Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2019:1244

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
20-02-2019
Datum publicatie
12-04-2019
Zaaknummer
C/08/222739 / HA ZA 18-407
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

7:900 BW e.v., geldigheid vaststellingsovereenkomst.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Almelo

zaaknummer / rolnummer: C/08/222739 / HA ZA 18-407

Vonnis van 20 februari 2019

in de zaak van

[eiseres] ,

wonende te [woonplaats 1] ,

eiseres,

advocaat mr. N.P. Scholte te 's-Hertogenbosch,

tegen

[gedaagde ] ,

wonende te [woonplaats 2] ,

gedaagde,

advocaat mr. A.L. Ruiter te Enschede.

Partijen zullen hierna [eiseres] of de vrouw en [gedaagde ] of de man genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 6 maart 2019

  • -

    de door [eiseres] voor de comparitie overgelegde stukken

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 24 januari 2019.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eiseres] en [gedaagde ] hebben een affectieve relatie gehad, waaruit op [datum] een dochter genaamd [A] is geboren. [gedaagde ] heeft [A] erkend. De relatie is eind 2011 geëindigd. [gedaagde ] is in de gemeenschappelijk koopwoning blijven wonen. De woning is in 2014 verkocht.

2.2.

Partijen zijn verwikkeld geraakt in diverse procedures over de door [gedaagde ] te betalen kinderalimentatie. Bij beschikking van 2 april 2014 heeft de rechtbank Limburg bepaald dat de man met ingang van 1 januari 2012 aan de vrouw een bedrag van € 350,00 per maand aan kinderalimentatie diende te voldoen.

2.3.

[gedaagde ] heeft tegen deze beschikking hoger beroep ingesteld.

2.4.

Op 20 januari 2015, tijdens de schorsing van de behandeling in hoger beroep, hebben partijen, in het bijzijn van hun advocaten, een vaststellingsovereenkomst gesloten. Partijen zijn -voor zover van belang- het volgende overeengekomen:

  1. [gedaagde ] is vanaf 1 januari 2012 alimentatie verschuldigd voor (...) [A] .

  2. De achterstand per 1 januari 2015 is door partijen grofweg vastgesteld op € 10.000,-, gebaseerd op een behoefte van [A] (per 1 januari 2012: € 500,00 p/m) (…).

  3. De achterstand wordt verrekend met hetgeen [eiseres] had moeten betalen aan de gezamenlijke hypotheek en leningen (auto’s), zodat partijen over de periode tot 1 januari 2015 verder niets meer van elkaar te vorderen hebben qua geldelijke middelen.

  4. De bijdrage van [gedaagde ] voor [A] per 1 januari 2015 zal onderling opnieuw berekend worden aan de hand van de jaaropgave 2014 (eventueel gecorrigeerd op basis salarisstrook januari 2015).

(…)

2.5.

Bij beschikking van 26 februari 2015 van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch is de man niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep.

2.6.

Partijen hebben nadien geen overeenstemming bereikt over de uitwerking van de vaststellingsovereenkomst.

2.7.

Op 4 februari 2016 heeft de man een verzoek ingediend bij de rechtbank Oost-Brabant tot wijziging van de bij de beschikking van de rechtbank Limburg van 2 april 2014 vastgestelde alimentatie en deze alimentatie per 1 januari 2015 nader te bepalen op een bedrag van € 64,00 per maand. Bij beschikking van 16 juni 2016 heeft de rechtbank Oost-Brabant bepaald dat de man met ingang van 4 februari 2016 aan de vrouw een bedrag van € 185,77 per maand aan kinderalimentatie dient te voldoen.

2.8.

[gedaagde ] heeft tegen deze beschikking hoger beroep ingesteld. De vrouw heeft vervolgens incidenteel beroep ingesteld. Bij beschikking van 5 oktober 2017 heeft het gerechtshof ’s-Hertogenbosch de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 16 juni 2016 vernietigd en het inleidend verzoek van de man afgewezen. De vrouw heeft daarna het NLAI verzocht de achterstallige kinderalimentatie bij de man te incasseren. Dit heeft geleid tot beslagen, waartegen de man opgekomen is bij de voorzieningenrechter van deze rechtbank. De vordering van de man tot opheffing van de beslagen is bij vonnis van
30 maart 2018 afgewezen.

