Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2019:1333

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
20-02-2019
Datum publicatie
17-04-2019
Zaaknummer
C/08/218002 / HA ZA 18-230
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Artikel 7:408 BW en artikel 7:411 BW. Stilzwijgende verlenging overeenkomst. Uitleg overeenkomst. Bewijsopdracht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Almelo

zaaknummer : C/08/218002 / HA ZA 18-230

Vonnis van 20 februari 2019

in de zaak van

besloten vennootschap

CARE DIENSTENGROEP B.V.,

gevestigd en kantoorhoudende te Nijverdal,

eisende partij,

advocaat: mr. E.A.M. Claassen te Zwolle,

tegen

stichting

STICHTING VOOR PROTESTANTS CHRISTELIJK VOORTGEZET ONDERWIJS VOOR NIJVERDAL-RIJSSEN EN OMGEVING, CSG REGGESTEYN,

gevestigd en kantoorhoudende te Nijverdal,

gedaagde partij,

advocaat: mr. M.J.G. Peters te Zwolle.

1 De procedure

1.1

Verwezen wordt naar het comparitievonnis van 4 juli 2018. Na de dagvaarding en de conclusie van antwoord met producties zijn nog de navolgende processtukken in het geding gebracht:

- het proces verbaal van de comparitie van partijen van 11 oktober 2018 met daaraan gehecht de comparitie-aantekeningen van beide partijen;

- een akte met producties van de zijde van gedaagde, genomen ter rolle van 7 november 2018;

- een antwoordakte van de zijde van eiseres, genomen ter rolle van 5 december 2018.

1.2

Daarna is bepaald dat vonnis zal worden gewezen. Het vonnis wordt per heden uitgesproken.

2 Feiten en standpunten van partijen

2.1

Care verricht al vele jaren schoonmaakwerkzaamheden c.a. voor de scholengemeenschap Reggesteyn, gedaagde in deze procedure. Partijen hebben laatstelijk hun contractuele relatie vastgelegd bij contract van 1 maart 2007 (productie 1 bij dagvaarding) waarin onder meer valt te lezen dat de ingangsdatum moet worden gesteld op 1 maart 2007 en dat de overeenkomst wordt aangegaan voor een periode van vijf jaar tot 1 maart 2012 en daarna telkens stilzwijgend wordt verlengd met vijf jaar. Bovendien bevat de overeenkomst het navolgende:

- bovengenoemde offerte zal samen met de algemene voorwaarden een geheel vormen met deze overeenkomst;

- bij beëindiging van deze opdracht, binnen vijf jaar, is de opdrachtnemer genoodzaakt kosten aan de opdrachtgever door te berekenen.

2.2

Naar aanleiding van een vraag van Reggesteyn met betrekking tot de aan het contract verbonden kosten hebben partijen op 7 januari 2011 een aanvullende overeenkomst gesloten. (Productie 5 bij dagvaarding). Meer in concreto gaat het daarbij om een door Care aan Reggesteyn op genoemde datum verzonden brief die door beide partijen is ondertekend en die onder meer de navolgende inhoud kent:

- Zoals reeds medegedeeld is er thans een verhoging conform cao in 2011 van kracht, te weten 1,5% loonsverhoging en de verwachtingen voor 2012 zijn zeker niet minder. Daar wij conform het CBS – indexcijfer achteraf verhogen wil ik, met die wetenschap, u een voorstel doen en het thans lopende contract verlengen met vijf jaar, onder de volgende voorwaarden;

- Wij zullen geen verhogingen doorvoeren tot 31 december 2012, met ingang van 1 januari 2013 zal er een vast percentage van 2% over alle bij u in rekening gebrachte werkzaamheden (vast) worden doorberekend. Dit bedrag wordt dan wederom bevroren tot 1 januari 2015. Wij zullen per die datum 2% verhogen, waarna er tot 31 december 2017 geen verhoging meer plaatsvindt.

- De huidige contracten worden voortgezet, met die restrictie dat plastics voortaan worden doorbelast, met ingang van 1 januari 2012.

- Drie maanden voor het verstrijken van deze contractvorm zullen wij in overleg bepalen de contracten te continueren of eventueel aanpassingen te doen, dan wel te beëindigen. Opzegging kan alleen geschieden per aangetekend schrijven.

2.3

Bij brief van 12 juli 2017 (productie 6 bij dagvaarding) heeft Reggesteyn aan Care een brief geschreven met de navolgende inhoud:

- hierbij delen wij u mede dat wij de contracten met betrekking tot het schoonmaakonderhoud van onze vestigingen per 1 januari 2018 wensen te beëindigen

Bij brief van dezelfde datum heeft Care als volgt aan Reggesteyn geschreven (productie 7 bij dagvaarding):

- hierbij bevestigen wij uw opzegging van het schoonmaakonderhoud… met ingang van 1 januari 2018. Wij betreuren uw opzegging maar willen u bedanken voor het in ons gestelde vertrouwen de afgelopen jaren.

