Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2019:1018

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
28-03-2019
Datum publicatie
28-03-2019
Zaaknummer
08/770237-18 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank Overijssel veroordeelt een 20-jarige man tot een gevangenisstraf van 10 maanden. De man is schuldig aan het plegen van ontucht met twee minderjarige meisjes en het aanranden van drie meerderjarige vrouwen. Daarnaast moet hij ook een schadevergoeding van in totaal 1500,00 euro betalen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Strafrecht

Meervoudige kamer

Zittingsplaats Zwolle

Parketnummer: 08/770237-18 (P)

Datum vonnis: 28 maart 2019

Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1998 in [geboorteplaats] ( [land] ),

nu verblijvende bij Centrum voor Transculturele Psychiatrie Veldzicht te Balkbrug.

1 Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 17 januari 2019 en 14 maart 2019.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie

mr. M. Zwartjes en van wat door verdachte en zijn raadsman mr. J. de Ruiter, advocaat in Kampen, naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

De verdenking komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

feiten 1 en 2: ontuchtige handelingen heeft verricht bij twee minderjarige meisjes door hen op te tillen en hen vervolgens langs zijn onderlichaam/geslachtsdeel heen en weer te bewegen.

feiten 3, 4 en 5: drie vrouwen heeft aangerand door hen, al dan niet terwijl hij een erectie had, te betasten in de schaamstreek of bij de bil.

Voluit luidt de tenlastelegging, nader omschreven in de vordering van 17 januari 2019, aan verdachte, dat:

1.

hij op of omstreeks 23 augustus 2018 te Deventer, althans in Nederland,

met de tienjarige [slachtoffer 1] , die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt,

buiten echt, een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, te weten

door die [slachtoffer 1] beet te pakken en/of op te tillen en/of (vervolgens) op en neer

te bewegen/wrijven/schuren tegen/langs zijn, verdachtes, (onder)lichaam/kruis en/of

penis;

2.

hij op of omstreeks 23 augustus 2018 te Deventer, althans in Nederland,

met de negenjarige [slachtoffer 2] , die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt,

buiten echt, een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, te weten

door die [slachtoffer 2] beet te pakken en/of op te tillen en/of (vervolgens) op en neer

te bewegen/wrijven/schuren tegen/langs zijn, verdachtes, (onder)lichaam/kruis en/of

penis;

3.

hij op of omstreeks 20 juli 2018 te Middelburg, althans in Nederland,

[slachtoffer 3] door geweld of een andere feitelijkheid,

heeft gedwongen tot het dulden van een of meer ontuchtige handelingen,

door met een zichtbare erectie (onder zijn kleding) (telkens) dicht langs die

[slachtoffer 3] te lopen en in het voorbijgaan onverhoeds het kruis/de lies van die [slachtoffer 3] te

betasten/aan te raken;

4.

hij op of omstreeks 20 juli 2018 te Middelburg, althans in Nederland,

[slachtoffer 4] door geweld of een andere feitelijkheid,

heeft gedwongen tot het dulden van een of meer ontuchtige handelingen,

door met een zichtbare erectie (onder zijn kleding) (telkens) dicht langs die [slachtoffer 4] te

lopen en hierbij (met zijn penis) langs/tegen haar billen te schuren/wrijven en/of

in het voorbijgaan (telkens) onverhoeds de vagina/schaamstreek van die [slachtoffer 3] te

betasten/aan te raken;

5.

hij op of omstreeks 13 augustus 2018 te Schalkhaar, althans in Nederland,

[slachtoffer 5] door geweld of een andere feitelijkheid,

heeft gedwongen tot het dulden van een of meer ontuchtige handelingen,

door onverhoeds de (rechter)bil van die [slachtoffer 5] te betasten/aan te raken.

3 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 De bewijsoverwegingen

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de onder 1, 2, 3, 4 en 5 ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend kunnen worden bewezen.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging refereert zich ten aanzien van de bewezenverklaring van de ten laste gelegde feiten aan het oordeel van de rechtbank.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van de onder 1, 2, 3, 4 en 5 ten laste gelegde feiten op grond van de volgende bewijsmiddelen, waarbij de rechtbank – nu verdachte deze feiten heeft bekend en door of namens hem geen vrijspraak is bepleit – conform artikel 359, derde lid, laatste volzin van het Wetboek van Strafvordering (Sv), zal volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen1:

feiten 1 en 2:

  • -

    de bekennende verklaring van verdachte, zoals afgelegd ter terechtzitting van 14 maart 2019;

  • -

    het proces-verbaal van aangifte van [naam 1] namens [slachtoffer 1] (de rechtbank begrijpt: [slachtoffer 1] in de tenlastelegging) van 23 augustus 2018 (pagina’s 20-24);

