Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2018:753

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
13-03-2018
Datum publicatie
13-03-2018
Zaaknummer
08/730435-17 en 08/194676-14 (vordering TUL) (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank Overijssel veroordeelt een 48-jarige man uit Haaksbergen tot een gevangenisstraf van 1 jaar met een proeftijd van 3 jaar met algemene en bijzondere voorwaarden voor verboden wapenbezit. Naast een voorwaardelijke gevangenisstraf legt de rechtbank de man een taakstraf of van 240 uren en moet de man een eerder aan hem opgelegde voorwaardelijke taakstraf van 40 uren uitvoeren. De man was in het bezit van zes vuurwapens waaronder een mitrailleur, wurgstokken en diverse munitie. Hij bracht zijn minderjarige zoon van de wapens en munitie op de hoogte en deze waren vrij toegankelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Strafrecht

Meervoudige kamer

Zittingsplaats Almelo

Parketnummers: 08/730435-17 en 08/194676-14 (vordering TUL) (P)

Datum vonnis: 13 maart 2018

Vonnis op tegenspraak in de zaak van:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1969 in [geboorteplaats] ,

wonende te [adres 1] .

1 Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 27 februari 2018.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van officier van justitie mr. T. Feuth en van hetgeen door verdachte en zijn raadsman, mr. T. Geerdink, advocaat te Borne, naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

De verdenking komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

feit 1: op 8 april 2017 een wapen van categorie II, wapens van categorie III en munitie van categorie III voorhanden heeft gehad;

feit 2: op 8 april 2017 een wapen van categorie I voorhanden heeft gehad.

Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:

1.

hij op of omstreeks 8 april 2017 te Haaksbergen, gemeente Haaksbergen, althans

in Nederland, een wapen van categorie II, te weten:

- een mitrailleur (type Mp Mp40) en/of

een of meer wapens van categorie III, te weten:

- een pistool (type Llama) en/of

- een revolver (type Emge .40 Rl) en/of

- een pistool (type Baretta Pietro Baretta) en/of

- een alarmpistool (type Rohm Rg5s) en/of

- een alarmpistool (type Reck Gas Kal 8) en/of

munitie van categorie III, te weten:

- een patroonhouder (type .22 met 8 patronen) en/of

- 7 patronen (type 9mm Luger) en/of

- 7 patronen (type Randvuur) en/of

- een kogelpatroon (type Munitie) en/of

- een patroonhouder (met 8 scherpe patronen 9 maal 19 mm) en/of

- 16 patronen (type 9 maal 19 mm) en/of

- 30 patronen (type 9 maal 18 mm);

voorhanden heeft gehad;

2.

hij op of omstreeks 8 april 2017 te Haaksbergen, gemeente Haaksbergen, althans

in Nederland, (een) wapens van categorie I, te weten wurgstokken (type

Nunchaku), voorhanden heeft gehad.

3 De voorvragen

De rechtbank is ambtshalve van oordeel dat de tenlastelegging wat betreft het onder het tiende gedachtestreepje van feit 1 ten laste gelegde (‘een kogelpatroon (type munitie)’) te onbepaald is. Mede gezien de hoeveelheid aangetroffen munitie – wat verdachte niet allemaal is ten laste gelegd – is niet eenvoudig vast te stellen op welke munitie dit ziet. Voor dit onderdeel van de tenlastelegging moet de dagvaarding daarom partieel nietig worden verklaard.

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding voor het overige geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 De bewijsoverwegingen

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde. De wapens en munitie die zijn aangetroffen waren niet volgens de daarvoor geldende regels onklaar gemaakt en kunnen niet worden aangemerkt als collectors items.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft geen uitdrukkelijk onderbouwd standpunt ingenomen ten aanzien van het bewijs. Wel is door de raadsman aangevoerd dat er sterke aanwijzingen zijn die er op duiden dat sprake is van een verzameling grotendeels defecte en inmiddels antieke wapens.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van de tenlastegelegde feiten op grond van de volgende bewijsmiddelen, waarbij de rechtbank – nu verdachte deze feiten heeft bekend en door of namens hem geen vrijspraak is bepleit – conform artikel 359, derde lid, laatste volzin van het Wetboek van Strafvordering (Sv), zal volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen:1

  • -

    het proces-verbaal van bevindingen van verbalisanten [verbalisant 1] , [verbalisant 2] , [verbalisant 3] en [verbalisant 4] , pagina 4 tot en met 7, over het aantreffen van de wapens en munitie;

  • -

    het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 3] , pagina 40 en 41, over de categorisering van de als feit 2 ten laste gelegde wapen;