2.4

Vaststaand is voorts dat, ruim voorafgaand aan voornoemde schriftelijke opzegging, bij mailbericht van 17 februari 2017 (productie 1 bij conclusie van antwoord) Care door Reggesteyn is uitgenodigd om overleg te voeren over de einddata van de lopende contracten en dat dit overleg vervolgens heeft plaatsgevonden op 28 februari 2017. Tevens staat vast dat in de zomer van 2017 door Reggesteyn een aanbestedingsprocedure is opgestart en dat Care aan die aanbesteding heeft deelgenomen. Uiteindelijk heeft Reggesteyn op basis van de aanbestedingsprocedure het schoonmaakonderhoud per 1 januari 2018 gegund aan Asito.

Standpunt Care

2.5

De opzegging door Reggesteyn bij brief van 12 juli 2017 is niet aan te merken als een opzegging maar als een eenzijdige beëindiging. Die is in dit geval in strijd met de overeenkomst tussen partijen. Op 7 januari 2011 is overeengekomen dat de lopende contracten zullen worden verlengd voor vijf jaar ingaande 1 maart 2012. De volgende periode van vijf jaar eindigde derhalve per 1 maart 2017. Daarna is weer stilzwijgend verlengd tot 1 maart 2022. Contractueel is vastgelegd dat in geval van eenzijdige beëindiging binnen vijf jaar Care genoodzaakt is om kosten door te berekenen. Daarvan is in dit geval sprake. Het gaat daarbij om alle vaste kosten, zoals loonkosten, kantoor – en kaderpersoneel, winst en risico opslag et cetera. Waar Reggesteyn desgevraagd aan Care heeft laten weten dat zij na 1 januari 2018 niet meer zal worden ingeschakeld, stond daardoor de toerekenbare tekortkoming van Reggesteyn vast, weshalve Care zich op ontbinding van de overeenkomst per 1 januari 2018 heeft beroepen.

2.6

De overeenkomst tussen partijen kon niet eerder eindigen dan per 1 maart 2022. Reggesteyn is dan ook gehouden om de vaste kosten over de resterende looptijd van de overeenkomst, derhalve van 1 januari 2018 tot en met 28 februari 2022, te betalen. Daarbij gaat het om een bedrag van euro 380.566,23. Care vordert in deze procedure dan ook de betaling van dit bedrag, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente en de proceskosten, waaronder de nakosten.

Standpunt Reggesteyn

2.7

Op 7 januari 2011 heeft contractvernieuwing tussen partijen plaatsgevonden. Als opschrift boven de brief van 7 januari 2011 staat niet voor niets “aanpassing looptijd

contract“. Onder meer uit het feit dat een hernieuwde prijsstelling is overeengekomen tot aan 31 december 2017 kan worden afgeleid dat de nieuwe einddatum van het contract die datum zou zijn. Juist indachtig die aangepaste looptijd heeft Reggesteyn Care uitgenodigd om over die beëindiging te spreken. Dat gesprek heeft plaatsgevonden op 28 februari 2017. Reggesteyn heeft daarbij uitgelegd dat zij gehouden was een formele aanbestedingsprocedure op te starten. Tijdens dat gesprek heeft Reggesteyn reeds mondeling laten weten dat de lopende overeenkomst per 31 december 2017 zou eindigen. Care heeft met die beëindiging ingestemd.

2.8

Dat zo zijnde heeft Reggesteyn nogmaals bij brief van 12 juli 2017 opgezegd tegen 1 januari 2018, die blijkens de bevestigingsbrief van Care van dezelfde datum door

Care is aanvaard. Reggesteyn heeft vervolgens de aanbestedingsprocedure opgestart, waaraan ook Care heeft deelgenomen. Op geen enkel moment heeft Care laten weten dat naar haar oordeel het lopende contract met Reggesteyn niet zou eindigen per 31 december 2017. Ook werd door Care niet het standpunt ingenomen dat er een kostenvergoeding zou moeten plaatsvinden. Dat standpunt nam Care pas in de loop van de maand december 2017 in.

2.9

Reggesteyn betwist derhalve dat zij tussentijds heeft opgezegd. Opzegging heeft plaatsgevonden tegen de einddatum van het lopende contract. Op 28 februari 2017 is reeds mondeling opgezegd en op 12 juli 2017 ook schriftelijk. Zelfs als Care in beginsel op juiste gronden zou stellen dat stilzwijgende contractverlenging heeft plaatsgevonden per 1 maart 2017 – quod non – dan miskent Care dat er al voor die datum, immers mondeling op 28 februari 2017, opzegging heeft plaatsgevonden. Bovendien is Reggesteyn subsidiair van oordeel dat Care haar recht om te ageren heeft verwerkt. Door pas na afronding van de aanbestedingsprocedure in december 2017 haar huidige standpunt in te nemen, heeft zij Reggesteyn iedere mogelijkheid ontnomen om een andere opstelling in te nemen.

