Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2018:792

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
15-03-2018
Datum publicatie
15-03-2018
Zaaknummer
08/955048-16 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank Overijssel veroordeelt een 63-jarige vrouw tot het betalen van een geldboete van 2500 euro voor het veroorzaken van een verkeersongeval met lichamelijk letsel tot gevolg.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Strafrecht

Meervoudige kamer

Zittingsplaats Almelo

Parketnummer: 08/955048-16 (P)

Datum vonnis: 15 maart 2018

Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum 1] 1954 in [geboorteplaats 1] ,

wonende in [adres] .

1 Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van

1 maart 2018.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie

mr. A.C. Waterman en van hetgeen door verdachte en haar raadsman mr. J.W. Bosman, advocaat te Almelo, naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

De verdenking komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte als bestuurder van een personenauto een aan haar schuld te wijten verkeersongeval heeft veroorzaakt waarbij een fietser, te weten de heer [slachtoffer] , zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen,

dan wel als bestuurder van een personenauto een ongeval heeft veroorzaakt en daarmee het verkeer in gevaar heeft gebracht dan wel het verkeer heeft gehinderd;

Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:

zij op of omstreeks 20 oktober 2016 te Hengelo (O) in de gemeente Hengelo (O), als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), daarmede vanaf een aan de weg, de Pierre Monteuxstraat gelegen oprit achteruit die straat is opgereden en/of op die Pierre Monteuxstraat

zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig, onoplettend en/of onachtzaam heeft gereden, hierin bestaande dat verdachte,

-na die oprit achterwaarts afgereden te zijn-, met een bocht naar links die weg (de Pierre Monteuxstraat) is opgereden,

waarbij zij, verdachte het door haar bestuurde motorrijtuig (personenauto) niet of in onvoldoende mate onder controle heeft gehouden en/of

niet of in onvoldoende mate op het direct voor haar gelegen weggedeelte van die Pierre Monteuxstaart heeft gelet en/of is blijven letten en/of

heeft zij verdachte in strijd met het gestelde in artikel 3 lid 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 niet aan haar, verdachtes verplichting voldaan zoveel mogelijk rechts te houden en/of

met dat door haar, verdachte bestuurde motorrijtuig (personenauto) naar links heeft gestuurd en/of naar links is gegaan, waarbij zij geheel of gedeeltelijk of het voor het tegemoetkomend verkeer bestemde weggedeelte van die weg (de Pierre Monteuxstraat) is terecht gekomen en/of

is gebotst tegen, althans in aanrijding is gekomen met een haar, verdachte over die weg (de Pierre Monteuxstraat) tegemoet komende fiets en/of de bestuurder van die fiets, welke bestuurder van die fiets gezien zijn rijrichting uiterst rechts reed en/of ten gevolge waarvan die bestuurder van die fiets ten val is gekomen

en aldus zich zodanig heeft gedragen dat een aan haar schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor een ander (genaamd [slachtoffer] ) zwaar lichamelijk letsel of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan;

ALTHANS, voor zover voor het vorenstaande onder 1 geen veroordeling mocht of zou

kunnen volgen, SUBSIDIAIR, terzake dat

zij op of omstreeks 20 oktober 2016 te Hengelo (O) inde gemeente Hengelo (O), als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), daarmede vanaf een aan de weg, de Pierre Monteuxstraat gelegen oprit achteruit die straat is opgereden en op die Pierre Monteuxstraat

zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig, onoplettend en/of onachtzaam heeft gereden, hierin bestaande dat verdachte,

