Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2018:726

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
09-03-2018
Datum publicatie
09-03-2018
Zaaknummer
08/111113-17 en 08/952355-17 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Een 48-jarige man is veroordeeld tot 24 maanden cel en tbs met voorwaarden voor een gewapende overval op een supermarkt in Borne en een inbraak in een bedrijfspand. De man moet ook bijna 3.000 euro schadevergoeding betalen aan één van de caissières.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Strafrecht

Meervoudige kamer

Zittingsplaats Almelo

Parketnummers: 08/111113-17 en 08/952355-17 (P) (t.t.z. gevoegd)

Datum vonnis: 9 maart 2018

Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1969 te [geboorteplaats] ,

wonende in [woonplaats] ,

nu verblijvende in PI Overijssel, HvB Karelskamp te Almelo.

1 Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 23 februari 2018.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr.

S. Leusink-Van Dijk en van wat door verdachte en zijn raadsman mr. R.J.M. Oerlemans, advocaat te ‘s-Hertogenbosch, naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

De verdenking komt er, zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Parketnummer 08/952355-17

op 18 maart 2017 in Borne een gewapende overval op een supermarkt heeft gepleegd.

Parketnummer 08/111113-17

in de periode van 16 juni 2017 tot en met 19 juni 2017 een bedrijfsinbraak heeft gepleegd in Enschede.

Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:

Parketnummer 08/952355-17

hij op of omstreeks 18 maart 2017,

in de gemeente Borne,

met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of

bedreiging met geweld, een of meer perso(o)n(en) , genaamd [slachtoffer 1]

(in/tijdens haar functie van/als kassière/servicemedewerker) en/of

[slachtoffer 2] (in/tijdens haar functie van/als kassière/servicemedewerker),

heeft gedwongen tot de afgifte van (een hoeveelheid) geld en/of

(een hoeveelheid) sigaretten, in elk geval van enig goed, geheel of ten dele

toebehorende aan (supermarkt) [supermarkt] (gelegen aan de [adres 1]

) en/of aan [eigenaar 1] ,

in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte,

welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat hij,

verdachte:

- voorzien van een geheel of gedeeltelijk over/voor zijn hoofd/gezicht

getrokken sjaal/doek en/of muts/capuchon, althans (in ieder geval) voorzien

van een geheel of gedeeltelijk bedekt gezicht - zich naar/in voornoemde

supermarkt (naar de servicebalie) heeft begeven en/of

- ( vervolgens) (daarbij) (aan) die [slachtoffer 1] een geweer/luchtbuks, althans een

op een geweer/vuurwapen gelijkend voorwerp heeft getoond/voorgehouden en/of

- ( vervolgens) voornoemd(e) geweer/luchtbuks, althans dat op een

geweer/vuurwapen gelijkend(e) voorwerp op die [slachtoffer 1] heeft gericht (gehouden)

en/of

- ( vervolgens) (daarbij) (naar/in de richting van) die [slachtoffer 1] heeft

geroepen/meegedeeld: “Al het geld wat je hebt” en/of

- ( vervolgens) heeft die [slachtoffer 1] (een hoeveelheid) geld uit de kassalade)

gepakt en/of (vervolgens) in de bak (van de balie)/op de toonbank

gelegd/gegooid en/of

- ( vervolgens) heeft die [slachtoffer 1] - nadat hij, verdachte, die [slachtoffer 1] te kennen

had gegeven - zakelijk weergegeven - dat hij meer wilde en (ook) alle

sigaretten wilde hebben - voornoemde [slachtoffer 2] (als hulp) erbij geroepen en/of

- ( vervolgens) heeft/hebben die [slachtoffer 1] en/of die [slachtoffer 2] (tevens) (een

hoeveelheid) sigaretten in de bak (van de balie)/op de toonbank gelegd/gegooid

en/of

- ( vervolgens) heeft hij, verdachte, het geld en/of de sigaretten uit de bak

(van de balie) en/of van de toonbank gepakt/gegraaid.

