Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2018:823

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
16-03-2018
Datum publicatie
16-03-2018
Zaaknummer
C/08/214460 / KG ZA 18-57
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding tot betaling van executiekosten na gedwongen ontruiming standplaats.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Zwolle

zaaknummer / rolnummer: C/08/214460 / KG ZA 18-57

Vonnis in kort geding van 16 maart 2018

in de zaak van

de publiekrechtelijke rechtspersoon

DE GEMEENTE KAMPEN,

zetelend te Kampen,

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie, hierna te noemen de gemeente,

advocaat mr. J.J.M. Pinners te Zwolle,

tegen

1 [gedaagde 1] ,

wonende te [plaats 1] ,

gedaagde in conventie, hierna te noemen [gedaagde 1] ,

2. [gedaagde 2],

wonende te [plaats 1] ,

gedaagde in conventie,

eiser in reconventie, hierna te noemen [gedaagde 2] ,

advocaat mr. J.W. Both te Dronten.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 22 februari 2018

  • -

    de conclusie van antwoord in conventie tevens conclusie van eis in reconventie

  • -

    de e-mails van 27 februari en 1 maart 2018 van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] met daarin een hyperlink naar twee videobestanden

  • -

    de bij brief van 1 maart 2018 toegezonden aanvullende producties van de gemeente

  • -

    de mondelinge behandeling van 2 maart 2018

  • -

    de pleitnota van de gemeente

  • -

    de pleitnota van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] .

1.2.

Hierna is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

De gemeente is eigenaar van de woonwagenstandplaats aan [adres 1] te [plaats 2] (hierna te noemen de standplaats).

2.2.

Bij vonnis van de kantonrechter te Zwolle van 18 augustus 2015, gewezen tussen de gemeente en [gedaagde 2] , is de tussen de gemeente en [gedaagde 2] bestaande huurovereenkomst met betrekking tot de standplaats ontbonden en is [gedaagde 2] veroordeeld om binnen twee weken na betekening van dat vonnis de standplaats met al het zijne en de zijnen en onder medeneming van al zijn eigendommen te ontruimen en ontruimd te houden. Ook is [gedaagde 2] in dat vonnis veroordeeld tot betaling van de kosten van de procedure, zowel in conventie als in reconventie en waaronder nakosten.

2.3.

Bij exploot van 21 augustus 2015 is voornoemd vonnis aan [gedaagde 2] betekend en is aan hem bevel gedaan om binnen twee weken na de dag van betekening tot ontruiming van de standplaats over te gaan en binnen twee dagen na de dag van betekening tot betaling van een bedrag van € 1.279,79 aan proceskosten en kosten van het betekeningsexploot.

2.4.

Bij arrest van 23 mei 2017 heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden het vonnis van 18 augustus 2015 bekrachtigd en is [gedaagde 2] veroordeeld in de proceskosten, de nakosten daaronder begrepen.

2.5.

Voornoemd arrest is bij exploot van 26 juni 2017 aan [gedaagde 2] betekend. Daarbij is aan hem bevel gedaan om de standplaats uiterlijk op 1 september 2017 te ontruimen en om binnen twee dagen na de dag van betekening over te gaan tot betaling van een bedrag van € 5.103,37 aan proceskosten uit hoofde van het vonnis van 18 augustus 2015 en het arrest van 23 mei 2017, nakosten, betekeningskosten, reeds gemaakte executiekosten en kosten van het betekeningsexploot. Ook is aangezegd dat indien niet aan dat bevel voldaan zou worden, de executoriale titel(s) ten uitvoer zou(den) worden gelegd en dat de gerechtelijke ontruiming op 7 september 2017 zou geschieden.

2.6.

Per brief van 29 juni 2017 heeft mr. Both aan de gemeente kenbaar gemaakt dat [gedaagde 1] een retentierecht heeft gevestigd op de woonwagen.

2.7.

Bij vonnis in kort geding van 13 juli 2017 van de voorzieningenrechter te Zwolle is [gedaagde 1] veroordeeld om binnen twee weken na betekening van het vonnis de standplaats met al het hare en de haren en onder medeneming van al haar (mede)eigendommen, waaronder de zich op de standplaats bevindende woonwagen, te ontruimen en ontruimd te laten en is zij veroordeeld tot betaling van de kosten van de procedure, in conventie en in reconventie en waaronder nakosten. Tegen dit vonnis is geen hoger beroep ingesteld.

2.8.

In voornoemd kort geding vonnis staat onder de feiten, voor zover van belang, het volgende vermeld:

2. De feiten

(…)

2.18.

[gedaagde 1] heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de kantonrechter van 18 augustus 2015. In de betreffende memorie van grieven staat over de eigendom van de woonwagen vermeld:

“De woonwagen die daar als sinds jaar en dag op staat, tot op de dag van vandaag, is van partijen samen en is relatief luxe en kostbaar.”

