Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2018:731

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
09-03-2018
Datum publicatie
15-03-2018
Zaaknummer
ak_ 17 _ 1940
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Inhoudsindicatie

Schriftelijke berisping ambtenaar. Beroep gegrond. Gebleken is dat in het kader van de behandeling van eisers bezwaar door de bezwaaradviescommissie buiten aanwezigheid van eiser gesprekken zijn gevoerd met betrokkenen. Eiser is niet in de gelegenheid gesteld om bij deze gesprekken aanwezig te zijn en hij is niet van de inhoud van deze gesprekken op de hoogte gesteld. Hiermee is in strijd gehandeld met het bepaalde in artikel 7:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Zittingsplaats Zwolle

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 17/1940

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , te Holten, eiser,

gemachtigde: mr. J. Choufoer-van der Wel, te ’s-Gravenhage,

en

Scholengemeenschap "De Waerdenborch" (voor VWO, HAVO, MAVO, VBO), verweerder

(gemachtigde: mr. G.J. Heussen).

Procesverloop

Bij besluit van 9 mei 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder aan eiser een schriftelijke berisping opgelegd.

Bij besluit van 25 juli 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 februari 2018.

Eiser is verschenen, bijgestaan door mr. J. Chouffoer-van der Wel.

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [directeur have en vwo] (directeur havo en vwo) en [vertegenwoordiger school] , bijgestaan door mr. G.J. Heussen.

Overwegingen

1.1

Eiser is werkzaam als leraar Nederlands bij de openbare scholengemeenschap “De Waerdenborch” in Holten.

1.2

Voorafgaand aan het nemen van het primaire besluit heeft verweerder in het voorjaar van 2017 de Onderwijsinspectie gemeld dat in 2016 sprake lijkt te zijn geweest van een onregelmatigheid bij het schoolexamen literatuur voor het vak Nederlands. De Onderwijsinspectie heeft naar aanleiding hiervan geen actie ondernomen, maar heeft dit aan verweerder overgelaten.

1.3

Bij het primaire besluit heeft verweerder eiser schriftelijk berispt omdat hij als docent tijdens een les op 29 maart 2016 aan leerlingen van een havo-klas voorafgaand aan het schoolexamen literatuur antwoorden van het schoolexamen heeft voorgezegd. Van de les op 29 maart 2016 is een geluidsopname gemaakt.

2.1

Verweerder heeft eiser de disciplinaire straf van een schriftelijke berisping opgelegd, omdat hij meent dat eiser als docent Nederlands tijdens de les op 29 maart 2016 antwoorden op examenvragen heeft voorgezegd aan leerlingen. De inhoud van wat eiser tijdens deze les heeft behandeld komt namelijk vrijwel exact overeen met de vragen die tijdens het havo-examen zijn gesteld en waarmee eiser als docent Nederlands bekend was. De examenstof besloeg veel meer dan wat eiser tijdens deze les besproken heeft. Het voorzeggen van antwoorden op examenvragen kan eiser worden toegerekend. Een schriftelijke berisping is proportioneel aan de ernst van de gedraging waaraan eiser zich schuldig heeft gemaakt.

2.2

Eiser stelt zich op het standpunt dat hij geen examenantwoorden heeft voorgezegd. Hij heeft op 29 maart 2016 gewoon de examenstof behandeld, aan de hand van een shortlist afkomstig uit een database. Een gebruikelijke werkwijze. De vragen die tijdens het examen gesteld zijn maakten daar deel vanuit. Voor zover al moet worden aangenomen dat eiser zich wel aan dat wat hem wordt verweten schuldig heeft gemaakt, kan dit hem niet worden toegerekend. Onvoldoende rekening is gehouden met eisers, bij verweerder bekend zijnde, persoonlijke omstandigheden ten tijde van het incident. De opgelegde schriftelijke berisping is disproportioneel. Volstaan had kunnen worden met een minder zware maatregel, zoals een waarschuwing. Voorafgaand aan het nemen van het bestreden besluit is niet op de juiste wijze gehoord.

3. Tijdens de behandeling ter zitting, op 19 februari 2018, is gebleken dat in het kader van de behandeling van eisers bezwaar door de bezwaaradviescommissie buiten aanwezigheid van eiser gesprekken zijn gevoerd met betrokkenen. Eiser is niet in de gelegenheid gesteld om bij deze gesprekken aanwezig te zijn en hij is niet van de inhoud van deze gesprekken op de hoogte gesteld. Hiermee is in strijd gehandeld met het bepaalde in artikel 7:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Hieruit volgt dat het bestreden besluit op onzorgvuldige wijze tot stand is gekomen.

4.1

Het beroep is daarom gegrond en het bestreden besluit wordt wegens strijd met de artikelen 7:6 en 3:2 van de Awb vernietigd.

4.2

Gelet op de aard van het gebrek dat leidt tot vernietiging van het bestreden besluit, is finale beslechting van het aan de rechtbank voorgelegde geschil thans niet mogelijk. Verweerder dient met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen opnieuw op het bezwaar te beslissen.

5.1

Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt.

5.2

De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser in beroep gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op

€ 1.002,--.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    gelast verweerder om met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen, opnieuw op het bezwaar te beslissen;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten, welke begroot worden op € 1.002,--, te betalen aan eiser;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 168,- aan eiser te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.W.M. Bunt, rechter, in aanwezigheid van

mr. A. van der Weij, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de datum van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.