Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2018:943

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
24-01-2018
Datum publicatie
27-03-2018
Zaaknummer
C/08/203265 / HA ZA 17-289
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vordering tot nakoming echtscheidingsconvenant wegens onverdeelde helft woning afgewezen: opschortende voorwaarde is niet vervuld. Vordering tot vergoeding van schade wegens restschuld na verkoop afgewezen; geen onrechtmatig handelen. Beroep op derogerende werking redelijkheid en billijkheid verworpen. 843a-vordering afgewezen. Geen beslissing in reconventie; voorwaarden niet vervuld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Zwolle

zaaknummer / rolnummer: C/08/203265 / HA ZA 17-289

Vonnis van 24 januari 2018

in de zaak van

[eiseres] , EXECUTEUR TESTAMENTAIR, WETT.VERT.,

wonende te [woonplaats 1] ,

eiseres in conventie,

verweerster in voorwaardelijke reconventie,

advocaat mr. M.I. van Horssen-Bok te Delfzijl,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats 2] ,

gedaagde in conventie,

eiseres in voorwaardelijke reconventie,

advocaat mr. F. Zoer te Meppel.

Partijen zullen hierna [eiseres] en [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 30 augustus 2017

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 30 november 2017.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eiseres] was gehuwd in algehele gemeenschap van goederen met [X] . [X] is overleden op 23 oktober 2015. [X] heeft tot zijn erfgenamen benoemd, ieder voor een gelijk gedeelte, [eiseres] , hun minderjarige dochter [minderjarige 1] en zijn minderjarige stiefkinderen – de kinderen van [eiseres] – [minderjarige 2] en [minderjarige 3] . [eiseres] heeft voor zich en tevens handelend als ouder, belast met het gezag over genoemde minderjarige kinderen, de nalatenschap van [X] aanvaard onder het voorrecht van boedelbeschrijving. [eiseres] is, met uitsluiting van eenieder, gerechtigd tot de goederen die behoren tot de ontbonden huwelijksgemeenschap en de nalatenschap en bevoegd deze goederen te beheren en erover te beschikken.

2.2.

[gedaagde] was gehuwd met [X] van [1993] tot [2011] . [gedaagde] en [X] waren, op het moment van het overlijden van [X] , gezamenlijk eigenaar, ieder voor de helft, van de woning gelegen aan de [adres] te [plaats] (hierna: de Woning).

2.3.

In het tussen [gedaagde] en [X] overeengekomen echtscheidingsconvenant (hierna: het Convenant), ondertekend door [gedaagde] en [X] op 28 mei 2011, is het volgende opgenomen:

“Artikel 2. DE ECHTELIJKE WONING EN DAARMEE VERBAND HOUDENDE RECHTEN EN LASTEN

2.1

Tot de huwelijkse gemeenschap van partijen behoort de onroerende zaak staande en gelegen aan de [adres] te [plaats] .

2.2

De in artikel 2.1 omschreven onroerende zaak wordt voor de daaraan door partijen toegekende waarde van € 280.000,-- toegedeeld aan de vrouw, onder de verplichting om de op deze woning rustende hypothecaire lening voor haar rekening te houden en deze te voldoen als haar eigen schuld met uitsluiting van de man.

Het betreft een schuld aan de ING bank, thans pro rest groot € 197.000,--. Deze toedeling vindt plaats onder de opschortende voorwaarde zoals bepaald in artikel 2.3 van dit convenant.

2.3

De toedeling van de onroerende zaak, zoals bepaald in artikel 2.2, vindt plaats onder de opschortende voorwaarde dat de hypotheeknemer, de ING bank, de man ontslaat uit de hoofdelijkheid van de verplichting met betrekking tot de in artikel 2.2 genoemde hypothecaire schuld.

2.4

Partijen geven hierbij opdracht aan notaris mw. mr. G Bijlsma te Oosterhesselen of diens plaatsvervanger om, zo mogelijk binnen 1 maand na inschrijving van de echtscheidingsbeschikking, een notariële akte te verlijden, waarbij de onroerende zaak staande en gelegen aan de [adres] te [plaats] aan de vrouw geleverd wordt. De kosten van deze akte en de verdere kosten verbonden aan de inschrijving zijn voor rekening van de vrouw.

2.5

Tengevolge van de toedeling, zoals bepaald in artikel 2.2 met betrekking tot de onroerende zaak, wordt de vrouw overbedeeld voor een bedrag van € 41.500,--.

