Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2018:602

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
28-02-2018
Datum publicatie
01-03-2018
Zaaknummer
C/08/202461 / HA ZA 17-255
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Faillissement. Beroep van gedaagde op terugneemrecht ex artikel 61 Fw faalt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
INS-Updates.nl 2018-0075
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Zwolle

zaaknummer / rolnummer: C/08/202461 / HA ZA 17-255

Vonnis van 28 februari 2018

in de zaak van

MR. D. WARNINK in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van [X] ,

kantoorhoudende te Kampen,

eiser in conventie,

verweerder in voorwaardelijke reconventie,

advocaat mr. D. Warnink te Kampen,

tegen

[A] ,

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde in conventie,

eiseres in voorwaardelijke reconventie,

advocaat mr. R.F. Dirkzwager te Meppel.

Partijen zullen hierna de curator en [A] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding

  • -

    de akte overlegging producties beslagkosten/proceskosten tevens houdende aangevulde productielijst

  • -

    de conclusie van antwoord in conventie tevens houdende eis in voorwaardelijke reconventie

  • -

    de conclusie van repliek in conventie tevens houdende conclusie van antwoord in reconventie

  • -

    de conclusie van dupliek in conventie tevens houdende repliek in voorwaardelijke reconventie en akte houdende wijziging vordering in voorwaardelijke reconventie

  • -

    de conclusie van dupliek in reconventie tevens houdende antwoordakte na wijziging eis in reconventie tevens houdende antwoordakte na overlegging producties in conventie en reconventie (n.a.v. producties 6, 7 en 8 zijdens [A] ).

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[1970] zijn [A] en [X] op huwelijkse voorwaarden met elkaar gehuwd houdende uitsluiting van iedere gemeenschap van goederen, met dien verstande dat in artikel 2 een nadere regeling is overeengekomen ten aanzien van de kosten van de huishouding.

2.2.

[A] is in 1998 door koop, gevolgd door levering, eigenaar geworden van een woning gelegen aan de [adres 1] te [plaats] (hierna: de woning).

2.3.

Bij vonnis van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 18 december 2012 is [X] in staat van faillissement verklaard met benoeming van mr. A.A.A.M. Schreuder (thans: mr. A..E. Zweers) tot rechter-commissaris en mr. L.M. de Jong (thans: de curator) tot curator. Tegen dat vonnis heeft [X] hoger beroep ingesteld. Bij arrest van 7 februari 2013 heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden gemeld vonnis van 18 december 2012 bekrachtigd.

2.4.

In november 2013 is een strafrechtelijk onderzoek onder de naam “Parkiet” tegen [X] ingesteld. In het proces-verbaal van relaas onderzoek van 26 oktober 2015 is onder meer neergelegd dat tijdens een doorzoeking van de (echtelijke) woning op 4 februari 2014 contant geld in totaal € 10.850,00 (strafrechtelijk) in beslag is genomen. Voorts staat in dat proces-verbaal vermeld dat [A] saldi heeft bij de Grafschafter Volksbank eG te Nordhorn (Duitsland), bestaande uit een Duits aandelendepot met een waarde van

€ 67.125,40 en een Duitse beleggersrekening met een saldo van € 25.000,00. Op deze saldi is eveneens strafrechtelijk beslag gelegd. Daarnaast heeft [A] een rekeningnummer [xxxx] bij de ABN AMRO Bank met daarop een saldo van circa

€ 18.000,00. Dit rekeningnummer/saldo staat geblokkeerd.

2.5.

Bij vonnis van 22 maart 2016 heeft deze rechtbank [X] – vanwege onder meer faillissementsfraude – veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden, waarvan drie maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. Tegen dat vonnis heeft [X] hoger beroep ingesteld. Tot op heden heeft het hof nog geen arrest gewezen.

2.6.

Bij beschikking van 16 mei 2017 heeft deze rechtbank aan de curator verlof verleend tot het leggen van conservatoir beslag op de woning ten laste van [A] . Uit hoofde van deze beschikking heeft de curator op 17 mei 2017 daarop conservatoir beslag laten leggen. Op dezelfde dag heeft de curator dit beslag aan [A] laten betekenen.

3 Het geschil

in conventie

3.1.

