechts en links naast de tongbasis. Er was een bloeduitstorting achterwaarts van de slokdarm.

Dr. K.J. Lusthof, toxicoloog en werkzaam bij het NFI, heeft toxicologisch onderzoek verricht. Bij toxicologisch onderzoek van het lichaamsmateriaal van [slachtoffer] is een zeer hoge concentratie van amfetamine in het hartbloed aangetroffen. Op basis van wetenschappelijke literatuur kan worden geschat dat concentraties van amfetamine in hartbloed tot 2 à 3 maal zo hoog kunnen zijn als in femoraalbloed, als gevolg van postmortale herverdeling. Ook in geval van postmortale herverdeling, is de geschatte concentratie amfetamine in het bloed van [slachtoffer] kort na het overlijden nog altijd een hoge concentratie.

Het ontstaan van de letsels

Volgens de patholoog zijn voornoemde letsels bij leven ontstaan. De letsels zijn ontstaan als gevolg van inwerking van uitwendig mechanisch stomp botsend en plaatselijk hevig ingewerkt geweld zoals bijvoorbeeld door meervoudig slaan (al of niet met voorwerpen), stompen, drukken, duwen en stoten op vrijwel het gehele lichaam: het hoofd, de kin/hals inwendig, de romp en de ledematen.

Gezien de hoeveelheid, de lokalisatie, de vorm en de scherpe begrenzing van deze letsels, kunnen deze letsels, behoudens de bloeduitstortingen die meer centraal aan de romp gelegen waren alsmede mogelijk enkele onderhuidse bloeduitstortingen aan het gelaat, volgens de patholoog niet door reanimatiehandelingen verklaard worden.

De letsels aan de romp kunnen, volgens de patholoog, ook worden verklaard door (samen)drukken van de romp, stompen tegen en/of drukken op de romp (al of niet met structuren) waarmee belemmering van de ademhalingsfunctie kan zijn opgetreden (traumatische mechanische asfyxie).

Prof. dr. R.R. van Rijn, kinderradioloog en werkzaam bij het AMC, heeft in zijn rapportage gesteld dat de leverlaceratie veel waarschijnlijker het gevolg is van toegebracht letsel dan van reanimatiehandelingen.

Bij sectie is door de patholoog vastgesteld dat de letsels in de buik (dus ook de leverlaceratie), gezien de aard/distributie, niet door reanimatiehandelingen kunnen zijn ontstaan.

Ten aanzien van de ribbreuken heeft de patholoog opgemerkt dat volgens haar en de kinderradioloog de ribbreuken aan de voorzijde (anterieure ribbreuken) goed kunnen worden verklaard door reanimatie. Met betrekking tot de dwarse breuken aan de voorzijde en zijwaarts aan de ribben hebben de patholoog en de kinderradioloog geconcludeerd dat het ontstaan van die letsels veel waarschijnlijker is gegeven de hypothese dat ze zijn toegebracht dan gegeven de hypothese dat ze door reanimatiehandelingen zijn ontstaan. Uit lichtmicroscopisch onderzoek van de breuken van de ribben is gebleken dat deze geen genezingskenmerken vertoonden. Alle breuken zijn derhalve kort tot zeer kort (maximaal circa meerdere uren) voor het overlijden ontstaan.

Ten aanzien van de breuk van het rechterdijbeen hebben de patholoog en de kinderradioloog opgemerkt dat deze veel waarschijnlijker het gevolg is van toegebracht letsel dan van reanimatiehandelingen. Lichtmicroscopisch onderzoek van het rechterdijbeen toonde geen genezingskenmerken. Deze breuk is derhalve kort tot zeer kort (maximaal circa meerdere uren) voor het overlijden ontstaan.

Bij aanvullend rapport van 20 juni 2018 heeft de patholoog opgemerkt dat de breuk van het rechterdijbeen het gevolg was van hevig ingewerkt uitwendig mechanisch geweld op dat been door hevig slaan, vallen of een combinatie daarvan.

De letsels aan/in de neus, de mond en de kin kunnen volgens de patholoog, behoudens door bovengenoemd stomp geweld, ook zijn ontstaan door drukken van de mond/neus (smoren), al of niet in combinatie met een ingebrachte structuur in de mond of bedekking door bijvoorbeeld kleding. Dit kan hebben geleid tot belemmering van de mond/neus en daarmee ook belemmering van de luchtwegen met verstikkingsinvloeden tot gevolg. Al deze effecten kunnen algeheel zuurstofgebrek en daardoor weefselschade tot gevolg hebben gehad.

Volgens de patholoog zouden de letsels aan de kin en inwendig in de hals, behoudens door bovengenoemd stomp botsend geweld, ook door inwerking van uitwendig mechanisch, (samendrukkend) geweld op de hals (verwurging ofwel strangulatie), kunnen zijn ontstaan, waarbij te denken valt aan manuele strangulatie of (ondanks afwezigheid van een snoerspoor om de hals) ligatuurstrangulatie. De puntvormige en iets grotere bloeduitstortingen in de bindvliezen van de oogleden zouden een uiting kunnen zijn van doorgemaakt samendrukkend geweld op de hals.

De apotheker-toxicoloog R. Oosting heeft bij aanvullend rapport van 19 december 2018 opgemerkt dat er geen aanwijzingen zijn verkregen dat de amfetamine op andere wijze dan oraal aan [slachtoffer] is toegediend.

De doodsoorza(a)k(en)

De patholoog heeft vijf mogelijke doodsoorzaken beschreven. Volgens haar zijn er meer doodsoorzaken mogelijk die elk op zich of in combinatie de dood van [slachtoffer] kunnen hebben opgeleverd, namelijk:

I. Algehele weefselschade als gevolg van substantieel bloedverlies als gevolg van de ernstig inwendige letsels aan/in de buik.

II. Verstikking (oftewel zuurstofgebrek) op grond van belemmering van de mond- neusregio (door stomp geweld, smoren).

III. Verstikking als gevolg van geweld op de romp (traumatisch mechanische asfyxie).

IV. Algehele weefselschade door zuurstofgebrek (asfyxie) door samendrukken van de kin/hals.

V. Toxische effecten van de aangetoonde zeer hoge concentratie amfetamine in het hartbloed.

De conclusie van de rechtbank

Op basis van voornoemde bevindingen van de deskundigen is de rechtbank van oordeel dat de letsels die na overlijden bij [slachtoffer] zijn aangetroffen kunnen worden verklaard doordat op haar geweld is toegepast. Dat geweld kan hebben bestaan uit stomp botsend geweld en/of hevig ingewerkt uitwendig mechanisch (samendrukkend) geweld en/of verstikken en/of smoren van [slachtoffer] .

De rechtbank stelt verder vast dat, bij gebreke van aanwijzingen dat het op andere wijze is toegediend, de amfetamine oraal is toegediend aan [slachtoffer] . Het kan niet anders dan dat de hoeveelheid amfetamine die in het lichaam van [slachtoffer] is aangetroffen door een ander aan [slachtoffer] is toegediend. De suggestie van de verdediging dat [slachtoffer] mogelijk zelf op enig moment amfetamine heeft ‘gesnoept’, vindt geen enkele steun in het dossier en is ook op geen enkele andere wijze aannemelijk geworden. De gevolgen van het toegepaste geweld en van de toegediende hoeveelheid amfetamine kunnen op zichzelf, dan wel in combinatie met elkaar, de dood van [slachtoffer] verklaren.

4.4.2

Op welk tijdstip is het letsel toegebracht?

De deskundigen zijn bevraagd over het moment van het toebrengen van de letsels aan [slachtoffer] .

Vanwege de veelheid aan letsels bij [slachtoffer] is volgens de deskundigen niet meer vast te stellen wat eerst en wat later is ontstaan.

Volgens de patholoog zijn de letsels bij leven ontstaan en voorafgaand aan het aantreffen van [slachtoffer] door de ambulancebroeders. Aan de patholoog is een zestal tijdvakken voorgelegd met als doel aan te geven of het toegebrachte letsel in al zijn vormen, ieder toegebracht letsel op zich en in de combinatie van verschillende vormen van letsels, het meest waarschijnlijk ligt in één van die tijdvakken. De zes voorgelegde tijdvakken omvatten een tijdsbestek van de periode van 11 oktober 2017 vanaf 18.15 uur tot 12 oktober 2017 om 09.54 uur.

De patholoog heeft geschreven dat zij het niet mogelijk acht een nader onderscheid in de voorgelegde tijdvakken te maken, anders dan dat een periode van vele uren voorafgaande aan de 112-melding van 09.54 uur, bijvoorbeeld vóór middernacht van 11 op 12 oktober 2017, zeer onaannemelijk wordt geacht.

Op grond van dit deskundigenoordeel concludeert de rechtbank dat, hoewel niet exact kan worden vastgesteld wanneer het letsel aan [slachtoffer] is toegebracht, op grond van de bevindingen van de patholoog wel kan worden vastgesteld dat het letsel moet zijn toegebracht minuten tot uren voor [slachtoffer] overlijden in het ziekenhuis en dat zeer onaannemelijk is dat het letsel voor middernacht is toegebracht. Het letsel moet derhalve, naar het oordeel van de rechtbank, zijn toegebracht op 12 oktober 2017 na 00.00 uur (middernacht) en voor het moment dat de ambulancebroeders de woning rond 10.00 uur hebben betreden.

4.4.3

Wie heeft het letsel aan [slachtoffer] toegebracht?

De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld wie [slachtoffer] in voornoemde periode het fatale letsel heeft toegebracht.

De rechtbank stelt allereerst vast dat het dossier, ook na aanvullend onderzoek op aangeven van de verdediging van [verdachte] , en het onderzoek ter terechtzitting geen enkele concrete aanwijzing bieden dat het letsel door een derde of derden is toegebracht aan [slachtoffer] .

Dat maakt dat er drie mogelijke scenario’s resteren: óf [medeverdachte] heeft het letsel toegebracht, óf [verdachte] heeft het letsel toegebracht óf beiden hebben het letsel toegebracht.

De rechtbank leidt uit het dossier het volgende af. Op 11 oktober 2017 hebben [verdachte] en [medeverdachte] tussen 11.45 uur en 15.22 uur via WhatsApp ruzie met elkaar in verband met een bericht op de Facebookpagina van [medeverdachte] , geplaatst in de periode dat [verdachte] nog niet in het leven van [medeverdachte] was. In die WhatsApp-gesprekken wordt ook gesproken over het beëindigen van de relatie.