-na die oprit achterwaarts afgereden te zijn-, met een bocht naar links die weg (de Pierre Monteuxstraat) is opgereden,

waarbij zij, verdachte het door haar bestuurde motorrijtuig (personenauto) niet of in onvoldoende mate onder controle heeft gehouden en/of

heeft zij verdachte in strijd met het gestelde in artikel 3 lid 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 niet aan haar, verdachtes verplichting voldaan zoveel mogelijk rechts te houden en/of

met dat door haar, verdachte bestuurde motorrijtuig (personenauto) naar links heeft gestuurd en/of naar links is gegaan, waarbij zij geheel of gedeeltelijk of het voor het tegemoetkomend verkeer bestemde weggedeelte van die weg (de Pierre Monteuxstraat) is terecht gekomen en/of

is gebotst tegen, althans in aanrijding is gekomen met een haar, verdachte over die weg (de Pierre Monteuxstraat) tegemoet komende fiets en/of de bestuurder van die fiets, welke bestuurder van die fiets gezien zijn rijrichting uiterst rechts reed en/of ten gevolge waarvan die bestuurder van die fiets ten val is gekomen en/of

naar rechts heeft gestuurd en/of naar rechts is gegaan en/ofdoor een aantal gezien haar, verdachtes rijrichting rechts van die weg (de Pierre Monteuxstraat) staande bosschages is gereden en/of tegen- en/of over een gezien, haar verdachtes rijrichting aan de rechter zijde van die weg (de Pierre Monteuxstraat)zich bevindende kei is gereden,

door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd.

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover

daaraan in de Wegenverkeerswet 1994 betekenis is gegeven, geacht in dezelfde

betekenis te zijn gebezigd.

3 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 De bewijsoverwegingen

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het primair tenlastegelegde bewezen kan worden verklaard.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte van zowel het primair als subsidiair tenlastegelegde moet worden vrijgesproken.

De verdediging heeft daartoe aangevoerd dat het bewijs enkel is gebaseerd op vermoedens en waarschijnlijkheid. Niet gebleken is van verkeersgevaarlijk rijgedrag door verdachte. Noch verdachte noch het slachtoffer kan zich iets herinneren van het ongeval en er waren geen ooggetuigen. Er is niets bekend over de snelheid waarmee verdachte heeft gereden voorafgaand aan de botsing en de auto en de fiets zeggen niets over het gedrag van de bestuurders. Daarnaast is onduidelijk wanneer het aangetroffen bandenspoor is ontstaan en is het onduidelijk waarom het zou passen bij het linker achterwiel en niet bij het rechter voor- of achterwiel van de auto van verdachte. Ook kan het bandenspoor afkomstig zijn van een andere auto.

Volgens de verdediging is evenmin gebleken dat verdachte gevaar en/of hinder op de weg heeft veroorzaakt; ook niet nu zij aan de rechterzijde van de weg over een kei heeft gereden.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

De verdediging heeft betoogd dat het proces-verbaal en de verkeersongevalsanalyse (VOA) is gebaseerd op waarschijnlijkheden en aannames. De rechtbank is van oordeel dat het VOA rapport als bijlage bij het proces-verbaal van de politie van 16 januari 2017 de bevindingen bevat van daartoe opgeleide en deskundige verbalisanten.

De rechtbank leidt uit de bevindingen van de verbalisanten en de diverse foto’s zoals weergegeven in het rapport van de verkeersongevalsanalyse (VOA) en de medische verklaring van het slachtoffer, het volgende af.

Op 20 oktober 2016 heeft verdachte als bestuurster van haar personenauto gereden over de Pierre Monteuxstraat te Hengelo, komende uit de richting van de Otto Klempenerstraat en gaande in de richting van de Carl Muckstraat. Kort daarvoor was zij achterwaarts vanaf een oprit de openbare weg opgereden om vervolgens voorwaarts weg te rijden. Ter hoogte van het perceel Pierre Monteuxstraat 20 is verdachte met de linker voorzijde van haar auto gebotst tegen de voorzijde van de haar tegemoetkomende fietser, de heer [slachtoffer] . Vervolgens is verdachte doorgereden en is zij met de voorzijde van haar auto tegen een grote kei in een perkje aan de rechterzijde van de rijbaan gereden, waarna de auto tot stilstand is gekomen.

