Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2018:78

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
11-01-2018
Datum publicatie
11-01-2018
Zaaknummer
17/1655
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2018:3608, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Inhoudsindicatie

Bestuurlijke boete wegens overtreding Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag. Beroep ongegrond. Niet gebleken is dat sprake is van bijzondere omstandigheden op grond waarvan de overtredingen niet dan wel in verminderde mate aan eiseres kunnen worden toegerekend.

Dat eiseres haar loonadministratie heeft uitbesteed aan een accountantskantoor kan niet als een zodanige omstandigheid gelden. Dat de werknemers familie zijn van de vennoten is evenmin een bijzondere omstandigheid op grond waarvan de overtredingen eiseres in verminderde mate kunnen worden toegerekend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Zittingsplaats Zwolle

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 17/1655

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

VOF Chinees-Indisch Restaurant [naam], te [vestigingsplaats] , eiseres,

gemachtigde: mr. J.A. Visscher,

en

de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, verweerder

gemachtigde: mr. W.J. Edens.

Procesverloop

Bij besluit van 13 maart 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder aan eiseres een bestuurlijke boete van € 10.000,-- opgelegd wegens overtreding van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag.

Bij besluit van 28 juli 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard verklaard.

Bij besluit van 29 mei 2017 is het door eiseres gedane verzoek om uitstel van betaling, anders dan door middel van een betalingsregeling, afgewezen.

Bij besluit van 19 juli 2017 heeft verweerder een bedrag van € 875,-- aan buitengerechtelijke kosten, aan eiseres in rekening gebracht. Tevens heeft verweerder met ingang van 25 april 2017 wettelijke rente in rekening gebracht aan eiseres.

Bij besluit van 3 augustus 2017 heeft verweerder de bezwaren van eiseres tegen de besluiten van 29 mei 2017 en van 19 juli 2017 ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit en tegen het vervolgbesluit van 3 augustus 2017 beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 december 2017.

Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door [vennoot] en [werknemer 3] , bijgestaan door

mr. J.A. Visscher. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W.J. Edens.

Overwegingen

1.1

Eiseres exploiteert aan de [adres] een Chinees-Indisch restaurant, onder de naam [naam] . Op 22 maart 2016 heeft de Inspectie Sociale Zaken

en Werkgelegenheid (hierna: Inspectie SZW) een controle uitgevoerd in het restaurant.

Naar aanleiding van deze controle is een rapport opgemaakt.

1.2

Eiseres heeft twee werknemers, [werknemer 1] (hierna: werknemer 1), die werkzaam is

als kelner, en [werknemer 2] (hierna: werknemer 2), die werkzaam is als kok. Bij het onderzoek

naar aanleiding van de controle door de Inspectie SZW is gebleken dat werknemer 1 die

een werkweek van 38 uur heeft, een bruto salaris heeft ontvangen van € 885,67, welk bedrag beneden het wettelijk minimumloon ligt. Tevens is gebleken dat de door werknemer 1 ontvangen vakantiebijslag lager is dan het daarvoor geldende minimumbedrag. Bij beide werknemers was sprake van loonbetaling anders dan door middel van girale overschrijving.

1.3

Bij het primaire besluit heeft verweerder aan eiseres een bestuurlijke boete opgelegd van € 10.000,--, wegens overtreding van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag 2016 (hierna: Wet minimumloon). Een boete van € 7.000,-- is opgelegd vanwege onderbetaling van het loon van werknemer 1. Een boete van € 1.500,-- is opgelegd vanwege onderbetaling van de vakantiebijslag van werknemer 1. Een boete van twee maal € 750,--

is opgelegd vanwege het niet giraal betalen van het loon van zowel werknemer 1 als werknemer 2. Tevens is besloten om de inspectiegegevens openbaar te maken op de website van de Inspectie SZW.

2.1

Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiseres gehandeld heeft in strijd met de

Wet minimumloon. Het opgelegde boetebedrag is in overeenstemming met de Beleidsregel bestuursrechtelijke handhaving Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag 2016 (hierna: de Beleidsregel).