[gedaagde 2] heeft tijdens het pleidooi van 31 maart 2017 in de betreffende hoger beroep procedure, bij welk pleidooi [gedaagde 1] ook aanwezig was, ten aanzien van de eigendom van de woonwagen blijkens het proces-verbaal van de betreffende zitting het volgende verklaard:
“juridisch gezien is [gedaagde 1] de eigenaar van de woning, maar wij zijn één. Er zijn geen eigendomspapieren, want kadastraal is er niks geregeld. In 1999/2000 is het huis gebouwd door mijzelf. De bouwmaterialen en dergelijke zijn betaald door degene die maar net op dat moment naar de bouwmarkt ging. Er is geen hypotheek op de wagen. Wij zouden pas een hypotheek krijgen als de grond van ons zou zijn. (..) Er is geen bewijs van wie de wagen precies is.

2.19.

In een door [gedaagde 2] aanhangig gemaakt kort geding bij de voorzieningenrechter te Zwolle en in een door [gedaagde 2] en [gedaagde 1] aangespannen procedure bij het College voor de Rechten van de Mens is als feit vastgesteld dat [gedaagde 2] en [gedaagde 1] gezamenlijk eigenaar zijn van de woonwagen.

2.20.

Bij arrest van 23 mei 2017 heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden het vonnis van de kantonrechter van 18 augustus 2015 bekrachtigd. In dat arrest is, voor zover van belang, het volgende overwogen:

“(…)
[gedaagde 1] is geen partij in deze procedure. Van haar staat vast dat zij ook geen medehuurster is. Wel is zij waarschijnlijk mede-eigenaar van de woonwagen en pretendeert zij een leveringsrecht te hebben, waarover in deze procedure geen beslissing is komen te vallen. Het gaat het bestek van deze procedure, waarin [gedaagde 1] niet is betrokken, te buiten dat de gemeente wordt gemachtigd een waarschijnlijk in mede-eigendom van [gedaagde 1] toebehorende wagen – in de woorden van [gedaagde 2] – te “knijpen” (vernietigen).”

2.21.

In een door de gemeente op 3 april 2017 van [gedaagde 2] en [gedaagde 1] ontvangen brief staat, voor zover relevant, vermeld:

“Wij, [gedaagde 2] en [gedaagde 1] , verklaren dat wij samen eigenaar zijn van de wagen aan [adres 1] te [plaats 2] .”

2.9.

Het kort geding vonnis van 13 juli 2017 is op 17 juli 2017 aan [gedaagde 1] betekend. In het betekeningsexploot is aan [gedaagde 1] bevel gedaan om binnen veertien dagen na de dag van betekening de standplaats te ontruimen en om binnen twee dagen na de dag van betekening een bedrag van € 2.210,54 aan proceskosten, nakosten en kosten van het betekeningsexploot te voldoen. Ook is [gedaagde 1] aangezegd dat indien niet aan dat bevel voldaan zou worden, het vonnis ten uitvoer zou worden gelegd en dat de gerechtelijke ontruiming op 7 september 2017 zou geschieden.

2.10.

Op verzoek van de gemeente heeft het bedrijf 4Risk de woonwagen in week 36 van 2017 getaxeerd. Daarbij is de waarde van de woonwagen vastgesteld op een bedrag van
€ 30.200,00. Ter zake van die taxatie heeft 4Risk een bedrag van € 950,00 exclusief btw aan de gemeente gefactureerd.

2.11.

In een e-mail van 4Risk d.d. 23 oktober 2017 aan een adviseur van de gemeente Kampen staat, voor zover relevant, het volgende vermeld:

“(…) Indien er rekening gehouden moet worden met een executiebeslag en een restwaarde na het verplaatsen van de woonwagen zal dit inderdaad zijn effect hebben op de dagwaarde. Gemiddeld kan er uitgegaan worden van 60% van de dagwaarde bij executie.

Je spreekt dan over een rest dagwaarde van € 18.120,-.”

2.12.

Op 7 september 2017 is de standplaats door de deurwaarder en met behulp van onder meer de politie ontruimd. Op die datum is tevens uit kracht van het vonnis van 18 augustus 2015 en het vonnis in kort geding van 13 juli 2017 executoriaal beslag gelegd op de woonwagen en is deze in gerechtelijke bewaring gegeven ter executoriale verkoop.

2.13.

Het proces-verbaal houdende executoriaal beslag en het proces-verbaal houdende relaas van gerechtelijke inbewaringgeving zijn bij exploot van 11 september 2017 aan [gedaagde 1] en [gedaagde 2] betekend. Deze betekening heeft plaatsgehad aan het Arrondissementsparket Oost-Nederland te Arnhem. In het betekeningsexploot is aangezegd dat de woonwagen op 18 december 2017 openbaar zou worden verkocht.

2.14.

De ontruiming is onder regie van de deurwaarder uitgevoerd door het bedrijf [X] (hierna te noemen [X] ). Zij heeft ter zake van deze ontruiming een bedrag van € 42.337,32 aan de gemeente in rekening gebracht.

2.15.

In de door [X] aan de gemeente uitgebrachte offerte staat, voor zover van belang, het volgende vermeld:

“er is gerekend met 250m opslag voor de periode van drie maanden elke extra week kost

€ 2.500”.

2.16.

Op 12 september 2017 hebben [gedaagde 1] en [gedaagde 2] via internet aan de gemeente [plaats 1] doorgegeven dat zij per 6 september 2017 woonachtig zijn op het adres [adres 2] te [plaats 1] .

2.17.

