Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2018:881

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
10-01-2018
Datum publicatie
21-03-2018
Zaaknummer
C/08/199265 / HA ZA 17-122
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Overeenkomsten inzake inrichting digitale leeromgeving en ontwikkeling bewerking leesondersteuningsmethode. Kwalificatie overeenkomst van opdracht. Geen tekortkoming in de nakoming. Geen ontbinding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Zwolle

zaaknummer / rolnummer: C/08/199265 / HA ZA 17-122

Vonnis van 10 januari 2018

in de zaak van

de stichting

STICHTING OUDERS VAN WAARDE,

statutair gevestigd te gemeente Utrechtse Heuvelrug, kantoorhoudende te Leersum,

eiseres,

advocaat mr. M.J. Roest Crollius te Hilversum,

tegen

de stichting

STICHTING CHRISTELIJKE HOGESCHOOL WINDESHEIM,

statutair gevestigd en kantoorhoudende te Zwolle,

gedaagde,

advocaat mr. J. Scholtens te Zwolle.

Partijen zullen hierna Ouders van Waarde en Windesheim genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding

  • -

    de conclusie van antwoord

  • -

    de conclusie van repliek

  • -

    de conclusie van dupliek

  • -

    de akte uitlating producties van Ouders van Waarde van 11 oktober 2017.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Op 21 mei 2013 hebben partijen een overeenkomst getiteld ‘Ouderacademie’ (hierna: Overeenkomst Ouderacademie) en een overeenkomst getiteld ‘Ouderondersteuningsprogramma voor het lezen’ (hierna: Overeenkomst Ondersteuningsprogramma) gesloten. In beide overeenkomsten moet voor ‘Ouders en Coo’ Ouders van Waarde worden gelezen. Ouders van Waarde is uit hoofde van deze overeenkomsten een totaalbedrag van € 70.561,00 verschuldigd aan Windesheim, welk bedrag zij ook heeft betaald aan Windesheim.

2.2.

De Overeenkomst Ouderacademie luidt onder meer (waarbij met Elektronische Leer Omgeving (ELO) de 2D-omgeving wordt bedoeld, en met virtuele wereld de 3D-omgeving):

2.3.

De Overeenkomst Ondersteuningsprogramma luidt onder meer:

2.4.

Bij e-mail van 17 september 2015 heeft [A] , bestuurder van Ouders van Waarde, [B] , projectleider bij Windesheim, bericht als volgt (waarbij met “Plein 17” de digitale leeromgeving uit de Overeenkomst Ouderacademie wordt bedoeld):

“Bij OUDERS VAN WAARDE zijn we nog steeds een groot voorstander maar nu wel moedeloos aan het worden over de haalbaarheid van Plein 17 nu we constateren dat het systeem na 2 jaar na de afspraken die we maakten nog steeds niet draait. (…)

Al werkende weg is daar vertraging in gekomen waarbij de eerste 4 maanden van 2014 er vertraging van onze zijde was vanwege de reorganisatieperikelen. (…)

Van mijn zijde zou ik dus willen blijven stellen dat op 1 november 2015 bepaald moet worden of Plein 17 draait zoals we afgesproken hebben.”

2.5.

Bij e-mail van 12 september 2013, 8:53 uur, heeft [B] [C] , werkzaam bij Ouders van Waarde, ten aanzien van de Overeenkomst Ondersteuningsprogramma bericht als volgt:

“(…) Ik begrijp van Erna en Anneke dat ze al met je gesproken hebben en dat het werk met het leesproduct anders vormgegeven gaat worden. Ik wil daar wel in meedenken. (…)”

2.6.

Bij e-mail van 16 september 2013 heeft [C] , in reactie op de e-mail van [B] van 12 september 2013, [B] bericht als volgt:

“(…) Prima. Dan zal ik even met Annemieke bespreken wat we van onze kant precies willen met het lezen. (…)”

2.7.

Bij e-mail van 26 oktober 2015 heeft [B] [A] bericht als volgt:

“We zijn dicht bij een oplossing. De inlogwebpagina is bijna klaar. Via jullie site kunnen mensen daarop komen en direct doorgelinkt worden met hun inlogcode naar de twee omgevingen 2d en 3d. We willen deze week graag werken aan de lay-out. Wat kunnen we erop zetten? Natuurlijk het LOGO van OVW en wat nog meer. Kunnen jullie even nadenken over een mooie omgeving en dat naar mij toesturen?”

2.8.