Parketnummer 08/111113-17

hij in of omstreeks de periode van 16 juni 2017 tot en met 19 juni 2017 te

Enschede met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een

(bedrijfs)pand gelegen aan de [adres 2] heeft weggenomen een of

meerdere laptop(s) en/of computer(s) en/of beeldscherm(en) en/of

toetsenbord(en) en/of een schaakspel en/of flessen/blikken drank en/of

etenswa(a)r(en) en/of een pinautomaat en/of een geldbedrag van ongeveer 30

euro, althans enig geldbedrag (aan wisselgeld in de kassa) en/of een

radio(toren) met de daarbij behoren geluidsboxen, in eik geval enig goed,

geheel of ten dele toebehorende aan [bedrijf] , in elk

geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, waarbij verdachte zich de

toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of die/dat weg te

nemen goederen en/of geldbedrag onder zijn bereik heeft gebracht door middel

van braak en/of verbreking en/of inklimming;

3 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 De bewijsoverwegingen

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht de ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen. De officier van justitie baseert haar standpunt op de aangiften en de bekennende verklaring van verdachte.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft ten aanzien van het bewijs geen verweer gevoerd.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van de ten laste gelegde feiten op grond van de volgende bewijsmiddelen, waarbij de rechtbank - nu verdachte deze feiten heeft bekend en door of namens hem geen vrijspraak is bepleit - conform artikel 359, derde lid, laatste volzin van het Wetboek van Strafvordering (Sv), zal volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen.

Parketnummer 08/952355-17 1

- het proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 1] van 18 maart 2017, pagina’s 20 en 21;

- het proces-verbaal van verhoor verdachte van 29 juni 2017, pagina 186.

Aangezien uit de verklaring van verdachte noch uit de verklaringen van aangevers [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] blijkt dat verdachte naast [slachtoffer 1] ook [slachtoffer 2] onder bedreiging van geweld heeft gedwongen tot de afgifte van enig goed, acht de rechtbank dit onderdeel van de tenlastelegging niet bewezen en zal de rechtbank verdachte van dit onderdeel vrijspreken.

Parketnummer 08/111113-17 2

- het proces-verbaal van aangifte door [eigenaar 2] van 19 juni 2017, pagina’s 5 en 6;

- het proces-verbaal van de terechtzitting van 23 februari 2018, voor zover inhoudende de bekennende verklaring van verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste volzin, Sv.

4.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de voornoemde bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat:

Parketnummer 08/952355-17

hij op 18 maart 2017, in de gemeente Borne, met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld, een persoon genaamd [slachtoffer 1] (in haar functie van caissière) heeft gedwongen tot de afgifte van geld en sigaretten toebehorende aan supermarkt [supermarkt] (gelegen aan de [adres 1] ),

welke bedreiging met geweld hierin bestond dat hij, verdachte:

- voorzien van een gedeeltelijk over/voor zijn hoofd/gezicht getrokken sjaal en muts, zich in voornoemde supermarkt naar de servicebalie heeft begeven en

- vervolgens daarbij aan die [slachtoffer 1] een geweer heeft getoond en

- vervolgens voornoemd geweer op die [slachtoffer 1] heeft gericht en

- vervolgens daarbij die [slachtoffer 1] heeft meegedeeld: “Al het geld wat je hebt” en

- vervolgens heeft die [slachtoffer 1] geld uit de kassalade gepakt en op de toonbank gegooid en

- vervolgens heeft die [slachtoffer 1] - nadat hij, verdachte, die [slachtoffer 1] te kennen had gegeven - zakelijk weergegeven - dat hij meer wilde en ook alle sigaretten wilde hebben - [slachtoffer 2] als hulp erbij geroepen en

- vervolgens heeft die [slachtoffer 1] sigaretten op de toonbank gelegd en

- vervolgens heeft hij, verdachte, het geld en de sigaretten van de toonbank gepakt.

