Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2018:927

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
23-03-2018
Datum publicatie
23-03-2018
Zaaknummer
08-955058-16 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Een Duitse taxichauffeuse is veroordeeld tot een taakstraf van 120 uur en een rijontzegging voor 1 jaar wegens het veroorzaken van een dodelijke aanrijding op de Nordhornsestraat bij Denekamp.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Strafrecht

Meervoudige kamer

Zittingsplaats Almelo

Parketnummer 08-955058-16 (P)

Datum vonnis: 23 maart 2018

Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum 1] 1955 in [geboorteplaats] ,

wonende te [woonplaats] .

1 Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 9 maart 2018.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie

mr. S. Leusink-Van Dijk en van hetgeen door verdachte en de raadsvrouw mr. D. Greven, advocaat te Enschede, naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

De verdenking komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

primair: een verkeersongeval heeft veroorzaakt waarbij een ander werd gedood;

subsidiair: als bestuurder van een auto de verkeersveiligheid in gevaar heeft gebracht waardoor een verkeersongeval heeft plaatsgevonden.

Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat

zij op of omstreeks 9 september 2016 te Denekamp in de gemeente Dinkelland,

als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig

(personenauto), komende uit de richting Denekamp en/of gaande in de richting

Nordhorn , daarmee rijdende op de uit twee rijstroken, -welke ter plaatse door

twee doorgetrokken witte strepen van elkaar gescheiden waren-, bestaande weg,

de Nordhornsestraat, zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig, onoplettend en/of onachtzaam heeft gereden, hierin bestaande dat verdachte, terwijl het uitzicht voor haar, verdachte niet werd belemmerd en/of gehinderd vanaf de door haar, verdachte bereden rijbaan van die weg (de Nordhornsestraat) naar links heeft gestuurd en/of naar links is gegaan en/of in strijd met het gestelde in artikel 76 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 een/de doorgetrokken streep/strepen, die zich niet langs

de rand van de rijbaan-verharding bevond/en, heeft overschreden en/of zich

met voormeld motorrijtuig (personenauto) geheel of gedeeltelijk links van die

doorgetrokken streep/strepen, -welke streep/strepen op die weg (de

Nordhornsestraat) was/waren aangebracht tussen de rijstroken, met verkeer in

beide richtingen-, heeft bevonden en/of in strijd met artikel 3 van voormeld reglement niet aan haar, verdachtes verplichting heeft voldaan, zoveel mogelijk rechts te houden en/of geheel of gedeeltelijk rijdend op die voor het tegemoetkomend verkeer

bestemde rijstrook van die weg (de Nordhornsestraat) is gebotst tegen, in

elk geval in aanrijding is gekomen met een op die voor het tegemoetkomend

verkeer bestemde rijstrook rijdend, toen dicht genaderd zijnd ander

motorrijtuig (personenauto), en aldus zich zodanig heeft gedragen dat een aan haar schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor een ander (genaamd [slachtoffer]

) werd gedood;

ALTHANS, voor zover voor het vorenstaade onder 1 geen veroordeling mocht of zou kunnen volgen, SUBSIDIAIR, terzake dat

zij op of omstreeks 9 september 2016 te Denekamp in de gemeente Dinkelland,

als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), komende uit de richting

Denekamp en/of gaande in de richting Nordhorn , daarmee heeft gereden op de

uit twee rijstroken, -welke ter plaatse door twee doorgetrokken witte strepen

van elkaar gescheiden waren-, bestaande weg, de Nordhornsestraat en in strijd met het gestelde in artikel 76 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 een/de doorgetrokken streep/strepen, die zich niet langs de rand van de rijbaan-verharding bevond/en, heeft overschreden en/of zich met voormeld motorrijtuig (personenauto) geheel of gedeeltelijk links van die doorgetrokken streep/strepen, -welke streep/strepen op die weg (de Nordhornsestraat) was/waren aangebracht tussen de rijstroken, met verkeer in beide richtingen-, heeft bevonden en/of in strijd met artikel 3 van voormeld reglement niet aan haar, verdachtes verplichting heeft voldaan, zoveel mogelijk rechts te houden en/of geheel of gedeeltelijk rijdend op die voor het tegemoetkomend verkeer

bestemde rijstrook van die weg (de Nordhornsestraat) is gebotst tegen, in

elk geval in aanrijding is gekomen met een op die voor het tegemoetkomend

verkeer bestemde rijstrook rijdend, toen dicht genaderd zijnd ander

motorrijtuig (personenauto), door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd.

