Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2018:644

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
08-02-2018
Datum publicatie
28-02-2018
Zaaknummer
C/08/212775 / KG ZA 18-7
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Vordering tot medewerking aan verkoop woning uit nalatenschap. Spoedeisend belang in deze niet komen vast te staan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ERF-Updates.nl 2018-0048
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Zwolle

zaaknummer / rolnummer: C/08/212775 / KG ZA 18-7

Vonnis in kort geding van 8 februari 2018

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiser,

advocaat mr. M.K. de Bruin te Leusden,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde,

advocaat mr. I. Lfil te Winschoten.

Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagde] worden genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 12 december 2017

  • -

    het verwijzingsvonnis van 10 januari 2018 van de rechtbank Noord-Nederland

  • -

    de dagvaarding van 10 januari 2018

  • -

    de mondelinge behandeling op 1 februari 2018

  • -

    de pleitnota van [gedaagde] .

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eiser] en [gedaagde] zijn broers. Zij zijn als enige erfgenamen, ieder voor de onverdeelde helft, gerechtigd in de nalatenschap van hun op 4 januari 2017 overleden moeder (hierna: moeder). Tot die nalatenschap behoort onder meer de vrijstaande woning met een werkplaats, ondergrond, erf en tuin, aan [adres] te [plaats] (hierna: de woning). De woning is vrij van hypotheken. Tot de nalatenschap van moeder behoort ook een perceel weiland aan de [straat] te [plaats] (hierna: het weiland).

2.2.

Suurland Makelaardij B.V. te Veendam heeft op 24 maart 2017 de marktwaarde van de woning getaxeerd op een bedrag groot € 85.000,00 en de marktwaarde van het weiland op een bedrag ad € 32.500,00.

2.3.

Partijen hebben in mei 2017 via een makelaar de woning te koop aangeboden tegen een vraagprijs van € 139.000,00. In juli 2017 heeft [eiser] ingestemd met een bod van € 110.000,00 op de woning, uitgebracht door potentiële kopers. [gedaagde] gaat niet akkoord met verkoop van de woning tegen een verkoopprijs van € 110.000,00

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert – samengevat – bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, veroordeling van [gedaagde] om mee te werken aan de verkoop en levering van de woning op straffe van een dwangsom en met bepaling dat dit vonnis zo nodig in de plaats treedt van de medewerking van [gedaagde] , en met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten, waaronder de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.

3.2.

Kort weergegeven legt [eiser] het navolgende ten grondslag aan de vordering. Hij wil graag tot afwikkeling van de nalatenschap komen. Het bod van € 110.000,00 is een reëel bod, ruim boven de taxatiewaarde. Een hogere verkoopopbrengst is niet te verwachten. Andere biedingen zijn er niet geweest. De potentiële kopers willen snel duidelijkheid over het doorgaan van de koop, anders trekken zij hun bod in.

3.3.

Het verweer van [gedaagde] komt erop neer dat hij verwacht dat een hogere verkoopopbrengst dan € 110.000,00 kan worden gerealiseerd.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Met de vordering beoogt [eiser] , zonodig zonder de medewerking van [gedaagde] , de woning te verkopen en te leveren aan derden. Dat lijkt veel op het verzoeken om een machtiging voor het te gelde maken van een gemeenschapsgoed. Op grond van artikel 3:174 BW kan de rechter die machtiging verlenen in geval van een gewichtige reden. Niet als een gewichtige reden kan evenwel volgens vaste jurisprudentie worden aangemerkt de noodzaak om tot een behoorlijke verdeling te komen. Daarvoor dient de weg van artikel 3:185 BW bewandeld te worden, inhoudende dat de rechter op vordering van een of meer deelgenoten de (wijze van) verdeling gelast. Gelet hierop (en analoog daaraan) is de voorzieningen-rechter van oordeel dat de wens van [eiser] om tot afwikkeling van de nalatenschap te komen onvoldoende is voor toewijzing van de vordering in dit kort geding. Daarbij komt dat toewijzing van de vordering nog geenszins betekent dat de nalatenschap is afgewikkeld na verdeling van de netto-verkoopopbrengst van de woning tussen partijen. De koop die [eiser] wil laten doorgaan, ziet immers op de woning en niet mede op het weiland. Gesteld noch gebleken is dat op korte termijn concreet uitzicht bestaat op verkoop of verdeling van het weiland. In dit verband verdient nog opmerking dat blijkens artikel 3:179 BW ingeval van onenigheid tussen de deelgenoten een partiële verdeling slechts indien er gewichtige redenen voor zijn, desverlangd aan de orde kan zijn.

4.2.

Verder heeft te gelden dat aan [eiser] weliswaar kan worden toegegeven dat het bod op de woning van € 110.000,00 ruimschoots de taxatiewaarde van de woning ad € 85.000,00 overtreft, maar die taxatie is van bijna een jaar geleden. Dat de huidige taxatiewaarde niet hoger kan zijn dan € 85.000,00, kan niet zonder meer worden aangenomen, te meer omdat [eiser] onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat er geen biedingen voor de woning zijn te verwachten met een hoger bedrag dan € 110.000,00. Zo heeft [eiser] geen schriftelijke verklaringen van bijvoorbeeld de makelaar in het geding gebracht. Voorshands kan daarom niet worden uitgesloten dat de woning tegen een hogere verkoopprijs dan € 110.000,00 zal kunnen worden verkocht.

4.3.

Al met al is een spoedeisend belang bij de onderhavige verkoop en levering van de woning, zónder de instemming van een van de deelgenoten, niet komen vast te staan, hetgeen te meer klemt nu, als hiervoor overwogen, niet valt uit te sluiten dat de woning verkocht zal kunnen worden tegen een hogere verkoopopbrengst dan € 110.000,00.

Bij gevolg dient het recht van [gedaagde] als deelgenoot, in dezen te prevaleren.

4.4.

Ten slotte geeft de voorzieningenrechter partijen (nogmaals) ernstig in overweging eendrachtig samen te gaan werken bij de verkoop van de woning en verkoop c.q. verdeling van het weiland, teneinde in hun beider belang op zo kort mogelijke termijn te komen tot een algehele, en financieel de meest gunstige, afwikkeling van de nalatenschap van moeder.

4.5.

De vordering zal worden afgewezen. Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat ieder van partijen de eigen kosten draagt.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

wijst de vordering af;

5.2.

compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. T.R. Hidma en in het openbaar uitgesproken op 8 februari 2018.

(mjd)