De curator vordert dat de rechtbank bij vonnis, alles uitvoerbaar bij voorraad:

(A-I) voor recht zal verklaren dat alle door de Grafschafter Volksbank aangehouden gelden, geldswaarden, saldi, depotgelden, etcetera, onder welke naam dan ook, welke gelden en geldswaarden, etcetera worden aangehouden ten name, dan wel ten behoeve van [A] , vallen onder de reikwijdte van het faillissementsbeslag in het faillissement van [X] , en daarbij met name voor recht te verklaren dat de bij de Grafschafter Volksbank aanwezige gelden onder nummers [aaaa] en [bbbb] toebehoren aan de boedel in het faillissement van [X] ;

(A-II) [A] zal veroordelen om binnen twee weken na betekening van dit vonnis de Grafschafter Volksbank opdracht te geven de aanwezige gelden te betalen aan de curator, door middel van overschrijving op boedelrekening [cccc] , door middel van het verstrekken van een adequate en voldoende toereikende betalingsopdracht aan de Grafschafter Volksbank, alles onder overlegging van een kopie van de desbetreffende betalingsopdracht aan de curator, dit alles op straffe van een dwangsom van € 5.000,00 per dag, met een maximum van € 100.000,00, de eerste dwangsom te verbeuren bij niet-voldoening aan deze vordering/veroordeling na verloop van veertien dagen na betekening van dit vonnis;

(A-III) voor recht zal verklaren dat [A] de genoemde activa, te weten de saldi op bankrekeningen/geldswaarden, alles in de ruimste zin des woords welke op naam van dan wel ten behoeve van [A] worden aangehouden bij de Grafschafter Volksbank, niet mag terugnemen uit de boedel, ex artikel 61 Faillissementswet (Fw);

(A-IV) voor zover de vorderingen (A-I) tot en met (A-III) niet integraal voor toewijzing vatbaar liggen, bedoelde vorderingen zal toewijzen voor 50% van de geldswaarden, derhalve in die zin dat voor recht zal worden verklaard dat de helft van alle door de Grafschafter Volksbank aangehouden gelden vallen onder de reikwijdte van het faillissementsbeslag, met veroordeling van [A] de helft van de saldi te betalen op de boedelrekening, en voor recht zal verklaren dat [A] niet gerechtigd is tot het uitnemen van de helft van bedoelde saldi, alles zoals geformuleerd en bedoeld onder de vorderingen (A-I) tot en met (A-III);

(A-V) en/dan wel daarbij zodanige maatregelen zal treffen welke de rechtbank in goede justitie meent juist te zijn;

(B-I) voor recht zal verklaren dat de onroerende zaak staande en gelegen te [plaats] aan de [adres 1] , en de daarop bevindende opstallen deel uitmaken van de failliete boedel van [X] en dat [A] deze onroerende zaak derhalve niet kan en mag terugnemen uit de boedel ex artikel 61 lid 1 Fw;

(B-II) [A] zal veroordelen om – op eerste verzoek van de curator bij deurwaardersexploot – voornoemde onroerende zaak met al het hare en de haren te ontruimen en ontruimd te houden, onder afgifte van de sleutels en de onroerende zaak – de woning met toebehoren gelegen aan de [adres 1] te [plaats] ter vrije beschikking te stellen van de curator;

(B-III) [A] zal veroordelen om – op eerste verzoek van de curator bij deurwaardersexploot – medewerking te verlenen aan de overdracht en de levering van de onroerende zaak gelegen aan de [adres 1] te [plaats] aan een door de curator aan te wijzen derde, onder bepaling dat indien [A] hieraan niet voldoet, zij per dag een dwangsom van € 1.000,00 zal verbeuren, zulks met een maximum van

€ 100.000,00;

(B-IV) en/dan wel daarbij zodanige maatregelen zal treffen welke de rechtbank in goede justitie meent juist te zijn;

(C-I) zal bepalen dat alle gelden die [A] aanhoudt bij banken, met name de ABN AMRO Bank, vallen onder de reikwijdte van het faillissementsbeslag, speciaal te verklaren voor recht dat de door [A] aangehouden gelden en banksaldi bij de ABN AMRO Bank, met name rekeningnummer [xxxx] vallen onder de reikwijdte van het faillissementsbeslag;

(C-II) voor recht zal verklaren dat aan [A] niet toekomt het terugneemrecht ex artikel 61 lid 1 Fw ter zake van banksaldi, met name ten aanzien van banksaldi die [A] aanhoudt bij de ABN AMRO Bank;

