Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2018:861

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
21-02-2018
Datum publicatie
21-03-2018
Zaaknummer
C/08/211284 / HA ZA 17-552
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Exceptie van onbevoegdheid, artikelen 3:33 en 3:35 en 6:217 BW en 1021 Rv, UAV 1989 van toepassing. De rechtbank is, op grond van een geldig tussen partijen overeengekomen arbitraal beding, onbevoegd kennis te nemen van het onderhavige geschil.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TvA 2018/59
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Almelo

zaaknummer / rolnummer: C/08/211284 / HA ZA 17-552 (pm)

Vonnis in incident van 21 februari 2018

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[A] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

eiseres in de hoofdzaak,

verweerster in het incident,

advocaat mr. D.G. Geerdink te Oldenzaal,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[B] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

gedaagde in de hoofdzaak,

eiseres in het incident,

advocaat mr. S. Kroesbergen te Ede Gld.

Partijen zullen hierna [eiseres] en [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 30 november 2017 met producties,

  • -

    de incidentele conclusie houdende exceptie van onbevoegdheid van

24 januari 2018 met producties,

- de incidentele conclusie van antwoord van 7 februari 2018 zonder producties.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.

2 Het geschil

in de hoofdzaak

2.1.

[eiseres] vordert - samengevat - [gedaagde] bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, te veroordelen om aan [eiseres] te betalen een bedrag ad € 95.945,68, althans een zodanig bedrag als de rechtbank redelijk en billijk acht, met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten.

2.2.

[eiseres] legt - samengevat - aan haar vordering ten grondslag dat tussen partijen in 2007 een aannemingsovereenkomst tot stand is gekomen op grond waarvan [gedaagde] ten behoeve van de uitbreiding van het bedrijfspand van [eiseres] aan [adres] te [vestigingsplaats] (installatie)werkzaamheden heeft verricht die bestonden uit het leveren en aanbrengen van een complete installatie voor het verwarmen, koelen en verversen van lucht in het gebouw. [gedaagde] heeft in dat kader een koelinstallatie in de showroom geplaatst, die is opgeleverd op 5 december 2007. In 2015 bleek dat de koelinstallatie gebreken vertoonde. [eiseres] heeft de gebreken laten onderzoeken door Eninbo Support, die op 14 oktober 2016 een rapport heeft uitgebracht. De advocaat van [eiseres] heeft [gedaagde] op 9 maart 2017 aansprakelijk gesteld en in de gelegenheid gesteld de installatie te herstellen dan wel vervangen. Omdat [gedaagde] daar niet toe bereid was heeft [eiseres] aan [C] B.V. opdracht gegeven om herstelwerk te verrichten. Er zijn toen meer gebreken aan het licht gekomen. Als gevolg van de wanprestatie door [gedaagde] stelt [eiseres] voor een bedrag ad € 95.945,68 schade te hebben geleden, welk bedrag zij vordert van [gedaagde] .

2.3.

[gedaagde] heeft nog geen conclusie van antwoord ingediend.

in het incident

2.4.

[gedaagde] vordert - samengevat - dat de rechtbank zich bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, primair onbevoegd verklaart omdat een arbitraal beding van toepassing is, op grond waarvan dit geschil dient te worden voorgelegd aan de Raad van Arbitrage voor de Bouw en subsidiair onbevoegd verklaart omdat [gedaagde] gevestigd is in het werkgebied van de rechtbank Gelderland.

2.5.

Ten aanzien van het primair gevorderde voert [gedaagde] aan dat de architect die de uitbreiding van het bedrijfspand van [eiseres] heeft begeleid, Architektenburo [D] B.V. (hierna: [D] ), op basis van het bestek met nummer 830-0 d.d. januari 2006 offertes heeft opgevraagd, waarop [gedaagde] op 13 maart 2006 een offerte heeft uitgebracht en op

29 mei 2006 een nadere toelichting heeft gegeven. Op basis van die offerte en het bestek heeft [D] op 2 juni 2006 opdracht verstrekt aan [gedaagde] . Dit maakt volgens [gedaagde] dat de inhoud van de overeenkomst tussen [eiseres] en [gedaagde] mede wordt bepaald door de inhoud van het bestek. Op pagina 7 van het bestek zijn de Uniforme Administratieve Voorwaarden voor de uitvoering van werken 1989 (hierna: UAV 1989) van toepassing verklaard, die in paragraaf 49 een arbitraal beding bevatten. Hetzelfde beding is opgenomen in de door [gedaagde] op 28 februari 2008 getekende garantieverklaring, aldus steeds [gedaagde] .

2.6.

[eiseres] voert als verweer aan dat zij in het bezit is van het bestek van [D] , maar niet (meer) van de overige stukken waarop [gedaagde] zich beroept. Volgens [eiseres] is door [gedaagde] geen door beide partijen ondertekende overeenkomst in het geding gebracht waaruit blijkt dat partijen overeenstemming hebben bereikt over de toepasselijkheid van de

UAV 1989. [eiseres] ontkent dan ook dat de toepassing van de UAV 1989 door partijen is overeengekomen en stelt dat de rechtbank bevoegd is van deze zaak kennis te nemen. [eiseres] is het eens met het subsidiair gevorderde en verzoekt de zaak te verwijzen naar de rechtbank Gelderland.

3 De beoordeling

3.1.

De exceptie van onbevoegdheid is tijdig en op de juiste wijze voorgesteld.

3.2.

In het incident ligt de vraag voor of deze rechtbank bevoegd is om van het onderhavige geschil kennis te nemen, nu in het bestek 830-0 d.d. januari 2006 een verwijzing naar de UAV 1989 is opgenomen en de UAV 1989 een arbitraal beding bevatten.