Rond half december 2017 hebben [gedaagde 1] en [gedaagde 2] op laatstgenoemd adres een brief van de deurwaarder ontvangen met de mededeling dat is overgegaan tot het aanplakken van de plaats en het tijdstip van de openbare verkoop van de woonwagen en dat deze verkoop zal plaatsvinden op 18 december 2017. Het betreffende plakkaat was bij die brief gevoegd.

2.18.

Mr. Both heeft per brief van 15 december 2017 bezwaar gemaakt tegen de openbare verkoop van de woonwagen.

2.19.

Omdat zich tijdens de openbare verkoop op 18 december 2017 geen potentiële koper met betrekking tot de woonwagen had gemeld, is de openbare verkoop opnieuw vastgesteld op 8 februari 2018. Bij exploot van 30 januari 2018 zijn [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hiervan op de hoogte gesteld.

2.20.

Op 1 februari 2018 heeft [gedaagde 1] een bedrag van € 2.700,00 aan de deurwaarder voldaan ter zake van de in het kort geding vonnis van 13 juli 2017 opgenomen proceskostenveroordeling.

2.21.

Op 1 februari 2018 is op verzoek van de gemeente uit kracht van het vonnis van 18 augustus 2015 en het arrest van 23 mei 2017 executoriaal beslag gelegd op een drietal registergoederen van [gedaagde 2] , namelijk twee percelen grond in Wezep en een perceel grond in Ugchelen.

2.22.

Mr. Both heeft zich bij brieven aan de gemeente van 6 en 7 februari 2018 op het standpunt gesteld dat een afzonderlijke executoriale titel nodig is voor verhaal van de ontruimingskosten. De gemeente heeft vervolgens de openbare verkoop van de woonwagen opgeschort.

3. Het geschil in conventie

3.1.

De gemeente vordert bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis hoofdelijke veroordeling van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] tot betaling van een bedrag van € 45.360,47 aan executiekosten, vermeerderd met de wettelijke rente en veroordeling van [gedaagde 2] tot betaling van een bedrag van € 512,02 aan executiekosten, vermeerderd met de wettelijke rente. Ook vordert de gemeente [gedaagde 1] en [gedaagde 2] te veroordelen om te gehengen en gedogen dat de deurwaarder ter uitvoering van de vonnissen van 18 augustus 2015 en 13 juli 2017 ter inning van de proceskostenveroordelingen en ter inning van de reeds gemaakte executiekosten de executoriale verkoop van de woonwagen jegens [gedaagde 1] en [gedaagde 2] opnieuw aanzegt. Tot slot vordert de gemeente hoofdelijke veroordeling van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] in de kosten van dit geding, de nakosten daaronder begrepen, vermeerderd met de wettelijke rente indien voldoening niet binnen veertien dagen na dagtekening van dit vonnis plaatsvindt.

3.2.

De gemeente legt aan deze vorderingen het navolgende ten grondslag. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben de gemeente, door de onherroepelijke ontruimingsvonnissen van 18 augustus 2015 en 13 juli 2017 niet vrijwillig na te komen, met executiekosten opgezadeld en zij zijn jegens de gemeente beiden volledig aansprakelijk voor deze kosten ad € 45.360,47, nu deze betrekking hebben op de ontruiming van de standplaats. In werkelijkheid zijn de executiekosten veel hoger dan de thans gevorderde kosten. [gedaagde 2] is in het kader van de executie van het vonnis van 18 augustus 2015 en het arrest van 23 mei 2017 jegens de gemeente bovendien aansprakelijk voor de kosten van de op 1 februari 2018 gelegde executoriale beslagen. Het is in hoge mate aannemelijk dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] de kosten die het betreft aan de gemeente verschuldigd zijn, zodat een vordering tot betaling van die kosten in kort geding toewijsbaar is. De gemeente wenst ter beperking van het oplopen van haar schade op korte termijn de openbare executoriale verkoop van de woonwagen opnieuw aan te zeggen, maar [gedaagde 1] en [gedaagde 2] frustreren dat bij brieven van hun raadsman en hebben de deurwaarder op 7 februari 2018 aansprakelijk gesteld voor beweerdelijk onrechtmatig handelen van de deurwaarder.

3.3.

[gedaagde 1] en [gedaagde 2] voeren verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 Het geschil in reconventie

4.1.

[gedaagde 2] vordert de opheffing van het op 1 februari 2018 ten laste van hem gelegde executoriale beslag op het perceel grond te Ugchelen en/of opheffing van de op 1 februari 2018 ten laste van hem gelegde executoriale beslagen op de percelen grond te Wezep en een verbod aan de gemeente om opnieuw op de registergoederen die het betreft beslag te leggen of op de verkoopopbrengst onder de notaris, met veroordeling van de gemeente in de proceskosten, de nakosten daaronder begrepen.

4.2.