2.10

Ten slotte betwist Reggesteyn dat Care kosten kan vorderen zoals zij dat in deze procedure doet terwijl ook inhoudelijk de berekening van Care gemotiveerd wordt betwist. Care miskent dat de contractuele kostenvergoeding uitsluitend is opgenomen in het eerste contract van 1 maart 2007 en dus nadien niet is herhaald. Care miskent bovendien dat zij al 10 maanden van tevoren wist dat Reggesteyn ging stoppen, zodat zij haar personeelsplanning daar eenvoudig op heeft kunnen afstemmen. Bovendien heeft Asito een belangrijk deel van het personeel overgenomen. De vorderingen van Care moeten dan ook worden afgewezen.

3 De beoordeling

3.1

Vooreerst moet door de rechtbank worden uitgelegd hoe de afspraken die partijen op 7 januari 2011 hebben gemaakt moeten worden geïnterpreteerd. Niet ter discussie staat dat de afspraken werden gemaakt ten tijde van het lopende contract van 1 maart 2007 tot 1 maart 2012. Zoals uit de tekst van de brief van 7 januari 2011 (productie 5 bij inleidende dagvaarding) blijkt is Care bereid geweest een (aangepast) voorstel aan Reggesteyn te doen over de door te belasten kosten voor het schoonmaakonderhoud waarvan dan onderdeel was om het thans lopende contract te verlengen met vijf jaar. Vanzelfsprekend leest de rechtbank met partijen dat de prijsaanpassing er in ieder geval op neer kwam dat er na de prijsverhoging per 1 januari 2015 geen verhoging meer zou gaan plaatsvinden tot 31 december 2017. Reggesteyn koppelt daaraan de stelling dat de looptijd van het contract aan die datum is aangepast, zodat er een beëindiging heeft plaatsgevonden per 31 december 2017.

3.2

Met Care stemt de rechtbank evenwel in dat die logica niet uit de brief van 7 januari 2011 volgt. Nadrukkelijk wordt in de brief vastgelegd dat de huidige contracten worden voortgezet. Daarmee kan, naar de rechtbank overweegt, niets anders worden bedoeld dan de voortzetting van de destijds lopende contracten van 1 maart 2007 tot 1 maart 2012. In dat contract (er zijn 3 gelijkluidende contracten van dezelfde datum) is nadrukkelijk overeengekomen dat de overeenkomst wordt aangegaan tot 1 maart 2012 en vervolgens stilzwijgend zal worden verlengd, telkens met vijf jaar. Door de afspraak van 7 januari 2011 heeft Care kennelijk reeds eerder willen vastleggen dat de overeenkomst per de oorspronkelijke beëindigingsdatum met vijf jaar zou worden verlengd. Tegenover die zekerheid stond een financiële tegemoetkoming in de richting van Reggesteyn. Overigens wordt ook door Reggesteyn niet betwist dat ook voor haar uitgangspunt is geweest dat de overeenkomst na de oorspronkelijke beëindigingsdatum van 1 maart 2012 zou worden gecontinueerd

3.3

De rechtbank neemt derhalve als uitgangspunt dat de brief van 7 januari 2011 geen wijziging heeft aangebracht in de cycli van vijf jaar van de lopende overeenkomsten. Anders gezegd, de rechtbank oordeelt dat de oorspronkelijke overeenkomst per 1 maart 2012 opnieuw is verlengd met vijf jaar, derhalve tot aan 1 maart 2017. Ook per die datum zou wederom verlenging met vijf jaar plaatsvinden, behoudens vanzelfsprekend tijdige opzegging voordien. Zie wat dat betreft onder meer de wettelijke regeling van de artikelen 7:408 en 7: 411 BW. Zie ook artikel 13 van de Algemene Voorwaarden die nadrukkelijk door verwijzing daarnaar onderdeel zijn geworden van de door beide partijen ondertekende overeenkomst.