3 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 De bewijsoverwegingen

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het primair tenlastegelegde feit wettig en overtuigend bewezen kan worden, in die zin dat verdachtes rijgedrag ter plaatse een aanmerkelijke mate van verwijtbare onvoorzichtigheid oplevert.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft bepleit dat verdachte van zowel het primair als het subsidiair tenlastegelegde feit dient te worden vrijgesproken. Ten aanzien van het primair tenlastegelegde feit heeft de raadsvrouw aangevoerd dat vast staat dat verdachte door een onbekende oorzaak met het door haar bestuurde voertuig op de verkeerde weghelft terecht is gekomen, welke verkeersgedrag een enkele verkeersovertreding oplevert, ten aanzien waarvan de Hoge Raad heeft bepaald dat in zijn algemeenheid niet valt aan te geven of één enkele verkeersovertreding voldoende is om tot een bewezenverklaring van schuld in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW 1994) te komen.

Ten aanzien van het subsidiair tenlastegelegde heeft de raadsvrouw aangevoerd dat, nu de oorzaak van het op de verkeerde weghelft geraken onbekend is gebleven en er geen bijkomende omstandigheden zijn, er geen sprake is van een concrete gevaarzetting.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank stelt, gelet op de inhoud van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting, het volgende vast.1

Verdachte heeft verklaard dat zij op 9 september 2016 met de door haar bestuurde Volkswagen personenauto heeft gereden over de Nordhornsestraat te Denekamp en dat zij kwam uit de richting Denekamp en ging in de richting Nordhorn . Zij verklaart dat zij nog weet te hebben getankt bij een aan de Nordhornsestraat gelegen tankstation, zich via de mobilofoon te hebben afgemeld bij haar werkgever en vervolgens de Nordhornsestraat te zijn opgereden. Van het daarop gevolgde ongeval en hetgeen direct daaraan is voorafgegaan, zegt zij zich niets meer te kunnen herinneren. Over haar fysieke en psychische toestand op het moment dat zij bij het tankstation wegreed verklaart zij dat er, voor zover zij weet, niets met haar aan de hand was en zij op dat moment vrij was van medicatie en andere middelen die van invloed zouden kunnen zijn op haar lichamelijke en/of geestelijke gesteldheid. Zij zegt de situatie ter plaatse heel goed te kennen, nu zij het bewuste traject als taxichauffeur al jaren lang, bijna dagelijks, rijdt. Voor zover zij zich weet te herinneren waren de weersomstandigheden goed en had zij een onbelemmerd zicht.2

Getuige [getuige 1] heeft verklaard dat zij omstreeks het tijdstip van de aanrijding met haar fiets over het fietspad van de Nordhorsestraat in de richting Denekamp reed. Vanuit de richting Denekamp zag zij een taxi aan komen rijden die ter hoogte van waar zij fietste, aan de andere kant van de weg, met de wielen in de berm terecht kwam. Zij zag een enorme stofwolk omhoog komen toen dit gebeurde en nadat de taxi haar gepasseerd was, hoorde zij een verschrikkelijke knal. Toen zij achterom keek zag zij dat de taxi met de voorzijde in de richting van Denekamp stilstond en er heel veel brokstukken op de weg lagen.3

Getuige [getuige 2] heeft verklaard dat zij deels getuige is geweest van het dodelijke verkeersongeval op 9 september 2016 op de Nordhornsestraat te Denekamp. Omstreeks 12.30 uur reed zij daar met haar personenauto vanuit Denekamp in de richting van Noord-Deurningen. Op een gegeven moment zag zij dat een auto midden op straat tot stilstand kwam die zwaar beschadigd bleek te zijn. Zij zag een vrouw bij het ongeval staan die haar vertelde dat zij had gezien dat de auto, komende uit de richting Denekamp, rechts door de berm was gereden.4

