Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2018:991

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
23-02-2018
Datum publicatie
29-03-2018
Zaaknummer
C/08/190185 / FA RK 16-1974
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Vader had de tijdelijke voogdij en wordt o.g.v. art. 1:253g BW na het overlijden van de moeder belast met het ouderlijk gezag i.p.v. een voogdij-instelling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Familierecht en Jeugdrecht

Zittingsplaats Almelo

zaaknummer: C/08/190185 / FA RK 16-1974

beschikking van de meervoudige kamer voor burgerlijke zaken

d.d. 23 februari 2018

inzake

Raad voor de Kinderbescherming,

gevestigd te Almelo,

verzoeker,

hierna ook de raad te noemen,

met betrekking tot de minderjarige

[minderjarige] , geboren te [geboorteplaats 1] op [2002] ,

verder te noemen: [minderjarige] ,

over wie bij beschikking van 24 februari 2017 als bijzondere curator is benoemd:

mr. E.M. Elfrink, advocaat te Hengelo (O),

beiden tevens belanghebbenden.

Overige belanghebbenden zijn:

[belanghebbende] ,

hierna: vader,

wonende te Almelo,

de gecertificeerde instelling Stichting Jeugdbescherming Overijssel, (verder ook: de GI)

kantoorhoudende te Almelo,

de heer en mevrouw [X], pleegouders,

beiden wonende te [X] .

1 Het procesverloop

1.1.

Op 24 februari 2017 heeft de rechtbank een tussenbeschikking gegeven.

1.2.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de brief van mr. Elfrink van 22 mei 2017.

1.3.

Op 16 juni 2017 is de zaak weer behandeld ter zitting van de meervoudige kamer. Van die zitting is proces-verbaal opgemaakt. De beslissing op het verzoek is aangehouden.

1.4.

Nadien heeft de rechtbank kennisgenomen van de volgende stukken:

  1. het verzoek en rapport van de raad van 6 november 2017 en ontvangen
    op 7 november 2017;

  2. de brieven van de raad met bijlage ontvangen op 9 november 2017;

  3. de brief van mr. Elfrink gedateerd 29 november 2017 met bijlagen.

1.5.

Op 26 januari 2018 heeft een voortgezette mondelinge behandeling plaatsgehad.

Verschenen zijn: vader, mevrouw [B] namens de raad en mr. Elfrink.

2 De feiten

2.1.

Bij beschikking van deze rechtbank van 11 augustus 2017 is het verzoek van de bijzondere curator tot gerechtelijke vaststelling van het vaderschap van vader over [minderjarige] toegewezen (zaaknummer 204430 FA RK 17-1621).

3 De beoordeling

3.1.

De inhoud van de tussenbeschikking van 24 februari 2017 geldt als hier herhaald en ingelast.

3.2.

De raad handhaaft primair zijn verzoek om de tijdelijke voogdij van vader te beëindigen en de GI met de voogdij over [minderjarige] te belasten. Subsidiair verzoekt de raad om [minderjarige] onder toezicht te stellen van de GI en een machtiging uithuisplaatsing te verlenen in een voorziening voor pleegzorg.

3.3.

Vader is het niet eens met het primaire verzoek van de raad. Vader heeft ter zitting de wens uitgesproken om met het ouderlijk gezag over [minderjarige] te worden belast. Dit verzoek wordt ondersteund door de bijzondere curator.

3.4.

De ouders van [minderjarige] zijn niet met elkaar gehuwd geweest. Door het overlijden van de moeder is een gezagsvacuüm ontstaan omdat zij alleen het ouderlijk gezag over [minderjarige] had. Dit gezagsvacuüm is opgelost door vader met de tijdelijke voogdij te belasten (beschikking rechtbank Assen van 26 juli 2006). Tussen vader en [minderjarige] heeft voordien geen juridische relatie bestaan omdat nimmer een erkenning heeft plaatsgehad. Met de beschikking van
11 augustus 2017 is een familierechtelijke betrekking tussen [minderjarige] en zijn vader ontstaan, die terugwerkt tot aan de geboorte van [minderjarige] .

3.5.

De rechtbank is van oordeel dat het verzoek dat thans voorligt allereerst dient te worden getoetst aan artikel 1:253g van het Burgerlijk Wetboek. Uit het eerste en tweede lid van dit artikel volgt dat indien van de ouders diegene overlijdt die het gezag over hun minderjarige kind alleen uitoefent, de rechter op verzoek van de raad, de overlevende ouder of ambtshalve bepaalt dat de overlevende ouder of een derde met het gezag over het kind wordt belast. Het derde lid van dit artikel bepaalt dat het verzoek om de overlevende ouder met het gezag te belasten slechts wordt afgewezen indien het belang van de minderjarige zich tegen inwilliging verzet.

3.6.

