Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2018:865

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
20-03-2018
Datum publicatie
20-03-2018
Zaaknummer
08/770148-17 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank veroordeelt een 21-jarige vrouw voor het in brand steken van een container in Losser tot een werkstraf van 40 uur en een voorwaardelijke celstraf van 3 maanden met een proeftijd van 2 jaar en bijzondere voorwaarden. Ook moet zij een schadevergoeding betalen voor de verbrande containers.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Strafrecht

Meervoudige kamer

Zittingsplaats Almelo

Parketnummer: 08/770148-17 (P)

Datum vonnis: 20 maart 2018

Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1996 in [geboorteplaats] ,

wonende te [woonplaats] .

1 Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van

6 maart 2018.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie

mr. S. Leusink- van Dijk en van hetgeen door verdachte en haar raadsman mr. D. Kant, advocaat te Goor, naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

De verdenking komt er kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte opzettelijk brand heeft gesticht terwijl daarbij gemeen gevaar voor goederen is ontstaan.

Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:

zij op of omstreeks 22 april 2017, in de gemeente Losser, althans in Nederland, opzettelijk brand heeft gesticht op/aan/in één of meer vuilniscontainer(s), staande tegen de zijmuur van een schuurtje gelegen aan/nabij de [adres 1] , in elk geval nabij de [straat] , immers heeft zij toen aldaar opzettelijk open vuur in aanraking gebracht met de inhoud van die vuilniscontainer(s), althans met een brandbare stof ten gevolge waarvan één of meerdere container(s) en/of vuilnis in die container(s) geheel of gedeeltelijk

is/zijn verbrand, in elk geval brand is ontstaan, terwijl daarvan gemeen gevaar voor één of meer in die container(s) aanwezig(e) voorwerp(en) en/of voor die container(s) zelf en/of voor één of meer op korte afstand van die container(s) staande schu(u)r(en) en/of voor de inboedel daarvan, in elk geval gemeen gevaar voor goederen, te duchten was;

3 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 De bewijsoverwegingen

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat het ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen wordt verklaard.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich gerefereerd ten aanzien van een bewezenverklaring.

4.4

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit op grond van de volgende bewijsmiddelen, waarbij de rechtbank - nu verdachte dit heeft bekend en door of namens haar geen vrijspraak is bepleit - conform artikel 359, derde lid, laatste volzin van het Wetboek van Strafvordering (Sv), zal volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen1.

Als bewijsmiddelen daarvoor gelden:

  1. het proces-verbaal van aangifte van 22 april 2017, voor zover inhoudende de aangifte door [naam 1] namens de gemeente Losser;

  2. het proces-verbaal van aangifte van 26 april 2017, voor zover inhoudende de verklaring van aangever [naam 2] namens Domein Woningcorporatie;

  3. Proces-verbaal van verdenking van 26 april 2017, voor zover inhoudende het relaas van verbalisant [verbalisant] , brigadier van politie Eenheid Oost-Nederland;

  4. het proces-verbaal van de terechtzitting van 6 maart 2018, voor zover inhoudende de bekennende verklaring van de verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste volzin, Sv.

4.5

De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van voornoemde bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat:

zij op 22 april 2017 in de gemeente Losser, opzettelijk brand heeft gesticht in een vuilniscontainer, staande tegen de zijmuur van een schuurtje gelegen aan de [adres 1] , immers heeft zij toen aldaar opzettelijk open vuur in aanraking gebracht met de inhoud van die vuilniscontainer, ten gevolge waarvan brand is ontstaan, terwijl daarvan gemeen gevaar voor in die container aanwezige voorwerpen en voor die container zelf en voor op korte afstand van die container staande schuren en de inboedel daarvan, te duchten was.

De rechtbank de eventueel in de tenlastelegging voorkomende schrijffouten verbeterd in de bewezenverklaring. Verdachte wordt hierdoor niet in haar verdediging geschaad.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij haar daarvan zal vrijspreken.

5 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld in artikel 157 van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:

het misdrijf: opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is.

6 De strafbaarheid van verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor het bewezenverklaarde feit.

7 De op te leggen straf of maatregel

7.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor het ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 40 uren en een voorwaardelijke gevangenisstraf van een maand, met een proeftijd van twee jaar. Aan het voorwaardelijk strafdeel dient als bijzondere voorwaarde te worden verbonden begeleiding door Tactus Verslavingszorg.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte heeft bepleit, aan verdachte een geheel voorwaardelijke straf op te leggen en daaraan te verbinden de bijzondere voorwaarden die door de reclassering zijn geadviseerd.

7.3

De gronden voor een straf of maatregel

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij het volgende van belang.

Verdachte heeft brand gesticht in een container. De rechtbank rekent het verdachte aan dat zij door haar handelen eveneens gemeen gevaar voor goederen heeft veroorzaakt voor goederen die in de directe nabijheid van de container stonden, waaronder (andere) containers en een schuurtje dat door de brand beschadigd is. Dat de schade enigszins beperkt is gebleven, is niet te danken aan verdachte maar aan het feit dat de brand zich niet verder heeft uitgebreid. Brandstichting zorgt in het algemeen voor onrust en gevoelens van onveiligheid, zeker in dit geval, nu de brandstichting plaatsvond tijdens de nachtelijke uren in een woonwijk.

De rechtbank heeft acht geslagen op de pro justitia rapportage van drs. M.Z. Pyrek,

GZ-psycholoog, van 10 juli 2017. Volgens de psycholoog is er bij betrokkene sprake van

een ziekelijke stoornis en een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens. Ook heeft betrokkene een cognitieve beperking, is zij belast met een ADHD-stoornis en is er bij haar sprake van een milde depressie. Rekening houdende met de cognitieve beperkingen van betrokkene en haar structurele beperking in de controle van haar impulsen adviseert de psycholoog om betrokkene ten tijde van het ten laste gelegde verminderd toerekeningsvatbaar te achten. De kans op recidive wordt ingeschat op laaggemiddeld-gemiddeld. Ter voorkoming van recidive is het volgens de deskundige van belang dat betrokkene een positiever zelfbeeld ontwikkelt en minder last heeft van gevoelens van somberheid en insufficiëntie. Betrokkene heeft een begeleiding nodig op de verschillende leefgebieden en een ambulante psychotherapeutische behandeling voor de coping-vaardigheden, stemmingsstoornis en impuls- en concentratie problematiek. De begeleiding zou uitgevoerd kunnen worden door het LVB-team van Tactus-verslavingszorg.

De rechtbank neemt de conclusies van de deskundige over en maakt deze tot de hare.

Ook heeft de rechtbank kennis genomen van het over verdachte opgemaakte reclasseringsrapport van 14 februari 2018. Geadviseerd wordt een (gedeeltelijk) voorwaardelijke gevangenisstraf en een taakstraf op te leggen, met als bijzondere voorwaarden de meldplicht, een alcoholverbod en een kortdurende klinische opname ten behoeve van crisis, detoxificatie, stabilisatie, observatie en/of diagnostiek binnen een ambulant behandelingstraject.

Alle voormelde omstandigheden in aanmerking genomen, waarbij in het bijzonder de verminderde toerekenbaarheid, is de rechtbank van oordeel dat aan verdachte een taakstraf voor de duur van 40 uur, bij niet verrichten te vervangen door 20 dagen hechtenis, met aftrek van de reeds ondergane voorlopige hechtenis, moet worden opgelegd. Teneinde verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen acht de rechtbank tevens een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van drie maanden, met een proeftijd van

twee jaren met daaraan gekoppeld de meldplicht, passend en geboden. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een alcoholverbod, noch voor het openen van de mogelijkheid van een kortdurende klinische opname.

8 De schade van benadeelden

8.1

De vordering van de benadeelde partij

De gemeente Losser heeft zich als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert verdachte te veroordelen om schadevergoeding te betalen tot een totaalbedrag van € 205,60, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd. De gevorderde materiële schade bestaat uit de volgende posten:

- vervangende container [adres 2] à € 102,80;

- vervangende container [adres 3] à € 102,80.

8.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering in zijn geheel kan worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

8.3

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich niet verzet tegen toewijzing van de civiele vordering.

8.4

Het oordeel van de rechtbank

Door de gebezigde bewijsmiddelen en de behandeling op de terechtzitting is komen vast te staan dat verdachte door het bewezenverklaarde feit rechtstreeks schade heeft toegebracht aan de benadeelde partij. De opgevoerde schadepost is voldoende onderbouwd en aannemelijk. De rechtbank zal het gevorderde daarom toewijzen tot een bedrag van € 205,60, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum waarop het strafbare feit is gepleegd.

8.5

De schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij heeft verzocht en de officier van justitie heeft gevorderd de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

De rechtbank zal de maatregel als bedoeld in artikel 36f Sr opleggen, aangezien verdachte jegens de benadeelde partij naar burgerlijk recht (mede) aansprakelijk is voor de schade die door het feit is toegebracht.

9 De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op het hiervoor genoemde wetsartikel. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 27 en 36f Sr.

10 De beslissing

De rechtbank:

bewezenverklaring

- verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;

- verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt haar daarvan vrij;

strafbaarheid feit

- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;

- verklaart dat het bewezenverklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

het misdrijf: opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is.

strafbaarheid verdachte

- verklaart verdachte strafbaar voor het bewezenverklaarde;

straf

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) maanden;

- bepaalt dat deze gevangenisstraf in zijn geheel niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten. De rechter kan de tenuitvoerlegging gelasten indien verdachte voor het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren de navolgende voorwaarde(n) niet is nagekomen:

- stelt als algemene voorwaarden dat verdachte:

- zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- ten behoeve van het vaststellen van haar identiteit medewerking verleent aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

- medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, Sr, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

- stelt als bijzondere voorwaarde dat verdachte:

- zich gedurende de proeftijd meldt bij GGZ Tactus verslavingszorg, Raiffeisenstraat 75, 7514 AM Enschede op de door de reclassering te bepalen tijdstippen, zo frequent en zo lang deze instelling dat nodig acht;

- draagt deze reclasseringsinstelling op om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;

- veroordeelt verdachte tot een taakstraf, bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid voor de duur van 40 (veertig) uren;

- beveelt, voor het geval dat verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 20 dagen;

- beveelt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de taakstraf in mindering wordt gebracht, waarbij als maatstaf geldt dat voor de eerste 60 in verzekering of voorlopige hechtenis doorgebrachte dagen, twee uren en voor de resterende dagen één uur per dag aftrek plaatsvindt;

schadevergoeding

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij de gemeente Losser van een bedrag van € 205,60 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 22 april 2017;

- veroordeelt verdachte daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;

- legt de maatregel op dat verdachte verplicht is ter zake van het bewezenverklaarde feit en tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 205,60, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 22 april 2017 ten behoeve van de benadeelde, met bevel, voor het geval dat volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt, dat vervangende hechtenis voor de duur van 4 dagen zal worden toegepast. Tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis laat de betalingsverplichting onverlet;

- bepaalt dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als verdachte aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen;

opheffing bevel voorlopige hechtenis

- heft het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis op;

Dit vonnis is gewezen door mr. E. Venekatte, voorzitter, mr. G.J. Stoové en mr. S.H. Peper, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J.A. Krooshof, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 20 maart 2018.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van de Politie Eenheid Oost-Nederland, district Twente, basisteam Noordoost-Twente met nummer PL0600-2017182679. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.