  • -

    het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 5] , pagina 42 tot en met 45, over de categorisering van de onder het zevende gedachtestreepje van feit 1 ten laste gelegde munitie;

  • -

    het proces-verbaal onderzoek wapen van verbalisanten [verbalisant 6] en [verbalisant 7] , pagina 46 tot en met 49, over de categorisering van de onder het eerste gedachtestreepje van feit 1 ten laste gelegde wapen en de onder het achtste gedachtestreepje van feit 1 ten laste gelegde munitie;

  • -

    het proces-verbaal onderzoek wapen van verbalisanten [verbalisant 6] en [verbalisant 7] , pagina 51 tot en met 55, over de categorisering van de onder het tweede gedachtestreepje van feit 1 ten laste gelegde wapen en de onder het negende gedachtestreepje van feit 1 ten laste gelegde munitie;

  • -

    het proces-verbaal onderzoek wapen van verbalisanten [verbalisant 6] en [verbalisant 7] , pagina 56, 57 en 60, over de categorisering van de onder het derde gedachtestreepje van feit 1 ten laste gelegde wapen;

  • -

    het proces-verbaal onderzoek wapen van verbalisanten [verbalisant 6] en [verbalisant 7] , pagina 71 tot en met 74, over de categorisering van de onder het elfde gedachtestreepje van feit 1 ten laste gelegde munitie;

  • -

    het proces-verbaal onderzoek wapen van verbalisanten [verbalisant 6] en [verbalisant 7] , pagina 75 tot en met 78, over de categorisering van de onder het vierde gedachtestreepje van feit 1 ten laste gelegde wapen;

  • -

    het proces-verbaal onderzoek wapen van verbalisanten [verbalisant 6] en [verbalisant 7] , pagina 79 tot en met 82, over de categorisering van de onder het vijfde gedachtestreepje van feit 1 ten laste gelegde wapen;

  • -

    het proces-verbaal onderzoek wapen van verbalisanten [verbalisant 6] en [verbalisant 7] , pagina 83 tot en met 86, over de categorisering van de onder het zesde gedachtestreepje van feit 1 ten laste gelegde wapen;

  • -

    het proces-verbaal onderzoek wapen van verbalisanten [verbalisant 6] en [verbalisant 7] , pagina 90 tot en met 94, over de categorisering van de onder het twaalfde en dertiende gedachtestreepje van feit 1 ten laste gelegde munitie;

- het proces-verbaal van de terechtzitting van 27 februari 2018, voor zover inhoudende de bekennende verklaring van de verdachte.

De rechtbank overweegt ten overvloede dat de in de tenlastelegging vermelde wapens niet definitief ongeschikt waren gemaakt op de wijze beschreven in Bijlage I ‘Technische specificaties voor de onbruikbaarmaking van vuurwapens’ bij de Uitvoeringsverordening (EU) 2015/2403 van de Commissie van 15 december 2015 tot vaststelling van gemeenschappelijke richtsnoeren betreffende normen en technieken om te waarborgen dat onbruikbaar gemaakte vuurwapens voorgoed onbruikbaar zijn (PbEU 2015, L333/62). Van een vrijstelling voor het voorhanden hebben van de in de tenlastelegging genoemde wapens was daarom geen sprake, zoals ook uit het proces-verbaal blijkt.

Verder was verdachte geen verlof verleend voor het voorhanden hebben van de in de tenlastelegging genoemde wapens. Van een legale verzameling kan daarom geen sprake zijn.

4.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat:

1.

hij op of omstreeks 8 april 2017 te Haaksbergen, gemeente Haaksbergen, een wapen van categorie II, te weten:

- een mitrailleur (type Mp Mp40) en

wapens van categorie III, te weten:

- een pistool (type Llama) en

- een revolver (type Emge .40 Rl) en

- een pistool (type Baretta Pietro Baretta) en

- een alarmpistool (type Rohm Rg5s) en

- een alarmpistool (type Reck Gas Kal 8) en

munitie van categorie III, te weten:

- een patroonhouder (type .22 met 8 patronen) en

- 7 patronen (type 9mm Luger) en

- 7 patronen (type Randvuur) en

- een patroonhouder (met 8 scherpe patronen 9 maal 19 mm) en

- 16 patronen (type 9 maal 19 mm) en

- 30 patronen (type 9 maal 18 mm);

voorhanden heeft gehad;

2.

hij op 8 april 2017 te Haaksbergen, gemeente Haaksbergen, een wapen van categorie I, te weten wurgstokken (type Nunchaku), voorhanden heeft gehad.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

5 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld in de artikelen 13, 26 en 55 van de Wet Wapens en Munitie (WWM). Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:

feit 1

het misdrijf:

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet Wapens en Munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II

en

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet Wapens en Munitie, meermalen gepleegd;

feit 2

het misdrijf:

handelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet Wapens en Munitie.

6 De strafbaarheid van verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor de bewezenverklaarde feiten.

7 De op te leggen straf of maatregel

7.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte te veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 20 maanden, waarvan 10 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren. Als bijzondere voorwaarden aan het voorwaardelijk strafdeel dienen een meldplicht en ambulante behandelverplichting te worden opgelegd, zoals door de reclassering wordt geadviseerd.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft primair betoogd dat verdachte door de inbeslagname van de wapens voldoende is gestraft. De wapens en munitie heeft verdachte na het overlijden van zijn vader in bezit gekregen en hadden voor hem emotionele waarde. Verdachte heeft de wapens en munitie niet aanwezig gehad met criminele intenties. Bovendien heeft de strafzaak behoorlijk impact gehad op verdachte, zijn huidige vriendin en zijn minderjarige zoon, voor wie verdachte de volledige zorg draagt. Subsidiair is een voorwaardelijke taakstraf of voorwaardelijke geldboete op zijn plaats, met als bijzondere voorwaarden een meldplicht en ambulante behandelverplichting zoals door de reclassering wordt geadviseerd.

7.3

De gronden voor een straf of maatregel

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van verdachte, zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij het volgende van belang.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van zes vuurwapens, waaronder een mitrailleur, wurgstokken en diverse munitie. Hij heeft zijn minderjarige zoon van de wapens en munitie op de hoogte gebracht en voor zijn zoon waren deze bovendien vrij toegankelijk. Het ongecontroleerde bezit van vuurwapens en munitie brengt een groot veiligheidsrisico met zich mee. Uit het uittreksel van verdachtes justitiële documentatie van 15 januari 2018 blijkt dat hij eerder is veroordeeld, ook voor overtreding van de Wet Wapens en Munitie (op 16 april 2012) en ook dat hij in 2015 een strafbeschikking heeft gekregen ter zake overtreding van de Wet Wapens en Munitie. Deze eerdere veroordeling en strafbeschikking hebben verdachte er echter niet van weerhouden om zich wederom in te laten met wapens. Gelet daarop, en gelet op de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS), is in beginsel een forse onvoorwaardelijke gevangenisstraf op zijn plaats. Voor de door de raadsman bepleite straffen kan reeds daarom al geen sprake zijn.

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank acht geslagen op het reclasseringsadvies van 22 februari 2018 en het rapport van [instelling 2] van

8 februari 2018.

Uit het rapport van de reclassering blijkt dat het Psychodiagnostiek en Advies Centrum Twente na onderzoek heeft geconcludeerd dat er bij verdachte geen sprake is van een persoonlijkheidsstoornis. Wel is sprake van antisociale trekken, en blijkt uit een afgenomen IQ-test van een IQ van 66 bij verdachte. Verdachte was een aantal jaren frequent cocaïne- en GHB-gebruiker, maar heeft hiervoor hulp gekregen via [instelling 1] en gebruikt dit – behoudens enkele keren een terugval – niet meer. Verdachte woont nu samen met zijn minderjarige zoon, voor wie hij de volledige zorg heeft. Sinds drie jaar wordt verdachte naar tevredenheid ambulant begeleid door [instelling 2] . Verdachte staat open voor nieuwe hulp van [instelling 1] . De reclassering adviseert een (gedeeltelijk) voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen, met als bijzondere voorwaarden een meldplicht en ambulante behandelverplichting. Verdachtes ambulant begeleidster van [instelling 2] heeft gerapporteerd dat verdachte een bewogen leven heeft gehad en gemotiveerd is om met hulp van begeleiding zijn leven weer op te pakken. Hij is een zorgzame vader, is open en stelt zich zeer begeleidbaar op. Door zijn oprechtheid en eerlijkheid kan aan gestelde doelen worden gewerkt.

Ook weegt de rechtbank mee dat zij het aannemelijk acht dat de wapens en munitie die bij verdachte zijn aangetroffen grotendeels afkomstig waren uit de nalatenschap van zijn vader en dat verdachte deze uit verzamellust voorhanden heeft gehad. Gelet daarop, en met name gelet op de hiervoor beschreven persoonlijke omstandigheden van verdachte, ziet de rechtbank in dit specifieke geval aanleiding om af te wijken van de oriëntatiepunten van het LOVS. Om de weg die verdachte heeft ingezet niet te doorkruisen zal de rechtbank verdachte daarom geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf opleggen.

Gelet op de ernst van de feiten zal de rechtbank verdachte veroordelen tot een maximale taakstraf van 240 uren en een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van één jaar met een proeftijd van drie jaren. Die straf is passend en geboden. Als bijzondere voorwaarden zal de rechtbank de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden – een meldplicht en ambulante behandelverplichting – aan het voorwaardelijk strafdeel verbinden.

8 De vordering tenuitvoerlegging

8.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft tenuitvoerlegging gevorderd van de voorwaardelijk opgelegde taakstraf van 40 uren in de zaak met parketnummer 08/194676-14.

8.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd de proeftijd te verlengen van de voorwaardelijk opgelegde taakstraf, vanwege de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

8.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank stelt vast dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig heeft gemaakt aan een nieuw strafbaar feit, zoals naar voren komt uit de verdere inhoud van dit vonnis, en daarmee de algemene voorwaarde heeft overtreden van de voorwaardelijk opgelegde taakstraf in de zaak met parketnummer 08/194676-14.

Gelet op het voorgaande en het in artikel 14g van het Wetboek van Strafrecht (Sr) gestelde acht de rechtbank termen aanwezig om de vordering tot tenuitvoerlegging van de door de rechtbank Overijssel, locatie Almelo, bij vonnis van 3 november 2014 voorwaardelijk opgelegde taakstraf van 40 uren toe te wijzen.

Van bijzondere omstandigheden die tot een ander oordeel zouden moeten leiden is de rechtbank niet gebleken.

9 De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 22c, 22d en 57 Sr.

10 De beslissing

De rechtbank:

Geldigheid dagvaarding

- verklaart de dagvaarding nietig wat betreft het onder feit 1 als tiende gedachtestreepje ten laste gelegde (‘een kogelpatroon (type munitie));

bewezenverklaring

- verklaart bewezen dat verdachte het onder 1 en onder 2 tenlastegelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;

- verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;

strafbaarheid feiten

- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;

- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1: het misdrijf:

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet Wapens en Munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II

en

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet Wapens en Munitie, meermalen gepleegd

feit 2: het misdrijf:

handelen in strijd met artikel 13 lid 1 van de Wet Wapens en Munitie

strafbaarheid verdachte

- verklaart verdachte strafbaar voor het onder 1 en onder 2 bewezenverklaarde;

straf

- veroordeelt verdachte tot een taakstraf, bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid voor de duur van 240 (tweehonderdveertig) uren;

- beveelt, voor het geval dat verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 4 (vier) maanden;

- beveelt dat de tijd die de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering heeft doorgebracht bij de uitvoering van de taakstraf geheel in mindering zal worden gebracht, berekend naar de maatstaf van twee uren taakstraf voor een in verzekering doorgebrachte dag;

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 (één) jaar;

- bepaalt dat deze gevangenisstraf in zijn geheel niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten. De rechter kan de tenuitvoerlegging gelasten indien verdachte voor het einde van de proeftijd van 3 (drie) jaren de navolgende voorwaarden niet is nagekomen:

- stelt als algemene voorwaarden dat verdachte:

- zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

- medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, Sr, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

- stelt als bijzondere voorwaarden dat verdachte:

- zich binnen drie dagen na het onherroepelijk worden van dit vonnis met een afschrift van dit vonnis, en vervolgens gedurende de proeftijd, meldt bij de Reclassering Nederland (adres: [adres 2] ) op de door de reclassering te bepalen tijdstippen, zo frequent en zo lang deze instelling dat nodig acht;

- zich ambulant laat behandelen bij [instelling 1] of een soortgelijke ambulante forensische instelling, zulks ter beoordeling van de reclassering, indien en zo lang als de reclassering dit noodzakelijk acht. Verdachte zal zich dan houden aan de aanwijzingen die hem in het kader van die behandeling door of namens de instelling/behandelaar zullen worden gegeven;

- draagt deze reclasseringsinstelling op om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;

tenuitvoerlegging voorwaardelijke straf

- gelast de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter van de rechtbank Overijssel, locatie Almelo van 3 november 2014 met parketnummer 08/194676-14 voorwaardelijk opgelegde taakstraf voor de duur van 40 uren.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.H. Peper, voorzitter, mr. G.J. Stoové en mr. P.M.F. Schreurs, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J.P. Ponsteen als griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 13 maart 2018.

1 Wanneer wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van de politie, eenheid Oost-Nederland, met nummer [nummer] .