(C-III) voor recht zal verklaren dat vorenstaande ook geldt ten aanzien van banksaldi/geldswaarden die [A] aanhoudt bij andere banken, waaronder banken te België;

(C-IV) [A] zal veroordelen om betalingsopdrachten te verstrekken aan banken, met name aan de ABN AMRO Bank, zodanig dat saldi op bankrekeningen welke op naam staan van [A] uitbetaald worden aan de boedel in het faillissement van [X] ;

(C-V) alles op straffe van een dwangsom welke [A] verbeurt na verloop van veertien dagen na betekening van dit vonnis, en na verloop van veertien dagen nadat de curator [A] middels deurwaardersexploot opdracht heeft gegeven mee te werken aan betaling van een betreffend banksaldo aan de boedel, en daarbij de dwangsommen te stellen op

€ 1.000,00 per dag, met een maximum van € 20.000,00 per bankrekening, dan wel indien het saldo op desbetreffende bankrekening lager is dan € 20.000,00, het maximum te stellen op de hoogte van het betreffende banksaldo;

(C-VI) alles met bepaling dat aan [A] ter zake niet het uitneemrecht ex artikel 61 Fw toekomt;

(C-VII) dan wel, ten aanzien van de onder C vermelde vorderingen, zal bepalen en zal verklaren dat aan de boedel toekomt 50% van alle banksaldi en geldswaarden, en dat aan [A] het uitneemrecht ex artikel 61 Fw niet toekomt voor 50% van alle banksaldi en geldswaarden;

(C-VIII) en/dan wel daarbij zodanige maatregelen zal treffen welke de rechtbank in goede justitie meent juist te zijn;

(D) [A] zal veroordelen in de kosten van deze procedure, daaronder begrepen de kosten van beslaglegging c.a.

3.2.

[A] voert gemotiveerd verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

in voorwaardelijke reconventie

3.4.

[A] vordert – na eiswijziging – onder de voorwaarde dat de vorderingen van de curator worden afgewezen dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

(1) voor recht zal verklaren dat de curator onrechtmatig jegens [A] heeft gehandeld door beslag te leggen op haar bezittingen;

(2) de curator zal veroordelen om de gelegde beslagen met onmiddellijke ingang in te trekken en/of de banken te berichten dat hij verder geen aanspraak maakt op deze gelden en [A] vrij is om over de zich op deze rekening bevindende gelden te beschikken, onder verbeurte van een dwangsom groot € 1.000,00 voor elke dag dat hij hiermee in gebreke blijft, alsmede vergoeding van alle kosten die de beslaglegging en het opheffen daarvan met zich gebracht hebben en nog zullen brengen;

(3) de curator zal veroordelen tot vergoeding van alle kosten die aan [A] in rekening gebracht zijn of nog zullen worden in verband met de gelegde beslagen;

(4) voor recht zal verklaren dat de door de curator in beslag genomen contanten aan [A] toebehoren;

(5) de curator zal veroordelen tot het teruggeven aan [A] van een in beslag genomen bedrag aan contanten groot € 10.580,00, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment van inbeslagneming tot het moment van de daadwerkelijke betaling aan [A] ;

(6) de curator zal veroordelen in de kosten van het geding, te vermeerderen met de nakosten en de wettelijke rente te rekenen vanaf 10 dagen nadat het vonnis aan hem betekend zal zijn tot de algehele voldoening.

3.5.

De curator voert gemotiveerd verweer.

3.6.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling in conventie

4.1.

Kern van het geschil is of de woning en de saldi bij de Grafschafter Volksbank en ABN AMRO Bank in de faillissementsboedel van [X] vallen of dat [A] deze terug kan nemen op grond van artikel 61 Fw. Dit artikel kent aan de echtgenoot van de gefailleerde een recht van terugneming toe ten aanzien van alle goederen die hem toebehoren en die niet in de huwelijksgemeenschap vallen.

4.2.

De curator betoogt dat de woning in de faillissementsboedel van [X] valt en dat [A] ingevolge het bepaalde in artikel 61 lid 4 Fw de woning niet kan terugnemen uit de boedel omdat zij de aankoop daarvan niet volledig uit eigen middelen heeft voldaan en dat ditzelfde geldt voor de banksaldi bij de Grafschafter Volksbank en de ABN AMRO Bank. Volgens de curator zijn deze saldi door [X] gevoed.

4.3.