3 Het geschil

3.1.

[eiseres] vordert:

I. een verklaring voor recht dat de op 20 januari 2015 door partijen gesloten overeenkomst nietig is;

II. een verklaring voor recht dat de vordering van de vrouw uit hoofde van achterstallige kinderalimentatie die betrekking heeft op de periode vanaf
1 januari 2012 tot 1 januari 2015 niet teniet is gegaan uit hoofde van verrekening;

III. een verklaring voor recht dat de vordering uit hoofde van achterstallige kinderalimentatie die betrekking heeft op de periode vanaf 1 januari 2012 tot 1 januari 2015 niet deels is verjaard;

IV. veroordeling van [gedaagde ] in de proceskosten.

3.2.

[eiseres] grondt het gevorderde op de stelling dat de op 20 januari 2015 gesloten overeenkomst nietig is. In de overeenkomst is de achterstand aan kinderalimentatie grofweg vastgesteld op € 10.000,-, gebaseerd op de behoefte van [A] van € 500,- per maand. Deze achterstand is vervolgens verrekend met datgene wat [eiseres] had moeten betalen aan de gezamenlijke hypotheek en leningen van auto’s, zodat partijen tot 1 januari 2015 niets meer van elkaar te vorderen hebben.

3.3.

[eiseres] stelt dat de behoefte van [A] in werkelijkheid € 580,- per maand was, waarmee de totale achterstand aan kinderalimentatie hoger was. Ook had [gedaagde ] geen verrekenbare tegenvordering op [eiseres] , maar kwam die aan de gezamenlijke schuldeisers toe. Hij heeft bovendien niets afgelost op de gezamenlijke schulden. Hij heeft aanvankelijk alleen rente betaald, maar is daarmee gestopt. [eiseres] wordt inmiddels door Interbank aangesproken tot betaling en ondervindt hinder van de BKR-registratie.

3.4.

[eiseres] beroept zich onder meer op het bepaalde in artikel 1:400 lid 2 Burgerlijk Wetboek (BW), waarin staat dat een overeenkomst waarbij wordt afgezien van het volgens de wet verschuldigde levensonderhoud voor een kind, nietig is. Subsidiair voert [eiseres] aan dat de overeenkomst nietig is omdat de verbintenissen die partijen op zich hebben genomen onbepaalbaar zijn. Bovendien is de overeenkomst gebaseerd op onjuiste uitgangspunten en in strijd met de wet. Meer subsidiar is de overeenkomst volgens [eiseres] nietig ex artikel 3:40 lid 1 BW.

3.5.

[gedaagde ] voert verweer. Hij voert aan dat de overeenkomst op initiatief van [eiseres] tot stand is gekomen. [gedaagde ] heeft zich daaraan gehouden. Het is voor hem niet mogelijk om de schulden af te lossen omdat hij kinderalimentatie moet betalen.

3.6.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Tussen partijen is in geschil of de vaststellingsovereenkomst van 20 januari 2015 geldig is.

4.2.

Bij een vaststellingsovereenkomst binden partijen, ter beëindiging of ter voorkoming van onzekerheid of geschil omtrent hetgeen tussen hen rechtens geldt, zich jegens elkaar aan een vaststelling daarvan, bestemd om ook te gelden voor zover zij van de tevoren bestaande rechtstoestand mocht afwijken (artikel 7:900 BW). Op grond van het bepaalde in artikel 7:902 BW is een vaststelling ter beëindiging van onzekerheid of geschil op vermogensrechtelijk gebied ook geldig als zij in strijd mocht blijken met dwingend recht, tenzij zij tevens naar inhoud of strekking in strijd komt met de goede zeden of de openbare orde. De vrouw heeft, met haar advocaat, destijds uitdrukkelijk ingestemd met bepaling van de behoefte van [A] op € 500,- per maand. Die afspraak maakte deel uit van een ‘package deal’ in die zin dat in de vaststellingsovereenkomst ook afspraken zijn opgenomen over andere kwesties die met het beëindigen van de relatie samenhingen. Zoals de betaling van hypotheek en leningen.

4.3.

Een afspraak tussen de ouders over kinderalimentatie is ongeldig indien daarmee wordt beoogd afstand te doen van de wettelijke onderhoudsverplichting, maar die situatie doet zich hier niet voor. Evenmin is sprake van een niet-wijzigingsbeding, dat mogelijk aan de geldigheid van de overeenkomst in de weg had kunnen staan. Partijen hebben
- in samenspraak met hun raadslieden - met de vaststellingsovereenkomst de behoefte van [A] gefixeerd op een bedrag van € 500,= per maand, aan de hand waarvan de betalingsachterstand van [gedaagde ] tot 1 januari 2015 is vastgesteld. Afgesproken is dat een herberekening van de per die datum door [gedaagde ] verschuldigde kinderalimentatie wordt gemaakt. Een dergelijke overeenkomst is niet zonder meer nietig of in strijd met de wet. Een door [gedaagde ] te betalen bedrag is niet vastgesteld. Zoals het gerechtshof ’s-Hertogenbosch in het arrest van 5 oktober 2017 heeft overwogen, hebben partijen een regeling willen treffen voor het verleden tot 1 januari 2015. Het gerechtshof heeft de overeenkomst in de beoordeling betrokken en heeft de draagkracht van de man opnieuw beoordeeld.

4.4.

Uit de stellingen van partijen en de inhoud van de vaststellingsovereenkomst kan blijkt dat zij ook een einde wilden maken aan de discussie over de betaling van de diverse geldleningen. Anders dan [eiseres] stelt, zijn de afspraken voldoende bepaalbaar. Een dergelijke afspraak is ook niet ongebruikelijk. Dat destijds het bedrag van de aflossing dat door [gedaagde ] al was en nog zou worden betaald, waarmee hij een vordering op [eiseres] had gekregen, is gekapitaliseerd en verrekend met de achterstallige kinderalimentatie, maakt die afspraak evenmin ongeldig. De rechtbank overweegt daarbij dat de bepalingen over verrekening in het BW van regelend recht zijn. Partijen hebben slechts afspraken gemaakt over de verrekening van de kinderalimentatie uit een periode in het verleden. Van bijzondere omstandigheden die de verrekening met de kinderalimentatie naar maatstaven van redelijkheid en de billijkheid onaanvaardbaar maken, of [A] naar de toekomst toe duperen, is de rechtbank niet gebleken.

4.5.

De rechtbank stelt vast dat zij ter zitting de indruk heeft gekregen dat [eiseres] spijt heeft van de overeenkomst, omdat zij haar lot wat de aflossingen betreft in de handen van [gedaagde ] heeft gelegd. [eiseres] ondervindt hinder van de BKR registratie. [gedaagde ] weigert de leningen op zijn naam te zetten, waardoor ook zij wordt aangesproken tot betaling. De rechtbank stelt vast dat partijen zijn overeengekomen dat [gedaagde ] de leningen zal aflossen, maar binnen welke termijn dat moet plaatsvinden is niet vastgelegd. Partijen verschillen van mening over de vraag wat een redelijke aflostermijn is. De vraag of een overeenkomst op dat punt een leemte bevat, dient te worden beantwoord aan de hand van de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan de bepalingen van de overeenkomst mochten toekennen en op hetgeen zij, mede gelet op de maatschappelijke kring waartoe zij behoren en de rechtskennis die van hen kan worden gevergd, te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Daarover is door partijen niets gesteld. De vorderingen in deze zaak zien ook niet op aanvulling van de overeenkomst, zodat de rechtbank op dit punt geen verdere beslissingen kan geven. Er is door partijen in de loop der jaren het nodige geprocedeerd. De rechtbank geeft partijen (wederom) in overweging om ter voorkoming van een nieuwe procedure over de aflostermijn van de leningen nadere concrete afspraken te maken.

4.6.

De conclusie is dat de vaststellingsovereenkomst rechtsgeldig is en dat vorderingen van [eiseres] integraal afgewezen zullen worden.

4.7.

[eiseres] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [gedaagde ] worden begroot op:

- griffierecht € 291,00

- salaris advocaat 1.086,00 (2 punt × tarief € 543,00)

Totaal € 1.377,00

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

wijst de vorderingen af,

5.2.

veroordeelt [eiseres] in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde ] tot op heden begroot op € 1.377,00.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.A.A.M. Schreuder en in het openbaar uitgesproken op 20 februari 2019.