2.2

Eiseres stelt zich op het standpunt dat geen sprake is van overtreding van enig wettelijk voorschrift en, voor zover daarvan wel sprake is, dat deze eiseres niet kan worden verweten. Beide werknemers hebben een deel van hun loon in natura ontvangen, in de vorm van kost en inwoning. Eiseres is uitgegaan van het loonbegrip in de Wet op de loonbelasting 1964 (hierna: Wlb 1964). Dit kan eiseres niet worden verweten. De opgelegde boete is onevenredig hoog. De publicatie van bedrijfsgegevens op de website van de Inspectie SZW is beschadigend voor de onderneming van eiseres.

3. De rechtbank stelt voorop dat het bij het bestreden besluit gehandhaafde primaire besluit meerdere deelbesluiten bevat. Deze deelbesluiten hebben betrekking op boetes wegens onderbetaling van loon, wegens onderbetaling van de vakantiebijslag en wegens het niet giraal betalen van loon. Tevens is sprake van een deelbesluit tot openbaarmaking van de inspectiegegevens.

4.1

Uit het bepaalde in artikel 7, eerste lid, van de Wet minimumloon volgt dat de werknemer die de leeftijd van 22 jaar heeft bereikt voor de door hem in dienstbetrekking verrichte arbeid jegens de werkgever recht heeft op een loon tot ten minste het bedrag dat

op grond van deze wet geldt als minimumloon. Wat als minimumloon geldt volgt uit het bepaalde in artikel 8 van de Wet minimumloon.

Uit het bepaalde in artikel 15 van de Wet minimumloon volgt dat de werknemer recht op een vakantiebijslag tot ten minste het in deze bepaling genoemde bedrag.

Uit het bepaalde in artikel 7a, eerste lid, van de Wet minimumloon volgt dat de voldoening van het verschuldigde minimumloon door girale betaling geschiedt.

4.2

Op grond van het bepaalde in artikel 18c, eerste lid, van de Wet minimumloon kan

aan degene op wie de verplichtingen rusten welke voortvloeien uit deze wet een bestuurlijke boete worden opgelegd, voor zover het niet naleven daarvan is aangeduid als een overtreding.

Op grond van het bepaalde in artikel 18b, eerste lid, onder a, en onder b, van de Wet minimumloon wordt als overtreding aangemerkt:

a. het door een werkgever niet of onvoldoende nakomen van de op hem rustende verplichting tot girale voldoening van het minimumloon, bedoeld in artikel 7 en 7a;

b. het door een werkgever niet of onvoldoende nakomen van de op hem rustende verplichting tot voldoening van de minimumvakantiebijslag, bedoeld in artikel 15.

4.3

Op grond van het bepaalde in artikel 18pa, eerste lid, van de Wet minimumloon kan de constatering van een overtreding als bedoeld in artikel 18a, eerste en tweede lid, van deze wet openbaar worden gemaakt teneinde de naleving van deze wet te bevorderen en inzicht te geven in het uitvoeren van het toezicht op grond van deze wet.

5.1

De rechtbank stelt vast dat uit de loonberekening blijkt dat voor werknemer 1

een beloning is vermeld die bestaat uit drie componenten. Het vermelde loon bevat een component maaltijden en een component inwoning. De rest van het vermelde loon is in

de vorm van een geldbedrag aan werknemer 1 uitbetaald. De inhoudingen op het in de vorm van een geldbedrag te betalen minimumloon zijn niet toegestaan. De stelling in beroep dat dergelijke componenten op grond van de Wlb 1964 wel als loon kunnen gelden, kan, wat daarvan ook zij, niet afdoen aan het bepaalde in artikel 6, eerste lid, van de Wet minimumloon, waar bepaald is dat voor de toepassing van deze wet onder ‘loon’ wordt verstaan de geldelijke inkomsten uit hoofde van de dienstbetrekking, met enige in deze bepaling genoemde uitzonderingen. Het fiscale loonbegrip laat onverlet dat ook de Wet minimumloon in acht moet worden genomen. Het feitelijk aan werknemer 1 uitbetaalde loon is lager dan het wettelijk minimumloon, als bedoeld in artikel 8 van de Wet minimumloon. Werknemer 1 heeft over de periode van 1 september 2015 tot en met 29 februari 2016 een totaalbedrag van bruto € 3.766,38 te weinig loon ontvangen. Dit is in strijd met het bepaalde in artikel 7 van de Wet minimumloon. Verweerder heeft hiervoor een boete kunnen opleggen.

5.2

De rechtbank stelt voorts vast dat uit het onderzoek van de Inspectie SZW gebleken

is dat aan werknemer 1 over de periode van 1 juni 2014 tot en met 31 mei 2015 een vakantie-bijslag van € 850,20 toegekend, wat een onderbetaling van 40,85 % inhoudt. Dit is in strijd met artikel 15 van de Wet minimumloon. Verweerder heeft hiervoor een boete kunnen opleggen.

5.3

De rechtbank is gebleken dat het loon van werknemers 1 en 2 in de periode van

1 januari 2016 tot en met 29 februari 2016 niet giraal, maar contant aan hen is uitbetaald.

Dit is in strijd met artikel 7a van de Wet minimumloon. Verweerder heeft hiervoor een boete kunnen opleggen.

5.4

Niet gebleken is dat sprake is van bijzondere omstandigheden op grond waarvan de overtredingen niet dan wel in verminderde mate aan eiseres kunnen worden toegerekend.

Dat eiseres haar loonadministratie heeft uitbesteed aan een accountantskantoor kan niet als een zodanige omstandigheid gelden. Fouten die gemaakt worden door een door eiseres ingeschakelde derde worden aan eiseres toegerekend. Daarbij komt dat van een professionele accountant mag worden verwacht dat deze bekend is met de Wet minimumloon. Dat de werknemers familie zijn van de vennoten is evenmin een bijzondere omstandigheid op grond waarvan de overtredingen eiseres in verminderde mate kunnen worden toegerekend.

5.5

De rechtbank acht de hoogte van de boete evenredig aan de ernst van de begane overtredingen. In dit verband acht de rechtbank van belang dat de overtreden normen minimumaanspraken van werknemers waarborgen. Het belang van de bescherming van werknemers in een kwetsbare positie brengt mee dat tegen deze overtredingen op zodanige wijze wordt opgetreden dat hiervan een prikkel uitgaat om deze bepalingen in het vervolg wel in acht te nemen.

5.6

De rechtbank is voorts van oordeel dat verweerder in redelijkheid heeft kunnen besluiten om de constatering van de overtreding openbaar te maken op de website van de Inspectie SZW. De openbaarmaking bevordert de naleving van deze wet en dient voorts om inzicht te geven in het uitvoeren van het toezicht op grond van deze wet.

5.7

Het bestreden besluit is niet in strijd met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Van een beperking van het recht op toegang tot de rechter is geen sprake. Eiseres heeft in het kader van dit beroep gronden kunnen aanvoeren tegen het gehandhaafde besluit tot oplegging van een bestuurlijke boete. Het bestreden besluit is door de rechter zonder enige terughoudendheid beoordeeld.

6.1

Op grond van het bepaalde in artikel 5:39, eerste lid, van de Awb heeft het bezwaar, beroep of hoger beroep tegen de last onder dwangsom mede betrekking op een beschikking die strekt tot invordering van de dwangsom, voor zover de belanghebbende deze beschikking betwist.

6.2

Eiseres heeft de beschikkingen van 19 juli 2017, waarbij een bedrag aan buitengerechtelijke kosten in rekening is gebracht, en van 25 april 2017, waarbij wettelijke rente in rekening is gebracht, in de beroepsgronden betwist. Het beroep is daarom mede tegen dat besluit gericht.

6.3

Eiseres heeft weliswaar gesteld dat zij door de aanvullende besluiten die genomen zijn in financiële problemen is gebracht, maar zij heeft dit niet met stukken onderbouwd. Daarbij komt dat eiseres had kunnen verzoeken om een betalingsregeling.

Overige beroepsgronden met betrekking tot de aanvullende besluiten die verweerder genomen heeft zijn niet aangevoerd.

7 Uit het voorgaande volgt dat het bestreden besluit de rechterlijke toets doorstaat.

Het beroep is daarom ongegrond.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Oosterveld, rechter, in aanwezigheid van mr. A. van der Weij, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.