[A] heeft hiertegen ingebracht dat zij eigenaar is van de woning (hetgeen door de curator niet wordt betwist) en dat de woning niet is gefinancierd met gemeenschapsgelden of gelden afkomstig van [X] . Ter onderbouwing van haar standpunt heeft [A] aangevoerd dat zij en [X] zijn gehuwd op huwelijkse voorwaarden houdende uitsluiting van iedere gemeenschap van goederen zodat van financiering met gemeenschapsgelden geen sprake kan zijn. Ook heeft zij betoogd dat de aankoop van de woning is gefinancierd middels de verkoop van de woning aan de [adres 2] te [plaats] – waarvan zij volledig eigenaar was – en [X] in die financiering niet heeft bijgedragen. Voorts stelt [A] dat de opbrengst van de verkoop van de woning aan de [adres 3] te [plaats] van haar in 1978 overleden vader op haar bankrekeningen is bijgeschreven en dat zij dit geld gebruikte om te beleggen en handel te drijven.

4.4.

De rechtbank overweegt als volgt. Op 1 januari 2018 is de Wet van 24 april 2017 tot wijziging van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek en de Faillissementswet teneinde de omvang van de wettelijke gemeenschap van goederen te beperken (Stb. 2017, nr. 177) in werking getreden. Artikel IV lid 3 van deze wet bepaalt dat (het nieuwe) artikel 61 van de Fw slechts van toepassing is op een faillissement dat is uitgesproken na het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet. Op een faillissement dat is uitgesproken vóór dat tijdstip, blijft het recht van toepassing zoals dat gold op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze wet. Dit betekent dat in dit geval het oude recht van toepassing is.

4.5.

Artikel 61 Fw vormt dwingend recht, waarvan niet bij huwelijkse voorwaarden of bij afzonderlijke rechtshandeling kan worden afgeweken zodat [A] niet kan volstaan met een beroep op de gemeenschapsuitsluiting in de huwelijkse voorwaarden maar tevens dient te bewijzen dat zij de woning met privévermogen heeft gefinancierd.

4.6.

Tussen [A] en (de failliete) [X] bestaat geen enkele huwelijksgemeenschap, zo volgt uit hun huwelijkse voorwaarden van 7 april 1970. Tussen partijen is niet in geschil dat de woning eigendom is van [A] . Artikel 61 lid 1 Fw bepaalt dat de echtgenoot alle goederen die hem/haar toebehoren en niet in een gemeenschap vallen, uit het faillissement kan terugnemen. Artikel 61 lid 4 Fw voegt hier nog de bijzondere (bewijs)regel aan toe dat goederen, voortgesproten uit belegging of wederbelegging van aan de echtgenoot buiten de gemeenschap toebehorende gelden, door de echtgenoot kunnen worden teruggenomen, mits de belegging of wederbelegging in geval van geschil door voldoende bescheiden ten genoegen van de rechter wordt bewezen (bewijslevering door getuigenbewijs is niet toegestaan). Op de belegging/wederbelegging is artikel 1:95 lid 1, eerste volzin, BW van toepassing, inhoudende dat een goed dat een echtgenoot anders dan om niet verkrijgt, buiten de gemeenschap blijft indien de tegenprestatie bij de verkrijging van dit goed voor meer dan de helft ten laste komt van zijn eigen vermogen. Samengevat betekent dit dat de niet failliete echtgenoot (hier [A] ) dient aan te tonen dat de woning voor meer dan de helft met eigen middelen is gefinancierd, waarbij het moment van verkrijgen (van de woning) bepalend is voor het antwoord op de vraag of [A] voor meer dan de helft heeft bijgedragen (uit eigen vermogen). Indien [A] niet in dit bewijs slaagt valt de woning in de faillissementsboedel, ongeacht de eigendomsvraag (HR 23 mei 1924, NJ 1924, p. 817 en vgl. HR 27 mei 1966, NJ 1966, 352: deze regel geldt ook voor echtgenoten die buiten iedere gemeenschap van goederen zijn gehuwd). Dit betekent dat de curator het huis alsdan volledig kan uitwinnen ten behoeve van de schuldeisers van de failliete echtgenoot; voor [A] resteert slechts een concurrente vordering in het faillissement.

4.7.