Op 11 oktober 2017 is [medeverdachte] rond 14.45 uur met [slachtoffer] en een vriendin van [medeverdachte] bij de Action in Hengelo geweest. In de vroege avond van 11 oktober 2017 zijn [verdachte] en [medeverdachte] samen in de woning aan de [adres] en hebben zij ruzie met elkaar gehad. Omstreeks 19.30 uur heeft [verdachte] de woning verlaten. [medeverdachte] is met [slachtoffer] in de woning gebleven en heeft [slachtoffer] naar bed gebracht. Rond 22.00 uur heeft [medeverdachte] [slachtoffer] wakker gemaakt en haar de fles gegeven, waarna [medeverdachte] [slachtoffer] weer in bed heeft gelegd.

Op 12 oktober 2017 om circa 00.20 uur is [verdachte] thuis gekomen, nadat hij bij [getuige 1] en [naam] is geweest. [medeverdachte] is tot dat tijdstip alleen met [slachtoffer] in de woning geweest.

[verdachte] heeft rond 00.20 uur zijn hond uitgelaten en is daarna naar de woning aan de [adres] teruggekeerd. Uit activiteit op de telefoon van [verdachte] in het bijzonder de WhatsApp-gesprekken met [getuige 1] , blijkt dat [verdachte] in de periode tot circa 02.20 uur wakker is gebleven. In het tijdvak van circa 00.30 uur tot 02.20 uur zijn [verdachte] en [medeverdachte] dus samen met [slachtoffer] in de woning geweest.

Rond 02.20 uur is [verdachte] wederom naar [getuige 1] gegaan. Hij heeft haar om 02.23 uur geappt “Ben er”. [medeverdachte] is alleen met [slachtoffer] in de woning gebleven.

Om 04.00 uur heeft de buurvrouw, [getuige 2] , de stem van [verdachte] gehoord in het kamertje van [slachtoffer] . Zij heeft [slachtoffer] horen huilen. De verklaring van [getuige 2] hieromtrent is zeer concreet. [getuige 2] heeft verklaard dat zij wakker was en dat zij naar het toilet moest. Zij heeft op de klok van de magnetron in haar keuken gezien dat dit om 04.00 uur was. Deze verklaring van [getuige 2] vindt bovendien steun in de verklaring van [verdachte] dat hij tussen 04.00 uur en 05.00 uur thuis is gekomen.

Weliswaar heeft [verdachte] op een later moment verklaard dat hij later is thuis gekomen, welke verklaring is bevestigd door getuige [getuige 1] , maar beiden hebben niet verklaard over de wetenschap van het tijdstip, in tegenstelling tot getuige [getuige 2] .

De rechtbank hecht daarnaast meer waarde aan de verklaring van de objectieve getuige [getuige 2] dan aan de wisselende verklaringen van [verdachte] en aan die van [getuige 1] , die door [verdachte] wordt aangemerkt als zijn alibi. De rechtbank heeft geen enkele aanleiding om aan de verklaring van [getuige 2] te twijfelen. Dat haar echtgenoot, die naar eigen zeggen slechthorend is, in de nacht en terwijl hij sliep, niets heeft gehoord, maakt de verklaring van [getuige 2] niet minder geloofwaardig. Het voorwaardelijke verzoek van de verdediging van [verdachte] om [getuige 2] nogmaals als getuige te horen, wijst de rechtbank af, nu de noodzaak tot het nogmaals horen van [getuige 2] niet is gebleken.

Vanaf 04.00 uur waren [verdachte] en [medeverdachte] dus samen in de woning. Om 05.32 uur is er nog activiteit op de mobiele telefoon van [verdachte] geweest.

Rond 08.20 uur heeft [medeverdachte] de woning verlaten voor een afspraak bij de huisarts.

[verdachte] is vanaf dat tijdstip tot de komst van de ambulancebroeders alleen met [slachtoffer] in de woning.

[medeverdachte] heeft bij herhaling verklaard dat zij op 11 oktober 2017 rond 22.00 uur [slachtoffer] een fles heeft gegeven en dat [verdachte] rond 00.20 uur is thuis gekomen. [verdachte] is op de bank gaan zitten en was met zijn telefoon bezig. [medeverdachte] is naar bed gegaan en zij heeft [verdachte] gevraagd of hij met haar mee ging. [verdachte] heeft dat niet gedaan. [medeverdachte] heeft verklaard dat zij vervolgens is gaan slapen. In de ochtend van 12 oktober 2017 heeft [medeverdachte] om 08.30 uur een afspraak bij de huisarts voor zichzelf. Nadat zij is opgestaan heeft zij rond 08.20 uur de woning verlaten om per fiets naar de huisarts te gaan. [medeverdachte] is daadwerkelijk bij de huisarts geweest, zij het dat zij te laat was voor haar afspraak.

[verdachte] heeft over zijn aanwezigheid in de woning in de nacht van 11 op 12 oktober 2017 wisselende verklaringen afgelegd. Uiteindelijk heeft hij over zijn aanwezigheid in de woning verklaard dat hij na de ruzie met [medeverdachte] om 19.30 uur naar overbuurvrouw [getuige 1] is gegaan. Rond 00.20 uur is hij weer thuis gekomen en is hij op de bank gaan zitten. Ter zitting van 4 maart 2019 heeft hij verklaard dat [medeverdachte] toen nog wakker was, maar dat zij kort daarna naar bed is gegaan. Ze heeft hem gevraagd of hij met haar mee ging naar bed. Hij heeft dat niet gedaan. Hij is nog een tijdje thuis gebleven en heeft in die tijd geappt met [getuige 1] . Tegen 02.23 uur is [verdachte] wederom bij [getuige 1] . [verdachte] heeft verder verklaard dat hij tussen 04.00 uur en 05.00 uur weer is thuis gekomen. Hij heeft de wekker op 07.30 uur gezet voor [medeverdachte] omdat zij naar de huisarts moest. Hij is bij haar in bed gaan liggen. In de ochtend is hij gelijktijdig met [medeverdachte] opgestaan.

De rechtbank overweegt als volgt. [medeverdachte] heeft consistent verklaard dat zij rond middernacht is gaan slapen, welke verklaring door [verdachte] wordt bevestigd. Bewijs dat [medeverdachte] in de nacht wakker is geweest ontbreekt in het dossier. Bewijs dat [medeverdachte] in het tijdsbestek van 00.20 uur tot 08.20 uur bij [slachtoffer] kan brengen, ontbreekt eveneens. Het scenario dat [medeverdachte] het letsel aan [slachtoffer] heeft toegebracht, kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden bewezen.

Evenmin bevat het dossier bewijs dat sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen [medeverdachte] en [verdachte] . Ook het scenario dat beiden het letsel aan [slachtoffer] hebben toegebracht, kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden bewezen.

Het voorgaande brengt mee dat het niet anders kan dan dat [verdachte] het letsel heeft toegebracht. Uit de verklaringen over de aanwezigheid van [verdachte] in de woning in de nacht van 11 op 12 oktober 2017, blijkt dat [verdachte] in de tijdspanne van na middernacht tot het moment dat de ambulancebroeders komen, tijd en gelegenheid heeft gehad om aan [slachtoffer] het vorengenoemde letsel toe te brengen en om [slachtoffer] amfetamine toe te dienen. Tot even na middernacht is [verdachte] bij [getuige 1] geweest. Als hij thuis is blijft hij met haar appen en hij gaat tegen 02:20 uur weer naar haar toe. De rechtbank stelt vast dat [verdachte] in die tijdspanne wakker was en zich in de woning aan de [adres] bevond.

In de nacht is [verdachte] vervolgens voor de tweede keer thuisgekomen, overigens nadat hij vanuit de woning van [getuige 1] eerst naar de algemene container in de straat is gelopen om een leeg zakje amfetamine weg te gooien. Rond 04.00 uur heeft [getuige 2] [verdachte] in de kamer van [slachtoffer] gehoord. Ook heeft zij [slachtoffer] toen gehoord. [slachtoffer] huilde. De rechtbank stelt vast dat [slachtoffer] op dat moment nog in leven was. [getuige 2] heeft ook gehoord dat [verdachte] toen vier keer tegen [slachtoffer] heeft gepraat. Aldus wordt [verdachte] in het kamertje van [slachtoffer] geplaatst in de periode waarin volgens de patholoog het letsel aan [slachtoffer] is toegebracht.

[verdachte] heeft over zijn aan- en afwezigheid in de woning gedurende de nacht van 11 op

12 oktober 2017 bij herhaling wisselend verklaard. Aanvankelijk heeft [verdachte] over zijn tweede bezoek aan [getuige 1] in die nacht niets verklaard. Evenmin heeft hij in zijn eerste verhoren verklaard over de seks met en het drugsgebruik bij [getuige 1] in die nacht; zowel tijdens het eerste bezoek in de avond als tijdens het bezoek om 02.20 uur. Eerst nadat [verdachte] geconfronteerd werd met forensische bevindingen, heeft hij zijn verklaring in verschillende verhoren en over verschillende onderdelen aangepast.

Niet alleen over zijn aan- en afwezigheid in de woning in de nacht heeft [verdachte] wisselend en niet consistent verklaard, maar ook over zijn drugsgebruik. Zo heeft [verdachte] bij herhaling verklaard dat hij al meer dan een jaar geen drugs meer heeft gebruikt, vervolgens heeft hij verklaard dat hij weleens heeft gebruikt, maar niet in de betreffende nacht. Uiteindelijk heeft [verdachte] toegegeven dat hij in de nacht van 11 op 12 oktober 2017 amfetamine heeft gebruikt in de woning van [getuige 1] . Ook bij zijn tweede bezoek aan

[getuige 1] in die nacht heeft hij amfetamine gebruikt. De rechtbank stelt op basis hiervan vast dat [verdachte] in die nacht de beschikking had over amfetamine.

Ook over de wijze waarop hij [slachtoffer] in de ochtend van 12 oktober 2017 heeft aangetroffen in haar kamertje heeft [verdachte] bij herhaling wisselend en bij vlagen volstrekt ongeloofwaardig verklaard. Zo heeft [verdachte] in zijn eerste verhoren verklaard dat hij om 09.35 uur met de fles naar het kamertje van [slachtoffer] is gegaan omdat hij haar hoorde. [slachtoffer] zat in haar bedje en bij het aanbieden van de fles zou zij onwel zijn geworden. Geconfronteerd met de bevindingen van de deskundigen dat hetgeen [verdachte] heeft verklaard onmogelijk is, heeft hij vervolgens verklaard dat hij [slachtoffer] wellicht niet heeft gehoord maar dat hij het geluid van het beertje heeft gehoord, hetgeen overigens ook niet juist kan zijn omdat uit onderzoek is gebleken dat het beertje pas geluid maakt als de geluidssensor van het beertje geactiveerd wordt als een kind huilt, waarbij het te ontvangen geluid meer moet zijn dan 58 dB, en het audiosignaal drie keer moet worden ontvangen binnen zeven seconden en elk signaal langer moet duren dan twintig milliseconden.

Op basis van de toestand waarin [slachtoffer] is aangetroffen is het onwaarschijnlijk dat [slachtoffer] geluiden heeft gemaakt die het beertje hebben geactiveerd. Over hoe hij [slachtoffer] dan wel heeft aangetroffen heeft [verdachte] geen verklaring gegeven, anders dan laatstelijk ter zitting van

4 maart 2019 dat hij in paniek is geraakt toen hij [slachtoffer] zag en dat hij het eigenlijk niet meer weet.

Evenmin heeft [verdachte] een logische verklaring gegeven voor het tijdsverloop van elf minuten tussen het gestelde aantreffen van [slachtoffer] in haar bedje en het bellen naar [medeverdachte] om 09.46 uur. Dat geldt ook voor het tijdsverloop van zeven minuten tussen het niet beantwoorde telefoontje naar [medeverdachte] , de vervolgens door [verdachte] niet beantwoorde oproepen van [medeverdachte] naar [verdachte] en de 112-melding om 09.53 uur.

Conclusie

De rechtbank is van oordeel dat op basis van de tactische en de forensische bevindingen in samenhang bezien met de bij voortduring wisselende en op essentiële onderdelen leugenachtige verklaringen van verdachte, het [verdachte] is geweest die in de nacht van
12 oktober 2017 geweld op [slachtoffer] heeft uitgeoefend. De rechtbank is van oordeel dat dit geweld bestond uit uitwendig mechanisch stomp botsend en/of plaatselijk hevig ingewerkt geweld, zoals bijvoorbeeld door meervoudig slaan (al of niet met voorwerpen), stompen, drukken, duwen, stoten, en/of smoren en/of wurgen. De rechtbank is eveneens van oordeel dat [verdachte] degene is geweest die [slachtoffer] amfetamine heeft toegediend. Zoals hiervoor reeds is overwogen heeft hij die nacht hiervoor tijd en gelegenheid gehad en heeft hij die nacht de beschikking over amfetamine gehad.

4.4.4

Levert dit een strafbaar feit op, en zo ja welk strafbaar feit?

Aan [verdachte] zijn primair de varianten moord en doodslag ten laste gelegd.

De rechtbank acht bewezen dat [verdachte] zodanig fors geweld op [slachtoffer] heeft uitgeoefend dat diverse organen zijn gescheurd, zij hersenletsel heeft opgelopen en meerdere botten zijn gebroken. Bovendien heeft [verdachte] [slachtoffer] amfetamine toegediend. De aard en de ernst van de letsels en de daarvoor benodigde handelingen, het toedienen van de amfetamine daaronder begrepen, zijn daarmee zo gericht geweest op de dood van [slachtoffer] dat naar het oordeel van de rechtbank het opzet op haar dood een gegeven is. De rechtbank acht boos opzet aanwezig.

Moord of doodslag?

Voor een bewezenverklaring van de tenlastegelegde moord moet het bestanddeel ‘voorbedachten rade’ bewezen worden.

Voor een bewezenverklaring van het bestanddeel 'voorbedachten rade' moet komen vast te staan dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven.

Bij de vraag of sprake is van voorbedachte raad gaat het bij uitstek om een weging en waardering van de omstandigheden van het concrete geval door de rechter, waarbij deze het gewicht moet bepalen van de aanwijzingen die voor of tegen het bewezen verklaren van voorbedachte raad pleiten.

De rechtbank is van oordeel dat niet rechtstreeks uit de bewijsmiddelen volgt dat bij [verdachte] sprake was van voorbedachte raad om [slachtoffer] van het leven te beroven, aangezien op grond van bijvoorbeeld verklaringen van [verdachte] zelf of getuigen geen direct inzicht is verkregen in hetgeen voor en ten tijde van het begaan van het feit in [verdachte] is omgegaan.

Ook indien de voorbedachte raad niet rechtstreeks uit de bewijsmiddelen volgt, kan evenwel tot bewezenverklaring van het bestanddeel ‘voorbedachten rade’ worden gekomen. Of in een bepaald geval voorbedachte raad bewezen kan worden, hangt sterk af van de hiervoor bedoelde gelegenheid en van de overige feitelijke omstandigheden van het geval zoals de aard van het feit, de omstandigheden waaronder het is begaan alsmede de gedragingen van verdachte voor en tijdens het begaan van het feit.

Gelet op hetgeen hiervoor onder 4.4.3 reeds is overwogen is de rechtbank van oordeel dat op grond van de bewijsmiddelen is komen vast te staan dat het fatale letsel van [slachtoffer] als gevolg van een groot aantal geweldshandelingen is ontstaan. [verdachte] heeft zodanig fors geweld op [slachtoffer] uitgeoefend dat diverse organen zijn gescheurd, zij hersenletsel heeft opgelopen en meerdere botten zijn gebroken. Daarnaast heeft hij amfetamine aan [slachtoffer] toegediend.

De vraag waarvoor de rechtbank zich vervolgens gesteld ziet, is of [verdachte] voorafgaand aan de gewelddadige handelingen of tussen de elkaar opvolgende gewelddadige handelingen voldoende tijd voor beraad en gelegenheid voor bezinning heeft gehad.

De rechtbank overweegt daarover het volgende. Met het toebrengen van het letsel moeten ten minste twee fases gemoeid zijn geweest. De fase waarin de fysieke geweldshandeling het - al dan niet met enig voorwerp - slaan, stompen, drukken, duwen, stoten, smoren en/of wurgen heeft plaatsgevonden en - daarna óf daarvoor - de fase waarin de amfetamine oraal is toegediend. Met het toebrengen van het letsel door de hiervoor genoemde geweldshandelingen moeten minimaal enkele minuten gemoeid zijn geweest. Daarnaast is er sprake van een compleet andersoortige handeling, namelijk het oraal toedienen van amfetamine. Voor het toedienen van amfetamine aan een veertien maanden oud kind zijn, naar het oordeel van de rechtbank, meerdere (voorbereidende) handelingen en beslissingen nodig die elkaar opvolgen en de nodige tijd in beslag nemen.

Uit al deze omstandigheden volgt naar het oordeel van de rechtbank dat [verdachte] doelbewust heeft gehandeld. [verdachte] heeft voorafgaand aan en/of gedurende het toebrengen van het letsel en het toedienen van de amfetamine tijd gehad zich te beraden op het voorgenomen of te nemen besluit, zodat er gelegenheid heeft bestaan dat hij over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad heeft kunnen nadenken en zich daarvan rekenschap heeft kunnen gegeven. Van contra-indicaties die tot een ander oordeel zouden moeten leiden, is noch uit het dossier noch uit het onderzoek ter terechtzitting gebleken. De rechtbank acht de voorbedachte raad bewezen.

Het voorgaande betekent dat de rechtbank wettig en overtuigend bewezen acht dat [verdachte] het primair tenlastegelegde heeft begaan.

4.5

De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in de bijlage genoemde bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:

op 12 oktober 2017, te Hengelo, gemeente Hengelo (O), opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] (geboren op [geboortedatum 2] 2016) van het leven heeft beroofd door

-die [slachtoffer] meermalen met kracht te stompen en/of (met enig voorwerp) te slaan tegen het hoofd en/of lichaam en/of

-die [slachtoffer] meermalen met kracht tegen/op haar hoofd, kin, hals, ledematen en/of haar lichaam te stoten, te duwen en/of te drukken en/of

-de mond en/of neus van die [slachtoffer] dicht te drukken/duwen en gedrukt/geduwd te houden (smoren) en -aldus- haar ademhaling te belemmeren en/of

-de nek en/of hals van die [slachtoffer] dicht te drukken/duwen en gedrukt/geduwd te houden of anderszins geweld toe te passen op de hals en/of nek (verwurging/strangulatie) van die [slachtoffer] en -aldus- haar ademhaling te belemmeren en/of

-meermalen heftig mechanisch botsend geweld toe te passen op het hoofd en/of het lichaam van die [slachtoffer] en

-die [slachtoffer] een hoeveelheid van een stof, bevattende amfetamine, toe te dienen.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte primair meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

5 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld in artikel 289 van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert op: het misdrijf moord.

6 De strafbaarheid van verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor het bewezenverklaarde feit.

7 De op te leggen straf of maatregel

7.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte voor het tenlastegelegde feit ‘doodslag’ te veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van veertien jaren met aftrek van de tijd die verdachte in verzekering en in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft geen standpunt kenbaar gemaakt ten aanzien van de strafmaat.

7.3

De gronden voor een straf of maatregel

Bij de strafoplegging heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen.

De rechtbank heeft bij de straftoemeting vooral de volgende omstandigheden in aanmerking genomen en vindt daarin de redenen die tot de keuze van een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf leiden.

De ernst van het feit

Verdachte heeft zich in de nacht van 12 oktober 2017 schuldig gemaakt aan de moord op [slachtoffer] , het veertien maanden oude dochtertje van zijn vriendin. De wijze waarop verdachte [slachtoffer] vermoord heeft wordt gekenmerkt door de ernst en omvang van de geweldshandelingen.

De patholoog heeft een aantal doodsoorzaken beschreven die elk op zich of in combinatie tot de dood hebben geleid.

Er was sprake van algehele weefselschade als gevolg van substantieel bloedverlies door de ernstig inwendige letsels aan/in de buik, verstikking of zuurstofgebrek op grond van belemmering van de mond-neusregio, verstikking door geweld op de romp, algehele weefselschade door zuurstofgebrek door samendrukken van de kin/hals en toxische effecten van de aangetoonde zeer hoge concentratie amfetamine in het hartbloed. Kortom: buitensporig fysiek geweld en het toedienen van amfetamine. De forensisch kinderpatholoog dr. V. Soerdjbalie-Maikoe heeft bij de rechter-commissaris verklaard dat in de dertien jaren die zij werkzaam is als kinderpatholoog, [slachtoffer] het tweede kind is dat zij heeft gezien met zo’n uitgebreid inwendig trauma, op alle niveaus van het lichaam. Zij heeft daar letterlijk gezegd: “Ik heb dat eigenlijk nog nooit in zo’n mate gezien.”.

Na het toebrengen van het letsel heeft verdachte zich niet meer om [slachtoffer] bekommerd; dat hij later in de ochtend van 12 oktober 2017 het alarmnummer 112 heeft gebeld, kan in het licht van het extreme geweld zeer zeker niet als zodanig worden gezien.

Het weerzinwekkende van het handelen van verdachte schuilt in het feit dat hij zich in de nacht heeft afgereageerd op een weerloos en onschuldig kind van slechts veertien maanden oud. Door het brute geweld, het toedienen van de amfetamine daarin begrepen, van verdachte is een zeer jong leven in de kiem gesmoord. Een meisje dat nog geen weet had van goed of kwaad en dat het leven in al haar facetten nog moest gaan ontdekken. Door zijn daad heeft verdachte [slachtoffer] van het meest fundamentele menselijke recht, het recht op leven, beroofd en heeft hij zich schuldig gemaakt aan het ernstigste commune misdrijf dat het Wetboek van Strafrecht kent, te weten moord.

Een dergelijk feit schokt de rechtsorde in ernstige mate en brengt voorts gevoelens van afschuw, angst en onveiligheid mee. De berichtgeving in de media, niet alleen regionaal, maar ook landelijk, ook die over het onderhavige strafproces, toont aan dat ook de samenleving in wijder verband door dit misdrijf ernstig is geschokt.

Met de dood van [slachtoffer] heeft verdachte onnoemelijk veel en onherstelbaar leed toegebracht aan de nabestaanden. Er is sprake van een vreselijk en onherstelbaar verlies.

Een vader moet verder zonder zijn dochter, grootouders moeten verder zonder hun kleindochter. Ter terechtzitting is dit indringend naar voren gebracht door de vader van [slachtoffer] en haar beide grootmoeders. Alle drie hebben zij gebruik hebben gemaakt van hun spreekrecht. Hun voorgelezen verklaringen illustreren dit enorme verlies. De dood van [slachtoffer] heeft hun levens volledig ontwricht.

Daarnaast laat de rechtbank ook niet onbenoemd dat ook de moeder van [slachtoffer] – hoewel medeverdachte in dit strafproces – verder zal moeten leven zonder haar dochter. Ook haar is onmetelijk leed aangedaan. In de veiligheid van haar woning heeft verdachte, terwijl hij haar partner was, haar in de nacht haar dochter ontnomen.

Het motief voor het doden van [slachtoffer] is tot op de dag van vandaag onbekend gebleven. Verdachte heeft geen openheid van zaken gegeven. Bij de verhoren door de politie heeft hij wisselende verklaringen afgelegd en ook tijdens de terechtzittingen heeft verdachte afhoudend verklaard. Hiermee heeft hij het verwerkingsproces bij de nabestaanden, die met onbeantwoorde vragen achterblijven, ernstig bemoeilijkt. De nabestaanden zullen met de “waarom”-vraag verder moeten leven. Zij zullen door het overlijden van [slachtoffer] nog lang leed ondervinden en de rechtbank beseft dat geen enkele straf recht zal doen aan dit leed. Tijdens de zittingen is dit aspect meermalen ter sprake gekomen. Het enige wat verdachte daarover tijdens de inhoudelijke behandeling heeft verklaard is dat hij zou bekennen als hij het feit zou hebben gepleegd. Naar het oordeel van de rechtbank is hij deze belofte niet nagekomen en blijkt dat verdachte enkel en alleen oog heeft voor zijn eigen belangen. Zijn belang om ongestraft weg te komen met de dood van [slachtoffer] weegt voor hem zwaarder dan de belangen van de nabestaanden om antwoorden te krijgen op de vele vragen die bij hen leven.

De persoon van de verdachte

Over de persoon van verdachte is gerapporteerd. In hun rapportages van 17 april 2018 hebben D.T. van der Werf, psychiater, en P.K. Kristensen, GZ-psycholoog, over verdachte gerapporteerd. Beiden spreken over een verdenking van een (antisociale) persoonlijkheidsstoornis en middelengebruik.

Uit het rapport van de psychiater blijkt dat verdachte zich naar hem toe vooral heeft gemanifesteerd als een regiebehoeftige jongeman die zich uitdrukkelijk sociaal wenselijk heeft geprobeerd op te stellen, maar die wisselend is geweest in zijn uitlatingen en vaak nadere exploratie en verdieping heeft afgeweerd. Verdachte heeft een weinig consistent relaas en beeld van zijn eigen functioneren gegeven. Bij verdachte zijn aanwijzingen voor een weinig consistent en weinig realistisch zelfbeeld, een overmatig primitieve afweer zoals loochening, primitieve idealisering naast evenzo devaluaties en ‘thrill-seeking-behaviour’, aldus de psychiater. Ook noemt de psychiater het - in elk geval in het verleden van verdachte - problematisch misbruik van roesmiddelen als amfetamine, GHB en ketamine en het gebruik van anabole steroïden, waarbij van het gebruik van amfetamine recent vooral nog sprake was.

Uit het rapport van de psycholoog blijkt ook dat verdachte vooral gericht is op het schetsen van een zeer positief beeld van zichzelf. De resultaten uit de door verdachte gemaakte testen verwijzen naar primair narcistische afweer en een splijting van het gevoelsleven met massale loochening van primitieve agressie, schrijft de psycholoog. Met andere woorden: hij lijkt aan de buitenkant aangepast, terwijl zijn woede episodisch kan doorbreken en zich kan manifesteren in agressie, angst of zelfs een psychose.

Op grond van hun onderzoek en bevindingen hebben de psychiater en de psycholoog geadviseerd om nader onderzoek in combinatie met een klinische gedragsobservatie te laten plaatsvinden. Verdachte is in het Pieter Baan Centrum nader onderzocht. D.C.W.H. Naus, psychiater, en A.J. de Groot, klinisch psycholoog, hebben in hun rapportage van 11 januari 2019 over verdachte gerapporteerd. Uit het rapport blijkt dat verdachte formeel aan het onderzoek in het Pieter Baan Centrum heeft meegewerkt maar dat volgens de deskundigen sprake is van een gemankeerd onderzoek. Als reden hiervoor wordt door de deskundigen de procespositie van verdachte genoemd.

De rechtbank heeft kennis genomen van de bevindingen van de deskundigen over de persoon van verdachte. De psychiater noch de psycholoog heeft zich uitgelaten over een meer of mindere mate van ontoerekeningsvatbaarheid van verdachte ten opzichte van het bewezenverklaarde feit. De rechtbank is van oordeel dat bij verdachte geen sprake was van verminderde toerekeningsvatbaarheid ten tijde van het feit. Het bewezenverklaarde kan volledig aan verdachte worden toegerekend.

De duur van de op te leggen straf

Gezien de ernst en de gruwelijkheid van de zaak is de rechtbank van oordeel dat een zeer langdurige gevangenisstraf passend en geboden is.

De rechter is bij de straftoemeting - op basis van wat zij bewezen acht - gebonden aan enerzijds de wettelijke bepalingen en de strafmaxima en anderzijds aan wat rechtbanken en gerechtshoven in soortgelijke zaken opleggen.

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte te veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van veertien jaren. Deze strafeis is gestoeld op de volgens de officier van justitie bewezen doodslag.

De wetgever heeft voor moord als strafmaximum een levenslange gevangenisstraf dan wel een tijdelijke gevangenisstraf van ten hoogste 30 jaren gesteld. Voor dergelijke feiten zijn er binnen de rechtspraak geen landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting vastgesteld. De rechtbank heeft bij het bepalen van de aan de verdachte op te leggen straf gekeken naar straffen die zijn opgelegd ter zake van soortgelijke misdrijven en heeft geconstateerd dat dergelijke zaken uniek zijn en zich niet tot nauwelijks laten vergelijken met andere zaken. Iedere moord draagt wel een aantal specifieke elementen in zich. Beginpunt van denken over de aan de verdachte op te leggen straf is voor de rechtbank een gevangenisstraf met een duur van vijftien tot achttien jaren geweest.

In strafverzwarende zin slaat de rechtbank acht op de reeds genoemde omstandigheid dat verdachte [slachtoffer] , een in alle opzichten onschuldig en weerloos kind van slechts veertien maanden oud, in haar eigen kamertje en daarmee in haar eigen huis om het leven heeft gebracht. De plek waar zij zich juist veilig zou moeten voelen en waar zij veilig had moeten kunnen opgroeien.

Eveneens weegt de rechtbank in strafverzwarende zin mee dat verdachte [slachtoffer] op een zeer gewelddadige wijze van het leven heeft beroofd. Verdachte heeft haar fysiek vreselijk mishandeld, zoals blijkt uit de grote hoeveelheid letsels én haar amfetamine, een harddrug, toegediend.

Verder heeft de rechtbank in strafverzwarende zin meegewogen dat verdachte geen openheid van zaken heeft gegeven over wat er zich in de nacht van 12 oktober 2017 heeft afgespeeld en wat hem ertoe heeft gebracht om [slachtoffer] van het leven te beroven en hoe hij dat gedaan heeft. Op geen enkele wijze heeft verdachte getoond verantwoordelijkheid te nemen voor het door hem gepleegde strafbare feit. Dit klemt temeer nu deze houding van verdachte met zich brengt dat de vele vragen van de nabestaanden op dit punt onbeantwoord zullen blijven.

Tot slot heeft de rechtbank in strafverzwarende zin meegenomen dat, hoewel verdachte niet eerder ter zake soortgelijke delicten is veroordeeld, verdachte justitiële documentatie heeft voor enkele geweldsdelicten.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van
22 jaren, met aftrek van de tijd die verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht, passend en geboden is.

8 De schade van benadeelden

8.1

De vorderingen van de benadeelde partijen

[vader] (de vader van [slachtoffer] ) en [oma vaderszijde] (de oma van [slachtoffer] vaderszijde) hebben zich als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces

8.1.1

De benadeelde partij [vader]

vordert verdachte te veroordelen om schadevergoeding te betalen tot een totaalbedrag van € 48.170,24, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd. Ter zitting van 4 maart 2019 heeft de benadeelde partij de vordering daar waar het reiskosten betreft vermeerderd. Het hiervoor genoemde bedrag omvat die kosten. Het totaal gevorderde bedrag bestaat uit materiële en immateriële schade.

De gevorderde materiële schade bestaat uit:

- uitvaartbegeleiding € 2.596,40

- fakkels € 237,--

- bijzetten lichaamsdelen [slachtoffer] € 3.500,--

- opnemen verlofdagen € 1.101,57

- reiskosten € 53,87

- eigen risico € 385,--.

Ter zitting van 4 maart 2019 heeft de benadeelde partij de vordering aangevuld met een bedrag van € 296,40. Dit betreft door de benadeelde partij gemaakte reiskosten in het kader van politieverhoren.

De posten ‘opnemen verlofdagen’, ‘reiskosten’ en ‘eigen risico’ zijn door de benadeelde partij primair gevorderd als materiële shockschade. Subsidiair vordert de benadeelde partij vergoeding van deze materiële schade als rechtstreekse schade.

Daarnaast vordert de benadeelde partij een voorschot aan immateriële schade van
€ 40.000,--, omdat sprake is van shockschade.

Ter zitting heeft [vader] gevorderd de Staat der Nederlanden te veroordelen tot vergoeding van een bedrag van € 786,24 ter zake van door hem gemaakte onkosten. Deze onkosten betreffen reis- en verblijfkosten in verband met het bijwonen van de zittingen in deze strafzaak.

8.1.2

De benadeelde partij [oma vaderszijde]

vordert verdachte te veroordelen om schadevergoeding te betalen tot een bedrag van € 40.000,--, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd. Dit bedrag betreft een voorschot aan immateriële schade in verband met shockschade.

[oma vaderszijde] vordert de Staat der Nederlanden te veroordelen tot vergoeding van een bedrag van € 786,24 ter zake van door haar gemaakte onkosten. Deze onkosten betreffen reis- en verblijfkosten in verband met het bijwonen van de zittingen in deze strafzaak.

8.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vorderingen van de benadeelde partijen kunnen worden toegewezen.

8.3

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft de vorderingen van de benadeelde partijen niet betwist.

8.4

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank stelt voorop dat verdachte op grond van artikel 6:108 van het Burgerlijk Wetboek (BW) (oud) verplicht is de zogenaamde kosten van lijkbezorging te vergoeden aan diegene die deze kosten heeft gemaakt voor zover zij in redelijkheid zijn gemaakt in overeenstemming met de leefomstandigheden van het slachtoffer. [vader] heeft gesteld dat hij de kosten ‘uitvaartbegeleiding’ en ‘fakkels’ heeft gemaakt en dat deze niet vergoed zijn door de verzekering. Naar het oordeel van de rechtbank zijn deze kosten voldoende onderbouwd en in redelijkheid gemaakt. De rechtbank zal de vordering van

[vader] daarom voor een deel van € 2.833,40 toewijzen. Uit de toelichting op de gevorderde kosten ‘bijzetten lichaamsdelen [slachtoffer] ’ is de rechtbank gebleken dat de benadeelde partij deze kosten nog niet heeft gemaakt. De rechtbank zal de benadeelde partij daarom voor dat gedeelte niet-ontvankelijk verklaren.

Shockschade

De rechtbank overweegt dat sprake is van shockschade als de benadeelde geestelijk letsel oploopt door het waarnemen van een schokkende gebeurtenis, zoals een misdrijf, of de directe confrontatie met de ernstige gevolgen daarvan, waarbij de shock dermate ernstig is dat deze leidt tot een aantasting van de gezondheid. Enkel indien het geestelijk letsel kan worden vastgesteld, waarbij als uitgangspunt geldt dat sprake moet zijn van een psychiatrisch erkend ziektebeeld, is vergoeding van shockschade op grond van artikel 6:106 lid 1 BW mogelijk.

[vader] en [oma vaderszijde] zijn in de ochtend van 12 oktober 2017 vanuit de omgeving van Schiedam naar Enschede vertrokken, nadat hen was verteld dat het niet goed ging met hun (klein)dochter. Toen zij in het ziekenhuis in Enschede arriveerden, was [slachtoffer] al overleden. [vader] heeft zijn dochter en [oma vaderszijde] heeft haar kleindochter vlak na haar overlijden in het ziekenhuis gezien, terwijl [slachtoffer] bont en blauw was en onder meer een tube in haar keel had en een slangetje in haar neus. Ook had zij wondjes op haar gezicht waar bloed uitkwam. Toen [vader] zijn dochtertje optilde kwam er nog bloed uit haar mond. Voor zowel de vader als de grootmoeder zijn deze aanblikken zeer ingrijpend zijn geweest, zoals blijkt het door hen uitgeoefende spreekrecht. Naar het oordeel van de rechtbank staat hiermee vast dat [vader] en [oma vaderszijde] direct zijn geconfronteerd met de ernstige gevolgen van het door verdachte gepleegde feit.

De verdediging heeft niet betwist dat ten gevolge hiervan geestelijk letsel bij de benadeelde partijen is ontstaan. Uit de bij de vordering overgelegde producties is de rechtbank verder gebleken dat bij beide benadeelde partijen ten gevolge van deze gebeurtenissen een posttraumatische stressstoornis is gediagnosticeerd waarvoor zij behandeling ondergaan. Op grond daarvan stelt de rechtbank vast dat sprake is van een erkend psychiatrisch ziektebeeld en dus van geestelijk letsel als gevolg van de confrontatie met de ernstige gevolgen van het misdrijf. Vergoeding van shockschade is dan ook mogelijk.

Shockschade materieel

[vader] heeft vergoeding van een aantal materiële schadeposten gevorderd, te weten opgenomen verlofuren (€ 1.101,57), reiskosten (in totaal € 350,27) en eigen risico (€ 385,--). Naar het oordeel van de rechtbank zijn de schadeposten ten aanzien van de verlofuren en de reiskosten gemaakt in het kader van de bezoeken aan de psycholoog voldoende onderbouwd. Deze komen de rechtbank niet onredelijk voor. De rechtbank zal aan [vader] een bedrag van € 1.101,57 en € 53,87 toewijzen.

De reiskosten die door [vader] zijn gemaakt in het kader van de politieverhoren zijn naar het oordeel van de rechtbank geen kosten die op grond van artikel 6:106 BW ten laste van de verdachte kunnen worden gebracht. De rechtbank zal de benadeelde partij daarom voor het gedeelte van € 296,40 niet-ontvankelijk verklaren.

Uit de door [vader] overgelegde stukken blijkt dat de zorgverzekeraar in verband met de psychologische behandeling een bedrag van € 71,83 ten laste van het eigen risico van de benadeelde partij heeft gebracht. Het eigen risico van de benadeelde partij over 2018 is niet volledig aangesproken. De rechtbank zal dan ook het aan de benadeelde partij in rekening gebrachte bedrag van € 71,83 toewijzen. Het meerdere van € 313,17 dat is gevorderd zal de rechtbank afwijzen.

Shockschade immaterieel

Door zowel [vader] als [oma vaderszijde] is een bedrag van € 40.000,-- aan shockschade gevorderd. Door de verdediging is geen verweer gevoerd ten aanzien van de hoogte van deze vordering. De rechtbank acht toewijzing van de gevorderde € 40.000,-- billijk. De rechtbank zal dan ook aan beide benadeelde partijen het gevorderde bedrag van
€ 40.000,-- toewijzen.

De benadeelde partijen hebben de gevorderde schade als voorschot gevorderd. De rechtbank zal de gevorderde en toegewezen bedragen aldus verstaan dat de gevorderde en toegewezen bedragen strekken tot vergoeding van een gedeelte van de schade.1

De wettelijke rente

De rechtbank zal bepalen dat de verdachte ook de wettelijke rente over de toegewezen bedragen vanaf de datum waarop het strafbare feit is gepleegd, zijnde 12 oktober 2017, dient te vergoeden.

De vorderingen op de Staat der Nederlanden

Beide benadeelde partijen hebben gevorderd de Staat der Nederlanden te veroordelen tot betaling van de door hen in verband met het bijwonen van de zittingen in de onderhavige strafzaak gemaakte reis- en verblijfkosten van € 786,24.

De benadeelde partijen hebben hun vorderingen ingediend als benadeelde partij in het strafgeding, welk strafgeding zich richt tegen verdachte [verdachte] . In dit strafgeding kunnen zij enkel hun civiele vorderingen ten laste van de verdachte inbrengen. Er is in het kader van dit strafproces geen mogelijkheid om een vordering tegen de Staat der Nederlanden in te dienen, nu de Staat der Nederlanden geen procespartij is. De rechtbank zal de benadeelde partijen daarom niet-ontvankelijk moeten verklaren voor zover deze vorderingen zich richten tegen de Staat der Nederlanden. De benadeelde partijen kunnen de vordering in zoverre slechts aanbrengen bij de burgerlijke rechter.

8.5

De schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partijen hebben verzocht en de officier van justitie heeft gevorderd de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

De rechtbank zal de maatregel als bedoeld in artikel 36f Sr opleggen, aangezien verdachte jegens de benadeelde partijen naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het feit is toegebracht.

9 De vordering tenuitvoerlegging

De officier van justitie heeft de tenuitvoerlegging gevorderd van de bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Overijssel van 28 juli 2016 in de zaak met parketnummer 08/113062-16 voorwaardelijk opgelegde taakstraf van 20 uren.

De rechtbank is van oordeel dat hoewel is komen vast te staan dat verdachte gedurende de proeftijd een nieuw strafbaar feit heeft gepleegd, hetgeen in beginsel de tenuitvoerlegging van een voorwaardelijk opgelegde straf rechtvaardigt, het - gelet op de duur van de aan verdachte op te leggen gevangenisstraf - niet opportuun is om de voorwaardelijk opgelegde taakstraf ten uitvoer te leggen. De rechtbank zal de vordering afwijzen.

10 De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen.

11 De beslissing

De rechtbank:

- wijst af het voorwaardelijke verzoek tot het horen van de getuige [getuige 2] ;

bewezenverklaring

- verklaart bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;

- verklaart niet bewezen wat aan verdachte primair meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;

strafbaarheid feit

- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;

- verklaart dat het bewezenverklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

het misdrijf moord;

strafbaarheid verdachte

- verklaart verdachte strafbaar voor het bewezenverklaarde;

straf

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 22 (tweeëntwintig) jaren;

- bepaalt dat de tijd die de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

schadevergoeding

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [vader] van een bedrag van € 44.060,67 (vierenveertigduizendenzestig euro en zevenenzestig eurocent) te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 12 oktober 2017;

- veroordeelt verdachte daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;

- legt de maatregel op dat verdachte verplicht is ter zake van het bewezenverklaarde feit tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 44.060,67 (vierenveertigduizendenzestig euro en zevenenzestig eurocent) te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 12 oktober 2017 ten behoeve van de benadeelde, met bevel, voor het geval dat volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt, dat vervangende hechtenis voor de duur van 192 dagen zal worden toegepast. Tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis laat de betalingsverplichting onverlet;

- bepaalt dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als verdachte aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen;

- bepaalt dat de benadeelde partij [vader] voor een deel van € 3.769,40 niet-ontvankelijk is in de vordering jegens verdachte, en dat de benadeelde partij de vordering voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

- bepaalt de benadeelde partij in het geheel niet-ontvankelijk in de vordering jegens de Staat der Nederlanden, en bepaalt dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

- wijst af een bedrag van € 313,17;

schadevergoeding

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [oma vaderszijde] van een bedrag van € 40.000,-- (veertigduizend euro) te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 12 oktober 2017;

- veroordeelt verdachte daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;

- legt de maatregel op dat verdachte verplicht is ter zake van het bewezenverklaarde feit tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 40.000,-- (veertigduizend euro) te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf

12 oktober 2017 ten behoeve van de benadeelde, met bevel, voor het geval dat volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt, dat vervangende hechtenis voor de duur van 173 dagen zal worden toegepast. Tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis laat de betalingsverplichting onverlet;

- bepaalt dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als verdachte aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen;

- bepaalt de benadeelde partij in het geheel niet-ontvankelijk in de vordering jegens de Staat der Nederlanden, en bepaalt dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

tenuitvoerlegging voorwaardelijke straf in zaak met parketnummer 08/113062-16

- wijst af de vordering tot tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Overijssel van 28 juli 2016 voorwaardelijk opgelegde taakstraf.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.K. Huisman, voorzitter, mr. G.J. Stoové en

mr. P.M.F. Schreurs, rechters, in tegenwoordigheid van mr. W.J. van der Leest, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 19 april 2019.

Bijlage bewijsmiddelen

Leeswijzer

Deze bijlage maakt deel uit van het vonnis en bevat de bewijsmiddelen.

Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit bladzijden uit het dossier van de politie eenheid Oost Nederland, Team Grootschalige Opsporing (onderzoek India), met nummer 2017472636 en gedateerd 14 juni 2018. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.

1.

Het proces-verbaal van de terechtzitting van 4 maart 2019, onder meer inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van verdachte:

Ik woonde met [medeverdachte] en [slachtoffer] in Hengelo (O) aan de [adres] . Op 12 oktober 2017 heb ik [slachtoffer] uit haar bed gehaald. Ik merkte dat er iets niet goed was.

In de nacht van 11 op 12 oktober 2017 ben ik rond 00.20 uur thuis gekomen. [medeverdachte] was toen nog wakker. Ze vroeg mij of ik mee naar bed ging. Ik heb dat niet gedaan. Ik ben op de bank blijven zitten. Ik ben wat met mijn telefoon bezig geweest. Ik heb een spelletje ‘Buzz’ gedaan. Ik heb geappt met [getuige 1] . Rond 02.20 uur ben ik weer naar [getuige 1] gegaan. Ik heb seks met haar gehad. U, voorzitter, houdt mij voor dat [getuige 1] heeft verklaard dat wij een lijntje (i.e. amfetamine) hebben genomen. Als zij dat zegt, dan zal dat wel. Onderweg naar huis heb ik een leeg zakje amfetamine weggegooid.

2.

Een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, onder 5° Sv, te weten een schouwverslag van drs. A.A. van der Spaa, forensisch arts, van 12 oktober 2017 (p. 128 van het dossier), voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

cliënt: [slachtoffer]

voornamen: [slachtoffer]

geboren op: [geboortedatum 2] 2016 te Enschede

overlijdensdatum: 12-10-2017

Schouwverslag: (…)

reanimatie gestaakt om 11.48 uur.

3.

Een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, onder 4° Sv, te weten een NFI-rapport “Pathologie onderzoek naar aanleiding van een mogelijk niet natuurlijke dood” van

dr. V. Soerdjbalie-Maikoe, arts en patholoog, van 20 februari 2018 (p. 452 e.v. van het dossier) voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

B. Sectiebevindingen (uitwendig en inwendig)

8. Letsels hoofd uitwendig: er waren verspreid aan het behaarde hoofd, aan en achter de oren, in het gelaat, aan de kaaklijnen beiderzijds, letsels. Het waren kneuzingen (contusies) gepaard gaande met huidverkleuringen van bloeduitstortingen, veelal rond-ovaal van vorm met plaatselijk oppervlakkige huidbeschadigingen. De letsels aan de oren waren zowel voor- als achterwaarts aan de oren gelokaliseerd. Er waren twee letsels midden en links onder de kin gelokaliseerd.

9. Letsels neus/mond: Uitwendig: Er waren aan de neusrug een ovale rood paarse huidverkleuring van bloeduitstorting en de basis van het neusschotje een streepvormige oppervlakkige huidbeschadiging met roodheid. Er was in het gebied tussen neus en bovenlip en onder de onderlip links rode huidverkleuring van bloeduitstorting, deels met geringe oppervlakkige huidbeschadiging.

Inwendig: Er was verscheuring van zowel het bovenste lipriempje als het tongriempje met

omgevende bloeduitstorting. Ter plaatse van het tongriempje was tevens een ovaalvormige kraterachtige wond met bloeduitstorting. Er was bloeduitstorting in aan de binnenzijde van de bovenlip links tot in het tandvlees. Er was vlekkige rode verkleuring van het slijmvlies rondom het onderste lipriempje en rood-paarse verkleuring van het slijmvlies van de onderlip links.

10. Letsels hoofd inwendig: er waren aan de binnenzijde van de schedelhuid bloeduitstortingen in relatie met de letsels aan het hoofd. Er was bloeduitstorting onder het harde hersenvlies (subduraal, maximaal 10 ml) in de zin van een laagje vloeibaar bloed (geen stolsels), zowel boven als onder (basaal). Er was bloeduitstorting diffuus onder de zachte hersenvliezen (subarachnoïdaal). Ook was er bloed in het wervelkanaal.

11. Letsels romp uitwendig:

Er waren aan de borst, buik en laag aan de rug meerdere (circa 39), met name ronde en ovale, huidverkleuringen van bloeduitstortingen. Het merendeel was centraal aan de borstkas en centraal aan de bovenbuik gelokaliseerd. Die aan de buik waren deels in een boogvormige rij gelegen van 5 ovale kneuzingen en daaronder was nog een min of meer boogvormige rij met 3 ovale kneuzingen.

Letsels romp inwendig: er was inwendig in de buikholte circa 220 cc vloeibaar bloed opgehoopt. In relatie met de letsels aan de buik was er bloeduitstorting in de buikwand. Er waren uitgebreide bloeduitstortingen in de weefsels/weke delen rond de maag, de leverhilus, de ophangband van de darm, de vetweefsels achter de buikholte, rond de linkernier en linkerbijnier. Er was verscheuring van de weefsels boven de kleine bocht van de maag en in het maagslijmvlies werden drie scheuren aangetroffen. Er was een verscheuring van de lever van voor- naar achterwaarts, er waren meerdere bloedblaren aan de lever voor en achterwaarts, en er was verscheuring van de milt. De distributie van de bloeduitstorting in de weke delen was opvallend met name achterwaarts en zijwaarts tot in het kleine bekken en achter de buikholte met uitgebreide bloeduitstortingen in de nierkapsels beiderzijds.

Er was een laagje bloed rondom het ruggenmerg (subduraal) over de gehele lengte van de wervelkolom.

12. Er waren breuken van de 6de, 7de, 8ste en 9e rib rechts voor en zijwaarts en van de 7de, 8ste, 9e en 10e rib links zijwaarts en er waren begeleidende bloeduitstortingen in de borstvliezen en de voorste rompwandspieren. Er was geen luchtophoping tussen de borstvliezen (geen pneumothorax). Lichtmicroscopisch onderzoek van de breuken van de ribben toonden geen genezingskenmerken. Alle breuken zijn derhalve kort tot zeer kort (maximaal circa meerdere uren) voor het overlijden ontstaan.

13. Letsels ledematen: verspreid aan de ledematen (zowel aan de strekzijde als aan de buigzijde) waren huidverkleuringen van bloeduitstortingen. Er was radiologisch een breuk van het lange pijpbeen van het rechterbovenbeen. Bij sectie zijn de benen daarom inwendig onderzocht. Er was uitgebreide bloeduitstorting in de spieren van de achterzijde van het rechterbeen over de gehele lengte van het been, diep reikend en mate name achterwaarts gelokaliseerd. De lange pijpbeenderen werden veilig gesteld voor aanvullend radiologisch onderzoek, waarbij de breuk van het lange pijpbeen van het rechterbovenbeen werd bevestigd. Lichtmicroscopisch onderzoek van het rechterdijbeen toonde geen genezingskenmerken. Deze breuk is derhalve kort tot zeer kort (maximaal circa meerdere uren) voor het overlijden ontstaan.

14. Letsels hals inwendig.

Uitwendig: er waren uitwendig geen letsels aan de hals (wel waren er letsels aan de kin).

Inwendig: er was een bloeduitstorting in de schuine halsspier links laag van 0,7x0,4 cm. Er waren bloeduitstortingen tussen de diepe halsspieren links en rechts en aan de achterzijde van de linker en rechter halsslagader. Er waren vlekkige bloeduitstortingen in het slijmvlies rechts en links naast de tongbasis. Er was geen breuk van het tongbeen en het strottenhoofd. Er was een bloeduitstorting achterwaarts van de slokdarm.

15. Letsels oogbollen: er was een bloeduitstorting van circa 0,2 cm rondom de rechteroogzenuw (nervus opticus rechts).

Onderzoek van de oogbollen is verricht te Erasmus Medisch Centrum, EMC, Rotterdam

(dr. R. Verdijk, patholoog). (…) De conclusie luidt als volgt (letterlijk overgenomen): "oogbollen links en rechts: beiderzijds uitgebreide retinabloedingen door alle lagen heen met glasvocht bloedingen. Links subdurale bloeding van de nervus opticus, rechts subdurale en subarachnoidale bloeding van de nervus opticus met intrasclerale peripapillaire bloeding. Geen maculaplooi. Deze bevindingen kunnen passen bij shaken en impact trauma, mits andere (ziekelijke) afwijkingen klinisch zijn uitgesloten."