3.3.

In de eerste plaats dient te worden beoordeeld of het bestek onderdeel is geworden van de overeenkomst tussen [eiseres] en [gedaagde] , aangezien dit door [eiseres] wordt betwist. Hiervoor heeft als uitgangspunt te gelden het bepaalde in de artikelen 3:33 en 3:35 van het Burgerlijk Wetboek (BW) in combinatie met artikel 6:217 BW e.v.

3.4.

Door [gedaagde] is onbetwist gesteld dat [D] (onder)aannemers heeft uitgenodigd tot het doen van een aanbieding op basis van het bestek 830-0 d.d. januari 2006 en dat [gedaagde] op 13 maart 2006 een offerte heeft uitgebracht op basis van het bestek. Dit blijkt ook uit het feit dat [gedaagde] in zijn offerte expliciet naar het bestek verwijst. Naar het oordeel van de rechtbank dient de uitnodiging van [D] te worden aangemerkt als een uitnodiging van de opdrachtgever [eiseres] aan [gedaagde] tot het doen van een aanbieding voor de realisering van het door [eiseres] gewenste en in het bestek omschreven werk. Dat de opdrachtbevestiging van 2 juni 2006 ondertekend is door [eiseres] , zoals door [eiseres] is aangevoerd, maakt dat niet anders. Onder meer uit de door [eiseres] zelf in het geding gebrachte eerste pagina van het bestek en de door [gedaagde] in het geding gebrachte garantieverklaring volgt dat [eiseres] opdrachtgever is van het betreffende project, zodat er vanuit moet worden gegaan dat [eiseres] de opdrachtbevestiging van 2 juni 2006 namens [eiseres] heeft ondertekend. Door [eiseres] is niet betwist dat tussen partijen een overeenkomst tot aanneming van werk tot stand is gekomen op basis van het bestek en de offerte van [gedaagde] van 13 maart 2006. Onder deze omstandigheden moet er vanuit worden gegaan dat de bepalingen van het bestek onderdeel zijn geworden van de inhoud van de overeenkomst tussen partijen.

3.5.

Bij de beantwoording van de vraag of de UAV 1989 van toepassing zijn, dienen ook de maatstaven te worden aangelegd die in het algemeen gelden bij de totstandkoming van overeenkomsten. De toepasselijkheid van algemene voorwaarden kan dus worden aangenomen indien zij door de gebruiker is voorgesteld en door de wederpartij is aanvaard, waaronder begrepen het geval dat de wederpartij het gerechtvaardigd vertrouwen heeft gewekt met de toepasselijkheid in te stemmen. Deze aanvaarding kan ook uit een stilzwijgen van de wederpartij worden afgeleid. Hierbij is het niet noodzakelijk dat de wederpartij de inhoud van de algemene voorwaarden kent. Voldoende is dat voor of bij het sluiten van de overeenkomst naar de algemene voorwaarden wordt verwezen.

3.6.

De rechtbank is van oordeel dat de UAV 1989 van toepassing zijn op de overeenkomst tussen partijen. De toepasselijkheid is geïnitieerd door of namens [eiseres] zelf, terwijl gesteld noch gebleken is dat [eiseres] dit onderdeel van de bepalingen van het bestek op enig moment heeft uitgesloten of gewijzigd. Dat [gedaagde] het in de UAV 1989 opgenomen arbitraal beding heeft geaccepteerd blijkt zowel uit zijn offerte als uit de door hem aan [eiseres] verstrekte garantieverklaring waarin hetzelfde arbitraal beding is opgenomen. Gelet op het hiervoor overwogene moet het ervoor worden gehouden dat de UAV 1989 tussen partijen (stilzwijgend) zijn overeengekomen.

3.7.

Tenslotte ligt nog ter beoordeling voor of het arbitraal beding dat onderdeel uitmaakt van de UAV 1989, voldoet aan de vereisten van artikel 1021 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) en de rechtbank zich op basis van artikel 1022 Rv onbevoegd dient te verklaren. Met het bestek dat verwijst naar de UAV 1989 is voldaan aan het vereiste van een geschrift dat in arbitrage voorziet of dat verwijst naar algemene voorwaarden die in arbitrage voorzien. De UAV 1989 dienen immers te worden aangemerkt als algemene voorwaarden en in paragraaf 49 van de UAV 1989 wordt voorzien in arbitrage. Ook aan het vereiste dat dit geschrift door of namens de wederpartij uitdrukkelijk of stilzwijgend is aanvaard, is voldaan, zoals hiervoor reeds is overwogen. Dit brengt mee dat op grond van een geldig tussen partijen overeengekomen arbitraal beding, de rechtbank zich onbevoegd dient te verklaren om van het onderhavige geschil kennis te nemen, waardoor aan een beoordeling van het subsidiair gevorderde in het incident niet meer wordt toegekomen.

3.8.

[eiseres] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten in het incident en in de hoofdzaak. De kosten aan de zijde van [gedaagde] worden begroot op € 1.924,- aan griffierecht en € 452,- aan salaris advocaat.

4 De beslissing

De rechtbank

in het incident en in de hoofdzaak

4.1.

verklaart zich onbevoegd om van de vordering in de hoofdzaak kennis te nemen,

4.2.

veroordeelt [eiseres] in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde] tot op heden begroot op € 1.924,- aan verschotten en € 452,- aan salaris advocaat,

4.3.

verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen te Almelo door mr. G.G. Vermeulen en in het openbaar uitgesproken op 21 februari 2018.1

1 type: coll: