Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2018:99

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
16-01-2018
Datum publicatie
21-09-2018
Zaaknummer
ak_zwo_17_891_892
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De bestuursrechter oordeelt dat de provincie Overijssel terecht de subsidie voor het project Bio-energiecentrale Twente Almelo heeft bijgesteld naar 0 euro en het als voorschot uitbetaalde bedrag van 179.100 euro terugvordert van twee BV's.

De provincie mocht hiertoe overgaan omdat de BV's 5 jaar de gelegenheid is gegeven om de projecten te realiseren. Deze zijn tot op heden niet gerealiseerd en uitzicht op realisatie is nog immer niet geboden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Zittingsplaats Zwolle

Bestuursrecht

zaaknummers: AWB 17/891 en 17/892

uitspraak van de meervoudige kamer in de geschillen tussen

I. [eiseres 1] BV, eiseres I,

II. [eiseres 2] BV, eiseres II,

gevestigd te Hengelo, samen aangeduid als: eiseressen,

gemachtigde: mr. H.C.F. Bot,

en

Gedeputeerde Staten van Overijssel, verweerder.

Procesverloop

1.1.

Bij besluit van 27 september 2016 heeft verweerder het door eiseres I ingediende verzoek om uitstel voor het aanleveren van gegevens en om verlenging van de projectperiode voor het project Bio-energiecentrale Twente Almelo tot 31 december 2017 afgewezen. Daarbij heeft verweerder de subsidie vastgesteld op € 0,00 en het reeds aan voorschot betaalde bedrag van € 179.100.00 van eiseres I teruggevorderd.

1.2.

Bij besluit van eveneens 27 september 2016 heeft verweerder het door eiseres II ingediende verzoek om verlenging van de projectperiode voor het project Green LNG Twente (LNG-vulpunt) tot 31 december 2017 afgewezen en de subsidie op nihil gesteld zonder terugbetalingsverplichting nu verweerder aan eiseres II geen voorschot heeft uitbetaald.

1.3.

Bij besluiten van 1 februari 2017 en 6 juni 2017 heeft verweerder de verzoeken van eiseres I om uitstel van (terug)betaling van de aan haar verstrekte subsidie van € 179.100,00 afgewezen.

Bij brief van 3 juli 2017 heeft de gemachtigde van eiseressen aan de rechtbank meegedeeld dat de verzoeken tot uitstel van betaling ten onrechte zijn afgewezen.

1.4.

Bij besluiten van 28 februari 2017 heeft verweerder de ingediende bezwaren ongegrond verklaard.

Eiseressen hebben tegen de bestreden besluiten beroep ingesteld.

Verweerder heeft op 26 juli 2017 en 6 september 2017 (aanvullend) een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 november 2017. Eiseressen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde, [naam 1] en [naam 2] , bestuurders bij beide eiseressen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden L.M. de Jong, S.E. van der Hoeven en J.H. Vrielink.

De rechtbank heeft de beroepen tegelijkertijd behandeld met een door eiseres II ingediend beroep tegen een door de heffingsambtenaar van de provincie Overijssel genomen besluit op bezwaar, geregistreerd onder nummer Awb 17/1293.

Overwegingen

2.1.

Bij besluit van 30 mei 2011 (verder: het verleningsbesluit) heeft verweerder aan eiseres I een subsidie van € 199.000,00 verleend voor het realiseren en in bedrijf nemen van een vergistingsinstallatie op de locatie XL Businesspark Twente Almelo.

2.2.

Dit project is ook naar het oordeel van de rechtbank nauw verweven met het project van eiseres II waarvoor verweerder bij besluit van 16 april 2015 een subsidie van € 446.250,-- heeft verleend ten behoeve van de oprichting van een LNG-Vulpunt. Het door de vergistingsinstallatie te leveren biogas zou immers worden afgenomen door dit vulpunt, terwijl voor beide projecten dezelfde locatie op het XL Businesspark is beoogd.