Letselinterpretatie:

De letsels sub B8 t/m B14 waren bij leven ontstaan als gevolg van inwerking van uitwendig mechanisch stomp botsend en plaatselijk hevig ingewerkt geweld zoals bijvoorbeeld door meervoudig slaan (al of niet met voorwerpen), stompen, drukken, duwen, stoten anderszins kan zijn opgeleverd, op vrijwel het gehele lichaam: het hoofd, de kin/hals inwendig, de romp en ledematen.

Gezien de hoeveelheid, lokalisatie, vorm en scherpe begrenzing van deze letsels, kunnen deze (behoudens de bloeduitstortingen die meer centraal aan de romp gelegen waren en mogelijk enkele onderhuidse bloeduitstortingen aan het gelaat), niet door reanimatiehandelingen verklaard worden.

Letselinterpretatie gedetailleerd:

I. Meerdere huidkneuzingen (contusies) verspreid aan het lichaam.

II. Letsels aan de romp op buik/rug-niveau

De letsels waren als volgt: er waren uitgebreide bloeduitstortingen, verscheuringen aan inwendige organen en weke delen (visceraal trauma). In relatie met de letsels aan de romp was er onder andere bloeduitstorting in de buikholte en in de vetweefsels achter en in de buikholte, tot aan het kleine bekken (uitgebreid en mate name achterwaarts gelokaliseerd), verscheuring van de lever van voor naar achterwaarts, de milt, de maag en de weefsels grenzend aan de maag. Scheuren (laceraties) van vitale organen (lever, milt) gaan gepaard met substantieel bloedverlies. Er waren bij sectie tekenen van substantieel bloedverlies/verbloeding. De kinderradioloog stelt in zijn rapportage dat de leverlaceratie veel waarschijnlijker het gevolg is van toegebracht letsel dan van reanimatie handelingen en bij sectie is door ondergetekende vastgesteld dat deze letsels in de buik (dus ook de leverlaceratie), gezien de aard/distributie, niet door reanimatiehandelingen kunnen zijn ontstaan. Het is niet uitgesloten dat door reanimatiehandelingen deze reeds bestaande letsels verergerd zijn.

III. Letsels aan de romp op borst/rug-niveau

De letsels aan de romp kunnen ook worden verklaard door (samen)drukken van de romp, stompen tegen, drukken op de romp (al of niet met structuren) waarmee belemmering van de ademhalingsfunctie kan zijn opgeleverd (traumatische mechanische asfyxie).

Ten aanzien van de ribbreuken die ook onder deze categorie letsels zijn beschreven wordt opgemerkt dat volgens de kinderradioloog en ondergetekende, de ribbreuken aan de voorzijde (anterieure ribbreuken) goed kunnen worden verklaard door reanimatie.

Met betrekking tot de dwarse breuken aan de voorzijde en zijwaarts aan de ribben wordt geconcludeerd dat het ontstaan van die letsels veel waarschijnlijker is gegeven de hypothese dat ze zijn toegebracht dan gegeven de hypothese dat ze door reanimatiehandelingen zijn opgeleverd.

IV. Letsels aan/in de mond en neus

De letsels aan/in de neus, de mond en de kin kunnen behoudens bovengenoemd stomp geweld, ook zijn ontstaan door (af)drukken van de mond/neus (smoren), al of niet in combinatie met een ingebrachte structuur in de mond of bedekking door bijvoorbeeld kleding. Dit kan hebben geleid tot belemmering van de mond/neus en daarmee ook belemmering van de luchtwegen met verstikkingsinvloeden tot gevolg. Al deze effecten kunnen algeheel zuurstofgebrek en daardoor weefselschade tot gevolg hebben gehad.

V. Letsels aan de kin en inwendig in de hals

De letsels aan de kin en inwendig in de hals zouden, behoudens door bovengenoemd stomp botsend geweld, ook door inwerking van uitwendig mechanisch, (samendrukkend) geweld op de hals (verwurging ofwel strangulatie), kunnen zijn ontstaan. Denk maar aan manuele strangulatie of (ondanks afwezigheid van een snoerspoor om de hals), ligatuurstrangulatie. De puntvormige en iets grotere bloeduitstortingen in de bindvliezen van de oogleden zouden een uiting kunnen zijn van doorgemaakt samendrukkend geweld op de hals.

VI. Letsels ledematen

Er waren verspreid aan de ledematen huidverkleuringen van bloeduitstortingen. Er was een uitgebreide, diep reikende bloeduitstorting in de spieren van de achterzijde van het rechterbeen over de gehele lengte van het been. Er was radiologisch een breuk van het lange pijpbeen van het rechterbovenbeen, hetgeen later met specimen radiologisch onderzoek werd bevestigd. De kinderradioloog stelt dat deze breuk veel waarschijnlijker het gevolg is van toegebracht letsel dan van reanimatiehandelingen. Ook op grond van de sectiebevindingen (de uitgebreidheid/distributie van de begeleidende bloeduitstorting) wordt door ondergetekende geconcludeerd dat deze breuk van het pijpbeen veel waarschijnlijker het gevolg is van toegebracht letsel dan van reanimatie handelingen.

VII. Letsels aan en in het hoofd en in de oogbollen en de oogzenuwen

In relatie met de letsels aan het hoofd was er een laagje bloed opgehoopt onder het harde hersenvlies (subduraal) en waren er bloederige zachte hersenvliezen (subarachnoïdaal). Er was bloeduitstorting aan de buitenzijde van de rechter oogzenuw. De oogbollen werden door een oogpatholoog onderzocht. Bij dat onderzoek stelde hij beiderzijds uitgebreide netvliesbloedingen vast door alle lagen heen met glasvochtbloedingen. Ook stelde hij een bloeding onder het harde hersenvlies ter plaatse van de oogzenuwen van beide ogen vast en tevens onder de zachte hersenvliezen van de rechteroogzenuw.

Doodsoorzaak

Er zijn meerdere doodsoorzaken mogelijk die elk op zich of in combinatie de dood kunnen hebben opgeleverd, namelijk:

I. Algehele weefselschade als gevolg van substantieel bloedverlies als gevolg van de ernstig inwendige letsels aan/in de buik.

II. Verstikking (oftewel zuurstofgebrek) op grond van belemmering van de mond-neusregio (door stomp geweld, smoren).

III. Verstikking als gevolg van geweld op de romp (traumatisch mechanische asfyxie).

IV. Algehele weefselschade door zuurstofgebrek (asfyxie) door samendrukken van de kin/hals.

V. Toxische effecten van de aangetoonde zeer hoge concentratie amfetamine in het

hartbloed.

4

Een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, onder 4° Sv, te weten een NFI-rapport “Toxicologisch onderzoek in lichaamsmateriaal van [slachtoffer] ” van dr. K.J. Lusthof, toxicoloog ERT, van 14 december 2017 (p. 493 e.v. van het dossier) voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

De resultaten van het toxicologisch onderzoek in het lichaamsmateriaal van [slachtoffer] staan in tabel 2.

Tabel 2 Resultaten toxicologisch onderzoek in het lichaamsmateriaal van [slachtoffer]

Stof

Stof (groep)

Onderzocht materiaal

Resultaat

Amfetamine

Amfetamine-achtige

hartbloed [AAJW9333NL]

Inhoud fles met melk [AAIW8394NL]

2,6 mg/1 #

0,010 tot 0,25 mg/1

Methamfetamine

Amfetamine-achtige

hartbloed [AAJW9333NL]

0,0064 mg/1 #

Amfetamine, methamfetamine

Amfetamine en methamfetamine hebben een sterk stimulerend effect op het centrale zenuwstelsel, waardoor lichamelijke en geestelijke functies worden geactiveerd. Lichamelijke effecten zijn onder andere stijging van de bloeddruk en toename van de lichaamstemperatuur. Psychische effecten zijn onder andere emotionele ontremming, toename van zelfvertrouwen (zelfoverschatting) en het verdwijnen van barrières in de communicatie.

Gebruikelijke werkzame concentraties van amfetamine in bloed liggen doorgaans tussen 0,03 en 0,15 mg/l. Doses ingenomen door drugsgebruikers zijn soms hoog, wat aanleiding kan geven tot wel 5 tot 10 maal hogere concentraties dan de genoemde werkzame concentraties.

Toxische verschijnselen kunnen optreden bij concentraties amfetamine in bloed boven 0,2 mg/l.

Bij volwassenen en bij kinderen zijn dezelfde toxische effecten gerapporteerd. Onder andere de volgende verschijnselen kunnen optreden: angst, verwarring, agitatie, hartritmestoornissen, versnelde ademhaling, hoge bloeddruk, verhoging lichaamstemperatuur, acuut lever- en nierfalen en rhabdomyolyse (afbraak van spierweefsel). Ook convulsies kunnen optreden.

De concentraties die zijn gemeten in het femoraalbloed bij mensen die overleden zijn door een amfetamine overdosering overlappen met de concentraties die zijn gemeten in het bloed van levende mensen die onder invloed reden van amfetamine.

Dit blijkt onder andere uit de volgende studies:

  • -

    Bij 39 overlijdensgevallen door amfetamine is een mediane amfetamineconcentratie gemeten van 1,2 mg/l en een maximale concentratie van 14 mg/l.

  • -

    Bij 6138 personen die reden onder invloed van amfetamine is een mediane concentratie gemeten van 0,8 mg/l en een maximale concentratie van 11,9 mg/l.

Door de overlap in amfetamineconcentraties tussen levenden en overleden personen kan het overlijden door een amfetamine overdosering niet zonder meer worden vastgesteld op basis van alleen een bloedconcentratie.

In dit geval is de concentratie van amfetamine gemeten in hartbloed. Op basis van wetenschappelijke literatuur kan worden geschat dat concentraties van amfetamine in hartbloed tot 2 à 3 maal zo hoog kunnen zijn als in femoraalbloed, als gevolg van postmortale herverdeling. In dit geval kan de concentratie van amfetamine in het bloed van [slachtoffer] kort na het overlijden daarom een factor 2 à 3 lager zijn geweest dan gemeten.

De geschatte concentratie kort na het overlijden is dan nog altijd een hoge concentratie.