Verbalisant [verbalisant] heeft in een proces-verbaal VerkeersOngevalsAnalyse (VOA), zakelijk weergegeven, gerelateerd, dat de bestuurster van de Volkswagen door nog onbekende oorzaak naar links over de dubbele doorgetrokken streep is gereden en op de linker weghelft tegen een uit tegengestelde richting naderende Opel is gebotst. De bestuurder van de Opel is ten gevolge van de botsing overleden. De bestuurster van de Volkswagen heeft kort voor of tijdens de botsing niet geremd. Van technische gebreken die eventueel de oorzaak van, dan wel van invloed zouden zijn op het ontstaan van het ongeval, is niet gebleken.5

Een proces-verbaal van bevindingen houdt, zakelijk weergegeven, onder meer in, dat in de Duitse taxi die betrokken was bij de frontale aanrijding op de Nordhornsestraat, het slachtoffer [verdachte] , geboren op [geboortedatum 2] -1955 zat en dat op ongeveer tien meter van de Duitse taxi een Opel Astra personenauto in de slootberm lag met enkele meters ernaast, gelegen in een tuin, het slachtoffer [slachtoffer] die naderhand bleek te zijn overleden.6

In een door de forensisch arts i.o A.J. Schrooyen opgemaakt schouwverslag van 9 september 2016 wordt vermeld, dat [slachtoffer] op 9 september 2016 aan een niet natuurlijke dood is overleden.7

De rechtbank acht op basis van verdachtes eigen verklaring, de door de VOA beschreven toedracht van het ongeval en hetgeen daarover door voornoemde getuigen is verklaard, voldoende aannemelijk, dat verdachte kort voor het ongeval met één of meer rechterwielen van de door haar bestuurde personenauto in de berm terecht is gekomen, waarna zij een corrigerende stuurbeweging heeft moeten maken die erin heeft geresulteerd dat zij met haar auto, gezien haar rijrichting, op de linker weghelft terecht is gekomen.

Ten aanzien van de vraag of verdachtes verkeersgedrag schuld in de zin van artikel 6 WVW 1994 oplevert, overweegt de rechtbank het volgende.

Gelet op het bepaalde in artikel 6 WVW 1994 dient de rechtbank vast te stellen of de

verdachte zich zodanig heeft gedragen dat een aan haar schuld te wijten verkeersongeval

heeft plaatsgevonden, waardoor een ander werd gedood. Enerzijds

komt dit neer op de vaststelling van het gedrag van de verdachte en de beoordeling of en zo

ja, in welke mate zij verwijtbaar heeft gehandeld. Anderzijds dient een causaal verband te

worden vastgesteld tussen het gedrag van de verdachte en het verkeersongeval. Het

bestanddeel “schuld” is in dit geval nader omschreven als “zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend en/of onachtzaam”.

Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad is niet in zijn algemeenheid aan te geven of

één verkeersovertreding voldoende kan zijn voor bewezenverklaring van schuld in de zin van

artikel 6 WVW 1994, maar komt het daarbij aan op het geheel van de gedragingen van

verdachte, de aard en de concrete ernst van de verkeersovertreding en de overige

omstandigheden van het geval. Voorts kan niet reeds uit de ernst van de gevolgen van

verkeersgedrag dat in strijd is met één of meer wettelijke gedragsregels in het verkeer

worden afgeleid dat er sprake is van schuld in vorenbedoelde zin (HR 1 juni 2004, NJ 2005,

252).

Voor de beoordeling van de vraag of verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan,

dient de rechtbank krachtens voormeld toetsingskader vast te stellen of de bewezen

geachte feitelijke gedragingen, gegeven de aard en de ernst daarvan, en de overige

omstandigheden, de conclusie kunnen rechtvaardigen dat verdachte schuld heeft aan het

verkeersongeval in de zin van artikel 6 WVW 1994. Het gedrag van verdachte moet daarvoor

worden afgemeten aan dat wat van een automobilist in het algemeen en gemiddeld genomen

mag worden verwacht. Die zorgplicht houdt in dat een bestuurder zijn of haar rijgedrag dient aan te passen aan de omstandigheden ter plaatse.

Verdachte heeft deze zorgplicht, gelet op de vastgestelde gedragingen, naar het oordeel van

de rechtbank niet, althans onvoldoende, in acht genomen. Zij was goed bekend met de

situatie ter plaatse aangezien zij daar, in verband met haar werk, zeer regelmatig reed. Bovendien was er sprake van een overzichtelijke weg en de weersomstandigheden waren niet zodanig dat deze een belemmering voor een behoorlijke verkeersdeelname vormden.