Als gevolg van de aanrijding heeft de heer [slachtoffer] letsel opgelopen, onder meer een gebroken heup, een gebroken schouder en een hersenkneuzing. Na een opname van een maand in het ziekenhuis is het slachtoffer opgenomen geweest in een revalidatiecentrum waaruit hij op

16 januari 2017 is ontslagen, waarbij therapie is voorgeschreven voor de restschade, waaronder verminderde concentratie en psychische labiliteit.

Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad is niet in zijn algemeenheid aan te geven of

één verkeersovertreding voldoende kan zijn voor bewezenverklaring van schuld in de zin van

artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, maar komt het daarbij aan op het geheel van de gedragingen van verdachte, de aard en de concrete ernst van de verkeersovertreding en de overige omstandigheden van het geval. Verder kan niet reeds uit de ernst van de gevolgen van verkeersgedrag dat in strijd is met een of meer wettelijke gedragsregels in het verkeer worden afgeleid dat er sprake is van schuld in vorenbedoelde zin.1

Gelet op dit toetsingskader moet het gedrag van verdachte worden afgemeten aan dat wat van een automobilist in het algemeen en gemiddeld genomen mag worden verwacht. Die zorgplicht houdt mede in dat een bestuurder zijn voertuig onder controle heeft.

Ter zitting is gebleken dat verdachte bekend was met de situatie ter plaatse. Zij bezocht in de Pierre Monteuxstraat een vriendin en kwam daar vaker. Uit met name de foto’s bijgevoegd bij de VOA en de daarbij beschreven bevindingen, leidt de rechtbank af dat op het wegdek een recent bandenspoor is aangetroffen passend bij de linker wielen van de Suzuki (foto 4). De bandafdruk komt overeen met de band van het achterwiel van de Suzuki (foto 5). Ter plaatse zijn geen verdere bandensporen aangetroffen. Uit foto 6 in samenhang met foto’s 9, 10 en 11 leidt de rechtbank af dat de botsplaats tussen auto en fietser is gelegen op het voor verdachte voor tegemoetkomende verkeer geldende weggedeelte. De rechtbank leidt dat niet enkel af uit de schade aan de linker voorzijde van de auto met onder andere de afdruk van de fietsband op het linker spatscherm, maar ook uit de midden op het weggedeelte van de fietser aangetroffen delen van de koplamp van de auto.

Verdachte heeft verklaard dat zij zich van het ongeluk niets kan herinneren. Zij heeft in dat verband bij de politie nog wel verklaard dat zij het idee had dat haar auto, toen zij voorwaarts wegreed, op hol sloeg en dat zij een knal hoorde. Na onderzoek aan de auto is evenwel gebleken dat de auto van verdachte in een voldoende technische staat van onderhoud verkeerde en geen gebreken vertoonde die eventueel de oorzaak, dan wel van invloed zouden kunnen zijn geweest op het ontstaan van het ongeval.

De rechtbank is op grond van het voorgaande van oordeel dat verdachte haar auto niet onder controle heeft gehad en dat zij haar rijgedrag onvoldoende op de omstandigheden heeft aangepast. Daar komt bij dat niet is gebleken dat verdachte heeft geremd voordat zij met de fietser in botsing is gekomen. Naar het oordeel van de rechtbank is door deze combinatie van factoren sprake van aanmerkelijk onvoorzichtig, onoplettend en onachtzaam rijden en daarom van schuld in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994. Dit zou anders kunnen zijn indien er zich een uitzonderlijke omstandigheid heeft voorgedaan, bijvoorbeeld dat verdachte in verontschuldigbare onmacht verkeerde ten tijde van het ongeval. Dat dat het geval zou zijn is door verdachte echter niet gesteld.

Ter zitting heeft verdachte desgevraagd verklaard dat zij zich de dag van het ongeval goed voelde, maar dat zij niet weet wat er is gebeurd vanaf het moment dat zij vanaf de oprit achteruit was afgereden en voorwaarts haar weg wilde vervolgen. Voorts is ter zitting ter sprake gekomen dat verdachte lijdt aan de zeldzame hersenaandoening Fragiele X-syndroom en welke gevolgen deze aandoening voor haar heeft.

