Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2018:698

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
08-03-2018
Datum publicatie
09-03-2018
Zaaknummer
ak_ 17 _ 1621
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Niet gehuwd zijn en geen samenleving staat niet in de weg aan de gevraagde geslachtsnaamwijziging, gelet op verruiming van de normen voor geslachtsnaamwijziging; niet beoogd om toekomstige andere vormen van samenleving dan wel van gezamenlijke verzorging strikt uit te sluiten bij de beoordeling van de gevraagde geslachtsnaamwijziging; beroep gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Burgerlijke stand en landeninformatie 2018/5109
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Zittingsplaats Zwolle

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 17/1621

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] te [woonplaats] eiser,

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder,

gemachtigde: W. de Kwant.

Procesverloop

Op 29 november 2016 heeft eiser (vader), gezamenlijk met [naam moeder] (moeder), bij verweerder een aanvraag ingediend om de geslachtsnaam van [naam zoon] (hierna: [naam zoon] ) [naam moeder] te wijzigen in [naam eiser] .

Bij besluit van 1 maart 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag tot geslachtsnaamwijziging afgewezen. Bij besluit van 30 mei 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Op 4 oktober 2017 heeft verweerder het bestreden besluit ingetrokken. Bij besluit van 25 oktober 2017 is opnieuw op eisers bezwaar beslist. Daaraan voorafgaand heeft verweerder zowel vader als moeder over het bezwaar gehoord. Verweerder heeft eisers bezwaar vervolgens wederom ongegrond verklaard en het primaire besluit met een verbeterde motivering gehandhaafd.

Eisers beroep wordt geacht mede te zijn gericht tegen verweerders besluit van 25 oktober 2017.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 november 2017. Eiser is in persoon verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. [naam zoon] is geboren op [geboortedatum] . Eiser heeft [naam zoon] erkend als zijn zoon, heeft het gezag over hem en staat ook in voor zijn verzorging en opvoeding. [naam zoon] is woonachtig bij zijn moeder. Vader en moeder zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over [naam zoon] Beiden hebben volledig co-ouderschap, waarover afspraken zijn gemaakt in een ouderschapsplan en zijn ook beiden bevoegd om de aanvraag voor de geslachtsnaamswijziging als wettelijke vertegenwoordigers in te dienen.

Uit onderzoek naar de in de Basisregistratie Personen vastgelegde gegevens is verweerder gebleken dat eiser in de periode van 15 april 2003 tot 20 november 2008 met de moeder op hetzelfde adres ingeschreven heeft gestaan. Moeder huurde destijds een kamer bij eiser. Tussen partijen is niet in geschil, dat zij nimmer een relatie met elkaar hebben gehad.

2. In geschil is de vraag of verweerder op goede gronden heeft besloten om eisers aanvraag tot geslachtsnaamswijziging van [naam zoon] af te wijzen.

Eiser voert aan dat verweerder bij zijn besluit onvoldoende heeft gekeken naar de bijzondere omstandigheden waaronder hij zijn kind heeft gekregen, alsmede het gegeven dat zowel hij als de moeder van [naam zoon] afzonderlijk een bijdrage leveren aan zijn opvoeding zonder dat ooit sprake is geweest van een samenleving van beide ouders.

3. Artikel 5 van Boek 1 Burgerlijk Wetboek (verder: BW) bepaalt welke geslachtsnaam iemand heeft. In artikel 7, eerste lid, Boek 1 BW is bepaald dat de geslachtsnaam op

verzoek kan worden gewijzigd. De geslachtsnaamswijziging gebeurt bij koninklijk

besluit. Artikel 7, vijfde lid, Boek 1 BW bepaalt verder dat nadere regels worden gesteld over de gronden waarop de geslachtsnaamswijziging kan worden verleend.

Artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a van het Besluit geslachtsnaamswijziging, van 6 oktober 1997, staatsblad 1997, nummer 463 (verder: het Besluit), bepaalt het volgende.

Op eensluidend verzoek van de wettelijke vertegenwoordiger en van degene wiens geslachtsnaam ten behoeve van de minderjarige wordt verzocht, of, indien de naam van een overleden ouder wordt verzocht, op verzoek van de wettelijke vertegenwoordiger, wordt de geslachtsnaam van een minderjarige van twaalf jaren of ouder gewijzigd:

in de geslachtsnaam van de ouder wiens naam het kind niet heeft, indien deze ouder

na de ontbinding van het huwelijk of de verbreking van de buitenhuwelijkse samenleving met de andere ouder gedurende een aaneengesloten periode van ten minste drie jaren onmiddellijk voorafgaande aan het verzoek de minderjarige heeft verzorgd en opgevoed.

Ingevolge het tweede lid van dit artikel is ten aanzien van het verzoek tot wijziging van de geslachtsnaam van een minderjarige die de leeftijd van twaalf jaren nog niet heeft bereikt, het eerste lid van overeenkomstige toepassing met dien verstande dat de termijn van verzorging en opvoeding dan ten minste vijf jaren bedraagt.

4.1

Niet in geschil is, dat eiser [naam zoon] gezamenlijk met de moeder gedurende een aaneengesloten periode van ten minste vijf jaren onmiddellijk voorafgaande aan het verzoek heeft verzorgd en opgevoed.

4.2

Het geschil spitst zich toe op de vraag of het feit dat eiser niet met de moeder van [naam zoon] gehuwd is geweest en ook niet met haar heeft samengeleefd in de weg staat aan de gevraagde geslachtsnaamswijziging. De rechtbank beantwoordt die vraag ontkennend.

De rechtbank wijst in dit verband op hetgeen de wetgever ten aanzien van de verruiming van de normen voor geslachtsnaamwijziging heeft overwogen in de Nota van Toelichting bij het Besluit.

Hierin overweegt de wetgever immers in de eerste plaats dat voor geslachtsnaamswijziging bij kinderen jonger dan twaalf jaar grotere terughoudendheid dient te worden betracht, wat tot uitdrukking dient te komen in een langere onafgebroken verzorgingstermijn. Die termijn acht de wetgever van belang teneinde de bestendigheid van de relatie van de verzorgers – aldus de wetgever “zo er een relatie is” – vast te kunnen stellen en het toekomstperspectief van het kind ten aanzien van de verzorging te kunnen beoordelen.

Aan de relationele status als zodanig tussen de ouders kent de wetgever in dit verband geen gewicht toe, evenmin als aan de vraag of de ouders van hetzelfde geslacht zijn dan wel of sprake is van pleegouders. Uitgangspunt van de wetgever is, dat de belangen van het betrokken kind in de toekomst zijn gewaarborgd. Daarbij acht hij de mening van het kind zelf alsook – onder meer – de rol die de beide ouders in het leven van het kind hebben van betekenis. De wetgever hecht er dan ook aan dat de combinatie van verschillende feiten en omstandigheden die in verband staan met de belangen van het kind bij de beoordeling van het verzoek om geslachtsnaamswijziging, ondanks het imperatieve karakter van het Besluit, zorgvuldig worden gewogen.

De rechtbank is voorts van oordeel dat de wetgever – gelet op de verruiming hij destijds in de regelgeving heeft doorgevoerd en zijn toelichting daarop – niet heeft beoogd om toekomstige andere vormen van samenleving dan wel van gezamenlijke verzorging strikt uit te sluiten bij de beoordeling van een gevraagde geslachtsnaamswijziging.

4.3.

De rechtbank stelt vast, dat verweerder de combinatie van verschillende feiten en omstandigheden die in verband staan met de belangen van [naam zoon] bij de beoordeling van het verzoek om geslachtsnaamswijziging onvoldoende heeft afgewogen. Met name de vraag of die belangen door de relationele status tussen eiser en de moeder van [naam zoon] kunnen worden aangetast, heeft verweerder onbeantwoord gelaten.

Het bestreden besluit berust derhalve niet op een deugdelijke motivering.

5. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd. Het beroep is daarom gegrond.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    bepaalt dat verweerder opnieuw op het bezwaar van eiser dient te beslissen, met inachtneming van deze uitspraak

  • -

    bepaalt dat verweerder aan eiser het betaalde griffierecht van € 168,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.P.W. Esmeijer, rechter, in aanwezigheid van

R.K. Witteveen, als griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.