Naar het oordeel van de rechtbank dient de tijdelijke voogdij van vader te worden beëindigd nu vader de juridische ouder is van [minderjarige] en een ouder niet de voogdij kan uitoefenen. De vraag is dan of het gezag in de vorm van voogdij bij de GI moet worden belegd of dat vader met het ouderlijk gezag dient te worden belast. De rechtbank is van oordeel dat de raad onvoldoende heeft onderbouwd dat er bij toekenning van het gezag aan vader gegronde vrees bestaat dat de belangen van [minderjarige] zullen worden verwaarloosd. [minderjarige] groeit op in het pleeggezin van de familie [X] , die hem een fijn thuis geven. Zijn perspectief ligt in het pleeggezin. Daar zijn alle belanghebbenden het over eens. Niet te verwachten valt dat het belasten van vader met het ouderlijk gezag een ingrijpende verandering van de leefsituatie van [minderjarige] met zich brengt. De pleegouders zullen de feitelijke zorg over [minderjarige] behouden. Vader is niet altijd tot adequaat handelen in staat is gebleken, maar er kan niet worden gesteld dat vader vanaf zijn benoeming tot tijdelijk voogd niet heeft meegewerkt aan belangrijke beslissingen die [minderjarige] aangaan. Duidelijk is dat [minderjarige] en vader een warm en hecht contact met elkaar hebben. Het is duidelijk dat vader persoonlijke problematiek heeft en ondersteuning nodig heeft, maar de rechtbank ziet onvoldoende redenen om vader niet met het ouderlijk gezag te belasten. Hoewel de rechtbank met de Raad en de GI van oordeel is dat het woonperspectief van [minderjarige] in het gezin van de pleegouders is en dat terugkeer naar vader tijdens minderjarigheid geen optie zal zijn, behoort van beëindiging van het gezag van vader en het beleggen van voogdij bij de GI afgezien te worden. Er is een sterke band tussen vader en [minderjarige] en vader is voldoende beschikbaar om mee te spreken over wat goed is voor zijn zoon en mee te beslissen over belangrijke dingen. Van belang daarbij is voorts dat [minderjarige] de man als zijn vader ziet en hem een zo groot mogelijk rol wil laten hebben in zijn leven. Daar past ouderlijk gezag bij. [minderjarige] wil niet dat het gezag bij een GI komt te liggen.

3.7.

Met deze beschikking eindigt de tijdelijke voogdij en wordt in het gezag van [minderjarige] voorzien met het ouderlijk gezag van vader. Resteert de vraag of dat gezag beperkt moet worden door ondertoezichtstelling. Vanaf 2011 tot 11 oktober 2017 is de tijdelijke voogdij van vader beperkt geweest door ondertoezichtstelling, in welk kader er telkens een machtiging uithuisplaatsing in pleegzorg is geweest. De heer [A] van stichting Jeugdbescherming Overijssel was de laatste uitvoerend jeugdzorgwerker. De rechtbank stelt vast dat deze GI geen verlenging van ondertoezichtstelling en machtiging uithuisplaatsing heeft verzocht, waardoor de maatregel op 11 oktober 2017 is geëindigd. In zijn rekest verzoekt de Raad ondertoezichtstelling uit te spreken en machtiging uithuisplaatsing uit te spreken indien de rechtbank zou beslissen dat vader gezag over [minderjarige] behoort te behouden. Dat laatste is het geval en daarom behoort beslist te worden over ondertoezichtstelling en machtiging uithuisplaatsing.

3.8.

De rechtbank acht het in het belang van [minderjarige] dat ook het ouderlijk gezag van vader wordt ingeperkt door een ondertoezichtstelling. [minderjarige] zou ernstig in zijn ontwikkeling bedreigd worden als zijn woonplek in het pleeggezin toch ter discussie zou worden gesteld. Spanningen en onduidelijkheid daarover bij [minderjarige] en de pleegouders dienen te worden voorkomen. Het belang van [minderjarige] vergt dat er wederom ondersteuning komt van een jeugdbeschermer die toeziet op zijn persoonlijke ontwikkeling en zijn belangenbehartiging nu vader door deze beschikking met het ouderlijk gezag is belast en daarmee wettelijk vertegenwoordiger is van [minderjarige] . Met de bijzondere curator is de rechtbank van oordeel dat het van belang is dat bankrekeningen van [minderjarige] , waaronder de rekening waarop zijn nabestaandenuitkering wordt overgemaakt, beschermd zijn met een BEM-clausule en dat hieromtrent duidelijkheid en zekerheid bestaat. Vader is vanwege zijn problematiek in het verleden niet altijd in staat gebleken om efficiënt en daadkrachtig te handelen.

3.9.

Naar het oordeel van de rechtbank is in voldoende mate komen vast te staan dat aan de gronden van de artikelen 1:255 en 1:265b van het Burgerlijk Wetboek is voldaan.

De rechtbank zal daarom [minderjarige] onder toezicht stellen van de GI met ingang van heden voor de duur van een jaar en een machtiging uithuisplaatsing in een voorziening voor pleegzorg verlenen voor de duur van de ondertoezichtstelling, een en ander overeenkomstig het subsidiaire verzoek van de raad en het advies van de bijzondere curator.

4 De beslissing

De rechtbank:

wijzigt de beschikking van de rechtbank Assen, sector kanton, locatie Emmen,
van 26 juli 2006 en beëindigt de tijdelijke voogdij van vader, [belanghebbende], geboren te [geboorteplaats 2] op [1970] en belast vader met het ouderlijk gezag over de [minderjarige] , geboren te [geboorteplaats 1] op [2002] ;

4.1.

stelt [minderjarige] onder toezicht van de Stichting Jeugdbescherming Overijssel voor de duur van een jaar, zijnde tot 23 februari 2019;

4.2.

verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg voor de duur van de ondertoezichtstelling;

4.3.

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

4.4.

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven te Almelo door mr. J.H. Olthof, mr. C. Verdoold

en mr. M.H. van der Lecq, en in het openbaar uitgesproken op 23 februari 2018

in tegenwoordigheid van H.E. Abbink, griffier.