Parketnummer 08/111113-17

hij in de periode van 16 juni 2017 tot en met 19 juni 2017 te Enschede met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een bedrijfspand gelegen aan de [adres 2] heeft weggenomen een computer en beeldschermen en een toetsenbord en een schaakbord en flessen en blikken drank en etenswaren en een geldbedrag van ongeveer 30 euro en een radio met de daarbij behorende geluidsboxen, toebehorende aan [bedrijf] , waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak;

De rechtbank heeft de eventueel in de tenlastelegging voorkomende schrijffouten verbeterd in de bewezenverklaring. Verdachte wordt hierdoor niet in zijn verdediging geschaad.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

5 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld in de artikelen 311 en 317 van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:

Parketnummer 08/952355-17

het misdrijf: afpersing;

Parketnummer 08/111113-17

het misdrijf: diefstal waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak.

6 De strafbaarheid van verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor de bewezenverklaarde feiten.

7 De op te leggen straf of maatregel

7.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte te veroordelen tot een gevangenisstraf van 30 maanden met aftrek van voorarrest. Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd dat aan verdachte de maatregel van terbeschikkingstelling wordt opgelegd, waarbij de voorwaarden dienen te gelden zoals genoemd in het reclasseringsrapport van 29 januari 2018.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft de rechtbank verzocht om de duur van de gevangenisstraf te matigen tot de periode die de verdachte thans in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.

7.3

De gronden voor een straf of maatregel

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij het volgende van belang.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een gewapende overval in een supermarkt. Hij heeft daarbij de loop van een geweer op een caissière gericht. Een dergelijk delict is niet alleen zeer bedreigend en traumatiserend voor slachtoffers, maar veroorzaakt ook grote onrust in de samenleving in het algemeen en brengt in sterke mate gevoelens van angst en onveiligheid teweeg. Het is algemeen bekend dat slachtoffers van dergelijke feiten nog lange tijd de negatieve psychische gevolgen daarvan kunnen ondervinden, zoals ook blijkt uit de ter zitting voorgelezen slachtofferverklaringen. Verdachte heeft bij het plegen van het feit gehandeld uit puur winstbejag en heeft zich niets gelegen laten liggen aan de belangen van anderen. Verdachte heeft zich daarnaast schuldig gemaakt aan een bedrijfsinbraak. Hij heeft daarmee schade en overlast voor het bedrijf veroorzaakt. Een dergelijk feit draagt eveneens bij aan gevoelens van onveiligheid in de samenleving. Verdachte was ook bij het plegen van dit delict enkel uit op eigen financieel gewin.

Uit het uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 29 januari 2018 blijkt dat verdachte veelvuldig is veroordeeld wegens vermogensdelicten.

De rechtbank heeft kennis genomen van de over verdachte opgemaakte pro justitia rapportage van psychiater C.J.F. Kemperman van 15 december 2017. Daaruit komt onder meer het volgende naar voren. Bij verdachte is sprake van een cannabis- en heroïnegebruikstoornis, in detentie in gedwongen remissie, en een aanpassingsstoornis met depressieve stemming, thans grotendeels in remissie, gefundeerd op een persoonlijkheidsstoornis met antisociale trekken. Deze stoornissen waren ten tijde van het delict eveneens aanwezig en beïnvloedden de gedragskeuzes en gedragingen van verdachte ten tijde van het ten laste gelegde. Verdachte had immers zijn gedrag minder onder controle door een stressreactie samenhangend met lichamelijke problemen en het wegvallen van een relatie, behandeling en begeleiding, gefundeerd op een persoonlijkheidsstoornis met een beperkt empathisch vermogen en een verminderde controle over impulsen. Geadviseerd wordt derhalve om verdachte het ten laste gelegde in verminderde mate toe te rekenen. Aangezien er een sterk verband bestaat tussen de stoornissen en het ten laste gelegde, de stoornissen van duurzame aard zijn en de copingvaardigheden om impulsen in andere, adequatere, banen te leiden beperkt zijn, wordt de recidivekans als hoog ingeschat indien de psychische gesteldheid van verdachte niet verbetert. Geadviseerd wordt om verdachte in aanvang klinisch te behandelen. Die behandeling dient gericht te zijn op terugvalpreventie, de verslavingsgevoeligheid en het omgaan met stressoren. Vervolgens dient te worden toegewerkt naar een geschikte woonvorm met toezicht en een goede dagbesteding. Geadviseerd wordt om behandeling op te leggen in het kader van een terbeschikkingstelling met voorwaarden.