3.4

Door Reggesteyn wordt nadrukkelijk het standpunt ingenomen dat er vervolgens per 1 maart 2017 geen stilzwijgende verlenging met vijf jaar meer heeft plaatsgevonden. Haar verst strekkende stelling dienaangaande is dat partijen op 28 februari 2017 zijn overeengekomen dat de beëindiging van de lopende overeenkomsten zou plaatsvinden per 31 december 2017. De rechtbank oordeelt dat de vorderingen van Care geen rechtsgrond zouden hebben indien en voorzover die afspraak tussen partijen zou komen vast te staan. Het stond partijen immers volledig vrij om, al dan niet in afwijking van het lopende contract, die afspraak te maken. Aan Reggesteyn kan worden toegegeven dat er aanwijzingen zijn dat ook Care van een beëindiging van het contract per 31 december 2017 is uitgegaan. Na de opzeggingsbrief van 12 juli 2017 heeft Care onmiddellijk een bevestiging daarvan gestuurd en bedankt voor het jarenlange in haar gestelde vertrouwen. Niet is alstoen door Care gesteld dat er inmiddels sprake was van een verlengd contract tot aan 1 maart 2022. Ook aan de door Reggesteyn uitgeschreven aanbestedingsprocedure is door Care deelgenomen zonder dat zij op enig moment heeft laten weten dat de aanbesteding pas tot resultaat zou kunnen leiden per 1 maart 2022 of in ieder geval tot gevolg zou hebben dat Reggesteyn haar zou moeten schadeloos stellen. De rechtbank oordeelt deze (aanvankelijke) opstelling van Care van dien aard dat daaraan het vermoeden kan worden ontleend dat inderdaad door partijen een beeindiging per 31 december 2017 is overeengekomen. Vooralsnog laat zich immers, gelet op het zakelijke belang van Care, haar handelen na de opzegging anders niet verklaren. Overigens is, naar de rechtbank oordeelt, niet een situatie ingetreden waarin het Care niet meer vrij zou staan om het door haar in deze procedure verdedigde standpunt in te nemen. Van rechtsverwerking dienaangaande is geen sprake.

3.5

Gelet op het vermoeden als hiervoor omschreven wordt niettemin Care in de gelegenheid gesteld dat vermoeden te ontzenuwen. Het is immers Reggesteyn dat zich ten verwere op het standpunt stelt dat tussen partijen op 28 februari 2017 andere afspraken zijn gemaakt in die zin dat zij in overleg met Care heeft vastgesteld dat de overeenkomst zou eindigen per 31 december 2017, zodat het aan Reggesteyn zou zijn om in dit stadium van de procedure haar standpunt dienaangaande te bewijzen. Indien en voorzover Care zou slagen in het ontzenuwen van het vermoeden als gesteld dan is het daarna alsnog aan Reggesteijn om dat bewijs te leveren. Concreet gezegd: aan Care wordt opgedragen feiten en omstandigheden aan te dragen, al dan niet middels getuigen, die ontzenuwen het vermoeden dat zij in overleg met Reggesteijn is overeengekomen dat hun contractuele relatie zou eindigen per 31 december 2017.

3.6

Voor het overige wordt de procedure aangehouden. Indien en voorzover Care het vermoeden zou ontzenuwen en Reggesteijn daarna op haar beurt het bewijs van haar stellingen niet zou kunnen leveren,, dan moet immers nog inhoudelijk worden beslist op onder meer de betekenis van de mondelinge opzegging voor 1 maart 2017, de betekenis van de door Care ingeroepen ontbinding per 1 januari 2018, de betekenis van de schriftelijke opzegging per 12 juli 2017, en de strekking van de contractbepaling in de oorspronkelijke overeenkomst van 1 maart 2007 met betrekking tot het doorbelasten van kosten. Ook zal dan inhoudelijk moeten worden geoordeeld over de door Care geformuleerde schadevordering.

4 De beslissing

De rechtbank

4.1

Draagt Care op feiten en omstandigheden aan te dragen, al dan niet door het horen van getuigen, die het vermoeden ontzenuwen zoals hiervoor in dit vonnis onder 3.5 is geformuleerd;

4.2

Bepaalt dat, indien Care daartoe bewijsstukken wil overleggen, zij deze stukken uiterlijk twee weken voor na te noemen roldag in het geding dient te brengen;

4.3

Bepaalt dat, indien Care bewijs wenst te leveren door middel van het horen van getuigen, deze getuigen zullen worden gehoord op de terechtzitting van mr. G.G. Vermeulen in het gerechtsgebouw te Almelo aan de Egbert Gorterstraat 5;

4.4

Verwijst de zaak naar de civiele rol van deze rechtbank van woensdag 6 maart 2019 voor uitlaten en/of dagbepaling enquête, en draagt Care op om ervoor zorg te dragen dat uiterlijk de vrijdag voordien schriftelijk bericht ter griffie is ontvangen betreffende de verhinderdata van beide partijen en hun advocaten in de maanden maart tot en met mei 2019, en draagt Care op om alsdan het aantal te horen getuigen op te geven dan wel dat zij geen bewijs door getuigen wenst te leveren;

4.5

Houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen te Almelo door mr. G.G. Vermeulen op 20 februari 2019 en aldaar op die datum uitgesproken in het bijzijn van de griffier.