Dat verdachte buiten bewustzijn is geweest of anderszins mentaal of fysiek niet in staat was een auto naar behoren te besturen is gesteld noch gebleken. Zelf verklaart zij daarover dat er, voor zover zij weet, niets met haar aan de hand was en zij op het moment van het ongeval vrij was van medicatie en andere middelen die van invloed zouden kunnen zijn op haar lichamelijke en/of geestelijke gesteldheid. Desondanks is zij met één of meer van de wielen van het door haar bestuurde voertuig in de rechter berm terecht gekomen, heeft/is zij vervolgens zodanig naar links gestuurd of gegaan dat zij de doorgetrokken strepen tussen de rijstroken heeft overschreden, heeft zij aldus onvoldoende rechts gehouden en is zij rijdend op de rijstrook bestemd voor het tegemoetkomende verkeer in botsing gekomen met de personenauto bestuurd door [slachtoffer] .

Naar het oordeel van de rechtbank volgt hieruit dat verdachte aanmerkelijk onvoorzichtig

onoplettend en onachtzaam heeft gereden. De rechtbank neemt daarbij tevens in aanmerking dat ter plaatse een maximumsnelheid gold van 80 km/u, dat de rijbaan voor verdachte en voor het tegemoetkomend verkeer (elk) één rijstrook besloeg, en dat de weg – bezien vanuit de rijrichting van verdachte – een flauwe bocht naar links maakte. In de gegeven situatie mocht van haar, gelet op haar bekendheid met de situatie ter plaatse en haar jarenlange ervaring als taxichauffeur, de nodige voorzichtigheid en oplettendheid verwacht worden. Dit zou anders kunnen zijn indien er zich een uitzonderlijke omstandigheid heeft voorgedaan, bijvoorbeeld dat verdachte in verontschuldigbare onmacht verkeerde ten tijde van het ongeval. Dat dat het geval was is door verdachte niet gesteld. Ook overigens biedt het dossier geen aanknopingspunten om verontschuldigbare onmacht aan te nemen. Aldus is de rechtbank van oordeel dat onder de gegeven omstandigheden verdachtes verkeersgedrag kan worden aangemerkt als een gedraging die schuld -weliswaar in de lichtste vorm- in de zin van artikel 6 WVW 1994 oplevert.

4.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van voormelde bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat:

zij op 9 september 2016 te Denekamp in de gemeente Dinkelland, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), komende uit de richting Denekamp en gaande in de richting Nordhorn , daarmee rijdende op de uit twee rijstroken, -welke ter plaatse door twee doorgetrokken witte strepen van elkaar gescheiden waren-, bestaande weg, de Nordhornsestraat, aanmerkelijk, onvoorzichtig, onoplettend en onachtzaam heeft gereden, hierin bestaande dat verdachte, terwijl het uitzicht voor haar, verdachte niet werd belemmerd en/of gehinderd vanaf de door haar, verdachte bereden rijbaan van die weg (de Nordhornsestraat) naar links is gegaan en in strijd met het gestelde in artikel 76 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 de doorgetrokken strepen, die zich niet langs de rand van de rijbaan-verharding bevond, heeft overschreden en zich met voormeld motorrijtuig (personenauto) links van die

doorgetrokken strepen, -welke strepen op die weg (de Nordhornsestraat) waren aangebracht tussen de rijstroken, met verkeer in beide richtingen-, heeft bevonden en in strijd met artikel 3 van voormeld reglement niet aan haar, verdachtes

verplichting heeft voldaan, zoveel mogelijk rechts te houden en rijdend op die voor het tegemoetkomend verkeer bestemde rijstrook van die weg (de Nordhornsestraat) in aanrijding is gekomen met een op die voor het tegemoetkomend verkeer bestemde rijstrook rijdend, toen dicht genaderd zijnd ander motorrijtuig (personenauto), en aldus zich zodanig heeft gedragen dat een aan haar schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor een ander (genaamd [slachtoffer] ) werd gedood.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte primair meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij haar daarvan zal vrijspreken.

5 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld in artikel 175 van de Wegenverkeerwet 1994. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:

het misdrijf: overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswetwet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood.