De rechtbank heeft tevens kennis genomen van de over verdachte opgemaakte pro justitia rapportage van gz-psycholoog D.J. Burck van 14 september 2017. Daaruit blijkt onder meer het volgende. Bij verdachte is sprake van een depressieve stoornis, een stoornis in het gebruik van een opioïde, een stoornis in het gebruik van cannabis en een antisociale persoonlijkheidsstoornis. Verdachte heeft voorafgaand aan het ten laste gelegde heroïne gebruikt, alsmede seresta (oxazepam) ingenomen. Van deze combinatie is bekend dat het tot ontremd gedrag kan leiden. Aangenomen mag derhalve worden dat de stoornis in het gebruik van een opioïde (heroïne) aanwezig was ten tijde van het ten laste gelegde. Tevens mag aangenomen worden dat de antisociale persoonlijkheidsstoornis aanwezig was ten tijde van het ten laste gelegde. Deze stoornissen hebben verdachtes gedragskeuzes en/of gedragingen ten tijde van het ten laste gelegde ten dele beïnvloed aangezien verdachte, conform zijn antisociale persoonlijkheidsstoornis, op vrij impulsieve wijze zijn behoeften heeft bevredigd en geen rekening heeft gehouden met het gevaar en de schade die hij anderen daarmee berokkent. Als gevolg van zijn stoornis heeft verdachte slechts in beperkte mate handelingsalternatieven tot zijn beschikking gehad en de impulsieve drang tot directe behoeftebevrediging heeft de overhand gekregen. Als gevolg hiervan wordt geadviseerd om verdachte het tenlastegelegde in verminderde mate toe te rekenen.

De kans op herhaling van soortgelijke vermogensdelicten met bedreiging met geweld wordt ingeschat als hoog tot zeer hoog. De belangrijkste risicofactoren hiervoor vormen het feit dat verdachte al op jonge leeftijd gedragsproblemen had en in contact kwam met justitie, de antisociale persoonlijkheidsstoornis van verdachte en de omstandigheid dat verdachte weliswaar enig zelfinzicht heeft, maar niet goed een behandelrelatie aan kan gaan en negatieve opvattingen, een depressieve gemoedstoestand en neiging tot impulsiviteit heeft.

Verdachte kan baat hebben bij een behandeling die hem leert omgaan met de beperkingen en die hem de ruimte biedt om zijn leven, stap voor stap, een nieuwe wending te geven door zelf verantwoordelijkheid te nemen. Zo’n behandeling zou plaats kunnen vinden in het kader van een terbeschikkingstelling met voorwaarden waarbij als voorwaarden moeten worden gesteld dat verdachte zich laat opnemen voor een klinische behandeling en verplicht wordt om mee te werken aan een ambulant na-traject.

Uit het maatregelrapport van de reclassering van 29 januari 2018 komt onder meer het volgende naar voren. Verdachte had een reclasseringstoezicht en gedurende een langere periode leek de kans op recidive te verminderen. Verdachte valt echter gemakkelijk terug in oude patronen op het moment dat het leven tegen zit, alsmede door stressoren als het wegvallen van een relatie en de behandeling bij JusTact, lichamelijke problemen en financiële problemen. Verdachte bevredigt op impulsieve wijze zijn behoeften zonder rekening te houden met anderen. Hij doet dan geen beroep op de aanwezige hulpverlening en het gebruik van middelen lijkt de drempel te verlagen. Verdachte zegt nu een positieve houding te hebben ten opzichte van begeleiding en behandeling, maar in hoeverre dat oprecht is zal moeten worden afgewacht. Verdachte zegt mee te willen werken aan een klinische opname in het kader van een terbeschikkingstelling met voorwaarden, omdat hij rust en een normaal leven wil zonder justitiecontacten. De verwachting is dat verdachte voor een stabiel en delictvrij leven afhankelijk is van externen die hem begeleiden en aansturen. De reclassering acht een klinisch traject met behandeling gericht op het verminderen van het recidivegevaar, de verslavingsgevoeligheid, het omgaan met stressoren en het aanleren van adequate copingvaardigheden noodzakelijk. Daarnaast is begeleiding nodig bij het vinden van een geschikte woonplek en werk en/of dagbesteding. Gelet op de levensloop van verdachte en zijn impulsiviteit en delictgeschiedenis is een langdurend en stevig kader nodig om de ingesleten patronen te kunnen veranderen. Geadviseerd wordt derhalve om verdachte in aanmerking te laten komen voor een terbeschikkingstelling met voorwaarden, met daarbij als bijzondere voorwaarden onder meer, kort samengevat, verplichte opname in CTP Veldzicht ten behoeve van een behandeling, verplichte medewerking aan een overgang naar ambulante zorg, begeleid wonen of maatschappelijke opvang, een alcohol- en drugsverbod en verplichte medewerking aan schuldhulpverlening of bewindvoering.