De concentratie van amfetamine in het bloed van [slachtoffer] kort na het overlijden kan een factor 2 à 3 lager zijn geweest dan gemeten, maar zou dan toch een hoge concentratie zijn geweest, die aanleiding zal hebben gegeven tot toxische effecten en bij afwezigheid van een betere verklaring het overlijden kan verklaren.

5

Een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, onder 4° Sv, te weten een NFI-rapport “Aanvullende vragen naar aanleiding van toxicologisch onderzoek in het lichaamsmateriaal van [slachtoffer] ” van R. Oosting, apotheker-toxicoloog, van 19 december 2018, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

6. De toxicoloog heeft gerapporteerd over de effecten van amfetamine wanneer deze op orale wijze en op andere wijze dan oraal is toegediend. Zijn er aanwijzingen dat de amfetamine op andere wijze dan oraal aan [slachtoffer] is toegediend? Zo ja, op welke wijze dan?

Nee, uit het aanvullend toxicologisch onderzoek naar de aanwezigheid en concentratie van amfetamine in de maaginhoud van [slachtoffer] (aanvraagnummer 011, vraag 8) zijn geen aanwijzingen verkregen dat de amfetamine op andere wijze dan oraal aan [slachtoffer] is toegediend.

6

Een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, onder 4° Sv, te weten een NFI-rapport “Medisch-forensisch onderzoek naar aanleiding van het overlijden van een bijna 14 maanden oud geworden meisje” van dr. H.G.T. Nijs, forensisch arts KNMG, van 26 juni 2018, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Er werden bij sectie (inclusief toxicologisch onderzoek) meerdere ernstige, door de patholoog als mogelijke, directe dan wel indirecte, doodsoorzaak aangemerkte, afwijkingen gevonden, waaronder:

- A] bloeduitstortingen subarachnoidaal, gering subduraal en intraduraal beiderzijds, passend bij doorgemaakt repeterend acceleratie/deceleratie en/of impact trauma (toegebracht hersenletsel);

- B] substantieel bloedverlies in de buikholte, o.a. lever- en miltletsel;

- C] sterk verhoogde amfetamine-concentratie.

Adequaat normaal functioneren van het kind om 09:30 uur op 12 oktober 2017 zoals hiervoor omschreven, is naar mijn mening onaannemelijk als toen sprake was van B] en/of C], al dan niet in combinatie met A].

7.

Een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, onder 4° Sv, te weten een brief met onderwerp “Beantwoording aanvullende vragen inzake NFI-zaaknummer 2017.10.13.032, sectienummer 20 7-252, betreffende [slachtoffer] , geboren [geboortedatum 2] 2016, overleden 12 oktober 2017”, van dr. V. Soerdjbalie-Maikoe en geaccordeerd door dr. H.G.T. Nijs, van 3 januari 2019, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Vraag 2 (letterlijk overgenomen):

Kan/kunnen de deskundigen(n) per mogelijke doodsoorzaak aangeven op welk moment het letsel of de schade moet zijn ontstaan, uitgaande van de toestand waarin de ambulancebroeders [slachtoffer] aantroffen op 12 oktober 2017?

Antwoord: al de letsels zijn vooraf aan het aantreffen van [slachtoffer] door ambulancebroeders en bij leven ontstaan.

(…)

Aan de deskundige worden de volgende tijdvakken voorgelegd met als doel om aan te geven, middels de waarschijnlijkheidsreeks of het toegebrachte letsel in al haar vormen, ieder toegebracht letsel op zich en in de combinatie van verschillende vormen van letsels, al dan niet in combinatie met de constatering van de beginnende lijkstijfheid, het meest waarschijnlijk ligt in het tijdvak:

-tijdvak 1: op 11 oktober 2017 tussen 18.15 en 19.30 uur

-tijdvak 2: tussen 11 oktober 2017 19.30 uur en 12 oktober 2017 te 00.20 uur

-tijdvak 3: op 12 oktober 2017 tussen 00.20 en 02.20 uur

-tijdvak 4: op 12 oktober 2017 tussen 02.20 en 04.00 uur

-tijdvak 5: op 12 oktober 2017 tussen 04.00 en 08.20 uur

-tijdvak 6: op 12 oktober 2017 tussen 08.20 en 09.54 uur.

(…)

Het is niet mogelijk een nader onderscheid in voornoemde tijdvakken te maken, anders dan dat een periode van vele uren voorafgaande aan de 112-melding van 09.54 uur (bijvoorbeeld voor middernacht van 11 op 12 oktober 2017) zeer onaannemelijk wordt geacht.

8.

Een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, onder 4° Sv, te weten een brief met onderwerp “Aanvullend bericht inzake NFI-zaaknummer 2017.10.13.032, sectienummer 2017-252, betreffende [slachtoffer] , geboren [geboortedatum 2] 2016” van dr. V. Soerdjbalie-Maikoe, arts en patholoog, van 20 juni 2018 voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

3. Pagina 5 punt 13 (letterlijk overgenomen): bloeduitstorting spieren achterzijde

rechterbeen. Wat betekent achterwaarts gelokaliseerd in deze? Is iets te zeggen

over de ontstaanswijze/ handelingen die verricht zouden moeten zijn?

Antwoord: achterwaarts betekent: in de spieren die achterwaarts in het been gelokaliseerd.

De bloeduitstortingen aan de ledematen (dus ook aan het rechterbeen) waren bij leven ontstaan door ingewerkt uitwendig mechanisch stomp botsend en/of (samen)drukkend geweld op de ledematen zoals door slaan, vallen, duwen, stoten anderszins, stevig vastpakken/drukken kan worden opgeleverd. De breuk aan het pijpbeen was het gevolg van hevig ingewerkt uitwendig mechanisch geweld op dat been zoals door hevig slaan, vallen of een combinatie kan zijn veroorzaakt.

9

Een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, onder 4° Sv, te weten een brief met onderwerp “zaak nummer: 2017.10.13.032/Sectie nummer 2017-252” van dr. Rick R. van Rijn, kinderradioloog, van 16 oktober 2017, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Er kan gesteld worden dat de distale femur fractuur rechts veel waarschijnlijker het gevolg is van toegebracht letsel dan van reanimatie handelingen.

10.

Een proces-verbaal van bevindingen onderzoek gsm (HTC One M9) van [verdachte] van 8 juni 2018 (p. 1823 van het dossier) voor zover inhoudende het relaas van verbalisant [verbalisant] , zakelijk weergegeven:

WhatsApp chat met [medeverdachte] 1.

Ik zag dat er een chatsessie aanwezig was tussen [alias] [telefoonnummer 2] @swhatsapp.net en Mijn Geweldige Knappe Vrouwtje [telefoonnummer 1] @s.whatsapp.net.

Deze chat was over de periode 27-08-2017, 00.03 uur en 12-1-2017, 10.56 uur.

Tijdens het onderzoek was inmiddels duidelijk geworden dat dit ging om [medeverdachte] die in de telefoon van [verdachte] stond vermeld als Mijn Geweldige Knappe Vrouwtje.

WhatsApp berichten van [medeverdachte] 2.

Ik zag dat er een berichtenreeks aanwezig was op de telefoon afkomstig van: Mijn Geweldige Knappe Vrouwtje [telefoonnummer 1] @s.whatsapp.net.

Deze berichten waren gecodeerd als zijnde verwijderd, maar waren bij het veiligstellen van de data toch zichtbaar gemaakt. Ik zag dat dit berichten betroffen over de periode 9-10-2017, 23.08 en 12-1-2017 om 00.21 uur. Deze berichten waren ook aanwezig in de eerder genoemde chatsessie met [medeverdachte] . Ik heb van deze berichten een afzonderlijk Ufed Extractie Rapport gemaakt en geprint en als bijlage Q bijgevoegd.

11.

Een als bijlage Q bij het hiervoor onder nr. 8 genoemde proces-verbaal gevoegd Ufed Extractie Rapport betreffende “conversation – Instant Messages, (pag. 2199 van het dossier), voor zover inhoudende:

12.

Bijlage bij het proces-verbaal van verbalisant [verbalisant] van 26 oktober 2017, voor zover inhoudende WhatAppgesprekken tussen [verdachte] en [getuige 1] (pag. 2312 van het dossier), voor zover onder meer inhoudende:

{"text":"12-10-17, 02:09 - [verdachte] : Dus kunne. Op slaapkamer. Kicken","media":""}

{"text":"12-10-17, 02:09 - [verdachte] : Dat komt niet goed.","media":""}

{"text":"12-10-17, 02:10 - [getuige 1] : Welles ","media":""}

{"text":"12-10-17, 02:15 - [verdachte] : OK heel Eve dan","media":""}

{"text":"12-10-17, 02:17 - [getuige 1] : Tot zo schatje","media":""}

{"text":"12-10-17, 02:23 - [verdachte] : Ben er","media":""}

13.

Een proces-verbaal van verhoor getuige van 14 oktober 2017 (pag. 1482 van het dossier), voor zover inhoudende de verklaring van [getuige 2] , zakelijk weergegeven:

V: Wat kun je vertellen over donderdagochtend?

A: Ik was thuis in de woonkamer. Ik hoorde ineens sirenes. Maar het leek heel dicht bij. Ik dacht dat er wat met [verdachte] was omdat ik dacht dat [medeverdachte] die kleine wegbracht naar haar moeder. Later zag ik [medeverdachte] aankomen bij de woning. lk heb [slachtoffer] voor het laatst gehoord in de nacht om een uur of 4. Ik ben toen nog één keer naar de WC geweest. lk weet dat het 4 uur was omdat ik een klok op de magnetron heb. Daarna ben ik gaan slapen. Om 6 uur werd ik weer wakker. lk heb toen geen geluiden meer gehoord.

V: Je hebt (…) verklaard dat als [slachtoffer] huilt [verdachte] er uiteindelijk naar toe gaat. Hoe weet je dat?

A: Hij heeft een zware stem, iets meer bas in de keel. Je hoort hem meteen. In de nacht van woensdag op donderdag deed hij dat ook. Hij praat dan lief van je hoeft niet te huilen en zo. Hij heeft (…) 4 keer gepraat tegen [slachtoffer] toen ze aan het huilen was. De laatste keer was om 4 uur toen ik [slachtoffer] voor het laatst hoorde huilen. Toen heb ik [verdachte] ook gehoord. [medeverdachte] praat heel zacht, die heb ik niet gehoord.

1 HR 19 maart 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD8963; NJ 2002, 497