Door eiseres I noch door eiseres II is tegen de verleningsbesluiten bezwaar gemaakt.

2.3.

De oorspronkelijke projectperiode liep van 1 maart 2011 tot 30 april 2013. Volgens het verleningsbesluit had eiseres I vóór 30 oktober 2013 een aanvraag om vaststelling van de subsidie moeten indienen. Op verzoek van eiseres I heeft verweerder de projectperiode verlengd tot 1 januari 2015.

Eiseres I heeft hierna meerdere malen om uitstel verzocht voor het aanleveren van bewijs-stukken waaruit zou blijken dat het project daadwerkelijk en ook op die locatie gerealiseerd zou worden, zoals een bewijs van verkrijging van de aangewezen kavel op het XL Businesspark en zekerheid van financiering.

2.4.

Bij brief van 18 maart 2016 heeft verweerder eiseres I tot 15 mei 2016 de gelegenheid geboden om deze stukken alsnog in te dienen. Een door eiseres I nadien ingediend verzoek om uitstel tot 15 juni 2016, heeft verweerder afgewezen bij besluit van 12 mei 2016. Een door eiseres I tegen dit besluit ingediend bezwaarschrift is naderhand ingetrokken

2.5.

Vervolgens heeft besluitvorming plaatsgevonden, zoals beschreven in de vorige rubriek.

2.6.

Verweerder heeft de bestreden besluiten genomen omdat de activiteiten waarvoor de subsidies zijn verleend niet hebben plaatsgevonden, althans niet door eiseressen is onder-bouwd dat ze hebben plaatsgevonden en omdat verweerder verwacht dat deze ook niet meer op korte termijn zullen plaatsvinden.

2.7.

Namens eiseressen is aangevoerd dat de afwijzing van de verzoeken om verlenging van de projectperioden in strijd is met het vertrouwensbeginsel nu de besluiten pas na circa één jaar na de ontvangst van de verzoeken zijn genomen. Bij eiseressen is daardoor de gerechtvaardigde verwachting gewekt dat hun verzoeken tot verlenging van de projectperioden tot 31 december 2017 was toegewezen. Verder zijn eiseressen van mening dat verweerder onvoldoende rekening heeft gehouden met de complexiteit van de projecten. Tenslotte hebben eiseressen zich beroepen op overmacht.

3.1.

Eiseres I heeft tegen het verleningsbesluit geen bezwaar gemaakt. Dit betekent dat van de rechtmatigheid van de bij de subsidieverlening opgelegde verplichtingen moet worden uitgegaan.

3.2.

De rechtbank stelt op grond van hetgeen hiervoor is overwogen onder de rechtsover-wegingen 2.1. tot en met 2.4. vast dat eiseres I nimmer een officiële aanvraag tot vaststelling van de subsidie heeft ingediend. Gebleken is dat namens eiseres I telkens om uitstel is verzocht voor het aanleveren van bewijsstukken dat het project gerealiseerd zou worden, zoals een bewijs van verkrijging van de aangewezen kavel op het XL Businesspark en zekerheid van financiering, doch dat het tot op heden niet tot een officiële aanvraag is gekomen.

3.3

Daarbij komt dat het in het bezit krijgen van de beoogde kavel 29 (verder: kavel 29) op het XL Businesspark als voorwaarde was gesteld voor het verlenen van de subsidie. De door eiseres I ingediende aanvraag van 28 februari 2011 ziet namelijk op het oprichten van een vergistingsinstallatie op de locatie XL Businesspark in de gemeente Almelo. Volgens de tekst van het verleningsbesluit is de subsidie ook onder de voorwaarde van deze locatie verleend. Zo is in het verleningsbesluit bij het kopje “Prestaties” vermeld dat subsidie wordt verleend voor “de realisatie en in bedrijfsneming van een stabiel functionerende vergistings-installatie op de locatie XL Businesspark Twente Almelo”.

Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting moet worden vastgesteld dat eiseres I er niet in is geslaagd binnen de looptijd van het project en zelfs tot op heden niet om kavel 29 daadwerkelijk te verwerven door middel van koop of huur.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder in de door eiseres I gestelde moeilijkheden rondom de verkrijging van de kavel geen reden heeft hoeven zien voor verdere verlenging van de referteperiode.

De rechtbank is voorts van oordeel dat eiseres I reeds een zeer lange periode is gegund om de verantwoording/aanvraag vaststelling subsidie aan te leveren. In dit verband wordt er op gewezen dat de verlening van de subsidie reeds in 2011 heeft plaatsgevonden en de looptijd van het project oorspronkelijk, op basis van de door eiseres I zelf vermelde prognose, liep tot april 2013.

In de brief van 18 maart 2016 heeft verweerder aan eiseres I meegedeeld dat de op 3 december 2015 ingediende financiële verantwoording onvoldoende was en dat er meer gegevens aangeleverd dienden te worden. In deze brief heeft verweerder ook vermeld dat eiseres I tot uiterlijk 15 mei 2016 de gelegenheid krijgt om de ontbrekende gegevens in te dienen en dat hierdoor nog geen besluit kan worden genomen op het door haar ingediende verzoek om verlenging van de projectperiode. Op verzoek van eiseres I heeft verweerder de termijn verlengd en bij besluit van 12 mei 2016 bepaald dat de gevraagde gegevens uiterlijk 15 juni 2016 door verweerder moeten zijn ontvangen. De rechtbank is van oordeel dat op geen enkele wijze door verweerder nadien de verwachting is gewekt dat de projectperiode nog verder zou worden verlengd tot 31 december 2017. Ook de rechtbank is niet gebleken dat hierover door een daartoe bevoegd persoon een concrete en ondubbelzinnige toezegging aan eiseressen is gedaan. Ook de rechtbank is van oordeel dat het feit dat verweerder het besluit tot afwijzing van het door eiseressen gedane verzoek om verlenging van de projectperiode pas een jaar na het verzoek genomen, dit niet anders maakt. Met de brief van 18 maart 2016 had eiseres I voldoende duidelijk moeten zijn wat de consequentie was van het niet tijdig indienen van de gevraagde gegevens.

3.4

Alles overziende is de rechtbank van oordeel dat met het ontbreken van een ontvanke-lijke vergunningsaanvraag en enig bewijs van het verwerven van de kavel, verweerder voldoende heeft gemotiveerd waarom de afwijzing van het verzoek om verlenging van de projectperiode gerechtvaardigd is.

4.1.

Artikel 4:44, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat indien na afloop van de voor de aanvraag bepaalde termijn geen aanvraag is ingediend, de subsidie ambtshalve kan worden vastgesteld.

Op grond van artikel 4:46, tweede lid, aanhef en onder a, van de Awb kan de subsidie lager worden vastgesteld indien de activiteiten waarvoor subsidie is verleend niet of niet geheel hebben plaatsgevonden.

4.2.

Artikel 1.5.3., eerste lid, van het Uitvoeringsbesluit subsidies Overijssel (Ubs) bepaalt dat als de subsidieverlening € 125.000,00 of meer bedraagt, de subsidieontvanger uiterlijk

13 weken na het verricht zijn van de activiteiten waarvoor de subsidie is verleend, of binnen een in de regeling of verleningsbeschikking op te nemen afwijkende termijn, een aanvraag tot vaststelling bij verweerder indient.

4.3.

De bevoegdheid van verweerder tot het lager vaststellen van subsidies wegens het niet nakomen van een subsidieverplichting betreft een discretionaire bevoegdheid. Bij het lager vaststellen van een subsidie is het in artikel 3:4, tweede lid, van de Awb bepaalde van toepassing. Dat betekent dat de gevolgen van het lager vaststellen niet onevenredig mogen zijn in verhouding tot de daarmee te dienen doelen. In het geval dat de subsidieontvanger niet heeft voldaan aan een aan de subsidie verbonden verplichting zal een afweging moeten worden gemaakt tussen het belang van handhaving van de verplichting en de gevolgen van de verlaging voor de ontvanger. Daarbij zijn tevens de ernst van de tekortkoming en de mate waarin deze aan de ontvanger kan worden verweten van belang (Kamerstukken II 1993/94, 23 700, nr. 3, blz. 74).

