Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2018:756

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
13-03-2018
Datum publicatie
13-03-2018
Zaaknummer
08/952513-15 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank Overijssel veroordeelt een 28-jarige man tot een gevangenisstraf van 8 maanden voor het witwassen van een groot geldbedrag van ruim 176.000 euro.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Strafrecht

Meervoudige kamer

Zittingsplaats Almelo

Parketnummer: 08/952513-15 (P)

Datum vonnis: 13 maart 2018

Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1989 in [geboorteplaats] ,

wonende in [adres] .

1 Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 6 april 2016, 5 december 2017 en 27 februari 2018.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. T. Feuth en van hetgeen door verdachte en de raadsman mr. E. Manders, advocaat te Rotterdam, naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

De verdenking komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte een geldbedrag van € 176.200,- heeft witgewassen.

Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:

hij op of omstreeks 4 juli 2015, in de gemeente Rijssen-Holten op de A1

aldaar, althans in Nederland,

a. van een voorwerp, te weten een geldbedrag van 176.200,- euro de werkelijke

aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing heeft

verborgen en/of verhuld en/of heeft verborgen en/of verhuld wie de

rechthebbende op een voorwerp, te weten voornoemd geldbedrag, was of wie

voornoemd geldbedrag voorhanden heeft gehad en/of

b. een voorwerp, te weten een geldbedrag van 176.200,- euro heeft verworven

en/of heeft voorhanden gehad en/of heeft overgedragen en/of heeft omgezet

en/of daarvan gebruik heeft gemaakt,

terwijl hij wist althans redelijkerwijs moest vermoeden dat dat voorwerp -

onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf.

3 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 De bewijsoverwegingen

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder b. ten laste gelegde feit kan worden bewezen. Hiertoe heeft de officier van justitie aangevoerd dat er een ernstig vermoeden van witwassen is ontstaan nadat verdachte, die antecedenten heeft, na een melding midden in de nacht op heterdaad is gepakt met een geldbedrag van € 176.000,- in een verborgen ruimte in een naar zijn zeggen van zijn vader geleende auto, terwijl hij eerst verklaarde geen groot geldbedrag in zijn voertuig te hebben. Na maanden is de verdediging met een alternatieve lezing gekomen, van welke lezing is vastgesteld dat deze op belangrijke punten niet verifieerbaar is (de autodeal) en voor zover wel verifieerbaar (de geldstroom) is gebleken dat deze lezing niet kan kloppen. De officier van justitie heeft betoogd dat bij gebrek aan een legale bron van herkomst van het aangetroffen geldbedrag, het niet anders kan zijn dan dat het geld geheel of gedeeltelijk, middellijk of onmiddellijk, uit misdrijf afkomstig is en het ten laste gelegde feit, opzetwitwassen, kan worden bewezen.

4.2

Het standpunt van de verdediging

Primair heeft de raadsman gesteld dat sprake is van een onrechtmatige aanhouding omdat de feiten en omstandigheden betreffende de anonieme melding onvoldoende aanwijzing vormen om te kunnen spreken van een redelijk vermoeden van schuld in de zin van artikel 27 Wetboek van Strafvordering (Sv), zodat niet tot aanhouding mocht worden overgegaan. De raadsman heeft aangevoerd dat sprake is van een direct causaal verband tussen de onrechtmatige aanhouding en het aantreffen van het geldbedrag bij de verdachte en dat daarom het aangetroffen geldbedrag van het bewijs moet worden uitgesloten, zodat vrijspraak dient te volgen voor het ten laste gelegde feit.

Subsidiair heeft de raadsman betoogd dat de verdachte moet worden vrijgesproken wegens het ontbreken van wettig en overtuigend bewijs.

Meer subsidiair heeft de raadsman bepleit dat de verdachte moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging, omdat de kwalificatie-uitsluitingsgrond van toepassing is. De raadsman heeft aangevoerd dat in deze zaak wellicht sprake is van een vermoeden van witwassen. De raadsman stelt dat de kwalificatie-uitsluitingsgrond voor ‘verwerven’ en ‘voorhanden hebben’ ingevolge de Hoge Raad van toepassing is wanneer het gaat om voorwerpen die onmiddellijk afkomstig zijn uit een door verdachte zelf begaan misdrijf.

4.3

Het oordeel van de rechtbank 1

De feiten en omstandigheden

Op 4 juli 2015 om 02.00 uur wordt via de drugshotline een anonieme melding gedaan, dat een grijze personenauto van het merk BMW met kenteken [kenteken] via Berlijn-Hamburg en Oldenburg naar Nederland komt en dat 1,2 miljoen euro in de auto is verborgen.2 De melding is doorgegeven via het info- en coördinatiecentrum Nedersaksen en de Meldkamer Osnabrück aan de meldkamer Oost-Nederland. In die melding wordt een bedrag van

€ 100.000,- genoemd.3

Om 03.19 uur in dezelfde nacht is voornoemde auto gesignaleerd rijdend op de A1 richting Hengelo. Ter hoogte van Rijssen is de bestuurder aangesproken en is de auto met toestemming van de bestuurder summier onderzocht. De bestuurder heeft verklaard geen groot geldbedrag bij zich te hebben. Wegens gebrek aan licht en ruimte voor een goed onderzoek en de harde verdenking door de melding uit Duitsland is de bestuurder, die zich identificeerde als [verdachte] en die antecedenten bleek te hebben, aangehouden op verdenking van witwassen.4

Op 4 juli 2015 vanaf 08.10 uur is de BMW onderzocht. In de auto worden in een afgesloten verborgen ruimte bij de bedieningspanelen een enveloppe met een bedrag van € 66.000,- en twee gesealde pakketten met een geldbedrag erin aangetroffen.5 In de twee gesealde pakketten zat een geldbedrag van in totaal € 110.000,-. Alle 200 eurobiljetten hadden landcode X en de 100 euro biljetten hadden landcode S. De biljetten hadden een volgend serienummer.6

De verdachte heeft zich op zijn zwijgrecht beroepen ten aanzien van de herkomst van het geldbedrag.

Op 6 april 2016 heeft de verdachte verklaard dat hij het geldbedrag voor de heer [naam] ter betaling van de luxe personenauto moest afleveren.7

De heer [naam] heeft verklaard dat hij een bedrijf heeft in auto’s en een bedrijf in verzekeringen waarmee hij veel geld heeft gegenereerd. De heer [naam] heeft verklaard dat de verdachte voor hem een auto moest halen, een Mercedes Benz G63 AMG waarvoor de verdachte het geldbedrag van € 176.000,- moest betalen, welk bedrag de heer [naam] contant aan de verdachte heeft meegegeven. De heer [naam] heeft verklaard dat hij geen namen kan geven van klanten. De heer [naam] heeft verklaard dat hij het geldbedrag in delen heeft opgenomen en dat een deel van het geld in een envelop zat en twee andere delen in plastic.8

Uit bankafschriften van de periode van 1 januari 2015 tot 4 december 2015 volgt dat voorafgaand aan de aanhouding van de verdachte 15 afschrijvingen van de banrekening van [naam] zijn gedaan, waarvan acht contante opnames, tot in totaal een bedrag van

€ 114.500,-.9

De verdachte heeft verklaard dat hij zelf de verborgen bergruimte in de BMW met kenteken [kenteken] heeft laten maken.10

4.3.1

De beslissing ten aanzien van het verweer strekkende tot bewijsuitsluiting

Bewijsuitsluiting – als sanctie op vormverzuimen in het voorbereidend onderzoek – kan uitsluitend aan de orde komen indien door de onrechtmatige bewijsgaring een belangrijk strafvorderlijk voorschrift of rechtsbeginsel in aanzienlijke mate is geschonden.

De rechtbank stelt op basis van voornoemde feiten en omstandigheden vast dat sprake is van een duidelijke en concrete melding en dat de aanhouding pas heeft plaatsgevonden nadat de in de melding duidelijk gespecificeerde personenauto ook daadwerkelijk op de gemelde route is gesignaleerd en was gebleken dat bestuurder antecedenten bleek te hebben op het gebied van de Opiumwet. Naar het oordeel van de rechtbank bestond op dat moment voldoende verdenking in de zin van artikel 27 Sv en was de aanhouding van verdachte rechtmatig.

Op basis van het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat geen sprake is van schending van een belangrijk strafvorderlijk voorschrift of enig rechtsbeginsel, zodat geen sprake is van een situatie die noopt tot bewijsuitsluiting. De rechtbank verwerpt aldus het verweer van de verdediging hieromtrent.

4.3.2

De bewijsoverwegingen

- het juridisch kader

Ten eerste moet worden vastgesteld of aangedragen feiten en omstandigheden van dien aard zijn dat zonder meer sprake is van een vermoeden van witwassen.

Indien dat het geval is, mag van de verdachte worden verlangd dat hij een verklaring geeft voor de herkomst van het geld. Deze verklaring moet concreet, min of meer verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk zijn. Bij de beoordeling van deze verklaring spelen de omstandigheden waaronder en het moment en de wijze waarop deze tot stand is gekomen mede een rol. Van belang kan zijn of verdachte van meet af aan een tegenwicht tegen de verdenking heeft geboden of dat hij pas in een laat stadium van het onderzoek is gaan verklaren op een wijze die aan voormelde vereisten voldoet.

Zodra het door verdachte geboden tegenwicht daartoe aanleiding geeft, ligt het op de weg van het Openbaar Ministerie om nader onderzoek te verrichten naar de uit de verklaringen van verdachte blijkende alternatieve herkomst van het geld. Uit de resultaten van een dergelijk onderzoek zal moeten blijken dat met voldoende mate van zekerheid kan worden uitgesloten dat de geldbedragen waarop de verdenking betrekking heeft, een legale herkomst hebben en dat daarom een criminele herkomst de enige aanvaardbare verklaring is. Als er geen concrete legale bron kan worden vastgesteld, kan het niet anders zijn dan dat de herkomst van het geld een criminele bron is. Een duidelijk gronddelict behoeft niet te worden aangewezen.11

- feiten en omstandigheden van dien aard dat zonder meer sprake is van een vermoeden van witwassen

De rechtbank stelt vast dat de verdachte reed in een personenauto met daarin op een verborgen plaats een relatief groot geldbedrag, te weten € 176.000,-. De rechtbank is van oordeel dat op grond daarvan zonder meer sprake is van een vermoeden van witwassen.

Het geldbedrag van € 200,- is aangetroffen in de fouillering van de verdachte nadat hij is aangehouden. Verdachte heeft verklaard dat het geldbedrag van € 200,- zijn eigendom is. Ten aanzien van deze € 200,- bestaat geen vermoeden van witwassen. De rechtbank acht het tenlastegelegde feit ten aanzien van het geldbedrag van € 200,- dan ook niet bewezen en zal verdachte van dit deel vrijspreken.

- verklaring van verdachte ten aanzien van de herkomst van het bedrag van € 176.000,-

De verdachte heeft zich ten aanzien van de herkomst van het in de auto aangetroffen bedrag van € 176.000,- eerst op zijn zwijgrecht beroepen. Na verloop van negen maanden heeft de verdachte verklaard dat het geld afkomstig is uit legale autohandel en toebehoort aan de heer [naam] . Het geldbedrag zou zijn bedoeld voor de betaling van een luxe personenauto door de heer [naam] en de verdachte had het geldbedrag op het moment van aanhouding onder zich ter betaling van de betreffende auto.

- onderzoek naar de uiteindelijke verklaring van de verdachte voor de herkomst van het geld

Naar de verklaring van verdachte ten aanzien van de herkomst van het geld is door het Openbaar Ministerie onderzoek gedaan.

De rechtbank ziet zich nu gesteld voor de vraag of uit de resultaten van dit onderzoek blijkt dat met voldoende mate van zekerheid kan worden uitgesloten dat het geld waarop de verdenking betrekking heeft een legale herkomst heeft en dat daarom een criminele herkomst de enige aanvaardbare verklaring is.

- ten aanzien van het geldbedrag van € 176.000,-

De rechtbank stelt vast dat verdachte ten aanzien van de herkomst van het bedrag van

€ 176.000,- niet van meet af aan een verklaring heeft afgelegd, maar pas in een later stadium heeft verklaard dat het geld afkomstig was van de heer [naam] en bedoeld was voor betaling van een door de heer [naam] gekochte luxe personenauto. Verdachte heeft aldus pas op een laat stadium tegenwicht geboden tegen de verdenking. De rechtbank weegt dit mee in de beoordeling.

De verklaring van verdachte dat het bedrag van € 176.000,- aan de heer [naam] toebehoort, wordt weliswaar ondersteund door de verklaring van de heer [naam] zelf, maar de specifieke onderdelen van die verklaring van de heer [naam] die kunnen worden gecontroleerd, te weten de klantgegevens en de koopovereenkomst betreffende de auto dan wel andere stukken ter bevestiging van de overeenkomst, worden door de verdachte en de heer [naam] niet gegeven. Daarnaast stelt de rechtbank vast dat de verklaring van de heer [naam] , dat hij het geldbedrag in contanten heeft opgenomen, niet klopt nu het totaalbedrag aan contante opnamen van zijn bankrekening lager is dan het onderhavige geldbedrag. De rechtbank weegt hierbij mee dat de aangetroffen biljetten opeenvolgende serienummers hebben, hetwelk zeer onwaarschijnlijk is in geval van het doen van kleinere contante opnamen op verschillende momenten gedurende een langere periode.

Onder deze omstandigheden, mede gelet op het late moment waarop de verdachte met een verklaring voor de herkomst van het geld is gekomen, kan naar het oordeel van de rechtbank met voldoende mate van zekerheid worden uitgesloten dat het geldbedrag van € 176.000,- een legale herkomst heeft. Aldus is de rechtbank van oordeel dat ten aanzien van dit geld een criminele herkomst als enige aanvaardbare verklaring is.

- conclusie

De rechtbank is op grond van hetgeen hiervoor is overwogen van oordeel dat wettig en overtuigend is bewezen dat verdachte het tenlastegelegde feit ten aanzien van het geldbedrag van € 176.000,- heeft begaan.

4.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de genoemde bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat:

hij op 4 juli 2015 in de gemeente Rijssen-Holten op de A1 aldaar,

een bedrag van 176.000,- euro voorhanden heeft gehad,

terwijl hij wist dat dat geldbedrag - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

5 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld in artikel 420bis sub b van het Wetboek van Strafrecht (Sr).


De verdediging heeft bepleit dat, voor het geval de rechtbank aannemelijk acht dat het geldbedrag van € 176.000,- uit misdrijf afkomstig is, dit betekent dat het afkomstig moet zijn uit eigen misdrijf. Onder verwijzing naar vaste jurisprudentie van de Hoge Raad stelt de raadsman dat in dit geval de gedragingen van verdachte hoe dan ook niet als witwassen kunnen worden gekwalificeerd.


De rechtbank verwerpt dit betoog. De raadsman heeft op geen enkele wijze geconcretiseerd op basis waarvan kan worden vastgesteld dat het geldbedrag van € 176.000,- afkomstig is uit eigen door de verdachte begaan misdrijf. Nu ook uit het dossier niet blijkt van enig door de verdachte begaan misdrijf waaruit het geldbedrag afkomstig is, is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van de zogenoemde kwalificatie-uitsluitingsgrond.

Er zijn ook overigens geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert op het misdrijf: witwassen.

6 De strafbaarheid van verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor het bewezenverklaarde feit.

7 De op te leggen straf of maatregel

7.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft een gevangenisstraf voor de duur van acht maanden met aftrek van de in verzekering doorgebrachte tijd gevorderd.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft ten aanzien van de strafmaat opgemerkt dat sprake is van een aanzienlijk tijdsverloop, dat de verdachte als een zogenoemde ‘moneymule’ wordt gezien en dat dergelijke types in het algemeen niet veel geld verdienen. De raadsman verzoekt indien wordt overgegaan tot strafoplegging deze straf voorwaardelijk te doen zijn.

7.3

De gronden voor een straf of maatregel

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij het volgende van belang.

De verdachte heeft een aanzienlijk geldbedrag te weten € 176.000,-, witgewassen. Door het witwassen van crimineel vermogen wordt de onderliggende criminaliteit gefaciliteerd en wordt de integriteit van het financieel en economisch verkeer aangetast. Dit rekent de rechtbank de verdachte aan.

De oriëntatiepunten van het LOVS omvatten geen oriëntatiepunt voor een feit als het onderhavige, maar kennen als uitgangspunt voor fraude in algemene zin, indien sprake is van een benadelingsbedrag gelegen tussen de € 125.000,- en € 250.000,-, een gevangenisstraf voor de duur van negen tot twaalf maanden.

Uit een uittreksel van de Justitiële Documentatie van verdachte volgt dat hij eerder met politie en justitie in aanraking is geweest.

Al het vorenstaande in aanmerking nemend, daarbij gelet op de hoogte van het witgewassen geldbedrag en het tijdsverloop in deze zaak, is de rechtbank van oordeel dat aan verdachte moet worden opgelegd een gevangenisstraf van acht maanden, met aftrek van de tijd die de verdachte in verzekering heeft doorgebracht.

7.4

De inbeslaggenomen voorwerpen

7.4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat het in beslag genomen bedrag van

€ 176.200,- en de in beslag genomen personenauto van het merk BMW met kenteken

[kenteken] verbeurd worden verklaard.

7.4.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft betoogd dat het geld terug moet worden gegeven aan de heer [naam] .

7.4.3

Het oordeel van de rechtbank

- ten aanzien van het geldbedrag van € 176.000,-

De rechtbank is van oordeel dat het geldbedrag van € 176.000,- moet worden verbeurdverklaard, omdat het feit daarmee is begaan. Daarbij overweegt de rechtbank dat het geldbedrag niet aan de verdachte toebehoort en niet kan worden vastgesteld aan wie het geldbedrag wel toebehoort.

- ten aanzien van het geldbedrag van € 200,-

De rechtbank zal de teruggave aan verdachte gelasten van het aan hem toebehorende op de beslaglijst vermelde geldbedrag van € 200,-, aangezien dit niet vatbaar is voor verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer en het belang van strafvordering zich niet tegen teruggave verzet.

- ten aanzien van de personenauto

De rechtbank stelt vast dat de verdachte de BMW met kenteken [kenteken] tot zijn beschikking had en dat hij in een periode van drie maanden met deze auto relatief veel kilometers heeft gereden. De verdachte heeft zelf een verborgen bergplaats in de auto aangebracht. De verdachte gedraagt zich naar het oordeel van de rechtbank als eigenaar van de auto. Dat op de tenaamstelling van de BMW de naam van de vader van verdachte staat, doet aan het vorenstaande niet af. Verdachte heeft de auto in gebruik. Dat de vader van verdachte daadwerkelijk de koper en de eigenaar van de BMW is, volgt niet uit het dossier en is niet nader met stukken onderbouwd. Naar het oordeel van de rechtbank behoort de personenauto van het merk BMW met het kenteken [kenteken] in strafrechtelijke zin aan verdachte toe.

De rechtbank is van oordeel dat de op de beslaglijst vermelde personenauto van het merk BMW met het kenteken [kenteken] moet worden verbeurdverklaard, omdat deze auto aan verdachte toebehoort en het feit met behulp van deze auto is begaan.

8 De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 33 en 33a Sr.

9 De beslissing

De rechtbank:

bewezenverklaring

- verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;

- verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt hem daarvan vrij;

strafbaarheid feit

- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;

- verklaart dat het bewezenverklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

het misdrijf: witwassen;

strafbaarheid verdachte

- verklaart verdachte strafbaar voor het bewezen verklaarde;

straf

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 (acht) maanden;

- bepaalt dat de tijd die de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

de inbeslaggenomen voorwerpen

- verklaart verbeurd het inbeslaggenomen voorwerp, te weten het geldbedrag van

€ 176.000,-;

- verklaart verbeurd het inbeslaggenomen voorwerp, te weten de personenauto van het merk BMW met kenteken [kenteken] ;

- gelast de teruggave van het inbeslaggenomen voorwerp, te weten een geldbedrag van

€ 200,- aan de verdachte.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.H. Peper, voorzitter, mr. G.J. Stoové en

mr. P.M.F. Schreurs, rechters, in tegenwoordigheid van D.A.C. Brockötter, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 13 maart 2018.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s zijn dit pagina’s uit het dossier van de regiopolitie Oost-Nederland met nummer [nummer] . Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.

2 Het proces-verbaal van bevindingen, pagina 52.

3 Het proces-verbaal van bevindingen, pagina 99.

4 Het proces-verbaal van aanhouding, pagina 40 - 41.

5 Het proces-verbaal van aantreffen geld open enveloppe, pagina 53.

6 Het proces-verbaal van bevindingen onderzoek aan geld uit gesealde pakketten, pagina 182 - 183.

7 Het proces-verbaal van de terechtzitting van 6 april 2016, voor zover inhoudende de verklaring van de verdachte.

8 Het proces-verbaal van de rechter-commissaris betreffende het verhoor van [naam] .

9 Het proces-verbaal van bevindingen met betrekking tot contante opnames ( [code] ).

10 Het proces-verbaal van de terechtzitting van 27 februari 2018, voor zover inhoudende de verklaring van de verdachte.

11 Zie HR 13 juli 2010, ECLI:NL:HR:BM0787