Ter verwerving van de onverdeelde helft van de woning dient de vrouw dan ook € 41.500,-- aan de man te betalen. Dit bedrag zal voor de datum van levering van de woning ten behoeve van de man worden overgemaakt naar de derdengeldrekening van de in artikel 2.4 genoemde notaris. Beide partijen verlenen aan de genoemde notaris bij deze onherroepelijke opdracht om namens hen het bedrag uit overbedeling ad € 41.500,-- uit te betalen op rekening van de man.

2.6

De aanslagen in de onroerende zaakbelasting, de opstalverzekeringspremie en de hypotheekrente komen reeds vanaf het moment dat de man de gezamenlijke woning heeft verlaten voor rekening van de vrouw. Partijen zijn het erover eens dat zulks geschied zonder nadere verrekening.

2.7

Mocht onverhoopt blijken dat de vrouw niet in staat is om de woning toegescheiden te krijgen wegens financieringsproblemen, dan zal zodra dit de vrouw duidelijk is geworden, zij hier kennis van geven aan de man en zal de woning vervolgens in opdracht van partijen worden verkocht. De netto-opbrengst zal alsdan tussen partijen worden gedeeld bij helfte.”

2.4.

[X] heeft de Woning in maart 2010 verlaten. Sindsdien heeft [gedaagde] de lasten voor haar rekening genomen.

2.5.

[gedaagde] heeft [X] bij e-mail van 9 oktober 2011 bericht dat het voor haar financieel niet haalbaar is de Woning aan zich toegescheiden te krijgen en de hypothecaire lening voor haar rekening te nemen. In januari 2012 is een makelaar ingeschakeld voor de verkoop van de Woning. De Woning is in april 2012 aangeboden op www.funda.nl.

2.6.

In oktober 2013 heeft [gedaagde] de Woning verlaten. Zij heeft [X] medegedeeld dat hij vanaf dat moment ook weer zou moeten bijdragen in de lasten verband houdende met de Woning en de hypotheek. [X] heeft [gedaagde] daarop bericht dat deze lasten voor rekening moesten komen van [gedaagde] .

2.7.

In 2014 is gebleken dat de voorgevel van de Woning ging verzakken en dat er sprake was van scheurvorming in de muren.

2.8.

Op 20 november 2015 heeft [gedaagde] aangifte gedaan van inbraak in de Woning.

2.9.

[eiseres] heeft [gedaagde] bij brief van 1 februari 2016 verzocht om een voorstel met betrekking tot de verkoop van de Woning en aansprakelijk gesteld voor de eventuele restschuld na verkoop.

2.10.

De Woning is verkocht voor de som van € 110.000,00 en geleverd aan de koper op 19 mei 2017. Na gedeeltelijke aflossing van de hypotheek is aan [eiseres] en [gedaagde] ieder een bedrag van € 41.974,26 aan restschuld in rekening gebracht.

3 Het geschil

in conventie

3.1.

[eiseres] vordert – samengevat – veroordeling van [gedaagde] tot:

  • -

    betaling van € 88.531,69, vermeerderd met rente;

  • -

    het verstrekken van informatie met betrekking tot de verzekeringspenningen die [gedaagde] (mogelijk) heeft ontvangen na de inbraak in de Woning en voorts, mocht er een uitkering zijn geweest, betaling van de helft van deze uitkering, vermeerderd met rente;

  • -

    betaling van proceskosten.

3.2.

[gedaagde] voert verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

in voorwaardelijke reconventie

3.4.

[gedaagde] vordert, samengevat:

- onder de voorwaarde dat [eiseres] haar vorderingen intrekt dan wel de vorderingen niet-ontvankelijk worden geacht: veroordeling van [eiseres] in de kosten van deze procedure;

- onder de voorwaarde dat de vorderingen van [eiseres] geheel dan wel deels voor toewijzing vatbaar zijn: de verklaring voor recht dat [eiseres] aansprakelijk is voor de helft van de eigenaarslasten, nutsvoorzieningen, hypotheeklasten, onderhoudskosten en kosten in verband met de verkoop van de woning die [gedaagde] vanaf 10 april 2014 tot 19 mei 2017 heeft voldaan.

3.5.

[eiseres] voert verweer.

3.6.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

in conventie

Vordering wegens verwerving onverdeelde helft Woning

4.1.

[eiseres] stelt dat [gedaagde] uit hoofde van artikel 2.5 van het Convenant verplicht is om een bedrag van € 41.500,00 aan haar te voldoen. [gedaagde] moest dit bedrag immers aan [X] betalen ter verwerving van de onverdeelde helft van de Woning, aldus [eiseres] . [gedaagde] betwist dat, onder aanvoering dat zij [X] heeft geïnformeerd dat zij niet in staat was de overname van de Woning te financieren en dat zij en [X] gezamenlijk hebben besloten tot verkoop van de Woning.

4.2.

Blijkens artikel 2.2 en 2.3 van het Convenant vindt de toedeling van de Woning aan [gedaagde] plaats onder de opschortende voorwaarde dat de hypotheeknemer, de ING Bank, [X] ontslaat uit de hoofdelijkheid van de verplichting met betrekking tot de hypothecaire lening die op de Woning rust. Blijkens het over en weer gestelde en de eindafrekening van de notaris heeft de bank [X] niet op enig moment uit zijn hoofdelijke aansprakelijkheidsverplichting ontslagen. Dit gegeven correspondeert met de omstandigheid dat [gedaagde] de Woning niet zelfstandig heeft gefinancierd c.q. heeft kunnen financieren en de woning dientengevolge ook niet aan haar is toegescheiden.

4.3.

De opschortende voorwaarde is dus niet vervuld, zodat de toedeling van de Woning aan [gedaagde] niet is geëffectueerd. Als gevolg hiervan is [gedaagde] , gelet op artikel 2.5 van het Convenant, niet overbedeeld en dus evenmin gehouden de onverdeelde helft van de Woning tegen betaling te verwerven van [X] , althans [eiseres] . Uit het Convenant noch uit andere feiten of omstandigheden volgt dat, zoals [eiseres] ten onrechte aanvoert, [gedaagde] de Woning alleen dan niet toegescheiden zou krijgen indien zij zou kunnen aantonen dat zij één of meerdere financieringsaanvragen heeft gedaan die is/zijn afgewezen.

4.4.

Aangezien [gedaagde] aldus niet in strijd heeft gehandeld met artikel 2 van het Convenant, kan haar geen tekortkoming of onrechtmatigheid worden verweten. De vordering tot betaling van het bedrag van € 41.500,00 zal dan ook worden afgewezen.

Vordering wegens restschuld na verkoop

4.5.

[eiseres] stelt voorts schade te hebben geleden als gevolg van de lagere verkoopprijs van de Woning, veroorzaakt door de onrechtmatige gedragingen van [gedaagde] . [eiseres] voert daartoe in de eerste plaats aan dat [gedaagde] ten onrechte geen onderhoud heeft gepleegd aan de Woning nadat [X] deze had verlaten in maart 2010, en de Woning vervolgens ten onrechte zelf op enig moment heeft verlaten en leeg heeft laten staan. Volgens [gedaagde] is de uiteindelijke verkoopprijs niet het gevolg van gebrekkig regulier onderhoud maar van constructieve mankementen die met het verstrijken van de tijd zichtbaar zijn geworden.

4.6.

Niet in geschil is dat de voorgevel van de Woning is gaan verzakken en dat er scheuren in de muren zijn ontstaan en dat dit potentiële kopers heeft afgeschrikt. Partijen twisten erover wat de oorzaak is van de verzakking en de scheuren en wie daarvoor verantwoordelijk is. Volgens [eiseres] lag de verantwoordelijkheid van het onderhoud bij [gedaagde] , heeft [gedaagde] ten onrechte nagelaten dit onderhoud te plegen en heeft zij daardoor de Woning laten verwaarlozen. Volgens [gedaagde] daarentegen verkeerde de Woning reeds op het moment dat [X] deze verliet in maart 2010 in slechte staat, mede veroorzaakt door de verbouwingen die [X] zelf had uitgevoerd, zoals het aanbrengen van stalen balken waardoor de buitenmuren krom gingen staan.

4.7.

Gelet op deze gemotiveerde betwisting van [gedaagde] lag het op de weg van [eiseres] om haar stellingen nader te onderbouwen. [eiseres] heeft dat in de eerste plaats nagelaten ten aanzien van haar stelling dat de verzakking en scheurvorming zijn veroorzaakt in de periode dat [gedaagde] de Woning zonder [X] bewoonde, vanaf maart 2010 (nog daargelaten de stelling dat [gedaagde] enige op haar rustende onderhoudsplicht heeft verzaakt). Het moet er dan ook voor worden gehouden dat deze mankementen reeds in belangrijke mate aan de orde waren en/of veroorzaakt zijn in de periode dat [X] en [gedaagde] de Woning nog gezamenlijk bewoonden. Daarbij is van belang dat [X] en [gedaagde] als mede-eigenaren tezamen verantwoordelijk waren voor de staat van de Woning.

4.8.

Hoewel de schade aan de Woning mogelijk had kunnen worden beperkt naar mate in een eerder stadium herstelwerkzaamheden waren uitgevoerd, heeft [eiseres] onvoldoende onderbouwd dat dit tot de (zelfstandige) onderhoudsplicht van [gedaagde] moet worden gerekend. Ook hierbij was mitsdien sprake van een gezamenlijke verantwoordelijkheid van [gedaagde] en (eerst) [X] dan wel (daarna) [eiseres] . De door [eiseres] gestelde omstandigheid dat [gedaagde] [X] de toegang tot de Woning ontzegde, wat daar ook van zij, ontsloeg hem en [eiseres] niet zonder meer van voornoemde verantwoordelijkheden.

4.9.

De rechtbank is al met al van oordeel dat [eiseres] onvoldoende heeft onderbouwd dat en waarom de verzakking en de scheurvorming voor rekening en risico van [gedaagde] alleen zouden moeten komen.

4.10.

Overigens gaat [eiseres] niet in op de stelling van [gedaagde] dat potentiële kopers, behalve vanwege de scheuren, ook afhaakten omdat de Woning – al vanaf het moment dat [X] en [gedaagde] de Woning in eigendom hadden tot en met de verkoop – maar beperkt bewoonbaar en afgewerkt was, aangezien (onder andere) de bovenverdieping nog niet af was en er slechts één kleine slaapkamer was. Dit klemt temeer aangezien [eiseres] er blijkens het ter zitting door haar gestelde ook vanuit gaat dat de Woning niet af was. Zo wijst zij op het rapport van de makelaar waarin de nodige punten van aandacht zijn opgenomen, bijvoorbeeld dat er een begin is gemaakt met het realiseren van meerdere slaapkamers. Niet onaannemelijk is dat ook de beperkte bewoonbaarheid en afwerking een rol hebben gespeeld bij de verkoopbaarheid c.q. verkoopwaarde van de Woning.

4.11.

Volgens [eiseres] heeft [gedaagde] tevens onrechtmatig gehandeld door niet actief mee te werken aan verkoop van de Woning. Zo zou [gedaagde] ontbrekende stukken pas op 11 april 2012 aan de makelaar hebben doen toekomen terwijl de makelaar al in januari 2012 was ingeschakeld en had zij op 1 februari 2016 nog niet gereageerd op een e-mail van de makelaar van 2 november 2015. [gedaagde] betwist de verkoop op enigerlei wijze te hebben tegengehouden. Zij stelt de bewuste e-mail nooit te hebben ontvangen aangezien zij het e-mailadres waarnaar het was verzonden niet meer gebruikte en de makelaar over een ander e-mailadres beschikte. [gedaagde] stelt de indruk te hebben dat de makelaar de vertraging heeft veroorzaakt maar dit in de schoenen van [gedaagde] heeft willen schuiven.

4.12.

Wat betreft de e-mail van 2 november 2015 kan op basis van de door [eiseres] overgelegde e-mail van [gedaagde] aan [X] van 21 maart 2012 niet worden vastgesteld dat zij het [emailadres] ook in november 2015, en dus ruim drie jaar later, nog gebruikte. Uit de overige door [eiseres] overgelegde e-mails kan überhaupt niet worden afgeleid dat [gedaagde] dit specifieke e-mailadres gebruikte. Hoewel [gedaagde] niet heeft betwist dat zij de gevraagde stukken op 11 april 2012 heeft aangeleverd, is niet gesteld of gebleken op welk moment de makelaar [gedaagde] om deze stukken heeft verzocht en kan bijgevolg niet worden geconcludeerd dat [gedaagde] daadwerkelijk enig verwijt treft ter zake van late toezending, nog daargelaten dat [eiseres] niet onderbouwd heeft gesteld in welk geval de toezending als (onredelijk en dus te) laat moet worden aangemerkt.

4.13.

Geen van de door [eiseres] ingenomen stellingen leidt tot de conclusie dat [gedaagde] onrechtmatig heeft gehandeld. Om die reden kan buiten beschouwing blijven of sprake is van schade en causaal verband tussen de gedragingen en de schade. Ten overvloede wordt ten aanzien van het causaal verband nog overwogen dat, voor zover enig doen of nalaten van [gedaagde] de verkoopwaarde al negatief zou hebben beïnvloed, daarmee nog niet vast staat dat dit ook heeft geleid tot de uiteindelijke verkoop van de Woning zoals die heeft plaatsgevonden. [eiseres] heeft immers erkend dat zij akkoord is gegaan met de verkoopprijs van € 110.000,00. Dat zij de verkoop niet wilde uitstellen gezien de slechte staat van het onderhoud en de leegstand brengt – bij gebreke van een nadere onderbouwing – nog niet met zich dat de verkoop ook daadwerkelijk moest plaatsvinden voor dat bedrag en dat zij geen andere keuze had.

4.14.

[eiseres] is tot slot van mening dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is om ter zake van de restschuld uit te gaan van een draagplicht van ieder van partijen voor de helft. Ter onderbouwing hiervan verwijst zij echter alleen naar de reeds door haar gestelde omstandigheden. Zonder een nadere concretisering van welke omstandigheden een beroep op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid rechtvaardigen, ziet de rechtbank geen aanleiding om af te wijken van het uitgangspunt dat partijen ieder aansprakelijk zijn voor de helft van de schuld. Dat partijen ten tijde van het sluiten van een Convenant kennelijk uitgingen van een opbrengst bij verkoop terwijl in de praktijk een schuld resteert, maakt – hoe spijtig ook, voor overigens beide partijen – niet dat het dragen van de helft van deze schuld niet van [eiseres] mag worden verlangd.

4.15.

Het voorgaande leidt tot de slotsom dat de vordering tot betaling van het bedrag van € 41.974,26 moet worden afgewezen.

Verzekeringspenningen na inbraak

4.16.

[eiseres] stelt zich op het standpunt dat [gedaagde] informatie moet verschaffen over de verzekeringspenningen die [gedaagde] naar aanleiding van de inbraak in de Woning mogelijk heeft ontvangen van de verzekeraar. Indien er een bedrag is uitgekeerd, moet [gedaagde] daarvan volgens [eiseres] aan haar de helft voldoen. [gedaagde] heeft daarop gesteld dat de verzekeraar heeft geweigerd een schadebedrag uit te keren omdat het glas aan de buitenkant lag en het raam dus aan de binnenkant stuk moet zijn gemaakt.

4.17.

De rechtbank stelt voorop dat het Nederlandse recht geen algemene exhibitieplicht in civiele procedures kent. Op grond van artikel 843a Rv kan evenwel – kort gezegd – degene die daarbij een rechtmatig belang heeft afschrift of uittreksel vorderen van bepaalde bescheiden aangaande een rechtsbetrekking waarbij hij partij is. Het betreft een bijzondere exhibitieplicht waarbij aan bepaalde voorwaarden moet worden voldaan, met name ter voorkoming van zogeheten “fishing expeditions”. Het biedt niet de mogelijkheid voor het opvragen van documenten waarvan een partij vermoedt dat de wederpartij daarover beschikt.

4.18.

Nog daargelaten dat [eiseres] slechts om informatie verzoekt hetgeen niet kwalificeert als bepaalde bescheiden als bedoeld in artikel 843a Rv, ziet de rechtbank in het door [eiseres] gestelde geen aanleiding om te twijfelen aan de stelling van [gedaagde] dat de verzekeraar uitkering heeft geweigerd. Gesteld noch gebleken is dat de stelling van [gedaagde] dat het glas aan de buitenzijde lag onjuist is, of dat dit geen reden kan zijn voor een verzekeraar om uitkering te weigeren. Gelet hierop valt naar het oordeel van de rechtbank niet in te zien dat [eiseres] enig belang heeft bij verkrijging van deze informatie.

4.19.

De vordering tot het verstrekken van informatie zal worden afgewezen. Dit brengt met zich dat ook de vordering tot betaling van de helft van het uitgekeerde bedrag niet toewijsbaar is.

Proceskosten

4.20.

Aangezien de vorderingen van [eiseres] zullen worden afgewezen, bestaat geen grond voor een kostenveroordeling van [gedaagde] , laat staan een veroordeling in de volledige advocaatkosten ten bedrage van € 5.057,43,00 zoals gevorderd. Voor dat laatste is hoe dan ook slechts plaats in geval van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen door het aanspannen van een procedure, hetgeen beide niet aan de orde is.

4.21.

[eiseres] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [gedaagde] worden begroot op:

- griffierecht € 883,00

- salaris advocaat 1.788,00 (2,0 punten × tarief € 894,00)

Totaal € 2.671,00

in voorwaardelijke reconventie

4.22.

De eis in reconventie is voorwaardelijk ingesteld. Uit de beslissing in conventie vloeit voort dat de voorwaarden niet zijn vervuld, zodat op de vordering in reconventie geen beslissing hoeft te worden gegeven.

5 De beslissing

De rechtbank

in conventie

5.1.

wijst de vorderingen af,

5.2.

veroordeelt [eiseres] in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde] tot op heden begroot op € 2.671,00,

in reconventie

5.3.

verstaat dat de vordering geen behandeling behoeft.

Dit vonnis is gewezen door mr. M. van Berlo en in het openbaar uitgesproken op 24 januari 2018.1

1 type: coll: