Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2018:601

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
21-02-2018
Datum publicatie
27-02-2018
Zaaknummer
212860 KGRK 18-44
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

De wrakingskamer wijst het verzoek tot wraking af.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beslissing

RECHTBANK OVERIJSSEL

Wrakingskamer

Zittingsplaats Zwolle

Zaaknummer: 212860 KGRK 18-44

Beslissing van 21 februari 2018

in de zaak van

[verzoeker] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoeker tot wraking,

1 De procedure

1.1.

Op 12 januari 2018 heeft verzoeker ter zitting het verzoek tot wraking gedaan van

mr. W.F. Bijloo, rechter in deze rechtbank en in die hoedanigheid belast met de behandeling van de zaak die is geregistreerd onder [nummer] .

1.2.

Omdat verzoeker ter zitting niet in de gelegenheid was gesteld zijn verzoek en de daaraan ten grondslag liggende gronden toe te lichten, is hij daartoe nadien alsnog schriftelijk in de gelegenheid gesteld. Verzoeker heeft van deze gelegenheid gebruik gemaakt bij brief van 16 januari 2018.

1.3.

Mr. Bijloo heeft niet berust in de wraking.

1.4.

Het wrakingsverzoek van verzoeker is op 15 februari 2018 in het openbaar behandeld. Verzoeker is verschenen. Mr. Bijloo is, met kennisgeving vooraf, niet verschenen.

2 De feiten

Verzoeker heeft bij de bestuursrechter beroep ingesteld tegen een besluit op bezwaar van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Enschede. Tevens heeft hij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Bij uitspraak van 11 mei 2017 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank geoordeeld dat het verzoek om een voorlopige voorziening kennelijk ongegrond is en heeft hij, zonder het verzoek ter zitting te behandelen, het verzoek afgewezen.

Bij uitspraak van 15 september 2017 is het beroep ongegrond verklaard.

Verzoeker heeft bij brief van 15 september 2017 verzet gedaan tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van 11 mei 2017.

Bij de behandeling van het verzet op 12 januari 2018 heeft verzoeker vervolgens het verzoek tot wraking gedaan zoals hiervoor onder 1.1. omschreven.

3 Het wrakingsverzoek

Verzoeker heeft zijn verzoek tot wraking uitvoerig toegelicht in zijn brief van

16 januari 2018 en ter zitting van 15 februari 2018. Daarbij heeft hij zich uitgelaten over het handelen de rechtbank Overijssel in het algemeen en mr. Bijloo in het bijzonder. Voor zover daadwerkelijk betrekking hebbend op het handelen van mr. Bijloo begrijpt de wrakingskamer het verzoek aldus dat mr. Bijloo volgens verzoeker sturend heeft opgetreden op de zitting van 12 januari 2018. Verzoeker heeft daartoe aangevoerd dat mr. Bijloo het over de inhoud van de uitspraak van de voorlopige voorzieningenrechter van 11 mei 2017 wilde hebben, wat volgens verzoeker helemaal niet mogelijk was, en dat mr. Bijloo opmerkte: “ik bepaal wat hier gebeurt”.

4 Het standpunt van mr. Bijloo

Mr. Bijloo heeft schriftelijk laten weten niet inhoudelijk te zullen reageren op het wrakingsverzoek.

5 De beoordeling

5.1.

Ingevolge artikel 8:15 van de Algemene wet bestuursrecht kan op verzoek van een partij een rechter worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Uitgangspunt daarbij is dat de rechter uit hoofde van zijn aanstelling wordt vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich een uitzonderlijke omstandigheid voordoet, die een zwaarwegende aanwijzing oplevert voor het oordeel dat een rechter jegens een partij bij een geding een vooringenomenheid koestert. De vrees dat dit het geval zal zijn, dient objectief gerechtvaardigd te zijn. Dat betekent dat sprake moet zijn van concrete feiten en omstandigheden waaruit objectief de vrees voor partijdigheid van de rechter kan worden afgeleid. Daarnaast kan er onder omstandigheden reden zijn voor wraking, indien - geheel afgezien van de persoonlijke opstelling van de rechter in de hoofdzaak - de bij een partij bestaande vrees voor partijdigheid van die rechter objectief gerechtvaardigd is, waarbij rekening moet worden gehouden met uiterlijke schijn.

5.2.

Voor zover verzoeker in zijn brief van 16 januari 2018 heeft gerefereerd aan de beslissing van de wrakingskamer van deze rechtbank van 31 augustus 2001 (die bij die brief was gevoegd), heeft de wrakingskamer hem ter zitting de gelegenheid gegeven dit mondeling toe te lichten. Verzoeker heeft hierop uiteengezet waarom deze beslissing voor hem zo diep heeft ingegrepen in zijn vertrouwen in de rechterlijke macht. De wrakingskamer heeft hiervan kennisgenomen, maar kan dit verder niet betrekken in de beoordeling van het onderhavige wrakingsverzoek tegen mr. Bijloo, nu deze beslissing geen betrekking heeft op de (on)partijdigheid van mr. Bijloo.

5.3.

Hetgeen verzoeker heeft aangevoerd over het optreden van mr. Bijloo ter zitting van 12 januari 2018 bevat naar het oordeel van de wrakingskamer geen concrete feiten en omstandigheden waaruit de rechtbank vooringenomenheid van mr. Bijloo of zwaarwegende aanwijzingen voor objectief gerechtvaardigde vrees daarvoor kan afleiden.

De omstandigheid dat mr. Bijloo, zoals door verzoeker gesteld, sturend zou hebben opgetreden door aan te geven dat hij degene is die bepaalt wat er gebeurt, acht de wrakingskamer daartoe onvoldoende, nu het immers tot de taak van de rechter behoort om op een zitting de regie te houden.

Ook de omstandigheid dat mr. Bijloo het wilde hebben over de inhoud van de uitspraak van de voorzieningenrechter van 11 mei 2017, waartegen door verzoeker zelf verzet was gedaan, levert geen concreet feit of concrete omstandigheid op waaruit de rechtbank vooringenomenheid van mr. Bijloo of de objectief gerechtvaardigde vrees daarvoor kan afleiden. Daarbij acht de wrakingskamer niet van belang of tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter ook daadwerkelijk verzet mogelijk was.

5.4.

Gelet op het voorgaande moet het verzoek worden afgewezen.

6 De beslissing

De wrakingskamer wijst het verzoek tot wraking af.

Deze beslissing is gegeven door de mrs. T.R. Hidma, J.H.M. Hesseling en W.M.B. Elferink, in tegenwoordigheid van de griffier mr. M.D. Moeke en in het openbaar uitgesproken op

21 februari 2018.

de griffier de voorzitter

Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.