  • -

    het proces-verbaal van aangifte van [naam 2] namens [slachtoffer 2] (de rechtbank begrijpt: [slachtoffer 2] in de tenlastelegging) van 23 augustus 2018 (pagina 25-30);

  • -

    het proces-verbaal van bevindingen, inhoudende het verhoor van [slachtoffer 1] , van 3 september 2018 (pagina’s 36-82);

  • -

    het proces-verbaal van bevindingen, inhoudende het verhoor van [slachtoffer 2] , van 3 september 2018 (pagina’s 89-120);

  • -

    het proces-verbaal van bevindingen, inhoudende het verhoor van [naam 3] , van 3 september 2018 (pagina’s 125-165).

feiten 3 en 4:

  • -

    de bekennende verklaring van verdachte, zoals afgelegd ter terechtzitting van 14 maart 2019;

  • -

    het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 3] (de rechtbank begrijpt: [slachtoffer 3] in de tenlastelegging) van 6 september 2018 (pagina’s 170-174);

  • -

    het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 4] (de rechtbank begrijpt: [slachtoffer 4] in de tenlastelegging) van 31 oktober 2018 (pagina’s 175-179).

feit 5:

  • -

    de bekennende verklaring van verdachte, zoals afgelegd ter terechtzitting van 14 maart 2019;

  • -

    het proces-verbaal van verhoor van getuige [slachtoffer 5] (de rechtbank begrijpt: [slachtoffer 5] in de tenlastelegging) van 20 september 2018 (pagina’s 210-212);

  • -

    het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige] van 24 oktober 2018 (pagina’s 213-217).

4.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de genoemde bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat:

1.

hij op 23 augustus 2018 te Deventer, met de tienjarige [slachtoffer 1] , die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen heeft gepleegd, door die [slachtoffer 1] beet te pakken, op te tillen en (vervolgens) op en neer te bewegen tegen zijn, verdachtes, (onder)lichaam en penis;

2.

hij op 23 augustus 2018 te Deventer, met de negenjarige [slachtoffer 2] , die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen heeft gepleegd, door die [slachtoffer 2] beet te pakken, op te tillen en (vervolgens) op en neer te bewegen tegen zijn, verdachtes, (onder)lichaam en penis;

3.

hij op 20 juli 2018 te Middelburg, [slachtoffer 3] door een andere feitelijkheid, heeft gedwongen tot het dulden van een ontuchtige handeling, door met een zichtbare erectie (onder zijn kleding) dicht langs die [slachtoffer 3] te lopen en in het voorbijgaan onverhoeds de lies van die [slachtoffer 3] aan te raken;

4.

hij op 20 juli 2018 te Middelburg, [slachtoffer 4] door een andere feitelijkheid, heeft gedwongen tot het dulden van ontuchtige handelingen, door met een zichtbare erectie (onder zijn kleding) (telkens) dicht langs die [slachtoffer 4] te lopen en hierbij (met zijn penis) tegen haar billen te schuren en in het voorbijgaan (telkens) onverhoeds de vagina/schaamstreek van die [slachtoffer 3] aan te raken;

5.

hij op 13 augustus 2018 te Schalkhaar, [slachtoffer 5] door een andere feitelijkheid, heeft gedwongen tot het dulden van een ontuchtige handeling, door onverhoeds de rechterbil van die [slachtoffer 5] aan te raken.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte onder 1, 2, 3, 4 en 5 meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

5 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld in de artikelen 246 en 247 van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:

feiten 1 en 2

telkens het misdrijf:

met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren buiten echt ontuchtige handelingen plegen;

feiten 3, 4 en 5

telkens het misdrijf:

feitelijke aanranding van de eerbaarheid.

6. De strafbaarheid van verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor de bewezenverklaarde feiten.

7 De op te leggen straf of maatregel

7.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van tien maanden, met aftrek van het voorarrest. De officier van justitie heeft in aanmerking genomen dat verdachte een vreemdelingenstatus heeft en dat hij, op grond van een claimakkoord inzake het Verdrag van Dublin, op uiterlijk 5 juli 2019 moet kunnen terugkeren naar Italië. Oplegging van een hogere onvoorwaardelijke gevangenisstraf zou dat traject doorkruisen.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman verzoekt de rechtbank een lagere onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen dan door de officier van justitie is gevorderd, omdat in de jurisprudentie voor soortgelijke feiten lagere straffen worden opgelegd.

7.3

De gronden voor een straf of maatregel

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van verdachte, zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij het volgende van belang.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het plegen van ontuchtige handelingen door twee minderjarige meisjes op te tillen en hen vervolgens op en neer tegen zijn onderlichaam en penis te bewegen. Verdachte heeft de situatie waarin dit is gebeurd actief opgezocht door met de meisjes, die deel uitmaakten van een groepje kinderen, mee te gaan voetballen. Uit het schadevoegingsformulier en de ter zitting afgelegde slachtofferverklaringen komt naar voren dat de impact van de gebeurtenis groot is. Zo omschrijven hun ouders dat de kinderen als gevolg van het voorval bang zijn voor donkere/getinte mannen. Ook wordt omschreven dat één van de twee kinderen bang is om alleen buiten te spelen. Allebei de meisjes zijn door de huisarts doorverwezen voor psychologische hulp. De rechtbank neemt het verdachte kwalijk dat hij misbruik heeft gemaakt van kinderen die in hun spel vertrouwen in hem stelden. Verdachte heeft zich verder schuldig gemaakt aan het aanranden van drie vrouwen, waarbij hij elk van deze aangeefsters volkomen onverwacht heeft benaderd en betast. Uit de inhoud van het dossier blijkt dat de vrouwen het gebeurde als vervelend hebben ervaren. De rechtbank rekent het verdachte aan dat verdachte geen enkel respect heeft getoond voor andermans lichamelijke integriteit en zijn eigen lustgevoelens voorop heeft gesteld.

De rechtbank heeft gelet op het uittreksel justitiële documentatie van verdachte van 24 januari 2019. Hieruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten. Tevens heeft de rechtbank acht geslagen op het reclasseringsrapport van 23 oktober 2018. De reclassering adviseert de rechtbank om, als zij verdachte schuldig verklaart, aan hem een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen. Vanwege zijn vreemdelingenstatus komt verdachte niet in aanmerking voor een werkstraf en kan de reclassering geen interventies uitzetten.

De rechtbank is van oordeel dat, gelet op de ernst en de hoeveelheid feiten, een forse onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend en geboden is. Nu, gelet op de status van verdachte, geen mogelijkheid bestaat om door de reclassering interventies in te zetten, zal de rechtbank met het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf volstaan. Bij het bepalen van de hoogte ervan, heeft de rechtbank zich er rekenschap van gegeven dat op dit moment een traject is uitgezet, dat inhoudt dat verdachte zal terugkeren naar Italië, mits de aan hem op te leggen onvoorwaardelijke gevangenisstraf dat niet doorkruist. Gelet daarop zal de rechtbank, conform de eis van de officier van justitie, aan verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf opleggen voor de duur van tien maanden, met aftrek van het voorarrest.

8 De schade van benadeelden

8.1

De vordering van de benadeelde partij

Feit 1:

[slachtoffer 1] , heeft zich (door middel van een door haar wettelijk vertegenwoordiger [naam 1] ingevuld voegingsformulier) als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert verdachte te veroordelen om immateriële schadevergoeding te betalen tot een totaalbedrag van € 750,-, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd.

Feit 2:

[slachtoffer 2] , heeft zich (door middel van een door haar wettelijk vertegenwoordiger [naam 2] ingevuld voegingsformulier) als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert verdachte te veroordelen om immateriële schadevergoeding te betalen tot een totaalbedrag van € 750,-, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd.

Feit 4:

[slachtoffer 4] heeft zich ter terechtzitting mondeling als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert verdachte te veroordelen om immateriële schadevergoeding te betalen tot een totaalbedrag van € 500,-.

8.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie vordert dat alle vorderingen van de benadeelde partijen integraal worden toegewezen, te vermeerderen met de verschuldigde wettelijke rente.

8.3

Het standpunt van de verdediging

De raadsman refereert zich ten aanzien van de vorderingen van de benadeelde partijen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] aan het oordeel van de rechtbank. De raadsman bepleit dat de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 4] moet worden afgewezen, omdat hij deze ter terechtzitting ingediende vordering niet heeft kunnen bespreken met zijn cliënt.

8.4

Het oordeel van de rechtbank

Feiten 1 en 2:

Door de gebezigde bewijsmiddelen en de behandeling op de terechtzitting is komen vast te staan dat verdachte door de onder 1 en 2 bewezenverklaarde feiten rechtstreeks schade heeft toegebracht aan de benadeelde partijen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] . De opgevoerde schadepost is voldoende onderbouwd en aannemelijk en niet betwist. De rechtbank zal het gevorderde daarom in beide zaken toewijzen tot een bedrag van € 750,-, te vermeerderen met de verschuldigde wettelijke rente vanaf de datum waarop de strafbare feiten zijn gepleegd.

Feit 4:

Tijdens de inhoudelijke behandeling van de zaak heeft aangeefster [slachtoffer 4] kenbaar gemaakt dat zij zich alsnog wilde voegen als benadeelde partij in het strafproces. De vordering is vervolgens door mevrouw [naam 4] , medewerkster bij slachtofferhulp, mondeling ingediend. De rechtbank overweegt op grond van artikel 51g Sv dat een benadeelde partij zich door een (mondelinge) opgave ter terechtzitting kan voegen uiterlijk tot het moment dat de officier van justitie het woord voert als bedoeld in artikel 311 Sv. In zoverre kan deze benadeelde partij worden ontvangen in haar vordering. Ook bij voegingen als deze geldt dat de opgevoerde schade voldoende moet worden onderbouwd en aannemelijk moet worden gemaakt. Een zakelijke weergave van de onderbouwing die ter terechtzitting is gegeven, is dat verdachte een inbreuk heeft gemaakt op de lichamelijke integriteit van de benadeelde partij en dat de gebeurtenis haar psychisch achtervolgt. De rechtbank is van oordeel dat uit deze onderbouwing niet is gebleken dat sprake is van aantasting in de persoon als bedoeld in artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Niet gebleken is dat bij de benadeelde partij sprake is van geestelijk letsel, waarmee in beginsel wordt bedoeld een in de psychiatrie erkende ziekte, die objectief is of kan worden vastgesteld of van een schending van fundamentele persoonlijkheidsrechten. Het nu nog in de gelegenheid stellen van de benadeelde partij om deze schadepost alsnog nader te onderbouwen leidt tot een onevenredige belasting van de strafrechtelijke procedure, zodat de rechtbank de benadeelde partij die gelegenheid niet zal bieden. De benadeelde partij zal om die reden niet-ontvankelijk worden verklaard. De benadeelde partij kan de vordering alsnog aanbrengen bij de burgerlijke rechter.

8.5

De schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partijen hebben verzocht en de officier van justitie heeft gevorderd de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

De rechtbank zal de maatregel als bedoeld in artikel 36f Sr opleggen, aangezien verdachte jegens de benadeelde partij naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door de onder 1 en 2 bewezenverklaarde feiten is toegebracht.

9 De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op artikel 57 Sr.

10 De beslissing

De rechtbank:

bewezenverklaring

- verklaart bewezen dat verdachte het onder 1, 2, 3, 4 en 5 ten laste gelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;

- verklaart niet bewezen wat aan verdachte onder 1, 2, 3, 4 en 5 meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;

strafbaarheid feit

- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;

- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feiten 1 en 2 telkens het misdrijf: met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren buiten echt ontuchtige handelingen plegen;

feiten 3, 4 en 5 telkens het misdrijf: feitelijke aanranding van de eerbaarheid.

strafbaarheid verdachte

- verklaart verdachte strafbaar voor het onder 1, 2, 3, 4 en 5 bewezenverklaarde;

straf

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 (tien) maanden;

- bepaalt dat de tijd die de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

schadevergoeding

Feit 1:

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 1] van een bedrag van € 750,- (zegge: zevenhonderdvijftig euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 23 augustus 2018;

- veroordeelt verdachte daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;

- legt de maatregel op dat verdachte verplicht is ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde feit tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 750,- (zegge: zevenhonderdvijftig euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 23 augustus 2018 ten behoeve van de benadeelde, met bevel, voor het geval dat volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt, dat vervangende hechtenis voor de duur van 15 dagen zal worden toegepast. Tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis laat de betalingsverplichting onverlet;

- bepaalt dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als verdachte aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen;

Feit 2:

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 2] van een bedrag van € 750,- (zegge: zevenhonderdvijftig euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 23 augustus 2018;

- veroordeelt verdachte daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;

- legt de maatregel op dat verdachte verplicht is ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde feit tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 750,- (zegge: zevenhonderdvijftig euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 23 augustus 2018 ten behoeve van de benadeelde, met bevel, voor het geval dat volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt, dat vervangende hechtenis voor de duur van 15 dagen zal worden toegepast. Tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis laat de betalingsverplichting onverlet;

- bepaalt dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als verdachte aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen;

Feit 4:

- bepaalt dat de benadeelde partij [slachtoffer 4] niet-ontvankelijk is in de vordering, en dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Dit vonnis is gewezen door mr. S. Taalman, voorzitter, mr. F. van der Maden en mr. V.P.K. van Rosmalen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. E.H. Doldersum, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 28 maart 2019.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van de regiopolitie Oost-Nederland met nummer BAMBI / ONRBC18428. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.