Bij e-mail van 31 oktober 2015 heeft [B] [A] bericht als volgt:

“Sven heeft de inlogpagina klaar. Zullen we dinsdag afspreken on de stand ban zaken door Te spreken. Volgens mij lan het van start.”

2.9.

Bij brief van 21 juni 2016 heeft [A] Windesheim bericht als volgt:

“(…) Ik moet echter nu constateren dat ook dit nieuwe uitstel weer niet heeft geleid tot de oplevering van een werkend systeem. Inmiddels 3 jaar na ondertekeningen van de overeenkomsten. Dat is voor mij reden om, hoezeer het mijzelf ook spijt dat e.e.a. niet is gelukt, te constateren dat Windesheim niet het betreffende systeem zoals beschreven in het contract heeft kunnen leveren en om u te verzoeken het betaalde bedrag aan ons terug te betalen.”

2.10.

Bij e-mail van 30 juni 2016 heeft [B] [A] bericht als volgt:

“In de afgelopen week hebben we diverse deskundigen in Nederland geraadpleegd. Er is een mogelijkheid gevonden om de filmpjes af te spelen in de digitale omgeving van plein 17 op full screen en met één druk op de knop. De meeste schermen zijn nu gekoppeld aan bedoelde filmpjes. (…)”

2.11.

Bij brief van 12 augustus 2016 heeft de advocaat van Ouders van Waarde Windesheim bericht als volgt:

“(…) Als bijlage 2 doe ik u een opsomming toekomen van situatie per 5 augustus 2016. Uit dit – overigens niet limitatieve – overzicht blijkt evident dat het product nog altijd niet functioneert en voor cliënte daardoor onbruikbaar is. (…)

Uitsluitend voor zover de brief van cliënte geen beëindiging van de overeenkomsten tot gevolg zou hebben, dient deze brief als ontbindingsverklaring te worden beschouwd. Het door cliënte aan Windesheim betaalde bedrag dient derhalve te worden terugbetaald. (…)”

2.12.

Windesheim is niet overgegaan tot terugbetaling.

3 Het geschil

3.1.

Ouders van Waarde vordert samengevat:

  • -

    primair: een verklaring voor recht dat Windesheim toerekenbaar tekort is geschoten in de uitvoering van de overeenkomsten tussen partijen en dat de overeenkomsten rechtsgeldig ontbonden zijn althans geen werking toekomen;

  • -

    subsidiair: ontbinding van de overeenkomsten;

  • -

    primair en subsidiair: veroordeling van Windesheim tot (terug)betaling van het door Ouders van Waarde aan Windesheim betaalde bedrag van € 70.561,00 en door Ouders van Waarde geleden schade ter hoogte van € 49.032,00, vermeerderd met buitengerechtelijke incassokosten, rente en proceskosten.

3.2.

Windesheim voert verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

Kwalificatie van de overeenkomsten

4.1.

De Overeenkomst Ouderacademie ziet op de inrichting en installatie van open source – dat wil zeggen: vrij en gratis verkrijgbare – standaardsoftware en de inrichting van een website, beide aan de hand van de daarover tussen partijen voorafgaand en na het sluiten van de overeenkomsten gemaakte specifieke afspraken. De Overeenkomst Ondersteuningsprogramma ziet op het ontwikkelen van een bewerking van een leesondersteuningsmethode. Er is in beide gevallen geen sprake van levering van standaardsoftware dan wel andere goederen en dus kwalificeren de overeenkomsten niet als koop in de zin van titel 1, afdeling 1, van boek 7 BW. De overeengekomen werkzaamheden zien voorts niet op het tot stand brengen van een werk van stoffelijke aard als bedoeld in artikel 7:750 BW en zodoende is evenmin sprake van aanneming van werk. Wel heeft Windesheim zich verbonden om werkzaamheden te verrichten in de zin van artikel 7:400 lid 1 BW, zodat sprake is van overeenkomsten van opdracht. Naast de algemene bepalingen van boek 6 BW is derhalve titel 7, afdeling 1, van boek 7 BW van toepassing.

Tekortkoming Overeenkomst Ouderacademie?

4.2.

Ouders van Waarde stelt dat Windesheim tekort is geschoten in de nakoming van haar verplichtingen uit hoofde van de Overeenkomst Ouderacademie. Blijkens het gestelde over en weer delen partijen het standpunt dat Ouders van Waarde een goed functionerende, gebruiksvriendelijke digitale leeromgeving mocht verwachten. Ouders van Waarde meent dat Windesheim een dergelijke leeromgeving niet heeft geleverd, Windesheim daarentegen meent van wel. Meer concreet twisten partijen over welke functionaliteiten Ouders van Waarde precies mocht verwachten. Daarbij is mede van belang dat niet alle details van de leeromgeving waren geregeld bij het aangaan van de overeenkomst.

4.3.

Ouders van Waarde heeft haar bezwaren opgesomd in randnummer 26 van de conclusie van repliek. Zij heeft daarbij vermeld dat dit “(onder andere)” de problemen zijn. Aangezien zij heeft nagelaten te concretiseren wat eventuele andere problemen zijn in haar ogen, gaat de rechtbank daaraan voorbij. De enkele (eerdere) verwijzing in de dagvaarding naar bijlage 2 bij de brief van 12 augustus 2016, waarin overigens niet duidelijk is weergegeven welke bezwaren Ouders van Waarde heeft, volstaat in dit verband niet.

4.4.

In artikel 2 van de Overeenkomst Ouderacademie is bepaald dat de te ontwikkelen leeromgeving bestaat uit een 2D-omgeving, een 3D-omgeving en een aantal apps. De rechtbank stelt voorop dat de door Ouders van Waarde in randnummer 26 geuite bezwaren niet zien op de 2D-omgeving en de apps, maar uitsluitend op de 3D-omgeving. Ook wordt in aanmerking genomen dat Ouders van Waarde pas bij repliek haar bezwaren (concreet) uiteen heeft gezet, waardoor Windesheim daarop pas bij dupliek heeft kunnen reageren. Dit brengt met zich dat de omstandigheid dat Ouders van Waarde vervolgens niet meer in de gelegenheid is geweest om op het verweer van Windesheim te reageren, voor rekening van Ouders van Waarde komt.

4.5.

In artikel 2 van de overeenkomst is bepaald dat de 3D-omgeving is gebaseerd op het idee van Second Life/OpenSims. Ouders van Waarde stelt dat Windesheim in het voortraject van het sluiten van de overeenkomst een door haar ontwikkelde virtuele wereld rondom een Chinees plein en een schetsmatige opbouw van het Archeon heeft laten zien. Windesheim stelt daarentegen dat zij een 3D-omgeving met objecten zoals de Eiffeltoren en de Brandenburger Tor heeft getoond. Hoe het ook zij, hieruit blijkt naar het oordeel van de rechtbank niet meer dan dat partijen de bedoeling hadden een 3D-omgeving te ontwikkelen. Gesteld noch gebleken is dat partijen zijn overeengekomen dat Windesheim een 3D-omgeving zou bouwen die qua (specifieke) functionaliteiten vergelijkbaar is met (één van) de genoemde, al dan niet tussen partijen besproken, virtuele werelden.

4.6.

Eén van de bezwaren van Ouders van Waarde is dat geen multimedia zoals filmpjes kunnen worden afgespeeld in de leeromgeving, terwijl dat volgens haar van een ‘rijke leeromgeving’ vandaag de dag wel mag worden verwacht. Volgens Windesheim waren partijen niet overeengekomen dat multimedia, zoals video’s, folders en teksten, beschikbaar zouden zijn in de 3D-omgeving. Dit blijkt inderdaad niet uit de overeenkomst. Daaruit blijkt enkel dat multimedia in de 2D-omgeving (de ELO) beschikbaar zouden zijn. Windesheim heeft in dit verband ook nog aangevoerd dat zij Ouders van Waarde, toen die verzocht om het tonen van meerdere video’s tegelijkertijd in de 3D-omgeving, heeft verteld dat dat niet tot de verwachting mocht behoren omdat het de 3D-omgeving instabiel zou maken en het ook didactisch gezien niet de voorkeur verdient. Gelet op deze gemotiveerde betwisting had het op de weg gelegen van Ouders van Waarde om te onderbouwen waaruit blijkt dat was afgesproken dat multimedia konden worden getoond in de 3D-omgeving, althans dat deze functionaliteit mocht worden verwacht. Zij heeft dit nagelaten. Op dit punt is dan ook geen tekortkoming komen vast te staan, waarbij nog in het midden wordt gelaten het antwoord op de vraag of deze functionaliteit uiteindelijk wel of niet beschikbaar is/was in de 3D-omgeving, waarover partijen ook twisten.

4.7.

Ouders van Waarde noemt verder een aantal bezwaren met betrekking tot de bewegingen van de karakters (Avatars) in de 3D-omgeving, namelijk dat zij bovenop elkaar kunnen gaan zitten en in beeldschermen kunnen ‘verdwijnen’. Windesheim heeft reeds bij conclusie van antwoord uitgebreid toegelicht dat bewegingsvrijheid inherent is aan virtuele werelden, dat de door Ouders van Waarde bedoelde situaties ook voorkomen in andere, veelbezochte virtuele werelden zoals het spel De Sims en dat Windesheim Ouders van Waarde desalniettemin tegemoet is gekomen door bolletjes te plaatsen in de 3D-omgeving zodat Avatars op die plekken slechts op één manier kunnen gaan zitten. Ouders van Waarde heeft daarop bij repliek slechts het bezwaar herhaald zonder daarbij in te gaan op het door Windesheim daarover gestelde. Ouders van Waarde heeft hiermee niet voldaan aan haar stelplicht.

4.8.

Ouders van Waarde stelt voorts dat een aantal ruimtes niet zijn ingericht en/of niet bruikbaar zijn, zoals de winkelruimte, de adviesruimte, de marktplaats en de leeszaal. De rechtbank overweegt dat Ouders van Waarde weliswaar redelijkerwijs mocht verwachten dat er in de gecreëerde ruimtes iets te zien of te doen is, maar dat uit niets blijkt dat partijen hebben afgesproken wat hierin specifiek te zien en/of te doen moet zijn. Aangezien Windesheim gemotiveerd heeft gesteld dat er in elke ruimte iets te zien of te doen is, zoals de mogelijkheid folders te openen, Frequently Asked Quentions te lezen, andere bezoekers te ontmoeten en real life advies te krijgen, en Ouders van Waarde dat niet (onderbouwd) heeft weersproken, is geen sprake van een tekortkoming.

4.9.

Ook is Ouders van Waarde van mening dat een aantal onderdelen van de 3D-omgeving gebruiksonvriendelijk is, zoals de debatfunctie en het spel ‘Bouw je ideale school’, omdat er veel handelingen verricht moeten worden. Gebruiksvriendelijkheid is, zoals hiervoor is overwogen, één van de kenmerken waaraan de 3D-wereld moet voldoen. Windesheim heeft echter uitgebreid toegelicht dat de handelingen snel achter elkaar verricht kunnen worden, dat dergelijke handelingen passen in de systematiek van een OpenSim-platform en dat jonge ouders er tijdens een try-out geen moeite mee hadden. Gezien deze gemotiveerde betwisting had het op de weg van Ouders van Waarde om te onderbouwen waarom deze functionaliteiten, de hedendaagse (technische) mogelijkheden binnen virtuele werelden in acht genomen, dermate gebruiksonvriendelijk zijn dat sprake is van een tekortkoming. Ook dat heeft zij nagelaten.

4.10.

Verder meent Ouders van Waarde dat de verkleedruimte niet naar behoren werkt omdat de door Windesheim getoonde screenshots twee verschillende Avatars laten zien – zij hebben verschillende kleuren haar – en dus geen sprake is van een kledingwissel. Daarop heeft Windesheim aangevoerd dat de redenering van Ouders van Waarde onjuist is aangezien een kledingwissel ook inhoudt dat de Avatar een andere kleur haar krijgt. Dat Ouders van Waarde hierop niet meer heeft kunnen reageren komt voor haar eigen rekening aangezien de strekking van haar bezwaar op dit punt pas bij repliek duidelijk werd. Het moet er dus voor worden gehouden dat de verkleedruimte naar behoren werkt.

4.11.

Geen van de concrete bezwaren van Ouders van Waarde slaagt. De op die bezwaren gestoelde stelling van Ouders van Waarde dat sprake is van een casco-gebouw dat niet is ingericht en niet functioneert zoals afgesproken, is dan ook niet komen vast te staan.

4.12.

Ouders van Waarde stelt dat Windesheim heeft verzuimd de leeromgeving op tijd op te leveren. Dat had volgens Ouders van Waarde gemoeten op 31 december 2013, aangezien de Overeenkomst Ouderacademie een fatale termijn bevat. Windesheim betwist dat, onder aanvoering dat de leeromgeving begin oktober 2013 operationeel was en alleen nog verder moest worden ingericht op basis van input van Ouders van Waarde. De rechtbank overweegt dat, al aangenomen dat Windesheim op 31 december 2013 (nog) geen definitieve leeromgeving had aangeleverd, haar dat niet worden tegengeworpen. Uit de overeenkomst alsook uit het over en weer gestelde volgt namelijk dat partijen samen zouden werken aan de ontwikkeling van de leeromgeving. Zo diende Windesheim te zorgen voor de technische ontwikkeling van de benodigde elementen in de 2D- en 3D-omgeving en de apps en de verbinding daartussen (artikel 2) en diende Ouders van Waarde informatie aan te dragen en in een interdisciplinair overleg vorm te geven (artikel 3). Hieruit volgt dat Windesheim voor het inrichten en dus het (tijdig) leveren van de leeromgeving mede afhankelijk was van de door Ouders van Waarde aan te leveren input. Er was sprake van een wisselwerking. Aangezien ook Ouders van Waarde in de periode van twee jaar na 31 december 2013 nog verschillende activiteiten moest uitvoeren, zoals – blijkens de e-mail van 26 oktober 2015 van [B] aan [A] – input leveren voor de lay-out, was zij mede verantwoordelijk voor de spoedige levering van de leeromgeving. Daarnaast is van belang dat Ouders van Waarde (detail)functionaliteiten wenste die ten tijde van het sluiten van de overeenkomst niet waren afgesproken maar die Windesheim toch (deels) heeft toegepast althans heeft geprobeerd toe te passen, waaronder het afspelen van een video in de 3D-omgeving met één druk op de knop, zo blijkt uit de e-mail van [B] van 30 juni 2016. Verder heeft het project, naar Ouders van Waarde erkent, gedurende de eerste vier maanden van 2014 vertraging opgelopen wegens een reorganisatie bij Ouders van Waarde zelf. Uit dit één en ander volgt dat het (gestelde) niet halen van de afgesproken deadline van 31 december 2013 niet kan worden aangemerkt als tekortkoming zijdens Windesheim.

4.13.

Tot slot stelt Ouders van Waarde dat zij nog steeds geen toegang heeft tot de leeromgeving en dat deze daarom niet kan worden aangemerkt als zijnde opgeleverd. Volgens Windesheim klopt dat niet aangezien zij het systeem meerdere malen aan Ouders van Waarde heeft aangeboden om het in gebruik te nemen, waarvoor zij verwijst naar de e-mail van [B] van 31 oktober 2015 en dat Ouders van Waarde ook daadwerkelijk toegang had. Windesheim wijst er voorts op dat de heer [A] op 16 mei 2017 nog heeft ingelogd. Ouders van Waarde heeft daarop gereageerd bij akte na dupliek met de stelling dat [A] weliswaar kan inloggen maar geen volle toegang heeft omdat hij niet over de benodigde sleutelsoftware beschikt daar Windesheim een aantal keren is overgeschakeld naar andere software. Nog daargelaten dat Ouders van Waarde hiermee een nieuwe stelling inneemt waarop Windesheim niet heeft kunnen reageren, betekent dit niet dat levering niet op enig moment heeft plaatsgevonden. Ouders van Waarde betwist immers niet dat Windesheim meerdere keren heeft aangeboden om het systeem in gebruik te gaan nemen.

4.14.

De slotsom is dat Windesheim niet tekort is geschoten in de nakoming van haar verplichtingen uit hoofde van de Overeenkomst Ouderacademie.

Tekortkoming Overeenkomst Ondersteuningsprogramma?

4.15.

Tussen partijen is niet in geschil dat zij ten tijde van het sluiten van de Overeenkomst Ondersteuningsprogramma beoogden dat een bewerking, specifiek voor ouders, van de leesondersteuningsmethode Ralfi zou worden ontwikkeld. Evenmin is in geschil dat Ouders van Waarde er kort na de start van de werkzaamheden achter kwam dat een dergelijke bewerking reeds voorhanden was.

4.16.

Volgens Ouders van Waarde zag Windesheim daarom geen rol meer voor zichzelf weggelegd, en hebben partijen vervolgens afgesproken dat alle middelen – naar de rechtbank begrijpt bedoelt Ouders van Waarde daarmee het totaalbedrag dat zij aan Windesheim uit hoofde van beide overeenkomsten had betaald – zouden worden ingezet op de 2D- en 3D-omgevingen die op grond van de Overeenkomst Ouderacademie moesten worden ontwikkeld. Volgens Windesheim daarentegen hadden partijen afgesproken dat het ondersteuningsprogramma weliswaar anders vormgegeven zou worden maar niet zou vervallen. Zij verwijst daartoe naar de e-mail van [B] van 12 september 2013.

4.17.