Door de verdediging zijn stukken overgelegd over onder andere de persoon van verdachte. Door de verdediging is geen expliciet beroep gedaan op de omstandigheid dat als gevolg van het Fragiele X-syndroom, sprake zou zijn van verontschuldigbare onmacht bij verdachte. Desgevraagd heeft verdachte verklaard dat na het ongeval geen nader (hersen)onderzoek heeft plaatsgevonden om antwoord te krijgen op de vraag waarom zij zich van het ongeval niets meer kan herinneren; noch op voorspraak van de huisarts noch op eigen initiatief. Derhalve zijn er geen medische oorzaken voor een bewustzijnsverlies op dat moment naar voren gekomen. Evenmin kan gesteld worden of het ongeval is toe te schrijven aan mogelijke gevolgen van verdachte’s aandoening Fragiele X.

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank niet aannemelijk geworden dat verdachte ten tijde van het ongeluk in verontschuldigbare onmacht verkeerde. De rechtbank is van oordeel dat verdachte schuld heeft aan het ongeval.

De rechtbank heeft hierboven vastgesteld dat sprake is van letsel bij de heer [slachtoffer] . Uit de medische verklaring en de schriftelijke slachtofferverklaring zoals ter zitting voorgelezen door de zoon van het slachtoffer, blijkt dat de lichamelijke en psychische gevolgen van het ongeval voor de heer [slachtoffer] ernstig zijn. Het ongeluk heeft onder meer geleid tot geheugenverlies, depressie en tot opname in de gesloten afdeling van een verzorgingstehuis per 8 februari 2018. Naar het oordeel van de rechtbank blijkt hieruit dat sprake is van zwaar lichamelijk letsel bij de heer [slachtoffer] .

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank het primair tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen.

4.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in de bijlage genoemde bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat:

zij op 20 oktober 2016 te Hengelo (O) in de gemeente Hengelo (O), als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), daarmede vanaf een aan de weg, de Pierre Monteuxstraat gelegen oprit achteruit die straat is opgereden en op die Pierre Monteuxstraat

aanmerkelijk, onvoorzichtig, onoplettend en onachtzaam heeft gereden, hierin bestaande dat verdachte,

na die oprit achterwaarts afgereden te zijn, met een bocht naar links die weg (de Pierre Monteuxstraat) is opgereden,

waarbij zij, verdachte, het door haar bestuurde motorrijtuig (personenauto) niet of in onvoldoende mate onder controle heeft gehouden en

niet of in onvoldoende mate op het direct voor haar gelegen weggedeelte van die Pierre Monteuxstaart heeft gelet en is blijven letten en

heeft zij verdachte in strijd met het gestelde in artikel 3 lid 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 niet aan haar, verdachtes verplichting voldaan zoveel mogelijk rechts te houden en

met dat door haar, verdachte bestuurde motorrijtuig (personenauto) naar links heeft gestuurd, waarbij zij op het voor het tegemoetkomend verkeer bestemde weggedeelte van die weg (de Pierre Monteuxstraat) is terecht gekomen en

in aanrijding is gekomen met een haar, verdachte, over die weg (de Pierre Monteuxstraat) tegemoet komende bestuurder van die fiets, welke bestuurder van die fiets gezien zijn rijrichting uiterst rechts reed en ten gevolge waarvan die bestuurder van die fiets ten val is gekomen

en aldus zich zodanig heeft gedragen dat een aan haar schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel werd toegebracht.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte primair meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij haar daarvan zal vrijspreken.

De taal- en/of schrijffouten die in de tenlastelegging voorkomen zijn in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet in haar verdediging geschaad.

5 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld bij artikel 175 van de Wegenverkeerswet 1994. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert op het misdrijf: overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht.

6 De strafbaarheid van verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor het bewezenverklaarde feit.

7 De op te leggen straf of maatregel

7.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte te veroordelen tot een werkstraf van honderdtwintig uren, subsidiair zestig dagen vervangende hechtenis.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verzocht om bij een strafoplegging rekening te houden met het feit dat het ongeval op verdachte nog steeds een grote impact heeft, dat zij een blanco strafblad heeft en dat zij haar rijbewijs inmiddels heeft ingeleverd omdat zij geen auto meer durft te besturen. De door de heer [slachtoffer] geleden schade wordt vergoed door de verzekering van verdachte en verdachte heeft na het ongeluk via mevrouw [naam 1] dochter van het slachtoffer, contact gezocht. Contact met de heer [slachtoffer] heeft niet plaatsgevonden en verdachte is graag bereid alsnog met hem in gesprek te gaan.

7.3

De gronden voor een straf of maatregel

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met verschillende factoren. Zo kijkt de rechtbank naar de aard en de ernst van het gepleegde feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Daarnaast kijkt de rechtbank naar de persoonlijke omstandigheden van verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. Eveneens kijkt de rechtbank naar de Justitiële Documentatie (het strafblad) van verdachte.

De rechtbank overweegt in het bijzonder het navolgende.

Verdachte heeft een aanmerkelijke verkeersfout gemaakt waardoor de heer [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen. Niet alleen uit de medische verklaring, maar ook uit de door de zoon van de heer [slachtoffer] ter zitting voorgelezen slachtofferverklaring blijkt hoe ernstig de gevolgen van het ongeluk zijn. De echtgenote van de heer [slachtoffer] en zijn kinderen hebben hem in korte tijd zien veranderen van een nog actieve kwieke en gezonde man naar een man die 24 uur zorg nodig heeft en geestelijk steeds verder achteruit gaat. Vanwege de hersenschade en de psychische gevolgen van het ongeluk verblijft de heer [slachtoffer] sinds

8 februari 2018 in een verzorgingstehuis. Dit rechtvaardigt naar het oordeel van de rechtbank in beginsel de oplegging van een werkstraf en een ontzegging van de rijbevoegdheid.

Het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) heeft voor diverse strafbare feiten oriëntatiepunten opgesteld. De oriëntatiepunten die het LOVS voor een feit als dit hanteert, houden in dat bij een verkeersongeval met zwaar lichamelijk letsel, waarbij aanmerkelijke schuld is bewezen, een taakstraf van 120 uren met daarnaast een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van zes maanden kan worden opgelegd. De officier van justitie heeft gevorderd een taakstraf 120 uren aan verdachte op te leggen.

De rechtbank houdt echter rekening met de persoonlijke omstandigheden van verdachte, het feit dat verdachte geen strafblad heeft en het tijdsverloop sinds het ongeval.

Ter zitting is tevens gebleken dat het ongeval ook verdachte enorm heeft aangegrepen en dat ook zij, door de oproeping en de behandeling van de strafzaak, weer opnieuw is geconfronteerd met de gebeurtenissen van 20 oktober 2016. Verdachte heeft kort na het ongeval getracht contact te zoeken met het slachtoffer en heeft enkele malen telefonisch met de dochter van de heer [slachtoffer] gesproken. Verdachte heeft voorts, nadat zij door het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (CBR) was uitgenodigd om een rijvaardigheidsonderzoek te laten doen, er voor gekozen om haar rijbewijs in te leveren bij het CBR. Zij durft geen auto meer te rijden. Een strafblad heeft verdachte niet.

De rechtbank ziet in de omstandigheden in de persoon van verdachte gelegen en zoals die ter zitting zijn besproken, alsmede in de genoemde omstandigheden redenen om af te wijken van de eis van de officier van justitie en aan verdachte een andere straf op te leggen. De rechtbank acht het meer passend en geboden om verdachte een geldboete op te leggen.

8 De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 23, 24 en 91 van het Wetboek van Strafrecht.

9 De beslissing

De rechtbank:

bewezenverklaring

- verklaart bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;

- verklaart niet bewezen wat aan verdachte primair meer of anders is ten laste gelegd en spreekt haar daarvan vrij;

strafbaarheid feit

- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;

- verklaart dat het bewezenverklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht;

strafbaarheid verdachte

- verklaart verdachte strafbaar voor het primair bewezenverklaarde;

straf

- veroordeelt verdachte tot een geldboete van € 2.500,--;

- beveelt, voor het geval dat verdachte de geldboete niet voldoet, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 35 dagen.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.M. Rikken, voorzitter, mr. M.A.H. Heijink en

mr. M.P. Nan, rechters, in tegenwoordigheid van mr. W.J. van der Leest, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 15 maart 2018.

Mrs. Heijink en Nan zijn niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage bewijsmiddelen

Leeswijzer

Deze bijlage maakt deel uit van het vonnis en bevat de bewijsmiddelen.

Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van de politie eenheid Oost-Nederland met nummer [nummer] . Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.

1.

Het proces-verbaal van de zitting van 1 maart 2018, onder meer inhoudende, als verklaring van verdachte, zakelijk weergegeven:

Op 20 oktober 2016 was ik op bezoek bij mijn vriendin aan de Pierre Monteuxstraat in Hengelo (O). Ik was daar met mijn auto en ik ben daar goed bekend.

2.

Het proces-verbaal ‘aanrijding misdrijf’ van [verbalisant 1] van 16 januari 2017, onder meer inhoudende, zakelijk weergegeven:

Op 20 oktober 2016 werd er op de plaats van het ongeval een uitgebreid sporenonderzoek ingesteld door [naam 2] en [naam 3] van de dienst Verkeersongevallenanalyse (VOA).

Na onderzoek is vastgesteld dat:

- betrokken voertuigen zo hebben gereden als in dit proces verbaal is omgeschreven;

- de Suzukibestuurster had waarschijnlijk kort voor de botsing niet rechts gereden;

- aan de betrokken voertuigen geen gebreken zijn geconstateerd. Uit niets is gebleken

dat het "op hol slaan" van de Suzuki een technische oorzaak had;

- de Suzukibestuurster heeft voor de botsing met de fietser en voor de botsing met de

kei geen noodstop uitgevoerd, althans daar zijn geen sporen van aangetroffen;

- de Suzukibestuurster met de linker voorzijde van haar voertuig tegen de voorzijde van

de fiets is gebotst.

Letsel

Bij het ongeval heeft onderstaand persoon letsel opgelopen.

Achternaam : [slachtoffer]

Voornamen : [slachtoffer]

Geboren : [geboortedatum 2]

Geboorteplaats : [geboorteplaats 2] in Nederland

letsel slachtoffer:

* gebroken heup

* gebroken schouder

* hersenkneuzing.

Het slachtoffer is meer dan een maand in het ziekenhuis opgenomen geweest en nog steeds revaliderend. Op 16 januari 2017 heeft verbalisant [verbalisant 1] telefonisch contact gehad met de dochter, [naam 1] , van het slachtoffer. Het slachtoffer is op 16 januari 2017 ontslagen

uit revalidatiecentrum Trigium. De restschade die het slachtoffer op dit moment heeft is het cognitieve gedeelte. Het slachtoffer krijgt hierin therapie. Het slachtoffer is sinds 20 oktober 2016 uit de running.

3.

Een proces-verbaal verkeersongevalsanalyse (VOA) van 3 november 2016 inhoudende het relaas van verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 3] .

Op 20 oktober 2016, omstreeks 12.30 uur, hebben wij, [verbalisant 2] en [verbalisant 3] , beiden brigadier van Politie, Oost Nederland, Forensische Opsporing, VOA, een onderzoek ingesteld naar de toedracht van het plaatsgevonden verkeersongeval en de technische staat van de daarbij betrokken voertuigen.

De Suzukibestuurster had gereden over de rijbaan van de Pierre Monteuxstraat te Hengelo, komende uit de richting van de Otto Klempenerstraat en gaande in de richting van de Carl Muckstraat. De fietser had gereden over de Pierre Monteuxstraat komende uit de richting van de Carl Muckstraat en gaande in de richting van de Otto Klempenerstraat. Ter hoogte van perceel Pierre Monteuxstraat 20 botste de Suzuki met de linker voorzijde van haar voertuig tegen de voorzijde van de fietser. Vervolgens reed de Suzukibestuurster door en botste met de voorzijde van haar voertuig tegen een grote kei welke in een perkje lag aan

de rechterzijde van de rijbaan. Hierna kwam de Suzuki tot stilstand.

Ten gevolge van deze botsing ontstond lichamelijk letsel en materiele schade.

Bij dit ongeval waren de volgende voertuigen betrokken:

Voertuig, merk Suzuki, [kenteken]

Voertuig, merk RIH, tweewielige fiets.

2.3

Aangetroffen sporen

2.3.1

Sporen op het wegdek

In de rijrichting die het voertuig, merk Suzuki, vlak voor het ongeval moet hebben gehad, zagen wij op het wegdek een recent bandenspoor. Foto 4 toont bij label 1 een rijspoor welke

vermoedelijk afkomstig is van de linker wielen van de Suzuki.

Foto 5 toont het spoor in detail.

Tevens is het gedemonteerde achterwiel van de Suzuki zichtbaar en is te zien dat de

bandafdruk overeenkomt met de band van het gedemonteerde wiel.

Foto 4 en foto 5: weergave van hetgeen onder 2.3.1 is beschreven.

Ter plaatse werden door ons geen verdere bandensporen aangetroffen.

Label 2 (zichtbaar op foto 4) toont de eindpositie van de fietser en bij label 3 werden door

ons delen van de Suzuki aangetroffen. Foto 6 toont enkele van die delen.

Foto 8 toont middels de rode pijl de daarna gevolgde rijroute van de Suzuki.

2.4

Proefnemingen

2.4.1

Bepaling botsposities

Ter hoogte van label 3 werden delen van de koplamp van de Suzuki en delen van de lak van

de Suzuki aangetroffen. Deze delen zijn stuk gegaan voor de botsing tegen de kei. De

Suzuki had schade aan de linker voorzijde. De Suzuki is met de linker voorzijde tegen de

fietser gebotst. Foto 9 toont de vermoedelijke botspositie van de fiets en de Suzuki. Op het

linker spatscherm van de Suzuki was een afdruk van de fietsband zichtbaar (foto 10).

Foto 11 toont de bots positie vanuit de richting van de fietser.

Foto 9, foto 10 en foto 11: weergave van hetgeen onder 2.4.1 is beschreven.

4.

Een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, onder 5° Sv, te weten een aanvraag formulier medische informatie, ingevuld op 2 januari 2017 door W. Kraaijvanger, arts, onder meer inhoudende:

Medische informatie betreffende [slachtoffer] .

Uitwendig waargenomen letsel:

Subduraal haematoom

Fractumus parietale

Acetabulumfractuur (heupkom)

Letsel (onleesbaar), L knie en hoofd rechts

Hersenkneuzing

Breuk schouder R.

Is er sprake van uitwendig bloedverlies? ernstig

Is er vermoeden van niet uitwendig waarneembaar letsel? ja

Is er vermoeden van inwendig bloedverlies? Ja

Psychische stoornissen en/of storingen in het bewustzijn. Ja

Bijzondere mededelingen:

Is lang opgenomen geweest tot 22 -11-2016 in MST. Toen naar revalidatieafdeling Borsthuis. Nu verminderde concentratie, psychische labiliteit.

1 HR 1 juni 2004, NJ 2005, AO5822.