Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2018:837

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
19-03-2018
Datum publicatie
19-03-2018
Zaaknummer
08/993119-17 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank Overijssel veroordeelt een 49-jarige man tot een taakstraf van 240 uren voor verduistering en witwassen. Naast de taakstraf legt de rechtbank de man een voorwaardelijke gevangenisstraf op van 9 maanden met een proeftijd van 3 jaar en moet de man een bedrag van ruim 375.000 euro aan schadevergoeding betalen aan de benadeelde partij.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Strafrecht

Meervoudige kamer

Zittingsplaats Zwolle

Parketnummer 08/993119-17 (P)

Datum vonnis: 19 maart 2018

Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1968 in Noordoostpolder,

wonende te [adres] .

1 Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 5 maart 2018.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. G. van der Wulp en van hetgeen door verdachte en zijn raadsman mr. D.P. Poppe, advocaat te Kampen, naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

De verdenking komt er kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

feit 1: in de periode van 1 oktober 2006 tot en met 30 april 2016 als boekhouder/ procuratiehouder van [bedrijf] geldbedragen tot in totaal € 411.830,-- heeft verduisterd, dan wel dat hij die geldbedragen heeft gestolen van [bedrijf] door middel van gebruikmaking van een internetprogramma waarmee batchfiles zijn gemanipuleerd;

feit 2: in de periode van 1 oktober 2006 tot en met 30 april 2016 zich schuldig heeft gemaakt aan (gewoonte)witwassen van geldbedragen tot in totaal € 411.830,--.

Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:

1.

hij op één of meer tijdstippen in de periode van 1 oktober 2006 tot en met 30

april 2016 te Ens in de gemeente Noordoostpolder, althans in Nederland, (telkens) opzettelijk één of meer geldbedragen, tot een totaal bedrag van EURO 411.830,00, althans enig geldbedrag,in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [bedrijf] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan hem, verdachte, en welk goed verdachte anders dan door misdrijf onder zich had, te weten als boekhouder en/of procuratiehouder van [bedrijf] , wederrechtelijk zich heeft toegeëigend; (artikel 322 Wetboek van strafrecht)

en/of hij op een of meer tijdstippen in de periode van 1 oktober 2006 tot en met 30 april 2016 te Ens in de gemeente Noordoostpolder, althans in Nederland, (telkens) met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen één of meer geldbedragen, tot een totaal bedrag van EURO 411.830,00, althans enig geldsbedragen, in elk geval (telkens) enig goed, (telkens) geheel of ten dele toebehorende aan [bedrijf] , althans aan een ander of anderen dan aan hem, verdachte, waarbij verdachte de/het weg te nemen goed(eren) (telkens) onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel, te weten door het gebruik van een internet programma en/of door toepassing

en/of gebruik van een of meer controle getallen, waarmee een of meer

batchfiles zijn gemanipuleerd, althans van een of meer controle getallen en/of

gegevens waartoe hij, verdachte, niet gerechtigd was; (artikel 311 lid 1 onder 5)

2.

hij op één of meer tijdstippen in de periode van 1 oktober 2006 tot en met 30

april 2016 te Ens in de gemeente Noordoostpolder, althans in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen althans alleen, van het

plegen van witwassen al dan niet een gewoonte gemaakt, immers heeft hij,

verdachte (telkens) (een) voorwerp(en)te weten één of meer geldbedrag(en), tot een totaal bedrag van EURO 411.830,00 omgezet en/of van (een) voorwerp(en) te weten één of meer geldbedrag(en), tot een totaal bedrag van EURO 411.830,00 gebruik gemaakt, door dat/die bedrag(en) te besteden en of uit te geven, terwijl hij en/of zijn mededader(s) wist/wisten dat die/dat voorwerp(en) geheel of gedeeltelijk, -onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf.

3 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 De bewijsoverwegingen

4.1

Feiten

[bedrijf] is een onderneming uit Ens, die zich bezighoudt met het ontwerpen en monteren van dak- en gevelbekledingen.

Verdachte is vanaf 1 januari 1994 in loondienst geweest van [bedrijf] in de functie van tekenaar en boekhouder. Tot zijn taken behoorde onder meer het verrichten van betalingen voor [bedrijf] .

Op 6 mei 2016 is verdachte op staande voet ontslagen nadat ontdekt was dat hij in de periode van 2012 tot april 2016 in totaal € 199.669,-- van de bankrekening van [bedrijf] had overgeboekt naar zijn privé rekening. Voor de terugbetaling van dit geldbedrag is vervolgens een vaststellingsovereenkomst gesloten.

Nadat verdachte’s broer [naam] , directeur van [bedrijf] , constateerde dat het uitgavenpatroon van verdachte na het ontdekken van de fraude nog steeds op een hoog niveau lag, is een nader onderzoek ingesteld in de bedrijfsadministratie en in de bedrijfscomputer die in gebruik was bij verdachte. Uit dit nader onderzoek is naar voren gekomen dat verdachte ook vóór 2012, namelijk vanaf 2007 gelden had onttrokken aan [bedrijf] . Deze constatering is aanleiding geweest om aangifte te doen van de fraude bij het Functioneel Parket te Zwolle.

De Belastingdienst/FIOD heeft naar aanleiding van de aangifte een strafrechtelijk onderzoek ingesteld over de periode van 2006 tot en met 2016 en uit dat onderzoek is gebleken dat verdachte met gebruikmaking van de volgende vijf methodes gelden aan [bedrijf] heeft onttrokken:

(1) wijziging van de batches voor de loonbetalingen door een extra regel op te nemen die bestond uit een betaling op verdachte’s eigen bankrekening;

(2) wijziging van de batches voor de loonbetalingen door verhoging van verdachte’s eigen salaris;

(3) aflossing van het saldo van de persoonlijke creditcard van verdachte via de bankrekening van [bedrijf] ;

(4) het aanmaken extra betaalbatches, die slechts een gering aantal posten bevatten waarvan er één een overboeking op verdachte’s eigen bankrekening betrof;

(5) het betalen van privé kosten van verdachte via de bankrekening van [bedrijf] .

Verdachte heeft zich in de periode van 1 oktober 2006 tot en met 30 april 2016 met gebruikmaking van de weergegeven methodes in totaal een bedrag van € 411.830,-- toegeëigend.

Om ontdekking te voorkomen heeft verdachte de onttrekkingen telkens weggeboekt op de grootboekrekening inkopen ‘Kostprijs Materialen’.

Verdachte heeft de door hem verkregen gelden gebruikt om er, zoals hij zelf heeft verklaard: ‘goed van te leven’. Hij heeft de gelden onder meer gebruikt voor:

• verbouwingskosten aan zijn privé woning;

• betaling van een plafond voor zijn privé woning;

• betalingen aan de energiemaatschappij;

• diverse reizen, vakanties en weekendjes uit;

• feestjes die, doordat over deze gelden kon worden beschikt, niet thuis maar in een restaurant werden gevierd.

4.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gelet op de inhoud van het dossier en de daarin opgenomen getuigenverklaringen en stukken gevorderd dat de feiten 1 primair en 2 bewezen worden verklaard.

4.3

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich gezien de bekennende verklaring van verdachte op het standpunt gesteld dat het onder feit 1 primair en feit 2 ten laste gelegde bewezen kan worden verklaard.

4.4

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van de tenlastegelegde feiten 1 primair en 2 op grond van de volgende bewijsmiddelen, waarbij de rechtbank – nu verdachte deze feiten heeft bekend en door of namens hem geen vrijspraak is bepleit – conform artikel 359, derde lid, laatste volzin van het Wetboek van Strafvordering (Sv), zal volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen.1

  • -

    Een geschrift, zijnde de aangifte gedaan door gemachtigde D.J. Beks d.d. 4 oktober 2016 (DOC-001 blz. 75 e.v.);

  • -

    Een geschrift, zijnde een arbeidsovereenkomst (DOC-007 blz. 85) opgemaakt op 10 oktober 1994 tussen [bedrijf] en verdachte. Het betreft een aanstelling voor onbepaalde tijd in de functie van procuratiehouder, met ingangsdatum 1 januari 1994;

  • -

    Het proces-verbaal van verhoor van de getuige [naam] d.d. 11 april 2017 (G-001-01 blz. 59 e.v.);

  • -

    De bekennende verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting d.d. 5 maart 2018.

4.5

De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de genoemde bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:

1.

in de periode van 1 oktober 2006 tot en met 30 april 2016 in Nederland, telkens opzettelijk geldbedragen, tot een totaal bedrag van EURO 411.830,--, toebehorende aan [bedrijf] , en welke bedragen verdachte anders dan door misdrijf onder zich had, te weten als procuratiehouder van [bedrijf] , wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;

2.

in de periode van 1 oktober 2006 tot en met 30 april 2016 in Nederland,

van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt,

immers heeft hij, verdachte, telkens geldbedragen tot een totaal bedrag van EURO 411.830,00 omgezet en van geldbedragen tot een totaal bedrag van EURO 411.830,-- gebruik gemaakt door die bedragen te besteden en of uit te geven,

terwijl hij wist dat die geldbedragen geheel - onmiddellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf.

De rechtbank heeft de eventueel in de tenlastelegging voorkomende schrijffouten verbeterd in de bewezenverklaring. Verdachte wordt hierdoor niet in zijn verdediging geschaad.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte onder feit 1 primair en feit 2 meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

5 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld in de artikelen 322 en 420ter van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat voor wat betreft het witwassen sprake is van een voortgezette handeling als bedoeld in artikel 56 Sr, omdat het verduisteren en vervolgens witwassen van de geldbedragen voortkomt uit één ongeoorloofd wilsbesluit van verdachte.

De rechtbank is echter van oordeel dat, nu de verduisterings- en witwashandelingen ongelijksoortige handelingen betreffen waarvan niet gebleken is dat deze chronologisch gezien een nauw verband hebben, er geen sprake is van één ongeoorloofd wilsbesluit dat aan deze handelingen ten grondslag heeft gelegen.2

De verduisterings- en witwashandelingen zijn naar het oordeel van de rechtbank aan te merken als meerdere op zichzelf staande handelingen, zodat sprake is van meerdaadse samenloop als bedoeld in artikel 57 Sr.

Het bewezenverklaarde levert op:

feit 1 primair, het misdrijf:

verduistering gepleegd door hem die het goed uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking onder zich heeft, meermalen gepleegd;

feit 2, het misdrijf:

van het plegen van witwassen een gewoonte maken.

6 De strafbaarheid van verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor de bewezenverklaarde feiten.

7 De op te leggen straf of maatregel

7.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van vijftien maanden waarvan vijf maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft, gelet op de gezondheidstoestand van zijn cliënt en gelet op het feit dat hij met een terugbetalingsregeling bezig is, bepleit zijn cliënt te veroordelen tot een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf.

7.3

De gronden voor een straf of maatregel

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij het volgende van belang.

Verdachte is vanaf 1 januari 1994 tot aan zijn ontslag in 2016 in loondienst geweest bij [bedrijf] , zijnde het bedrijf van zijn broer, in de functie van procuratiehouder. Hij was daar onder meer belast met de boekhouding van het bedrijf.

Verdachte heeft zich gedurende de laatste tien jaren van zijn dienstverband schuldig gemaakt aan verduistering, door telkens gelden die hij beheerde, van de rekening van de BV op geraffineerde wijze naar zijn eigen bankrekening te laten overboeken. In totaal is [bedrijf] daardoor voor € 411.830,-- benadeeld.

Verdachte heeft met zijn handelen zijn positie als procuratiehouder van het bedrijf ernstig misbruikt en het in hem gestelde vertrouwen beschaamd. Daarnaast heeft hij het voorbestaan van het bedrijf in gevaar gebracht.

Als reden voor de verduistering heeft verdachte opgegeven dat hij voor de werkzaamheden die hij verrichtte voor [bedrijf] niet naar behoren werd betaald. Verdachte heeft de verduisterde gelden onder meer heeft aangewend voor vakanties, weekenden weg en de verbouwing van zijn huis. Over de bestemming van het overige deel van het verduisterde bedrag heeft verdachte verklaard dat ook dit geld is opgegaan, omdat hij de levensstijl waaraan hij gewend was geraakt niet wilde opgeven.

De rechtbank is van oordeel dat verdachte zich enkel heeft laten leiden door zijn eigen verlangen naar geld en dat hij zich niets gelegen heeft laten liggen aan de grote financiële gevolgen van zijn handelen.

Dit alles neemt de rechtbank verdachte zeer kwalijk.

Gelet op de ernst van de feiten, de omvang van het nadeel en de lange periode waarin de feiten zijn gepleegd, is de door de officier van justitie gevorderde gevangenisstraf in beginsel passend.

In het voordeel van verdachte heeft de rechtbank er rekening mee gehouden dat hij geen justitiële documentatie heeft.

De rechtbank overweegt voorts dat verdachte een terugbetalingsregeling overeengekomen is met zijn broer. Een (deels) onvoorwaardelijke gevangenisstraf zal tot gevolg hebben dat verdachte, die thans als zzp-er werkzaam is, in elk geval voorlopig niet meer aan zijn terugbetalingsverplichtingen zal kunnen voldoen.

Ook het feit dat de familierechtelijke verhoudingen door de gepleegde feiten dusdanig zijn verstoord dat verdachte alleen nog contact heeft met zijn moeder, brengen de rechtbank tot het oordeel moet worden volstaan met een maximale taakstraf, en daarnaast een forse voorwaardelijke gevangenisstraf. De proeftijd zal daarbij op drie jaren worden gesteld om verdachte te weerhouden in de toekomst nog eens zulke feiten te plegen.

8 De schade van benadeelden

8.1

De vordering van de benadeelde partij

[bedrijf] , gevestigd te Ens, heeft zich als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert verdachte te veroordelen om schadevergoeding te betalen tot een totaalbedrag van € 487.145,77 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd.

8.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie is van mening dat de vordering kan worden toegewezen tot het bedrag dat verdachte heeft verduisterd, zijnde € 411.830,--, te vermeerderen met de wettelijke rente en te verminderen met het bedrag dat verdachte reeds heeft vergoed aan de benadeelde partij.

8.3

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft primair bepleit dat de vordering in zijn geheel niet-ontvankelijk wordt

verklaard, nu de vordering niet goed is onderbouwd en het alsnog in de gelegenheid stellen tot het geven van een nadere onderbouwing zal leiden tot een onevenredige belasting van de strafrechtelijke procedure. Subsidiair heeft de raadsman bepleit dat de vordering kan worden toegewezen tot het bedrag dat verdachte heeft verduisterd en te verminderen met het bedrag dat verdachte reeds heeft terugbetaald aan de benadeelde partij.

8.4

Het oordeel van de rechtbank

Door de gebezigde bewijsmiddelen en de behandeling op de terechtzitting is komen vast te staan dat verdachte door de bewezenverklaarde feiten rechtstreeks schade heeft toegebracht aan de benadeelde partij. De rechtbank gaat met de officier van justitie daarbij uit van het bewezenverklaarde verduisterde bedrag zijnde € 411.830,--.

Nu verdachte een terugbetalingsregeling heeft getroffen en een bedrag heeft terugbetaald van € 36.779,08, is de rechtbank van oordeel dat het totale toegewezen bedrag met dit bedrag moet worden verminderd.

Ten aanzien van de overige door de benadeelde gevraagde kosten is de rechtbank van oordeel dat het vereiste rechtstreekse verband met de ten laste gelegde feiten ontbreekt, dan wel deze kosten naar oordeel van de rechtbank niet in voldoende mate zijn onderbouwd. Het bieden van gelegenheid tot het alsnog inbrengen van een nadere onderbouwing leidt echter naar het oordeel van de rechtbank tot een onevenredige belasting van de strafrechtelijke procedure.

De rechtbank zal het gevorderde daarom toewijzen tot een bedrag van € 375.051,--, te vermeerderen met de verschuldigde wettelijke rente vanaf de datum waarop de strafbare feiten zijn gepleegd. De rechtbank zal de vordering tot zover toewijzen en voor het overige niet-ontvankelijk verklaren. De benadeelde partij kan de vordering in zoverre slechts aanbrengen bij de burgerlijke rechter.

8.5

De schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij heeft verzocht en de officier van justitie heeft gevorderd de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

De rechtbank zal de maatregel als bedoeld in artikel 36f Sr opleggen, aangezien verdachte jegens de benadeelde partij naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door de feiten is toegebracht.

9 De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d en 57 Sr.

10 De beslissing

De rechtbank:

bewezenverklaring

- verklaart bewezen dat verdachte het onder 1 primair en 2 tenlastegelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;

- verklaart niet bewezen wat aan verdachte onder 1 primair en 2 meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;

strafbaarheid feit

- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;

- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1 primair, het misdrijf: verduistering gepleegd door hem die het goed uit hoofde van zijn

persoonlijke dienstbetrekking onder zich heeft, meermalen gepleegd;

feit 2, het misdrijf: van het plegen van witwassen een gewoonte maken;

strafbaarheid verdachte

- verklaart verdachte strafbaar voor het onder 1 primair en 2 bewezenverklaarde;

straf

- veroordeelt verdachte tot een taakstraf, bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid voor de duur van 240 (tweehonderdenveertig) uren;

- beveelt, voor het geval dat verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 120 dagen;

- veroordeelt verdachte voorts tot een gevangenisstraf voor de duur van negen (9) maanden;

- bepaalt dat deze gevangenisstraf in zijn geheel niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten. De rechter kan de tenuitvoerlegging gelasten indien verdachte voor het einde van de proeftijd van drie (3) jaren de navolgende voorwaarde niet is nagekomen:

- stelt als algemene voorwaarde dat verdachte:

- zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

schadevergoeding

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [bedrijf] van een bedrag van € 375.051,--, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum waarop de strafbare feiten zijn gepleegd;

- legt de maatregel op dat verdachte verplicht is ter zake van de bewezenverklaarde feiten tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 375.051,--, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum waarop de strafbare feiten zijn gepleegd ten behoeve van de benadeelde, met bevel, voor het geval dat volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt, dat vervangende hechtenis voor de duur van 365 dagen zal worden toegepast. Tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis laat de betalingsverplichting onverlet;

- bepaalt dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als verdachte aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen;

- bepaalt dat de benadeelde partij: [bedrijf] , voor een deel van € 112.094,-- niet-ontvankelijk is in de vordering, en dat de benadeelde partij de vordering voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Dit vonnis is gewezen door mr. H. Stam, voorzitter, mr. G.H. Meijer en mr. M. Aksu, rechters, in tegenwoordigheid van H.J. Veldhuis, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 19 maart 2018.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s zijn dit pagina’s uit het dossier van de FIOD/Belastingdienst met nummer [nummer] Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.

2 Zie Hoge Raad 20 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1113 en 1115.