[A] stelt dat zij over eigen vermogen beschikte en dat zij de woning uit eigen middelen heeft gefinancierd. Ter onderbouwing van haar standpunt heeft [A] in het geding gebracht de staat van aanbrengsten behorende bij de huwelijkse voorwaarden, een brief van Accountantskantoor Mooibroek d.d. 6 juni 1994, een firma-akte d.d. 30 juli 1996, een tweetal leveringsakten d.d. 28 juni 1996 en 4 mei 1998 ter zake van de woning aan de [adres 2] te [plaats] respectievelijk de woning, het “voorlopig rapport van feitelijke bevindingen inzake onderzoek aandelen in [X] VOF te [plaats] ” van Accountantskantoor Van Bruggen d.d. 25 juni 2010, een brief van de Belastingdienst van 15 mei 1997 en een bankafschrift d.d. 16 januari 1996 (zie productie 1 t/m 8 van [A] ). De curator betwist dit. Daartoe heeft de curator onder meer verwezen naar (randnummer 2 van) het door [A] ingediende verzoekschrift tot benoeming van een arbiter ex artikel 1027 lid 3 Rv d.d. 14 juli 2016, het vonnis van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 11 januari 2012 (zaaknummer / rolnummer: 188186 / HZ ZA 11-861) en de VOF-overeenkomst d.d. 25 oktober 1996 (zie productie 20 t/m 22 van de curator).

4.8.

De rechtbank is met de curator van oordeel dat de stellingen van [A] onvoldoende onderbouwd zijn met betrekking tot het door haar (middels schriftelijke bescheiden) te bewijzen feit dat zij voor meer dan de helft uit eigen vermogen heeft bijgedragen aan de verkrijging (financiering) van de woning op 4 mei 1998. Ditzelfde geldt ten aanzien van de op naam van [A] gestelde bankrekeningen bij de Grafschafter Volksbank en ABN AMRO Bank. De door [A] overgelegde bescheiden bieden immers geen enkele verklaring voor de herkomst van de saldi op deze bankrekeningen, laat staan dat daaruit genoegzaam blijkt dat bedoelde bankrekeningen met eigen middelen zijn gevoed door [A] . Ten aanzien van (blote) stellingen, zonder deugdelijke onderbouwing, welke ook nog gemotiveerd zijn bestreden door de curator, is geen plaats voor een bewijsopdracht voor [A] , te meer niet nu [A] niet heeft aangegeven over welke schriftelijke bewijsmiddelen zij verder nog beschikt en waarom die dan nog niet in het geding zijn gebracht. Dit betekent dat [A] niet heeft voldaan aan de ingevolge artikel 61 lid 4 Fw op haar rustende onderbouwingsplicht, zodat de woning en gemelde banksaldi tot de faillissementsboedel van [X] moeten worden gerekend.

4.9.

Al met al komt de rechtbank tot de slotsom dat de vorderingen van de curator, op de hierna te melden wijze, integraal voor toewijzing in aanmerking komen. Tegen de gevorderde dwangsommen is geen separaat verweer gevoerd, zodat deze vorderingen eveneens zullen worden toegewezen. Dit geldt ook voor de gevorderde ontruiming van de woning. Daarbij gaat de rechtbank er vanuit dat de curator een redelijke ontruimingstermijn zal hanteren van minimaal drie maanden.

4.10.

De curator heeft verder nog gevorderd [A] te veroordelen tot betaling van de beslagkosten. Deze vordering is gelet op het bepaalde in artikel 706 Rv toewijsbaar. De beslagkosten worden begroot op € 313,26 voor verschotten.

4.11.

[A] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van de curator worden tot op heden begroot op:

  • -

    dagvaarding € 99,21

  • -

    griffierecht € 596,00

  • -

    salaris advocaat € 904,00 (2 punten x tarief € 452,00)

Totaal € 1.599,21

5 De beoordeling in voorwaardelijke reconventie

5.1.

De eis in reconventie is voorwaardelijk ingesteld. Uit de beslissing in conventie vloeit voort dat de voorwaarde niet is vervuld, zodat op de vordering in reconventie geen beslissing hoeft te worden gegeven.

