Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2018:671

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
01-03-2018
Datum publicatie
05-03-2018
Zaaknummer
C/08/213688 / KG ZA 18-32
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Burengeschil. Eisers zijn in bodemprocedure veroordeeld tot dicht- en vastmaken van ramen, zodat niet op het erf van gedaagden gekeken kan worden, op straffe van een dwangsom. Gedaagden maken aanspraak op maximale dwangsom van € 5.000,- omdat eisers niet aan veroordeling zouden hebben voldaan en heeft beslag gelegd op drie bedrijfswagens en de caravan van eisers. Voorzieningenrechter is ter plaatse geweest en heeft met partijen de ramen bekeken en geconstateerd dat inderdaad niet aan de veroordeling is voldaan, omdat de plakfolie op de ramen loslaat/gekrompen is. Vorderingen van eisers tot opheffing beslag dan wel schorsing van de tenuitvoerlegging afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Almelo

zaaknummer / rolnummer: C/08/213688 / KG ZA 18-32

Vonnis in kort geding van 1 maart 2018

in de zaak van

1 [eiser 1] ,

wonende te [plaats] ,

2. [eiser 2],

wonende te [plaats] ,

eisers,

advocaat mr. J. Dijkman te Almelo,

tegen

1 [gedaagde 1] ,

wonende te [plaats] ,

2. [gedaagde 2],

wonende te [plaats] ,

3. [gedaagde 3],

wonende te [plaats] ,

gedaagden,

advocaat mr. R.W.A. Kroon te Almelo.

Partijen zullen hierna [eiser 1] c.s. en [gedaagde 1] c.s. genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 9 februari 2018 met vijf producties,

  • -

    de brief van mr. Dijkman van 16 februari 2018 met drie aanvullende producties,

  • -

    de brief van mr. Kroon van 16 februari 2018,

  • -

    de brief van mr. Dijkman van 19 februari 2018 met één aanvullende productie,

  • -

    de brief van mr. Kroon van 20 februari 2018 met vier producties,

  • -

    de mondelinge behandeling op 22 februari 2018,

  • -

    de pleitnota van [eiser 1] c.s.,

  • -

    de pleitnota van [gedaagde 1] c.s..

1.2.

Tijdens de mondelinge behandeling op 22 februari 2018 zijn verschenen partijen en hun advocaten. Partijen hebben bij die gelegenheid hun standpunten toegelicht aan de hand van pleitaantekeningen. Na verder debat – waarbij een vergelijk niet tot de mogelijkheden bleek te behoren – is de zitting voortgezet ter plaatse, te weten zowel in de woning van [eiser 1] c.s. als in de tuin van het perceel van [gedaagde 1] c.s.. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld om de voorzieningenrechter te tonen wat van belang is, en om daarbij hun standpunt toe te lichten. Ook zijn ter plaatse zowel de door [eiser 1] c.s. meegebrachte informant, de heer [A] , als de door [gedaagde 1] c.s. meegebrachte informant, de heer [B] , gerechtsdeurwaarder, gehoord als informant (en dus niet onder ede). Na verder debat is vonnis bepaald op 7 maart 2018 dan wel – met goedvinden van partijen – eerder, als het vonnis eerder gereed is.

2 De feiten

2.1.

Partijen zijn buren. [eiser 1] c.s. zijn eigenaar van het perceel [adres 1] te [plaats] en [gedaagde 1] c.s. van het perceel [adres 2] te [plaats] .

2.2.

Partijen zijn verwikkeld in een langslepend conflict, wat heeft geresulteerd in een bodemprocedure bij deze rechtbank waarin op 25 januari 2017 een vonnis is gewezen, welk vonnis is hersteld bij vonnis van 8 februari 2017, in die zin dat het vonnis alsnog uitvoerbaar bij voorraad is verklaard. Het betreffende vonnis is inmiddels onherroepelijk geworden.

2.3. Nr. 8.1 van het vonnis luidt:

“veroordeelt [eiser 1] c.s. om, binnen vier weken na betekening van dit vonnis, alle lichtopeningen die zich bevinden in het pand [adres 1] te [plaats] , voor zover grenzend aan het perceel [adres 2] te [plaats] , te voorzien van vaststaande en ondoorzichtige vensters en deze vaststaand en ondoorzichtig te houden, op straffe van een dwangsom van € 100,00 per dag, een gedeelte van een dag daaronder begrepen, gedurende welke gedaagden of één van hen nalatig zijn/is om na betekening van het vonnis te voldoen, met een maximum van € 5.000,00”.

2.4.

Betekening van het vonnis aan [eiser 1] c.s. heeft plaatsgevonden op 14 juni 2017.

2.5.

Op 17 juli 2017 heeft de deurwaarder in opdracht van [gedaagde 1] c.s. een proces-verbaal van constateringen opgemaakt waarin onder meer het volgende is opgenomen:

“ [gedaagde 1] stelt zich op het standpunt dat aan deze veroordeling niet is

voldaan, aangezien onder meer een aantal lichtopeningen niet zijn voorzien van

vaststaande en ondoorzichtige vensters en deze ook niet vaststaand en

ondoorzichtig worden gehouden en heeft aan mij gevraagd een constatering op te

maken van de actuele situatie ter plaatse;

Daartoe heb ik mij begeven naar het adres [adres 2] in [plaats] , zijnde

het woonadres van [gedaagde 1] , voornoemd;

Ter plaatse heb ik in de (achter)tuin foto’s gemaakt van de actuele situatie; ook heb

ik een tweetal filmpjes gemaakt van een door mij uitgevoerde controle of een aantal

kiepramen wel vaststaand waren; dit betrof het raam linksboven, gesitueerd naast

het terras van [adres 1] en de twee ramen onder het terras van [adres 1] ; deze

kiepramen waren met de hand naar binnen toe te drukken;”

2.6.

Op 5 september 2017 heeft de deurwaarder een tweede proces-verbaal van constateringen opgemaakt waarin onder meer het volgende is opgenomen:

“Ter plaatse heb ik in de (achter)tuin wederom foto’s gemaakt van de actuele

situatie; ook heb ik een vijftal filmpjes gemaakt van een door mij uitgevoerde

controle of een aantal kiepramen wel vaststaand waren en de venster ondoorzichtig;

Door de gaten in het folie zijn door mij foto’s genomen waarop de inboedel in de

naastgelegen woning [adres 1] in [plaats] te zien is; op de één is

een eettafel met stoelen en daarboven twee groene hanglampen te zien en op de

ander een groene hangplant;

Het raam linksboven onder het terras (niet te zien op de situatieschets) heeft [gedaagde 1]

in mijn bijzijn met een stok aangeduwd, waardoor het raam

naar binnenviel; dit is te zien op één van de door mij gemaakte filmpjes;”

2.7.

Bij exploot van 18 september 2017 heeft de deurwaarder namens [gedaagde 1] c.s. bevel gedaan aan [eiser 1] c.s. om binnen twee dagen € 5.000,- voor verbeurde dwangsommen te betalen, vermeerderd met de kosten van het exploot.

2.8.

Op 5 januari 2018 hebben [gedaagde 1] c.s. executoriaal beslag laten leggen op een drietal bedrijfswagens en een caravan van [eiser 1] c.s. De executoriale verkoop is aangezegd tegen 14 februari 2018, maar aangehouden in afwachting van onderhavige kortgedingprocedure.

3 Het geschil

3.1.

[eiser 1] c.s. vorderen samengevat - primair opheffing van het op 5 januari 2018 gelegde executoriaal beslag en subsidiair schorsing van de tenuitvoerlegging van het vonnis van 8 februari 2017, met veroordeling van [gedaagde 1] c.s. in de kosten van het geding.

3.2.

[eiser 1] c.s. leggen - samengevat - aan hun vorderingen ten grondslag dat het vonnis van 8 februari 2017 berust op een juridische dan wel feitelijke misslag, omdat er sprake is van verjaring. Indien er geen sprake is van verjaring stellen [eiser 1] c.s. dat zij voldaan hebben aan de veroordeling en daarom geen dwangsommen verschuldigd zijn, waardoor de beslaglegging onrechtmatig is. Uit het proces-verbaal dat is opgemaakt van de descente in de bodemprocedure volgt dat [eiser 1] c.s. de ramen provisorisch hebben dichtgeplakt en [gedaagde 1] c.s. hebben aangegeven dat als [eiser 1] c.s. toezegt het minimaal zo te houden, [gedaagde 1] c.s. daarmee akkoord zijn. [eiser 1] c.s. stelt die toezegging te hebben gedaan en zich daaraan te hebben gehouden en daarmee aan het doel en de strekking van de veroordeling, te weten voorkomen dat [eiser 1] c.s. uitzicht hebben op het erf van [gedaagde 1] c.s., te hebben voldaan. [eiser 1] c.s. voeren tenslotte aan dat er sprake is van eigenrichting door [gedaagde 1] c.s. om aanspraak te kunnen maken op dwangsommen.

3.3.

[gedaagde 1] c.s. hebben - samengevat - geconcludeerd tot afwijzing van het door [eiser 1] c.s. gevorderde onder aanvoering dat de door hen in gang gezette executie van voormelde dwangsomveroordeling wel degelijk handen en voeten heeft.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

De eerste vraag die voorligt is of [eiser 1] c.s. de hiervoor aangehaalde dwangsomveroordeling hebben overtreden en dus of, en zo ja, in hoeverre, door de rechtbank opgelegde dwangsommen zijn verbeurd. Om deze vraag te kunnen beantwoorden moet worden onderzocht of de in de veroordeling door de rechtbank verlangde prestaties waaraan de dwangsommen zijn verbonden (tijdig) zijn verricht. De voorzieningenrechter moet zich daarbij ertoe beperken de ter uitvoering van het veroordelend vonnis verrichte handelingen te toetsen aan de inhoud van de veroordeling (zoals die door uitleg moet worden vastgesteld). Daarbij moeten doel en strekking van de veroordeling tot richtsnoer worden genomen, aldus dat de veroordeling niet verder strekt dan tot het bereiken van het daarmee beoogde doel.

4.2.

Ten aanzien van de stelling van [eiser 1] c.s., dat zij hebben voldaan aan de hen bij het vonnis van de bodemrechter opgelegde veroordeling, wordt als volgt overwogen.

4.3.

Middels de hier aan de orde zijnde dwangsomveroordeling is een tweeledig gebod aan [eiser 1] c.s. opgelegd door de bodemrechter. Allereerst is [eiser 1] c.s. het gebod opgelegd om de betreffende ramen in de woning van [eiser 1] c.s. die uitzicht (kunnen) bieden op de tuin van de woning van [gedaagde 1] c.s. zodanig te blinderen en geblindeerd te houden dat door die ramen geen zicht (meer) kan worden verkregen op/in de tuin van [gedaagde 1] c.s.. Tevens is [eiser 1] c.s. middels deze veroordeling het gebod opgelegd om de betreffende hier aan de orde zijnde ramen zodanig vast te zetten dat die niet (meer) kunnen worden geopend.

4.4.

Bij de voortzetting van de behandeling van dit kort geding in de woning van [eiser 1] c.s. zijn door de voorzieningenrechter samen met partijen en de informanten, eerst alle ramen bekeken die in beginsel uitzicht zouden kunnen bieden op de woning en in de tuin van [gedaagde 1] c.s.. Daarbij is gebleken dat op al die ramen aan de binnenzijde de “oude” mat en ondoorzichtig makende folie was geplakt. Die folie was op een enkel raam na, reeds op die ramen bevestigd/geplakt voor de datum van het wijzen van het vonnis in de bodemprocedure. Door [eiser 1] c.s. is dat ter zitting ook erkend. Of anders gezegd: ter uitvoering van dat vonnis hebben [eiser 1] c.s. niet opnieuw en/of beter folie aangebracht aan de binnenzijde van die ramen of hebben zij – om anderszins aan dat vonnis tegemoet te komen – het glas in die ramen vervangen door niet-doorzichtig glas. [eiser 1] c.s. hebben er kennelijk voor gekozen om de bestaande aanpak van het ondoorzichtig maken van die ramen te laten zoals het is. Ter zitting is door [eiser 1] c.s. ook uitgelegd waarom er is gekozen voor die aanpak. Dit omdat [eiser 1] c.s. de hier aan de orde zijnde “verouderde” ramen over enige tijd wenst te vervangen door nieuwe ondoorzichtige ramen met nieuwe kozijnen. Het geld daarvoor is naar zeggen van [eiser 1] c.s. echter thans nog niet voorhanden, maar dat moment gaat naar zeggen van [eiser 1] c.s. zeker komen. Tot slot verdient hier nog vermelding dat de door [eiser 1] c.s. voorgedragen informant, de heer [A] , heeft verklaard geen werkzaamheden te hebben verricht voor juist het meer/beter ondoorzichtig maken van de ruiten. Dit omdat hij zich alleen heeft beziggehouden met het her en der vastzetten van die ramen in de kozijnen zodat die niet meer kunnen worden geopend.

4.5.

Feit is echter dat de voorzieningenrechter samen met partijen ter plaatse heeft kunnen vaststellen dat de dus “oude” folie op diverse plaatsen aan de zijkant ernstig is gekrompen en dus de gehele ruit niet bedekt, vooral niet aan de zijkanten. Het lijkt wel of die folie op bijna alle hier aan de orde zijnde ramen ernstig is gekrompen dan wel “te klein” is aangebracht. Ook is op diverse plaatsen zichtbaar dat de folie op de hoekpunten ernstig is gaan loslaten van de ruit, en dat kennelijk al voor langere tijd. Het gevolg hiervan is dat bij het merendeel van de hier aan de orde zijnde ruiten langs de folie door dat ruit goed naar buiten kan worden gekeken/gegluurd. In het bijzonder vanuit de woonkamer van [eiser 1] c.s. is dat mogelijk gebleven. Door [eiser 1] c.s. is dus nagelaten om de hier aan de orde zijnde ruiten tijdig zodanig te bekleden met folie of anderszins, dat reeds daardoor niet ter discussie kan staan dat niet naar buiten kan worden gekeken door die ruiten. De dwangsomveroordeling heeft hier dus geen enkele verandering teweeggebracht.

4.6.

Reeds op basis hiervan moet voorshands de conclusie zijn dat de oplegde dwangsommen opeisbaar zijn geworden tot het daarbij bepaalde maximum. De door [gedaagde 1] c.s. in gang gezette executie om betaling daarvan te verkrijgen is in het licht van het hiervoor overwogene dan ook niet onrechtmatig te noemen. Er is dan ook geen reden meer om te treden in de beoordeling of de betreffende ramen al dan niet deugdelijk zijn vastgezet aan de kozijnen, zodat zij niet meer open kunnen.

4.7.

Hiermee komt de voorzieningenrechter toe aan de tweede vraag, te weten of [gedaagde 1] c.s. misbruik maken van hun executiebevoegdheid.

4.8.

Volgens vaste rechtspraak wordt misbruik van executiebevoegdheid aanwezig geacht in het geval dat het te executeren vonnis klaarblijkelijk op een feitelijke of juridische misslag berust, of als de executie op grond van na het vonnis voorgevallen of aan het licht gekomen feiten klaarblijkelijk aan de zijde van de geëxecuteerde een noodtoestand zullen doen ontstaan. Daarnaast kan sprake zijn van misbruik van executiebevoegdheid wanneer [gedaagde 1] c.s., in aanmerking nemende de onevenredigheid tussen hun belang bij de executie enerzijds en het belang van [eiser 1] c.s. dat daardoor zou worden geschaad anderzijds, naar redelijkheid niet tot uitoefening van haar executiebevoegdheid kan komen (artikel 3:13, lid 2 van het Burgerlijk Wetboek).

4.9.

[eiser 1] c.s. hebben aangevoerd dat het vonnis van 8 februari 2017 op een feitelijke of juridische misslag berust, omdat er sprake zou zijn van verjaring. [eiser 1] c.s. hebben dit verweer ook in de bodemprocedure gevoerd dat tot het betreffende vonnis heeft geleid. In die procedure is dit verweer als onvoldoende onderbouwd gepasseerd (zie r.o. 7.14). Nu [eiser 1] c.s. hun stellingen op dit punt niet nader (in aanvulling op hetgeen in de bodemprocedure naar voren is gebracht) hebben geconcretiseerd en de voorzieningenrechter zijn oordeel in beginsel dient af te stemmen op het oordeel van de bodemrechter, is er geen aanleiding om in dit kort geding anders te oordelen. Nu ook niet gesteld of gebleken is dat door de executie door [gedaagde 1] c.s. aan de zijde van [eiser 1] c.s. een noodtoestand zal ontstaan of en om welke reden een belangenafweging in het voordeel van [eiser 1] c.s. zou moeten uitvallen, is de slotsom dat [gedaagde 1] c.s. met het executeren van de dwangsommen geen misbruik maken van executiebevoegdheid. De vorderingen van [eiser 1] c.s. worden dan ook afgewezen.

4.10.

[eiser 1] c.s. zullen als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [gedaagde 1] c.s. worden begroot op:

- griffierecht € 291,-

- salaris advocaat € 816,-

Totaal € 1.107,-.

4.11.

De proceskostenveroordeling zal ambtshalve uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard.

5. De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

wijst de vorderingen af,

5.2.

veroordeelt [eiser 1] c.s. in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde 1] c.s. tot op heden begroot op € 1.107,-,

5.3.

verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen te Almelo door mr. M.L.J. Koopmans, voorzieningenrechter, en in het openbaar uitgesproken op 1 maart 2018.