4.4.

Zoals gezegd is ondanks het verstrijken van een termijn van inmiddels vijf jaar eiseres I er niet in geslaagd enig bewijsstuk (bijvoorbeeld over de wijze van financiering) over te leggen van het daadwerkelijk in gebruik nemen van kavel 29 of vooruitzichten daarop. Verder ontbreekt nog steeds een ontvankelijke vergunningsaanvraag voor het bouwen van de vergistingsinstallatie. Ook de rechtbank heeft moeten vaststellen dat eiseres I wel een vergunningsaanvraag op 22 juli 2016 bij verweerder heeft ingediend Doch deze aanvraag bleek onvolledig te zijn. Aan het verzoek van verweerder om aanvullende gegevens te verstrekken, heeft eiseres geen gevolg gegeven, zodat de aanvraag bij besluit van 11 november 2016 buiten behandeling is gesteld. Eiseres I heeft hiertegen geen bezwaar gemaakt.

4.5.

Op grond van de hiervoor genoemde feiten en omstandigheden is de rechtbank tot het oordeel gekomen dat verweerder voldoende heeft gemotiveerd dat de prestatie waarvoor subsidie is verleend, zoals beschreven onder rechtsoverweging 3.3., in het geheel niet heeft plaatsgevonden en ook niet binnen afzienbare tijd zal plaatsvinden.

4.6.

Ter zitting heeft [naam 2] namens eiseres I gesteld dat verweerder wist dat een project als deze vijf tot acht jaar kan duren en de subsidie is verstrekt in het kader van een haalbaarheidsonderzoek. De gemachtigde van verweerder heeft hierop gereageerd door aan te voeren dat qua duur is uitgegaan van de eigen opgave van eiseres I en de subsidie echt bedoeld is geweest voor de realisatiefase. De rechtbank heeft voor de stellingen van de gemachtigde van eiseres I in de gedingstukken geen enkele steun kunnen vinden, zodat de rechtbank verweerder volgt in deze.

4.7.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder, vanwege het ontbreken van door eiseressen in te dienen aanvragen tot het definitief vaststellen van de subsidie, bevoegd was de subsidies ambtshalve vast te stellen nu de activiteiten waarvoor de subsidies zijn verleend, niet hebben plaatsgevonden.

4.8.

Nu eiseressen vijf jaar de gelegenheid is gegeven de projecten te realiseren, deze tot op heden niet zijn gerealiseerd en uitzicht op realisatie nog immer niet is geboden, acht de rechtbank het door verweerder op nihil stellen van de subsidies niet onevenredig in verhouding tot het daarmee te dienen doel namelijk de uitstraling op andere vergelijkbare projecten (precedentwerking).

4.9.

De rechtbank ziet in hetgeen door eiseres I naar voren is gebracht voorts geen grond voor het oordeel dat verweerder niet in redelijkheid tot terugvordering van het onver-schuldigd betaalde voorschot van € 179.100,00 heeft kunnen komen. Niet gebleken is dat de financiële gevolgen voor eiseres I als onaanvaardbaar moeten worden aangemerkt.

4.8.

Onder deze omstandigheden moet worden geoordeeld dat de nadelige gevolgen van het vaststellingsbesluit niet onevenredig zijn in verhouding tot de met dat besluit te dienen doelen.

5. De beroepen zijn ongegrond.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.F. Bijloo, voorzitter, en mr. A. Oosterveld en mr. J.W.M. Bunt, leden, in aanwezigheid van C. Kuiper, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.