De rechtbank maakt de conclusies van de deskundigen tot de hare en stelt vast dat de bewezenverklaarde feiten in verminderde mate aan verdachte kunnen worden toegerekend.

De rechtbank is van oordeel dat de aard en de ernst van de feiten, in samenhang bezien met de justitiële documentatie van verdachte in beginsel een aanzienlijke onvoorwaardelijke gevangenisstraf rechtvaardigen, terwijl ook een langdurige en intensieve behandeling van de psychiatrische problematiek van verdachte noodzakelijk is. De rechtbank acht een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, met aftrek van voorarrest, passend en geboden.

Voorts zal aan verdachte de maatregel van terbeschikkingstelling worden opgelegd.

Ten tijde van de bewezenverklaarde feiten leed verdachte aan een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens en aan een ziekelijke stoornis. De door hem begane strafbare feiten betreffen misdrijven waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van meer dan vier jaren is gesteld. De rechtbank acht op grond van de inhoud van de rapportages van voornoemde deskundigen Kemperman en Burck het gevaar voor herhaling bij verdachte groot, waardoor de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen het opleggen van de maatregel eist. De rechtbank zal de maatregel gelasten onder de in het dictum te vermelden voorwaarden, zoals geadviseerd in het voornoemde reclasseringsadvies, tot naleving waarvan verdachte zich bereid heeft verklaard.

De rechtbank overweegt dat de terbeschikkingstelling wordt opgelegd ter zake van een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen.

De rechtbank is voorts van oordeel dat, gelet op het verband tussen de stoornissen en het ten laste gelegde, de duurzaamheid van de stoornissen en de impulsieve wijze van behoeftebevrediging door verdachte, er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte opnieuw een strafbaar feit pleegt. Gelet hierop zal de rechtbank ambtshalve op grond van artikel 38, zevende lid, Sr, bevelen dat de opgelegde terbeschikkingstelling met voorwaarden dadelijk uitvoerbaar is.

8 De schade van benadeelden

8.1

De vorderingen van de benadeelde partijen

Parketnummer 08/952355-17

[slachtoffer 1] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert verdachte te veroordelen om schadevergoeding te betalen tot een totaalbedrag van € 2.939,48 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd. De gevorderde materiële schade bestaat uit de volgende posten:

- eigen risico psycholoog € 385,00

- reiskosten psycholoog € 54,48

Wegens immateriële schade wordt een bedrag van € 2.500,00 gevorderd.

Ter zake proceskosten heeft [slachtoffer 1] vergoeding van een bedrag van € 6,83 verzocht.

[slachtoffer 2] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert verdachte te veroordelen om schadevergoeding wegens immateriële schade te betalen tot een bedrag van € 2.500,00.

8.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vorderingen van de benadeelde partijen.

8.3

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft ten aanzien van de vorderingen geen verweer gevoerd.

8.4

Het oordeel van de rechtbank

De vordering van [slachtoffer 1] heeft betrekking op het onder parketnummer 08/952355-17 ten laste gelegde. Door de gebezigde bewijsmiddelen en de behandeling op de terechtzitting is komen vast te staan dat verdachte door het bewezenverklaarde feit rechtstreeks schade heeft toegebracht aan de benadeelde partij. De opgevoerde materiële schadeposten zijn voldoende onderbouwd. De rechtbank zal de gevorderde materiële schadevergoeding toewijzen.

Ten aanzien van de gevorderde immateriële schadevergoeding overweegt de rechtbank dat benadeelde als gevolg van bewezenverklaarde overval lijdt aan een posttraumatische stressstroornis, zijnde een in de psychiatrie erkend ziektebeeld, waarvoor de benadeelde thans wordt behandeld. Gelet op het vorenstaande zal de rechtbank een bedrag van € 2.500,- ter vergoeding van immateriële schade toewijzen.

De rechtbank zal het gevorderde bedrag derhalve in het geheel toewijzen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum waarop het strafbare feit is gepleegd. De rechtbank zal verdachte daarnaast veroordelen in de kosten van het geding, tot op heden begroot op

€ 6,83.

De vordering van [slachtoffer 2] heeft eveneens betrekking op het onder parketnummer 08/952355-17 ten laste gelegde. Nu de rechtbank niet wettig en overtuigend bewezen acht dat verdachte [slachtoffer 2] met geweld heeft bedreigd tot afgifte van enig goed,is niet komen vast te staan dat verdachte door het bewezenverklaarde feit rechtstreeks schade heeft toegebracht aan de benadeelde partij. De rechtbank zal [slachtoffer 2] derhalve niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering

8.5

De schadevergoedingsmaatregel

[slachtoffer 1] heeft verzocht en de officier van justitie heeft gevorderd de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal de rechtbank de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

9 De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 37a, 38, 38a, 38e, 38f en 57 Sr.

10 De beslissing

De rechtbank:

bewezenverklaring

- verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;

- verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;

strafbaarheid feit

- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;

- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

parketnummer 08/952355-17

het misdrijf: afpersing;

parketnummer 08/111113-17

het misdrijf: diefstal waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak;

strafbaarheid verdachte

- verklaart verdachte strafbaar voor het bewezenverklaarde;

straf

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 (vierentwintig) maanden;

- bepaalt dat de tijd die de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

maatregel terbeschikkingstelling

- gelast dat verdachte ter beschikking wordt gesteld en stelt daarbij als voorwaarden:

  1. De veroordeelde verleent ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of biedt een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht aan;

  2. De veroordeelde zal zich niet schuldig maken aan een strafbaar feit;

  3. De veroordeelde begeeft zich niet zonder toestemming buiten de Nederlandse grenzen, maar overlegt hierover vooraf met de reclassering, waarbij geldt dat het Openbaar Ministerie uiteindelijk hierin beslist;

  4. De veroordeelde verleent medewerking aan het verstrekken van een actuele foto aan de reclassering ten behoeve van eventuele opsporing;

  5. De veroordeelde zal zich op afspraken met de reclassering melden, op de door de reclassering te bepalen tijdstippen, zolang en zo vaak de reclassering dat nodig acht;

  6. De veroordeelde verleent medewerking aan het reclasseringstoezicht. Deze medewerking houdt onder andere, maar niet uitsluitend in:

a. zich houden aan de voorschriften en aanwijzingen van de reclassering die nodig zijn voor de uitvoering van het toezicht of om de veroordeelde te bewegen tot het naleven van de voorwaarden;

b. medewerking verlenen aan huisbezoeken;

c. inzicht geven aan de reclassering over de voortgang van begeleiding of behandeling door andere instellingen/hulpverleners;

d. niet verhuizen zonder toestemming van de reclassering;

e. medewerking verlenen aan het uitwisselen van informatie met personen en instanties die contact hebben met de veroordeelde, als dat van belang is voor het toezicht;

7. De veroordeelde laat zich opnemen in CTP Veldzicht, afdeling FPK/OFZ (of soortgelijke zorginstelling), zulks te bepalen door de voor plaatsing verantwoordelijke instantie, zolang de reclassering dat nodig acht. Hij volgt de aanwijzingen van de behandelaars conform de op te stellen (delict preventieve) behandelovereenkomst en het nader te formuleren behandelplan op. Dit behandelplan zal op geëigende momenten bijgesteld en nader gespecificeerd worden;

8. De veroordeelde houdt zich aan de huisregels en aanwijzingen die de zorginstelling aan hem geeft in het kader van de behandeling, ook als dit inhoudt het innemen van medicatie die nodig is voor de behandeling;

9. Indien tijdens de behandeling een overgang naar ambulante zorg, begeleid wonen of

maatschappelijke opvang gewenst is, zulks ter beoordeling van de reclassering en in

afstemming met de behandelinstelling, werkt de veroordeelde mee aan de indicatiestelling en plaatsing. De veroordeelde zal zich committeren aan het nazorgtraject waaraan te zijner tijd invulling gegeven zal gaan worden. Dit omvat tevens het kiezen van een woonplek na overleg en toestemming van de reclassering en niet van woonplek veranderen anders dan na overleg en met toestemming van de reclassering. Contact en afstemming met de wijkagent zal in de (nieuwe) woonomgeving tot stand gebracht worden;

10. De veroordeelde onderhoudt contact met de reclassering en verschaft zicht op de voortgang van zijn behandeling. De reclassering zal contact onderhouden met zowel de behandelaars als met de veroordeelde;

10. De veroordeelde werkt mee aan FPT en, indien de reclassering dit nodig acht, aan een time-out in forensische psychiatrische instelling CTP Veldzicht (of een soortgelijke instelling) van maximaal 7 weken, met de mogelijkheid van verlenging met nog eens maximaal 7 weken, tot maximaal 14 weken per jaar;

10. De veroordeelde onthoudt zich van alcohol- en drugsgebruik. Hij werkt mee aan controles op indicatie en steekproefsgewijs;

10. De veroordeelde zal inzicht geven in zijn sociaal netwerk en medewerking verlenen, indien geïndiceerd door de behandelaars en/of reclassering, aan relatiebegeleiding en systeemgesprekken;

10. De veroordeelde verschaft de reclassering zicht in zijn financiën en eventuele schulden, zolang de reclassering dat nodig acht. Hij maakt afspraken met schuldeisers om zijn schulden af te lossen, ook als dit inhoudt meewerken aan en/of voortzetting van schuldhulpverlening of bewindvoering;

10. De veroordeelde zet zich in voor het realiseren en behouden van een passende en door de reclassering goedgekeurde dagbesteding/werk;

  • -

    geeft Reclassering Nederland opdracht de verdachte bij de naleving van de opgelegde voorwaarden hulp en steun te verlenen;

  • -

    beveelt dat de opgelegde maatregel van terbeschikkingstelling dadelijk uitvoerbaar is;

  • -

    verstaat dat de terbeschikkingstelling wordt opgelegd ter zake van een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen;

schadevergoeding

parketnummer 08/952355-17

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 1] van een bedrag van € 2.939,48, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 18 maart 2017;

- veroordeelt verdachte daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op € 6,83, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;

- legt de maatregel op dat verdachte verplicht is ter zake van het bewezenverklaarde feit tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 2.939,48 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 18 maart 2017 ten behoeve van de benadeelde, met bevel, voor het geval dat volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt, dat vervangende hechtenis voor de duur van 39 dagen zal worden toegepast. Tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis laat de betalingsverplichting onverlet;

- bepaalt dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als verdachte aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen.

- bepaalt dat de benadeelde partij [slachtoffer 2] niet-ontvankelijk is in de vordering, en dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Dit vonnis is gewezen door mr. B.T.C. Jordaans, voorzitter, mr. E. Venekatte en

mr. P.M.F. Schreurs, rechters, in tegenwoordigheid van mr. N. Wilmink, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 9 maart 2018.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van de regiopolitie Oost-Nederland genaamd Buxus met code ON2R000 en registratienummer 2017124387. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.

2 Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van de regiopolitie Oost-Nederland met nummer PL0600-2017280301 van 5 juli 2017. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.