Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2018:949

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
13-03-2018
Datum publicatie
27-03-2018
Zaaknummer
C/08/207926 / HA RK 17-134
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Zorgaanbieder verzoekt rechtbank ex art 46 Wbp om Patientenfederatie Nederland te bevelen alle persoonsgegevens over hem te verstrekken en die daarna voorgoed te verwijderen.

Betreft waarderingen op ZorgkaartNederland op internet. Nu alsnog aan verzoek is voldaan, is belang verzoeker vervallen. Geen principiële beoordeling van ZorgkaartNederland en/of Patientenfederatie.

Omdat verzoeker verzoek vóór zitting had kunnen intrekken, gematigde kostenveroordeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
GJ 2018/73
GZR-Updates.nl 2018-0165
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Zwolle

zaaknummer / rekestnummer: C/08/207926 / HA RK 17-134

Beschikking van 13 maart 2018

in de zaak van

[verzoeker] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoeker,

verschenen in persoon,

tegen

de vereniging met volledige rechtsbevoegdheid

PATIËNTENFEDERATIE NEDERLAND,

gevestigd te Utrecht,

verweerster,

advocaat mr. H.A.J. de Jong te 's-Gravenhage.

Partijen zullen hierna [verzoeker] en Patiëntenfederatie worden genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het verzoekschrift

  • -

    een aanvulling op het verzoekschrift

  • -

    het verweerschrift

  • -

    de mondelinge behandeling.

1.2.

Vervolgens is beschikking bepaald.

2 De feiten

2.1.

Bij brief van 25 september 2017 heeft [verzoeker] aan Patiëntenfederatie t.a.v. Redactie Zorgkaart Nederland, Churchilllaan 11 te Utrecht, op de voet van de artikelen 35 en 36 van de Wet bescherming persoonsgegevens (hierna: Wbp) verzocht hem een afschrift te sturen van alle gegevens die Patiëntenfederatie over hem geregistreerd heeft en vervolgens al deze gegevens voorgoed uit haar systemen te wissen.

2.2.

Volgens zijn verklaring in het verzoekschrift van [verzoeker] aan de rechtbank heeft deze zich op dezelfde dag ook per e-mailbericht (hierna e-mail) gericht tot Redactie en Sales ondersteuning ZorgkaartNederland met een eenzelfde verzoek. Uit het antwoord per e-mail van Redactie en Sales ondersteuning ZorgkaartNederland ( [A] ) van 25 september 2017 2:25 NM kan worden afgeleid dat Redactie en Sales ondersteuning ZorgkaartNederland op genoemde datum om 8:37 uur een e-mail van [verzoeker] heeft ontvangen.

2.3.

In vorenbedoeld e-mailbericht van Redactie en Sales ondersteuning ZorgkaartNederland aan [verzoeker] wordt medegedeeld dat “wij” van mening zijn een gerechtvaardigd belang te hebben bij de publicatie van persoonsgegevens van zorgaanbieders op ZorgkaartNederland. Verder is in dit bericht - kort gezegd - (onder meer) aangegeven op welke wijze Redactie en Sales ondersteuning ZorgkaartNederland te werk gaat inzake de bescherming van het belang van de zorgaanbieder.

2.4.

In reactie op laatstbedoelde e-mail heeft [verzoeker] op 25 september 2017 om 6:38 NM aan Redactie en Sales ondersteuning ZorgkaartNederland gemaild:

“Is dit nu een formele afwijzing of niet? Ik wens niet met u in discussie te gaan en ik heb ook weinig interesse in allerlei wollige antwoorden. De vraag die voorligt is of u mijn verzoek zult honoreren of niet. Graag een kort en helder antwoord waarbij een simpel ja of nee al zou kunnen volstaan.”

2.5.

Op 26 september 2017 9:24 VM heeft Redactie en Sales ondersteuning ZorgkaartNederland ( [A] ) aan [verzoeker] per e-mail geantwoord:

“In dat geval is het antwoord nee. De reden daarvan leest u in mijn vorige mail dat ook niet bedoelt is ter discussie maar om u volledig te informeren.”

2.6.

Op 17 oktober 2017 heeft de rechtbank van [verzoeker] een aanvulling op zijn verzoekschrift, gedateerd 10 oktober 2017, ontvangen. Deze brief is blijkens vermelding daarin tegelijkertijd in kopie toegezonden aan Patiëntenfederatie op haar bezoekadres.

2.7.

Patiëntenfederatie heeft de geregistreerde persoonsgegevens van [verzoeker] (in een bijlage) bij haar brief van 19 oktober 2017 aan [verzoeker] verstrekt.

2.8.

Op enig moment na 1 november 2017 is Patiëntenfederatie overgegaan tot verwijdering van waarderingen als door [verzoeker] genoemd in het verzoekschrift aan de rechtbank.

3 De beoordeling

3.1.

Het eerste onderdeel van het verzoekschrift van [verzoeker] strekt ertoe dat de rechtbank op grond van artikel 46 van de Wbp Patiëntenfederatie beveelt hem een afschrift te verstrekken van alle door haar vastgelegde persoonsgegevens over zijn persoon.

In het tweede onderdeel verzoekt [verzoeker] Patiëntenfederatie te gebieden al zijn persoonsgegevens, zoals vermeld in het te verstrekken overzicht van haar website verwijdert. Aan beide onderdelen heeft [verzoeker] het verzoek tot het opleggen van een last onder dwangsom verbonden.

3.2.

De rechtbank constateert dat Patiëntenfederatie aan [verzoeker] de door deze op de grond van artikel 35 van de Wbp gevraagde gegevens heeft verstrekt. In zoverre heeft [verzoeker] geen belang meer bij een beslissing op het eerste onderdeel van zijn verzoekschrift. Ter zitting heeft [verzoeker] dit onderdeel van zijn verzoek ingetrokken,

3.3.

De rechtbank stelt vast dat de in deze procedure geuite grieven van [verzoeker] zich voor het overige met name richten tegen de waarderingen op de website van ZorgkaartNederland van 21 februari 2017 en 15 mei 2017 waarbij zijn naam als privépersoon is vermeld, ofwel - meer algemeen - tegen de mogelijkheid tot waardering gerelateerd aan zijn naam als privépersoon en niet (enkel) gerelateerd aan de naam Tandartsenpraktijk Tandzorg Steenwijk. Daarnaast heeft [verzoeker] omstandig kritiek geleverd op (het gebruik van) het instrument van waardering van ZorgkaartNederland c.q. Patiëntenfederatie en ook op Patiëntenfederatie zelf.

3.4.

De rechtbank stelt vast dat Patiëntenfederatie de genoemde waarderingen heeft verwijderd bij gebreke van enige, door Patiëntenfederatie gevraagde, reactie (tot wederhoor) van de indieners ervan. Patiëntenfederatie heeft de waardering van 15 mei 2017 verwijderd onder de voorwaarde dat de verwijdering verwijderd blijft zolang niet aannemelijk is geworden dat deze waardering afkomstig is van een (oud)-patiënt en niet van een oud-medewerker van [verzoeker] . Ten aanzien van de persoon van de indiener van deze waardering bestaat bij Patiëntenfederatie in dit verband gerede twijfel, nadat vanwege onduidelijkheid omtrent de indiener die indiener is benaderd door Patiëntenfederatie, maar die indiener ten tijde van het opstellen van het verweerschrift niet heeft gereageerd. Ter zitting is evenmin nader gebleken van zodanige reactie zodat het de rechtbank voorkomt dat de desbetreffende indiener thans geen recht van spreken meer heeft en het er in redelijkheid daarom voor moet worden gehouden dat de verwijdering definitief is geworden en dat hieromtrent thans rechtszekerheid bestaat.

Onder deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat [verzoeker] zijn belang bij onderhavig verzoek tot verwijdering heeft verloren, omdat daaraan thans is voldaan. De rechtbank ziet geen grond om zich ten aanzien van de toekomstige handelingen van Patiëntenfederatie uit te spreken. Voor zover gewenst kan [verzoeker] alsdan opnieuw van zijn rechten gebruik maken.

3.5.

De rechtbank acht zich noch in het algemeen noch in deze procedure geroepen om een oordeel te geven over principiële standpunten van partijen (al dan niet in relatie tot het functioneren van het instrument ZorgkaartNederland en/of Patiëntenfederatie als vereniging), los van de feitelijke omstandigheden ter zake van het verzoek, waarin, zoals overwogen, geen belang meer voor de verzoeker geacht moet worden te gelden. Die discussie staat bovendien grotendeels in een te ver verwijderd verband tot het concrete verzoek.

3.6.

Daarmee resteert om te beslissing omtrent de kosten van de procedure, waaromtrent de rechtbank het volgende overweegt.

3.7.

De rechtbank ziet aanleiding om Patiëntenfederatie te veroordelen in de kosten van deze procedure. Het argument van Patiëntenfederatie dat [verzoeker] haar geen kans, lees tijd, heeft gegeven om te reageren op zijn verzoek faalt. Ervan uitgaande, zoals niet is weersproken, dat [verzoeker] per e-mail op 25 september 2017 exact hetzelfde verzoek heeft gedaan als in de als bijlage 1 bij zijn verzoek overgelegde brief, waar de betreffende e-mail niet is overgelegd, is de rechtbank van oordeel dat dit tweeledig verzoek met de aangegeven grondslag daarvan helder is. Aan de zijde van Patiëntenfederatie is daarop uiterst snel gereageerd, uiteindelijk in negatieve zin. [verzoeker] heeft dit in redelijkheid mogen opvatten als een beslissing op zijn verzoek aan Patiëntenfederatie, waarna hij het verzoek aan de rechtbank heeft kunnen indienen. Dat het betreffende redactielid namens Patiëntenfederatie kennelijk niet adequaat heeft gehandeld, maakt dat niet anders. Ook de omstandigheid dat Patiëntenfederatie na het bekend worden met het verzoek van [verzoeker] aan de rechtbank alsnog aan het verzoek ex artikel 35 Wbp heeft voldaan doet hieraan niet af. Dat zij op enig moment tot verwijdering van persoonsgegevens c.q. waardering is overgegaan, moet ook het gevolg worden geacht van het adiëren van de rechtbank.

Niettemin ziet de rechtbank aanleiding om de proceskostenveroordeling te matigen, aangezien [verzoeker] behandeling van het verzoek ter zitting, gelet op de nadere handelingen van Patiëntenfederatie redelijkerwijs had kunnen voorkomen door het verzoek voordien in te trekken wegens onvoldoende resterend belang bij handhaving. De kosten aan de zijde van [verzoeker] worden daarom al met al begroot op € 452,00 (1 punt x forfaitair tarief).

4 De beslissing

De rechtbank

4.1.

wijst de verzoeken af,

4.2.

veroordeelt Patiëntenfederatie in de kosten van deze procedure, aan de zijde van [verzoeker] tot op heden begroot op € 452,00

4.3.

verklaart de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mr. T.R. Hidma en in het openbaar uitgesproken op 13 maart 2018.