6 De strafbaarheid van verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor het bewezenverklaarde feit.

7 De op te leggen straf of maatregel

7.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een taakstraf van 240 uren subsidiair 120 dagen hechtenis en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van één jaar.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat er bij een bewezenverklaring van het primair of subsidiair tenlastegelegde kan worden volstaan met schuldig verklaring zonder oplegging van straf.

7.3

De gronden voor een straf of maatregel

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren is gekomen. De rechtbank acht daarbij het volgende van belang.

Verdachte heeft als bestuurder van een personenauto een verkeersongeval veroorzaakt waarbij [slachtoffer] is komen te overlijden. Ter zitting heeft de broer van het slachtoffer een indrukwekkende slachtofferverklaring afgelegd waarin hij naar voren heeft gebracht welke leegte het overlijden van zijn broer heeft veroorzaakt en hoe groot het gemis is. Door het handelen van verdachte is aan de nabestaanden van het slachtoffer onherstelbaar leed toegebracht. Een strafoplegging, in welke vorm dan ook, zal dit leed niet ongedaan kunnen maken. Strafoplegging dient bovendien te geschieden, niet alleen met inachtneming van de, in dit geval, desastreuse gevolgen van de gemaakte verkeersfout, maar ook afgezet te worden tegen de ernst van de gemaakte verkeersfout en de mate van schuld daaraan van verdachte.

Als uitgangspunt voor strafbare feiten als deze hanteert het LOVS (Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht) ter oriëntatie een taakstraf van 240 uren en een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van één jaar. Bij de vaststelling van de straffen en de hoogte ervan houdt de rechtbank er in het voordeel van verdachte rekening mee dat zij niet eerder wegens een strafbaar feit is veroordeeld en er sprake is van een (onwenselijk) lang tijdsverloop tussen het begaan van het feit en de uiteindelijke behandeling ter terechtzitting. Verder houdt de rechtbank rekening met de ernstige fysieke gevolgen die het ongeval ook voor verdachte heeft gehad en het feit dat zij verder moet leven met de gedachte dat door haar toedoen iemand is overleden.

De rechtbank acht, gelet op genoemde persoonlijke omstandigheden van verdachte in afwijking van genoemde oriëntatiepunten, een taakstraf van na te melden duur passend en geboden. De rechtbank ziet bij het bepalen van de duur van na te melden ontzegging van rijbevoegd, geen aanleiding om van de oriëntatiepunten af te wijken.

8 De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op het hiervoor genoemde wetsartikel. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 22c en 22d van het Wetboek van Strafrecht en artikel 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

9 De beslissing

De rechtbank:

bewezenverklaring

- verklaart bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;

- verklaart niet bewezen wat aan verdachte primair meer of anders is ten laste gelegd en spreekt haar daarvan vrij;

strafbaarheid feit

- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;

- verklaart dat het bewezenverklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

het misdrijf: overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswetwet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood;

strafbaarheid verdachte

- verklaart verdachte strafbaar voor het onder primair bewezenverklaarde;

straf

- veroordeelt verdachte tot een taakstraf, bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid voor de duur van 120 (éénhonderd en twintig) uren;

- beveelt, voor het geval dat verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 60 dagen;

- ontzegt verdachte de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen voor de duur van één jaar.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.M. Rikken, voorzitter, mr. C.C.S. Koppes en mr. W. Foppen, rechters, in tegenwoordigheid van P.G.M. Klaassen, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 23 maart 2018.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van de regiopolitie Oost-Nederland met nummer PL0600-2016446147-1 van 14 november 2016. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.

2 Het proces-verbaal van de terechtzitting van 9 maart 2018, onder meer inhoudende de verklaring van verdachte.

3 Het proces-verbaal van verhoor van de getuige [getuige 1] d.d. 11 september 2016, pagina 11 en 12.

4 Het proces-verbaal van verhoor van de getuige [getuige 2] d.d. 14 september 2016, pagina 13.

5 Het proces-verbaal van VerkeersOngevalsAnalyse van 8 oktober 2016, pagina 54.

6 Het proces-verbaal van bevindingen van 15 november 2016, pagina 23.

7 Een schriftelijk bescheid, te weten het schouwverslag van drs. A.J. Schrooyen d.d. 9 september 2016.