De rechtbank overweegt dat uit de e-mail van [B] van 12 september 2013 en de reactie daarop van [C] van 16 september 2013 valt af te leiden dat partijen in overleg zouden bekijken welk product zou worden ontwikkeld in plaats van de Ralfi-bewerking. Uit deze e-mailwisseling blijkt niet dat Windesheim niets hoefde te leveren en ook niet dat het betaalde bedrag zou worden aangewend voor de uitvoering van de Overeenkomst Ouderacademie, welk één en ander evenmin uit andere feiten en omstandigheden blijkt. Het moet er dus voor worden gehouden dat Windesheim, in ruil voor het uit hoofde van de Overeenkomst Ondersteuningsprogramma betaalde bedrag, een ander, in overleg te bepalen product zou leveren.

4.18.

Ouders van Waarde stelt voorts dat Windesheim niets heeft opgeleverd in het kader van deze overeenkomst. Windesheim betwist dat en voert aan dat zij een afgerond ondersteuningsprogramma heeft opgeleverd in de vorm van video’s, teksten voor de website en een artikel voor Ouders van Waarde. Windesheim heeft daarvan stukken in het geding gebracht. Ouders van Waarde stelt dat Windesheim wel verschillende video’s heeft gestuurd, maar dat deze niet alle betrekking hebben op het leesproject waar de overeenkomst op ziet. Verder herkent Ouders van Waarde de ingebrachte teksten niet, en heeft Windesheim deze volgens Ouders van Waarde niet specifiek voor haar geschreven.

4.19.

De rechtbank constateert dat Ouders van Waarde erkent dat bepaalde toegezonden video’s wél betrekking hebben op het leesproject, waaruit de rechtbank afleidt dat deze volgens Ouders van Waarde kunnen worden aangemerkt als (bruikbaar) opgeleverd programma in het kader van de Overeenkomst Ondersteuningsprogramma. De rechtbank leidt uit de stellingen van Ouders van Waarde ook af dat zij vindt dat Windesheim met (enkel) deze video’s niet heeft voldaan aan haar verplichting. Ouders van Waarde laat echter na te preciseren wat Windesheim volgens haar dan wel had moeten doen/leveren om aan de afspraken te voldoen, hetgeen wel op haar weg lag daar Windesheim ten verwere concreet heeft gesteld wat zij in haar ogen moest leveren en ook geleverd heeft. De enkele stelling van Ouders van Waarde dat Windesheim niet het in de overeenkomst bepaalde ondersteuningsprogramma heeft geleverd kan haar niet baten aangezien, zoals hiervoor is overwogen, partijen juist hadden afgesproken dat in plaats van de Ralfi-bewerking iets anders zou worden geleverd.

4.20.

Ouders van Waarde neemt voorts het standpunt in dat het geleverde niet in verhouding staat tot het bedrag dat zij heeft betaald. Nog daargelaten dat deze stelling eerst bij akte na dupliek is ingenomen en Windesheim hierop dus niet heeft kunnen reageren, moet deze worden verworpen omdat Ouders van Waarde zoals gezegd niet heeft gesteld wat Windesheim wél had moeten leveren en ook niet heeft toegelicht waarom het betaalde bedrag in de onderhavige situatie onevenredig hoog is.

4.21.

De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat niet is komen vast te staan dat Windesheim tekort is geschoten in de nakoming van haar verplichtingen uit hoofde van de Overeenkomst Ondersteuningsprogramma. Gelet daarop bestaat geen grond voor ontbinding. De vorderingen inzake verklaring voor recht en terugbetaling van het bedrag van € 70.561,00 zullen dan ook worden afgewezen.

Schade extra uren

4.22.

Aangezien geen sprake is van een tekortkoming aan de zijde van Windesheim en dus geen grond bestaat voor ontbinding, komt reeds daarom de op basis van de ontbinding gevorderde vergoeding van aanvullend bestede uren niet voor toewijzing in aanmerking.

Overig

4.23.

Gelet op het voorgaande zijn de gevorderde rente en buitengerechtelijke incassokosten evenmin toewijsbaar.

Proceskosten

4.24.

Ouders van Waarde zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Windesheim worden begroot op:

- griffierecht € 3.894,00

- salaris advocaat 2.842,00 (2,0 punten × tarief € 1.421,00)

Totaal € 6.736,00

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

wijst de vorderingen af,

5.2.

veroordeelt Ouders van Waarde in de proceskosten, aan de zijde van Windesheim tot op heden begroot op € 6.736,00,

5.3.

verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. M. van Berlo en in het openbaar uitgesproken op 10 januari 2018.