6 De beslissing

De rechtbank

in conventie

6.1.

verklaart voor recht dat alle door de Grafschafter Volksbank aangehouden gelden, geldswaarden, saldi, depotgelden, etcetera, onder welke naam dan ook, welke gelden en geldswaarden, etcetera worden aangehouden ten name dan wel ten behoeve van [A] , waaronder in ieder geval de bij de Grafschafter Volksbank aanwezige gelden onder nummers [aaaa] en [bbbb] , onder de reikwijdte vallen van het faillissementsbeslag in het faillissement van [X] ,

6.2.

veroordeelt [A] om binnen twee weken na betekening van dit vonnis de Grafschafter Volksbank opdracht te geven de aanwezige gelden te betalen aan de curator, door middel van overschrijving op boedelrekening [cccc] , door middel van het verstrekken van een adequate en voldoende toereikende betalingsopdracht aan de Grafschafter Volksbank, alles onder overlegging van een kopie van de desbetreffende betalingsopdracht aan de curator, op straffe van een dwangsom van

€ 5.000,00 per dag, met een maximum van € 100.000,00, de eerste dwangsom te verbeuren bij niet-voldoening aan deze veroordeling na verloop van veertien dagen na betekening van dit vonnis,

6.3.

verklaart voor recht dat [A] de genoemde activa, te weten de saldi op bankrekeningen/geldswaarden, alles in de ruimste zin des woords, welke op naam van dan wel ten behoeve van [A] worden aangehouden bij de Grafschafter Volksbank, niet mag terugnemen uit de boedel, ex artikel 61 Fw,

6.4.

verklaart voor recht dat de woning en de daarbij behorende opstallen deel uitmaken van de failliete boedel van [X] en dat [A] deze onroerende zaak derhalve niet kan en mag terugnemen uit de boedel ex artikel 61 lid 1 Fw,

6.5.

veroordeelt [A] om – op eerste verzoek van de curator bij deurwaardersexploot – de woning met al het hare en de haren te ontruimen en ontruimd te houden, onder afgifte van de sleutels en de woning ter vrije beschikking te stellen van de curator,

6.6.

veroordeelt [A] om – op eerste verzoek van de curator bij deurwaardersexploot – medewerking te verlenen aan de overdracht en de levering van de woning aan een door de curator aan te wijzen derde, onder bepaling dat indien [A] hieraan niet voldoet, zij per dag een dwangsom van € 1.000,00 zal verbeuren, zulks met een maximum van € 100.000,00,

6.7.

verklaart voor recht dat alle gelden die [A] aanhoudt bij banken, met name de ABN AMRO Bank, waaronder in ieder geval de gelden op rekeningnummer [xxxx] , onder de reikwijdte vallen van het faillissementsbeslag in het faillissement van [X] ,

6.8.

verklaart voor recht dat aan [A] niet toekomt het terugneemrecht ex artikel 61 lid 1 Fw ter zake van banksaldi, met name ten aanzien van banksaldi die [A] aanhoudt bij de ABN AMRO Bank,

6.9.

verklaart voor recht dat vorenstaande ook geldt ten aanzien van banksaldi/geldswaarden die [A] aanhoudt bij andere banken, waaronder banken te België,

6.10.

veroordeelt [A] om betalingsopdrachten te verstrekken aan banken, met name aan de ABN AMRO Bank, zodanig dat saldi op bankrekeningen welke op naam staan van [A] uitbetaald worden aan de boedel in het faillissement van [X] , op straffe van een dwangsom van € 1.000,00 per dag, met een maximum van € 20.000,00 per bankrekening, dan wel indien het saldo op de desbetreffende bankrekening lager is dan

€ 20.000,00, het maximum te stellen op dat lagere bedrag, na verloop van veertien dagen na betekening van dit vonnis, en na verloop van veertien dagen nadat de curator [A] middels deurwaardersexploot opdracht heeft gegeven mee te werken aan betaling van een betreffend banksaldo aan de boedel,

6.11.

verklaart voor recht dat aan [A] ter zake niet het terugneemrecht ex artikel 61 Fw toekomt,

6.12.

veroordeelt [A] in de beslagkosten, tot op heden begroot op € 313,26,

6.13.

veroordeelt [A] in de proceskosten, aan de zijde van de curator tot op heden begroot op € 1.599,21,

6.14.

verklaart 6.2, 6.5, 6.6, 6.10, 6.12 en 6.13 uitvoerbaar bij voorraad,

6.15.

wijst af het meer of anders gevorderde,

in reconventie

6.16.

verstaat dat de vordering geen behandeling behoeft.

Dit vonnis is gewezen door mr. T.R. Hidma en in het openbaar uitgesproken op 28 februari 2018.1

1 type: coll: