Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2018:836

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
19-03-2018
Datum publicatie
19-03-2018
Zaaknummer
08/730151-17 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank Overijssel veroordeelt een 24-jarige man tot een gevangenisstraf van 6 maanden met een proeftijd van 2 jaar voor zware mishandeling. Naast de voorwaardelijke celstraf legt de rechtbank de man een taakstraf op van 240 uren en ontzegging van de rijbevoegdheid van 12 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Strafrecht

Meervoudige kamer

Zittingsplaats Almelo

Parketnummer: 08/730151-17 (P)

Datum vonnis: 19 maart 2018

Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum 1] 1993 in [geboorteplaats] ( [land] ),

wonende te [adres 1] .

1 Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 4 december 2017 en 5 maart 2018.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie

mr. K.J.L. de Valk en van hetgeen door verdachte en de raadsvrouw mr. P.R.L.V.M. Kruik, advocaat te ‘s-Gravenhage, naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

De verdenking komt er, na wijziging van de tenlastelegging van 4 december 2017, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

primair: aan [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht door hem op zijn fiets aan te rijden;

subsidiair: heeft geprobeerd [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen door hem op zijn fiets aan te rijden;

meer subsidiair: met een personenauto een ongeval heeft veroorzaakt, waarbij [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen;

meest subsidiair: met een personenauto gevaar en/of hinder heeft veroorzaakt op de weg.

Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:

hij op of omstreeks 19 mei 2016 te Oldenzaal aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar

lichamelijk letsel, te weten een compressiefractuur in de rugwervel (L1), heeft

toegebracht door, rijdende in een bestelauto, nadat verdachte die [slachtoffer] kort

tevoren had zien fietsen op de Haerstraat aldaar, en/of nadat verdachte en die

[slachtoffer] kort daarvoor een woordenwisseling hadden gehad en/of verdachte die

[slachtoffer] voorbij was gereden, alsnog is gestopt en/of met verhoogde, althans te hoge

snelheid achteruit is gereden in de richting waar hij die [slachtoffer] kort daarvoor had

gezien, zulks terwijl verdachte bij het achteruit rijden niet in zijn buitenspiegel(s)

en/of achteruitkijkspiegel(s) heeft gekeken, waarbij verdachte in voornoemde

bestelauto die [slachtoffer] op diens fiets heeft aangereden;

ALTHANS, voor zover voor het vorenstaande geen veroordeling mocht of zou

kunnen volgen, SUBSIDIAIR, terzake dat

hij op of omstreeks 19 mei 2016 te Oldenzaal

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer]

opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, rijdende in een

bestelauto, nadat verdachte die [slachtoffer] kort tevoren had zien fietsen op de

Haerstraat aldaar, en/of nadat verdachte en die [slachtoffer] kort daarvoor een

woordenwisseling hadden gehad en/of verdachte die [slachtoffer] voorbij was gereden,

alsnog is gestopt en/of met verhoogde, althans te hoge snelheid achteruit is

gereden in de richting waar hij die [slachtoffer] kort daarvoor had gezien, zulks

terwijl verdachte bij het achteruit rijden niet in zijn buitenspiegel(s) en/of

achteruitkijkspiegel(s) heeft gekeken, waarbij verdachte in voornoemde

bestelauto die [slachtoffer] op diens fiets heeft aangereden,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

ALTHANS, voor zover voor het vorenstaande geen veroordeling mocht of zou

kunnen volgen, MEER SUBSIDIAIR, terzake dat

hij op of omstreeks 19 mei 2016 te Oldenzaal als verkeersdeelnemer, namelijk als

bestuurder van een motorrijtuig ((bestelauto), daarmede rijdende over de weg, de

Haerstraat, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten

verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos, in elk geval zeer, althans

aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend, nadat verdachte die [slachtoffer] kort

tevoren had zien fietsen op de Haerstraat, en/of nadat verdachte en die [slachtoffer]

kort daarvoor een woordenwisseling hadden gehad en/of verdachte die [slachtoffer]

voorbij was gereden, alsnog is gestopt en/of met verhoogde, althans te hoge

snelheid achteruit is gereden in de richting waar hij die [slachtoffer] kort daarvoor had

gezien, zulks terwijl verdachte hij het achteruit rijden niet in zijn buitenspiegel(s)

en/of achteruitkijkspiegel(s) heeft gekeken, waarbij verdachte in voornoemde

bestelauto die [slachtoffer] op diens fiets heeft aangereden,

waardoor een ander (genaamd [slachtoffer] ) zwaar lichamelijk letsel, te weten een

compressiefractuur in de rugwervel (L1), of zodanig lichamelijk letsel werd

toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de

normale bezigheden is ontstaan;

ALTHANS, voor zover voor het vorenstaande geen veroordeling mocht of zou

kunnen volgen, MEEST SUBSIDIAIR, terzake dat

hij op of omstreeks 19 mei 2016 te Oldenzaal als bestuurder van een voertuig

(bestelauto), daarmee rijdende op de weg, de Haerstraat, nadat verdachte die

[slachtoffer] kort tevoren had zien fietsen op de Haerstraat, en/of nadat verdachte

en die [slachtoffer] kort daarvoor een woordenwisseling hadden gehad en/of verdachte

die [slachtoffer] voorbij was gereden, alsnog is gestopt en/of met verhoogde,

althans te hoge snelheid achteruit is gereden in de richting waar hij die

[slachtoffer] kort daarvoor had gezien, zulks terwijl verdachte bij het achteruit

rijden niet in zijn buitenspiegel(s) en/of achteruitkijkspiegel(s) heeft

gekeken, waarbij verdachte in voornoemde bestelauto die [slachtoffer] op diens fiets

heeft aangereden,

door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt,

althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd,

althans kon worden gehinderd.

3 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 De bewijsoverwegingen

4.1

Feiten en omstandigheden

De rechtbank stelt op grond van de hierna als bijlage aangehechte bewijsmiddelen en de in de voetnoot genoemde stukken, de volgende feiten en omstandigheden vast.

Op 19 mei 2016 heeft verdachte als bestuurder van een bestelauto gereden over de Haerstraat in Oldenzaal, komende uit de richting van de Wijnbergen en gaande in de richting van de Bentheimerstraat. Ter hoogte van het perceel [adres 2] heeft verdachte een geparkeerd voertuig langs de kant van de weg ingehaald. Uit de richting van de Bentheimerstraat en over de Haerstraat richting de Koppelboerweg kwam op datzelfde moment aangever [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer] ) aan fietsen op zijn racefiets1. [slachtoffer] was genoodzaakt om zijn fiets de berm in te sturen om een aanrijding met verdachte te voorkomen. Vervolgens zijn verdachte en [slachtoffer] gestopt en hebben een woordenwisseling gehad. Hierop is [slachtoffer] weggefietst. Verdachte zag in zijn buitenspiegel dat [slachtoffer] wegfietste. Na een aantal meters vooruit te hebben gereden, is verdachte wederom gestopt en is hij achteruit gereden in de richting waarin [slachtoffer] was weggefietst. Verdachte is, terwijl hij achteruit reed, door een, blijkens de aan het in voetnoot 1 genoemde proces-verbaal gehechte foto, onoverzichtelijke bocht gereden. Verdachte heeft tijdens het achteruit rijden niet in zijn buitenspiegels gekeken. De binnenspiegel gebruikte hij niet omdat die uitzicht gaf op een dichte laadbak. Vlak na deze bocht heeft verdachte [slachtoffer] aangereden, waardoor [slachtoffer] van zijn fiets is gevallen. Als gevolg van de aanrijding heeft [slachtoffer] letsel opgelopen, onder meer een fractuur van zijn rugwervel (L1). Hij ondervindt hierdoor blijvende pijnklachten en bewegingsbeperkingen.

4.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat verdachte met opzet achteruit is gereden om verhaal te halen bij [slachtoffer] .

4.3

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte van alle tenlastegelegde varianten vrijgesproken dient te worden. De raadsvrouw heeft hiertoe aangevoerd dat verdachte geen opzet dan wel voorwaardelijk opzet heeft gehad op het aanrijden van [slachtoffer] en dat niet vastgesteld kan worden dat verdachte met een hoge snelheid achteruit is gereden. Verder heeft de raadsvrouw aangevoerd dat de verklaring van getuige [getuige] niet als bewijs gebruikt kan worden, omdat niet duidelijk is of de getuige voor zijn verhoor bij de rechter-commissaris beïnvloed is door de politie.

4.4

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte het primair tenlastegelegde feit heeft begaan. De rechtbank overweegt daartoe het volgende.

(Voorwaardelijk) opzet

De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of verdachte – al dan niet in voorwaardelijke vorm – opzet heeft gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan [slachtoffer] .

Voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg – zoals hier het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel – is aanwezig indien de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dit gevolg zal intreden. De beantwoording van de vraag of de gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten. Voor de vaststelling dat de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan een dergelijke kans is voorts niet alleen vereist dat de verdachte wetenschap heeft van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden, maar ook dat hij die kans ten tijde van de gedraging bewust heeft aanvaard (op de koop toe heeft genomen). Bepaalde gedragingen kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zo zeer gericht op een bepaald gevolg dat het – behoudens contra-indicaties – niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg heeft aanvaard (vgl. HR 30 december 2012, LJN BX5396 en 25 maart 2003, LJN AE9049).

De vraag die beantwoord moet worden is of het handelen van verdachte op zichzelf genomen de aanmerkelijke kans op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel (waarover hierna meer) met zich meebrengt. De rechtbank overweegt dat op grond van het onderhavige dossier en de behandeling ter terechtzitting is komen vast te staan dat verdachte op
19 mei 2016 met zijn bestelauto achteruit is gaan rijden om verhaal te halen bij [slachtoffer] . Verdachte heeft tijdens het achteruit rijden niet in zijn buitenspiegels gekeken, terwijl verdachte wist dat [slachtoffer] zich achter de auto bevond dan wel die kant op was gefietst. Ook zit er ter plaatse een onoverzichtelijke bocht in de weg. Verdachte heeft vervolgens [slachtoffer] op diens fiets aangereden. Door te handelen zoals hij deed, heeft verdachte zich willens en wetens blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat hij de fietser zou aan- of overrijden. Verdachte heeft die kans blijkens zijn handelen welbewust aanvaard waardoor er sprake is geweest van opzet bij de verdachte op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel.

Zwaar lichamelijk letsel

Op basis van de medische verklaring die als bewijsmiddel is opgenomen, stelt de rechtbank vast dat [slachtoffer] een fractuur in de ‘eerste lendewervel’ heeft opgelopen en tien weken met een korset is behandeld. Verder zal hij blijvende rugpijn ondervinden bij lichamelijke belasting.

De rechtbank kwalificeert het bij [slachtoffer] ontstane letsel op basis van het voorgaande als zwaar lichamelijk letsel.

Conclusie

Op basis van het vorenstaande komt de rechtbank tot een bewezenverklaring van het primair tenlastegelegde.

4.5

De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van het voorgaande wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat :

hij op 19 mei 2016 te Oldenzaal aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een fractuur in de rugwervel (L1), heeft toegebracht door, rijdende in een bestelauto, nadat verdachte die [slachtoffer] kort tevoren had zien fietsen op de Haerstraat aldaar, en nadat verdachte en die [slachtoffer] kort daarvoor een woordenwisseling hadden gehad en verdachte die [slachtoffer] voorbij was gereden, alsnog is gestopt en achteruit is gereden in de richting waar hij die [slachtoffer] kort daarvoor had gezien, zulks terwijl verdachte bij het achteruit rijden niet in zijn buitenspiegels en achteruitkijkspiegel heeft gekeken, waarbij verdachte die [slachtoffer] op diens fiets heeft aangereden.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

5 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld in artikel 302 Sr. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:

primair: het misdrijf: zware mishandeling.

6 De strafbaarheid van verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor het bewezenverklaarde feit.

7 De op te leggen straf of maatregel

7.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, waarvan 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren. Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd dat aan verdachte een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen wordt opgelegd voor de duur van 30 maanden, waarvan 10 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft geen strafmaatverweer gevoerd.

7.3

De gronden voor een straf of maatregel

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen.
De rechtbank acht daarbij het volgende van belang.

Verdachte is naar aanleiding van een verkeersruzie verhaal gaan halen bij [slachtoffer] , die op een racefiets reed. Verdachte is in zijn bestelbus achteruitgereden zonder tijdens het achteruitrijden in zijn spiegels te kijken en heeft vervolgens de zwakkere verkeersdeelnemer [slachtoffer] aangereden. Als gevolg hiervan heeft [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel opgelopen en heeft hij blijvende pijnklachten. Deze gebeurtenis heeft voor [slachtoffer] niet alleen lichamelijke gevolgen gehad, maar ook een behoorlijke psychische impact, zo leidt de rechtbank af uit de diverse verklaringen van [slachtoffer] in het dossier en uit zijn verklaring ter zitting van 5 maart 2018. Dit grensoverschrijdend gedrag van verdachte rekent de rechtbank verdachte zwaar aan. De zwaarte van de straf wordt ook bepaald door het feit dat de verdachte geen verantwoordelijkheid neemt voor zijn buitensporig en strafbaar handelen.

De rechtbank heeft bij het bepalen van de strafmaat acht geslagen op de oriëntatiepunten die zijn vastgesteld door het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) voor zover die gelden voor het feit in deze zaak.

De rechtbank heeft mede in aanmerking genomen dat verdachte, blijkens het uittreksel uit de justitiële documentatie van 19 januari 2018, niet eerder voor soortgelijke feiten is veroordeeld.

De rechtbank acht gelet op dit alles en rekening houdend met het tijdsverloop sinds de pleegdatum en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf niet passend en geboden. Maar verdachte dient wel stevig gestraft te worden. Daarom zal de maximale taakstraf van 240 uren opgelegd worden. Daarnaast acht de rechtbank een forse voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zes maanden, met een proeftijd van twee jaren, passend en geboden. Dit om verdachte ervan te weerhouden zich opnieuw aan het plegen van strafbare feiten schuldig te maken. De rechtbank zal daarnaast aan verdachte een ontzegging van de rijbevoegdheid opleggen voor de duur van twaalf maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk, eveneens met een proeftijd van twee jaren.

8 De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op het hiervoor genoemde wetsartikel. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d Sr en 179a van de Wegenverkeerswet 1994.

9 De beslissing

De rechtbank:

bewezenverklaring

- verklaart bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;

- verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;

strafbaarheid feit

- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;

- verklaart dat het bewezenverklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

primair: het misdrijf: zware mishandeling;

strafbaarheid verdachte

- verklaart verdachte strafbaar voor het bewezenverklaarde;

straf

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) maanden;

- bepaalt dat deze gevangenisstraf in zijn geheel niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten. De rechter kan de tenuitvoerlegging gelasten indien veroordeelde voor het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren de navolgende voorwaarde niet is nagekomen:

- stelt als algemene voorwaarde dat veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- veroordeelt verdachte tot een taakstraf, bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid voor de duur van 240 (tweehonderdveertig) uren;

- beveelt, voor het geval dat veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 120 dagen;

- ontzegt verdachte de bevoegdheid motorvoertuigen te besturen voor de duur van 12 (twaalf) maanden;

- bepaalt dat een deel van deze bijkomende straf, groot 6 (zes) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat veroordeelde zich vóór het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Dit vonnis is gewezen door mr. B.W.M. Hendriks, voorzitter, mr. A.M.G. Ellenbroek en
mr. P.M.F. Schreurs, rechters, in tegenwoordigheid van Z. Demir, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 19 maart 2018.

Mr. Schreurs is niet in staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage bewijsmiddelen

Leeswijzer

Deze bijlage maakt deel uit van het vonnis en bevat de bewijsmiddelen.

Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van de regiopolitie Oost-Nederland met nummer [nummer] . Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.

1. Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] van 26 mei 2016, pagina’s 9 en 10, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van aangever:

Op 19 mei 2016 fietste ik op mijn wielrennersfiets op de Haerstraat in Oldenzaal.

Onverwachts zag ik dat de bestuurder van het bestelautootje, naar mijn gevoel provocerend, de geparkeerde werkbus voorbij reed. Ik moest heel hard remmen om het bestelautootje niet te raken. Ik ben toen uitgeweken naar de berm. Ik kon net op tijd tot stilstand komen, maar moest wel leunen tegen de motorkap van het bestelautootje om niet te vallen. Ik schreeuwde door het geopende portier van de bestelauto: “Lul”!

Ik ben toen langzaam doorgefietst. Ik fietste ongeveer 20 kilometer per uur. Toen ik ongeveer 10 meter verder was, hoorde ik dat de bestuurder van het bestelautootje aan het schakelen was. Ik hoorde aan het geluid van het bestelautootje dat deze met volle snelheid achteruit reed. Ik hoorde nadat ik zo ongeveer 40 meter was weggefietst, een krakend geluid en gelijk werd ik getorpedeerd. Ik voelde gelijk veel pijn in mijn bil en rug.

2. Een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, onder 5, Sv, te weten een medisch verslag gedateerd 5 december 2017, zakelijk weergegeven, onder meer inhoudende:

Medische informatie betreffende:

Achternaam: [slachtoffer]

Voornamen: [slachtoffer]

Geboren: [geboortedatum 2] 1958

Omschrijving van het letsel:

Fractuur van de eerste lendewervel. 10 weken met korset behandeld. Blijvende rugpijn bij lichamelijke belasting.

3. Het proces-verbaal van verhoor van verdachte van 19 mei 2016, pagina’s 23 en 24, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van verdachte:

Ik zag dat de man (de rechtbank begrijpt: [slachtoffer] ) wegfietste. Ik was inmiddels een beetje geïrriteerd over wat er allemaal gebeurde. Ik zette de auto in de achteruit en reed vervolgens achteruit. Ik reed achteruit zonder in mijn buitenspiegels te kijken. Mijn binnenspiegel kan ik niet gebruiken. Op het moment dat ik achteruit reed hoorde ik een knal en ik voelde dat ik iets geraakt had met de bestelauto.

4. Het proces-verbaal van de terechtzitting van 4 december 2017, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van verdachte:

Ik wilde de fietser aanspreken op zijn reactie naar mij. Ik zag in mijn buitenspiegel dat de fietser wegfietste. Hierop besloot ik achteruit te rijden.

5. Het proces-verbaal van de terechtzitting van 5 maart 2018, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van verdachte:

Ik heb tijdens het achteruit rijden niet in mijn buitenspiegel gekeken.

[slachtoffer] fietste langs mij heen en schold mij uit. Ik reed niet eens tien meter vooruit waarna ik ben gestopt. Iets later ben ik weer achteruit gereden.

1 De rijrichtingen en straatnamen stelt de rechtbank vast op grond van het aanvullend proces-verbaal van bevindingen van [verbalisant 1] en [verbalisant 2] van 8 december 2017 en de daaraan gehechte plattegrond.