[gedaagde 2] legt aan deze vordering het navolgende ten grondslag. De gemeente pleegt misbruik van recht door voor het exorbitant hoge bedrag aan ontruimingskosten ook executoriaal beslag te leggen op de onroerende goederen. [gedaagde 2] is de ontruimingskosten niet verschuldigd en mocht blijken dat dit wel zo is, dan sorteert het beslag geen effect, aangezien er geen overwaarde bestaat op de betreffende registergoederen en [gedaagde 2] de percelen grond in Wezep heeft verkocht aan zijn schoonzoon. Er bestaat thans ook geen titel voor de beslagen. De schoonzoon van [gedaagde 2] heeft een Vormerkung op de percelen grond in Wezep laten inschrijven, zodat een eventueel nieuw beslag de transactie niet regardeert.

4.3.

De gemeente voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

5 De beoordeling in conventie

5.1.

Voorop gesteld wordt dat een afzonderlijke executoriale titel nodig is voor verhaal van de door de gemeente gemaakte ontruimingskosten. Ingevolge artikel 237 lid 3 Rv wordt het bedrag van de kosten waarin de verliezende partij wordt veroordeeld bij vonnis vastgesteld, voor zover die kosten vóór de uitspraak zijn gemaakt. Daarvan is bij ontruimingskosten geen sprake, nu dit kosten zijn die na het ontruimingsvonnis (mogelijk) worden gemaakt.

5.2.

Aangezien een geldvordering ook in kort geding kan worden ingesteld, staat – anders dan [gedaagde 1] en [gedaagde 2] menen – niets er naar het oordeel van de voorzieningenrechter aan in de weg dat in kort geding wordt getracht een executoriale titel voor verhaal van executiekosten te verkrijgen. Met betrekking tot een voorziening in kort geding, bestaande in veroordeling tot betaling van een geldsom, is echter terughoudendheid op zijn plaats. De rechter zal daarbij niet alleen hebben te onderzoeken of het bestaan van een vordering van de eiser op de gedaagde voldoende aannemelijk is, maar ook of daarnaast sprake is van feiten en omstandigheden die meebrengen dat uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening is vereist, terwijl de rechter in de afweging van de belangen van partijen mede zal hebben te betrekken de vraag naar - kort gezegd - het risico van onmogelijkheid van terugbetaling, welk risico kan bijdragen tot weigering van de voorziening.

5.3.

De gemeente stelt zo spoedig mogelijk duidelijkheid te willen hebben over het verkrijgen van een titel voor verhaal van de door haar gemaakte executiekosten, zodat de deurwaarder verder kan met het reeds in gang gezette executietraject en het verder oplopen van de kosten voor de gerechtelijke bewaring van de woonwagen voorkomen wordt. Het spoedeisend belang vloeit naar het oordeel van de voorzieningenrechter genoegzaam voort uit deze stelling van de gemeente, zodat aan het verweer van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] dienaangaande voorbij zal worden gegaan.
5.4. Aangenomen mag worden dat van een restitutierisico aan de zijde van de gemeente geen sprake is.

5.5.

In het kader van de vraag of voldoende aannemelijk is dat de gemeente jegens [gedaagde 1] en [gedaagde 2] aanspraak kan maken op een bedrag van € 45.360,47 aan executiekosten wordt voorop gesteld dat indien een partij niet voldoet aan een veroordeling in een gerechtelijke uitspraak, uit het systeem van de wet volgt dat deze partij ook de kosten van de tenuitvoerlegging dient te voldoen.
5.6. Vast staat dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] beiden zijn veroordeeld tot de ontruiming van de standplaats, dat [gedaagde 2] is veroordeeld tot betaling van de kosten van de procedures die hebben geleid tot het vonnis van 18 augustus 2015 en het arrest van 23 mei 2017 en dat [gedaagde 1] is veroordeeld tot betaling van de proceskosten uit hoofde van het kort geding vonnis van 13 juli 2017. Ook staat vast dat zij niet aan deze veroordelingen hebben voldaan. De deurwaarder heeft [gedaagde 1] en [gedaagde 2] vervolgens tevergeefs bevel gedaan om aan de executoriale titels die het betreft te voldoen, zodat de gemeente in beginsel gerechtigd was de gedwongen ontruiming van de standplaats in gang te zetten.

5.7.

[gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben ter zitting aangevoerd dat de standplaats niet ontruimd had mogen worden vanwege het door [gedaagde 1] op 29 juni 2017 ingeroepen retentierecht. Zij stellen zich in dit kader op het standpunt dat [gedaagde 1] jegens de gemeente aanspraak kan maken op schadevergoeding, primair wegens ongerechtvaardigde verrijking. Wat dit betreft voeren [gedaagde 1] en [gedaagde 2] aan dat de gemeente door natrekking eigenaar is geworden van de woonwagen en daardoor ongerechtvaardigd is verrijkt, terwijl [gedaagde 1] door deze natrekking is verarmd. Subsidiair meent [gedaagde 1] aanspraak te kunnen maken op schadevergoeding, omdat de gemeente ondanks dat er wilsovereenstemming was bereikt over de koop van de standplaats, niet tot levering daarvan is overgegaan. Een derde grondslag voor schadevergoeding is volgens [gedaagde 1] en [gedaagde 2] gelegen in onrechtmatig handelen door de gemeente, gezien de gehele gang van zaken in de jaren voorafgaand aan het vonnis van 18 augustus 2015.

5.8.

De voorzieningenrechter gaat aan de betrokken stelling van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] voorbij. Het standpunt van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] dat sprake is van natrekking staat haaks op al hun overige stellingen in de onderhavige procedure waarvoor zij als uitgangspunt hebben genomen dat de woonwagen van [gedaagde 1] “is en blijft”. Over de kwestie met betrekking tot de levering van de standplaats is reeds in het vonnis in kort geding van 13 juli 2017, dat onherroepelijk is geworden, een beslissing genomen in het nadeel van [gedaagde 1] , terwijl de stelling dat de gemeente onrechtmatig jegens [gedaagde 1] heeft gehandeld onvoldoende is toegelicht en onderbouwd.

5.9.

[gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben ook nog aangevoerd dat de gemeente onrechtmatig heeft gehandeld door na het kort geding vonnis van 13 juli 2017 niet met hen in overleg te treden over het verwijderen van de woonwagen, maar ook aan deze stelling wordt voorbij gegaan. De gemeente heeft ter zitting betwist dat zij niet met [gedaagde 1] en [gedaagde 2] in overleg wilde treden door aan te voeren dat er herhaaldelijk overleg is geweest met [gedaagde 1] en [gedaagde 2] , maar dat zij er met hen niet uit kwam. Nu [gedaagde 1] en [gedaagde 2] de stelling dat de gemeente niet met hen in overleg wilde treden in het licht van deze betwisting onvoldoende hebben toegelicht en onderbouwd, wordt hieraan voorbij gegaan.

5.10.

De conclusie uit het voorgaande is dat de gemeente gerechtigd was de standplaats te ontruimen. Ingevolge artikel 556 lid 1 Rv geschiedt een gedwongen ontruiming altijd door de deurwaarder, die geen machtiging behoeft om de veroordeling tot ontruiming ten uitvoer te leggen. De deurwaarder behoeft evenmin een rechterlijke machtiging om bij een ontruiming de hulp van de sterke arm in te roepen. Die bevoegdheid ontleent hij rechtstreeks aan artikel 557 Rv, waarin artikel 444 Rv van overeenkomstige toepassing is verklaard. Het verweer van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] dat de gemeente de standplaats zonder recht of titel heeft ontruimd nu zij in de tegen hen gevoerde procedures niet mede heeft gevorderd dat er met behulp van de sterke arm mocht worden ontruimd, faalt dus.

5.11.

De voorzieningenrechter acht voorshands voldoende aannemelijk dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] gezamenlijk eigenaar zijn van de woonwagen. Weliswaar stellen [gedaagde 1] en [gedaagde 2] in de onderhavige procedure dat de wagen van [gedaagde 1] is, dat [gedaagde 2] in de hoger beroepprocedure slechts één keer heeft geroepen dat hij eigenaar is van de wagen en dat [gedaagde 1] de bouw van de wagen heeft bekostigd, maar deze stellingen rijmen niet met de feiten zoals deze hiervoor onder 2.8. zijn geciteerd uit het kort geding vonnis van 13 juli 2017. Gelet op hetgeen [gedaagde 2] in de hoger beroep procedure naar voren heeft gebracht over de eigendom van de woonwagen, moet het er naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter voor worden gehouden dat de materialen voor de bouw van de woonwagen door zowel [gedaagde 1] als [gedaagde 2] zijn betaald en dat zij daarmee beiden eigenaar zijn geworden van de woonwagen.

5.12.

Het grootste deel van het door de gemeente gevorderde bedrag van € 45.360,47 aan executiekosten ziet op de kosten die gemoeid waren met het verwijderen en opslaan van de woonwagen. De gemeente stelt dat dit een bedrag van € 42.346,91 betreft, maar gelet op de facturen van [X] moet uitgegaan worden van een bedrag van € 42.337,32.

5.13.

[gedaagde 1] en [gedaagde 2] menen dat deze kosten exorbitant en onredelijk hoog zijn en stellen zich op het standpunt dat de gemeente meerdere offertes had moeten opvragen en dat een deugdelijke specificatie van de gemaakte kosten ontbreekt. Volgens [gedaagde 1] en [gedaagde 2] had het verwijderen van de woonwagen van de standplaats ook veel zorgvuldiger gekund door de wagen in vier delen te zagen en was er geen aanleiding de wagen af te slepen en te transporteren. Zij menen dat de gemeente, toen duidelijk was dat zij de woonwagen niet zelf verwijderd hadden, met hen over (de wijze van) het verwijderen van de woonwagen had moeten overleggen. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] betwisten ook de kosten voor het verwijderen van het terras door te stellen dat er helemaal geen sprake was van een terras.

5.14.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat de gemeente met het overleggen van de facturen en de offerte van [X] voornoemd bedrag van € 42.337,32 voldoende heeft onderbouwd. Er bestaan bovendien onvoldoende aanknopingspunten om voorshands aan te nemen dat die kosten exorbitant hoog zijn of niet in redelijkheid zijn gemaakt. Het door [gedaagde 1] en [gedaagde 2] overgelegde WhatsApp-bericht dat afkomstig zou zijn van een verhuisbedrijf is daartoe volstrekt onvoldoende, nog afgezien van het feit dat de in dat bericht genoemde kosten - anders dan [gedaagde 1] en [gedaagde 2] stellen - in de buurt lijken te komen van het door [X] in rekening gebrachte bedrag. De gemeente heeft er in dit kader verder ook terecht op gewezen dat een door [gedaagde 1] en [gedaagde 2] in december 2010 opgevraagde offerte voor het verplaatsen van de woonwagen € 94.368,00 bedraagt.

De stelling dat er geen sprake was van een terras wordt gepasseerd, nu uit de door [gedaagde 1] en [gedaagde 2] zelf overgelegde foto’s (productie 5) het tegendeel blijkt. Wat betreft de stelling van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] dat er geen aanleiding bestond de woonwagen af te slepen en te transporteren geldt dat van de gemeente uiteraard niet verwacht kon worden dat zij de wagen op de openbare weg plaatste.

5.15.

Door niet zelf tot ontruiming van de standplaats over te gaan hebben [gedaagde 1] en [gedaagde 2] naar het oordeel van de voorzieningenrechter hun rechten verspeeld voor wat betreft hun inbreng ten aanzien van de wijze waarop de woonwagen verplaatst zou moeten worden. De stelling dat de gemeente daarover met hen in overleg had moeten treden wordt dan ook niet gevolgd. De omstandigheid dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] niet over de financiële middelen beschikten om zelf tot ontruiming van de standplaats over te gaan maakt dit niet anders, nu dit een omstandigheid is die in de risicosfeer van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] ligt. Op de gemeente rustte uit hoofde van zaakwaarneming naar het oordeel van de voorzieningenrechter wel de verplichting de woonwagen op een zorgvuldige wijze te verwijderen, maar voorshands bestaat geen aanleiding om aan te nemen dat hier geen sprake van is geweest. Integendeel, uit de overgelegde offerte van [X] volgt dat een zorgvuldige verwijdering van de woonwagen het uitgangspunt is geweest. Dat het dak van de woonwagen gespaard had kunnen blijven door de wagen in vieren te zagen blijkt nergens uit. Evenmin is duidelijk welke kosten aan een dergelijke demontage verbonden zouden zijn. De voorzieningenrechter gaat daarom aan dit standpunt van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] voorbij.

5.16.

Nu de gemeente het bedrag van € 42.337,32 voldoende heeft onderbouwd en niet is gebleken dat dit bedrag onredelijk hoog is, terwijl aannemelijk is dat de gemeente veel meer executiekosten heeft gemaakt dan de thans gevorderde, zal het bedrag van € 42.337,32 worden toegewezen. Weliswaar hebben [gedaagde 1] en [gedaagde 2] ter zitting een beroep op verrekening gedaan, maar dit beroep moet, gelet op hetgeen hiervoor onder 5.8. is overwogen ten aanzien van het door hen gestelde recht op schadevergoeding, worden verworpen.

5.17.

De overige door de gemeente gevorderde executiekosten zien op een aantal processen-verbaal en exploten en op de kosten van de taxatie van de woonwagen ad

€ 950,00. Laatstgenoemde taxatiekosten zijn toewijsbaar, nu begrijpelijk is dat de gemeente de woonwagen vóór de ontruiming heeft laten taxeren teneinde vast te stellen van welke executiemiddelen zij gebruik wilde maken. De kosten van het proces-verbaal ontruiming van € 1.296,85 zijn gelet op hetgeen hiervoor is overwogen eveneens toewijsbaar. Het betreffende proces-verbaal levert in verband met het bepaalde in artikel 156 lid 2 jo 157 lid 1 Rv tegen een ieder dwingend bewijs op van hetgeen de deurwaarder binnen de kring van zijn bevoegdheid omtrent zijn waarnemingen en verrichtingen heeft verklaard, zodat de stelling van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] dat de deurwaarder een specificatie dient te verstrekken van de met de ontruiming gemoeide uren wordt gepasseerd.

5.18.

Wat betreft de exploten en processen-verbaal die betrekking hebben op het executoriaal beslag en de gerechtelijke bewaring wordt voorop gesteld dat de gemeente wel over een titel voor deze executiemiddelen beschikte, nu [gedaagde 1] en [gedaagde 2] ook ruim

€ 7.000,00 aan proceskosten onbetaald hadden gelaten. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] stellen dat de gerechtelijke bewaring ook vanwege het ontbreken van een rechterlijk bevel onrechtmatig was, maar dit standpunt is onjuist. Op grond van artikel 446 lid 1 Rv kan de deurwaarder andere zaken dan geld en geldswaarde hebbende papieren aan een door hem aan te wijzen bewaarder in gerechtelijke bewaring geven, indien dit voor het behoud van die zaken redelijkerwijs noodzakelijk is. Deze bewaring kan bewerkstelligd worden zonder een daartoe strekkend bevel van de voorzieningenrechter, aangezien de aan de executie ten grondslag liggende titel voldoende legitimatie is voor bewaring.

5.19.

Volgens [gedaagde 1] en [gedaagde 2] zijn het executoriaal beslag op en de gerechtelijke bewaring van de woonwagen niet opportuun, aangezien de woonwagen inmiddels niets meer waard is, maar deze stelling wordt gelet op het rapport van 4Risk – dat tijdig vóór de mondelinge behandeling is overgelegd – gepasseerd. De kosten van het proces-verbaal van executoriaal beslag en van gerechtelijke inbewaringgeving d.d. 7 september 2017 zijn derhalve ook toewijsbaar, net als de kosten van het betekeningsexploot d.d. 11 september 2017 van laatstgenoemd proces-verbaal aan de gerechtelijke bewaarder.

5.20.

De gemeente vordert ook betaling van de kosten van het hiervoor onder 2.13. genoemde betekeningsexploot van 11 september 2017. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] betwisten de verschuldigdheid van deze kosten en stellen in dit kader dat het betreffende exploot aan de Betonstraat betekend had moeten worden, aangezien [gedaagde 1] reeds op 8 september 2017 een adreswijziging heeft doorgegeven aan de gemeente. De voorzieningenrechter heeft echter geen enkele aanleiding om aan te nemen dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] zich inderdaad eerder dan op 12 september 2017 op het adres Betonstraat 17 te [plaats 1] hebben ingeschreven. Weliswaar staat vast dat [gedaagde 1] op 8 september 2017 bij het gemeentehuis in [plaats 1] is geweest, naar eigen zeggen onder andere om een adreswijziging door te geven, maar ter zitting is gebleken dat het toen niet tot een adreswijziging is gekomen. Nu de ontruiming van de standplaats reeds had plaatsgehad, diende de deurwaarder het exploot van 11 september 2017 aan het Arrondissementsparket Oost-Nederland te betekenen. De kosten van dit exploot zijn derhalve ook toewijsbaar. De voorzieningenrechter merkt nog wel op dat het zorgvuldiger was geweest als de gemeente ervoor had gezorgd dat een afschrift van het betreffende exploot naar het adres aan de Betonstraat was gestuurd, nu duidelijk is dat de gemeente wel op de hoogte was van de feitelijke verblijfplaats van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] .

5.21.

Het door de gemeente gevorderde bedrag van € 45.630,47 aan executiekosten omvat ook nog een bedrag € 176,31 aan explootkosten voor het exploot aanzegging verkoop d.d. 30 januari 2018 en het proces-verbaal ter zake het aanslaan van de biljetten van diezelfde datum. Aangezien [gedaagde 1] en [gedaagde 2] verder geen (steekhoudend) verweer tegen deze kosten hebben gevoerd, zal ook dit deel van de vordering van de gemeente worden toegewezen. Van het gevorderde bedrag van € 45.360,47 zal in totaal derhalve een bedrag van € 45.350,78 worden toegewezen. Voor zover [gedaagde 1] met de betaling van het bedrag van € 2.700,00 meer heeft voldaan dan de proceskosten uit hoofde van het kort geding vonnis van 13 juli 2017, hetgeen de voorzieningenrechter niet kan nagaan, wordt ervan uitgegaan dat de gemeente het meerdere in mindering brengt op de toe te wijzen hoofdsom.

5.22.

Nu voorshands aannemelijk wordt geacht dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] gezamenlijk eigenaar zijn van de woonwagen, rustte zowel op [gedaagde 1] als [gedaagde 2] afzonderlijk de verplichting de woonwagen van de standplaats te verwijderen. Vast staat dat zij beiden deze verplichting niet zijn nagekomen en [gedaagde 1] en [gedaagde 2] kunnen naar het oordeel van de voorzieningenrechter dan ook hoofdelijk aansprakelijk worden gehouden voor de gevorderde executiekosten.

5.23.

Wat betreft het van [gedaagde 2] gevorderde bedrag van € 512,02 aan explootkosten – welke in feite slechts € 414,52 bedragen – die betrekking hebben op de op 1 februari 2018 gelegde executoriale beslagen op de registergoederen van [gedaagde 2] , hebben [gedaagde 1] en [gedaagde 2] zich op het standpunt gesteld dat dat beslag overbodig is. Dit standpunt is echter niet houdbaar, nu [gedaagde 2] niet tot betaling van de proceskosten uit hoofde van het vonnis van 18 augustus 2015 en het arrest van 23 mei 2017 is overgegaan en het voor de gemeente op 1 februari 2018 nog maar de vraag was in hoeverre zij deze kosten uit een eventuele verkoopopbrengst van de woonwagen kon verhalen. Overigens rijmt de betreffende stelling van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] niet met hun stelling dat de woonwagen niets meer waard is. Aangezien [gedaagde 1] en [gedaagde 2] verder geen verweer hebben gevoerd tegen het bedrag van € 512,02 zal ook deze vordering van de gemeente worden toegewezen, zulks tot een bedrag van € 414,52.
5.24. De gemeente vordert tot slot veroordeling van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] om te gehengen en gedogen dat de deurwaarder ter uitvoering van de vonnissen van 18 augustus 2015 en 13 juli 2017 de executoriale verkoop van de woonwagen jegens hen opnieuw aanzegt. Gelet op al het voorgaande is ook deze vordering toewijsbaar.

5.25.

[gedaagde 1] en [gedaagde 2] zullen als de hoofdzakelijk in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van de gemeente worden begroot op:

- dagvaarding € 101,81

- griffierecht 1.950,00

- salaris advocaat 816,00

Totaal € 2.867,81

6 De beoordeling in reconventie

6.1.

[gedaagde 2] vordert de opheffing van de op 1 februari 2018 op de percelen grond te Wezep en Ugchelen gelegde executoriale beslagen.

6.2.

Bij een vordering tot opheffing van een executoriaal beslag heeft de voorzieningenrechter slechts een beperkte taak. Hij zal slechts in de executie mogen ingrijpen indien de executant zich door de executie schuldig maakt aan misbruik van bevoegdheid (vgl. HR 22 december 2006, NJ 2007, 173). Van misbruik van executiebevoegdheid kan slechts sprake zijn indien de te executeren titel klaarblijkelijk berust op een feitelijke misslag, of indien tenuitvoerlegging op grond van na de titel voorgevallen of aan het licht gekomen feiten klaarblijkelijk aan de zijde van de geëxecuteerde een noodtoestand zal doen ontstaan, waardoor een onverwijlde tenuitvoerlegging niet kan worden aanvaard. Een vexatoir beslag zou tot een dergelijke noodsituatie kunnen leiden. De vraag of het leggen van executoriaal beslag als vexatoir en daarom onrechtmatig moet worden aangemerkt (de beslaglegger oefent zijn bevoegdheid tot beslaglegging uit op eigen risico), dient in beginsel te worden beantwoord aan de hand van de concrete omstandigheden ten tijde van de beslaglegging, waaronder de hoogte van de te verhalen vordering, de waarde van de beslagen goederen en de eventueel onevenredig zware wijze waarop de schuldenaar door het beslag op een van die goederen in zijn belangen wordt getroffen (vgl. HR 24 november 1995, NJ 1996, 161).

6.3.

[gedaagde 2] stelt dat de executoriale beslagen zijn gelegd zonder dat daar een executoriale titel voor was. Deze stelling is echter onjuist, nu vast staat dat [gedaagde 2] ook de proceskosten uit hoofde van het vonnis van 18 augustus 2015 en het arrest van 23 mei 2017 onbetaald heeft gelaten.

6.4.

[gedaagde 2] stelt verder dat de beslagen moeten worden opgeheven omdat er geen overwaarde bestaat op de betreffende percelen grond en een deel van deze percelen aan zijn schoonzoon is verkocht en geleverd moet worden. De enkele omstandigheid dat de percelen grond geleverd moeten worden, betekent echter niet dat de gemeente misbruik maakt van haar executiebevoegdheid. De stelling dat er geen overwaarde bestaat op de percelen grond is uitdrukkelijk door de gemeente weersproken, zodat in kort geding aan deze stelling voorbij moet worden gegaan.

6.5.

Nu [gedaagde 2] geen steekhoudende argumenten heeft aangevoerd op grond waarvan de gelegde executoriale beslagen moeten worden opgeheven, zal deze vordering worden afgewezen. Voor het toewijzen van het door [gedaagde 2] gevorderde verbod om opnieuw beslag te leggen bestaat evenmin aanleiding.

6.6.

[gedaagde 2] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van de gemeente worden begroot op een bedrag van

€ 408,00 aan salaris advocaat (factor 0,5 × tarief € 816,00).

7 De beslissing

De voorzieningenrechter

in conventie

7.1.

veroordeelt [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk, zodat indien en voor zover de één betaalt ook de ander zal zijn bevrijd, om aan de gemeente te betalen een bedrag van

€ 45.350,78 vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over dit bedrag met ingang van 22 februari 2018 tot de dag van volledige betaling;

7.2.

veroordeelt [gedaagde 2] om aan de gemeente te betalen een bedrag van € 414,52, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over dit bedrag met ingang van 22 februari 2018 tot de dag van volledige betaling;

7.3.

veroordeelt [gedaagde 1] en [gedaagde 2] om te gehengen en te gedogen dat de deurwaarder ter uitvoering van de vonnissen van 18 augustus 2015 en 13 juli 2017 ter inning van de proceskostenveroordelingen en ter inning van de reeds gemaakte executiekosten de executoriale verkoop van de woonwagen jegens [gedaagde 1] en [gedaagde 2] opnieuw aanzegt;

7.4.

veroordeelt [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk, zodat indien en voor zover de één betaalt ook de ander zal zijn bevrijd, in de proceskosten, aan de zijde van de gemeente tot op heden begroot op € 2.867,81, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over dit bedrag met ingang van de vijftiende dag na heden tot de dag van volledige betaling;

7.5.

veroordeelt [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk, zodat indien en voor zover de één betaalt ook de ander zal zijn bevrijd, in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op
€ 131,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan het vonnis hebben voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak, en te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de nakosten met ingang van veertien dagen na de betekening van dit vonnis tot aan de voldoening;

7.6.

verklaart dit vonnis in conventie tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

7.7.

wijst het meer of anders gevorderde af;

in reconventie

7.8.

wijst de vorderingen af;

7.9.

veroordeelt [gedaagde 2] in de proceskosten, aan de zijde van de gemeente tot op heden begroot op € 408,00;

7.10.

veroordeelt [gedaagde 2] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 131,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat [gedaagde 2] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak;

7.11.

verklaart dit vonnis in reconventie wat betreft voornoemde kostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.A.O.M. van Aerde en in het openbaar uitgesproken op 16 maart 2018.