Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2018:558

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
22-02-2018
Datum publicatie
22-02-2018
Zaaknummer
08-770243-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Ontuchtige handelingen door het onverhoeds in de billen knijpen en zware mishandeling door een glas in het gezicht te gooien met zwaar lichamelijk letsel tot gevolg.

Veroordeling tot 8 maand gevangenisstraf (waarvan 5 voorwaardelijk) alsmede tot betaling van (im)materiele schadevergoeding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Afdeling Strafrecht

Meervoudige kamer

Zittingsplaats Zwolle

Parketnummer 08-770243-17 (P)

Datum vonnis: 22 februari 2018

Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:

[verdachte] ,

geboren [1994] in [geboorteplaats] ,

wonende te [adres] , [woonplaats] .

1 Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 08 februari 2018.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. M. Zwartjes en van wat door verdachte en zijn raadsvrouw mr. J. Rump, advocaat te Zwolle, naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

De verdenking komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

feit 1: [slachtoffer 1] heeft aangerand;

feit 2: [slachtoffer 2] een glas in het gezicht heeft gegooid, waardoor [slachtoffer 2] gewond is geraakt.

Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:

1. hij op of omstreeks 22 juli 2017 te Zwolle, door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid, te weten: het onverhoeds vastpakken van en/of knijpen in de bil(len) en/of het onverhoeds duwen/drukken van zijn, verdachtes, hand tussen de benen en/of in/tegen het kruis [slachtoffer 1] heeft gedwongen tot het plegen en/of dulden van een of meer ontuchtige handelingen, te weten het betasten van en/of knijpen in de bil(len) en/of het betasten en/of aanraken van de vagina en/of schaamstreek;

2. hij op of omstreeks 22 juli 2017 te Zwolle aan [slachtoffer 2] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten snijverwonding(en) in gelaat en/of gebitschade, heeft toegebracht door met kracht een (bier)glas in/tegen het gezicht van voornoemde [slachtoffer 2] te gooien;

althans, voor zover voor het vorenstaande onder 2 geen veroordeling mocht of zou kunnen volgen, subsidiair, ter zake dat

hij op of omstreeks 22 juli 2017 te Zwolle [slachtoffer 2] heeft mishandeld door met kracht een (bier)glas in/tegen het gezicht van die [slachtoffer 2] te gooien, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel, te weten snijverwonding(en) in het gelaat en/of gebitschade ten gevolge heeft gehad.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

3 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 De bewijsoverwegingen

4.1

Inleiding

Feiten 1 en 2

De rechtbank stelt op basis van de verklaringen van aangeefster [slachtoffer 1] , aangever [slachtoffer 2] en verdachte vast dat verdachte, [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] op 22 juli 2017 in een uitgaansgelegenheid in Zwolle waren. Verdachte heeft toen een van de billen van [slachtoffer 1] vastgepakt. [slachtoffer 1] heeft verklaard dat dit voor haar onverwacht en tegen haar wil was en dat verdachte haar ook in haar kruis had gegrepen. Zij heeft daarna de inhoud van een glas cola in het gezicht van verdachte gegooid. Volgens verdachte heeft hij met toestemming van [slachtoffer 1] in haar bil geknepen. Hij heeft ontkend dat hij [slachtoffer 1] in het kruis heeft gegrepen.

[slachtoffer 2] heeft verklaard dat hij zag dat zijn vriendin, [slachtoffer 1] , een glas leeg gooide in het gezicht van verdachte. [slachtoffer 1] vertelde hem dat verdachte haar, zonder aanleiding, in het kruis had gegrepen. [slachtoffer 2] heeft verdachte hierop aangesproken, waarop verdachte hem met kracht een glas in zijn gezicht heeft gegooid. [slachtoffer 2] heeft hierdoor letsel aan zijn gebit opgelopen.

Verdachte heeft verklaard dat hij zijn bierglas bovenhands naar [slachtoffer 2] heeft gegooid. Hij heeft daaraan toegevoegd dat hij alleen de inhoud van het glas wilde gooien en niet ook het glas zelf.

Uit de letselrapportage volgt dat van een voortand van [slachtoffer 2] een stukje is afgebroken over de hele lengte. De hoektand werd met een noodspalk op zijn plaats gehouden en een ondertand had een afwijkende stand naar achteren. Volgens de forensisch arts kan aan het gebit, en dan met name aan de linker voortand boven, blijvende schade resteren.

4.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht de feiten 1 en 2 primair wettig en overtuigend bewezen.

4.3

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft voor beide feiten vrijspraak verzocht. Wat betreft feit 1 is er volgens haar aan bewijs alleen de verklaring van [slachtoffer 1] die verklaart dat het in de bil knijpen zonder toestemming gebeurde en dat zij in haar kruis is gegrepen, waartegenover de verklaring van verdachte staat die zegt dat hij toestemming had voor het in de bil knijpen en het in het kruis grijpen ontkent.

Wat betreft feit 2 heeft de raadsvrouw aangevoerd dat verdachte iets in zijn gezicht kreeg en daarop in een reflex het glas heeft gegooid, terwijl hij alleen de inhoud van het glas wilde gooien. Het blijkt onvoldoende dat sprake is geweest van (voorwaardelijk) opzet op het toebrengen van (zwaar lichamelijk) letsel omdat verdachte niet welbewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat hij ook het glas zou gooien.

4.4

Het oordeel van de rechtbank

Feit 1

De rechtbank is van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan. De rechtbank overweegt daartoe het volgende.

Het dossier bevat de aangifte van [slachtoffer 1] , waaruit blijkt dat verdachte haar tegen haar wil in de bil heeft gepakt en met zijn hand haar kruis heeft gegrepen.

Verdachte heeft bij de politie en ter terechtzitting verklaard dat hij [slachtoffer 1] in de kont heeft geknepen, maar dat hij dit met haar toestemming deed. Hij heeft ontkend dat hij haar in haar kruis heeft gegrepen.

De vraag die voorligt is of verdachte onverhoeds of met toestemming een van de billen van [slachtoffer 1] heeft vastgepakt. Naar het oordeel van de rechtbank was er geen sprake van toestemming van [slachtoffer 1] . [slachtoffer 1] heeft dit ontkend en die ontkenning vindt bevestiging in de omstandigheden van het geval. Zo heeft [slachtoffer 1] direct nadat verdachte haar in het kruis had gegrepen, de inhoud van haar glas cola in het gezicht van verdachte gegooid. Dit wordt bevestigd door getuige [slachtoffer 2] . [Getuige 2] heeft ter terechtzitting verklaard dat [slachtoffer 1] , terwijl hij met haar stond te praten, plots gilde. Ook heeft deze getuige, terwijl hij in gesprek was met [slachtoffer 1] , niets gehoord over een gesprek dat zou hebben plaatsgevonden tussen verdachte en [slachtoffer 1] , waarbij over de kont van die [slachtoffer 1] werd gesproken, zoals door verdachte is verklaard.

Nu de aangifte van [slachtoffer 1] op diverse onderdelen wordt ondersteund door de verklaringen van [slachtoffer 2] en [Getuige 2] , en verdachte heeft bekend dat hij [slachtoffer 1] in de bil heeft geknepen, heeft de rechtbank geen aanleiding te twijfelen aan de onderdelen van [slachtoffer 1] haar verklaring die niet worden ondersteund, en is er wettig en overtuigend bewijs dat verdachte ook met zijn hand in het kruis van [slachtoffer 1] heeft gegrepen.

Feit 2

De rechtbank is van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte het primair ten laste gelegde feit heeft begaan. De rechtbank overweegt daartoe het volgende.

Het dossier bevat de aangifte van [slachtoffer 2] , waaruit volgt dat verdachte hem op 22 juli 2017 in Zwolle met kracht een glas in zijn gezicht heeft gegooid.

Verdachte heeft bij de politie en ter terechtzitting verklaard dat hij een bierglas naar [slachtoffer 2] heeft gegooid.

[slachtoffer 1] heeft verklaard dat zij zag dat verdachte zijn glas in het gezicht van [slachtoffer 2] duwde. Ook [Getuige 2] heeft ter terechtzitting verklaard dat hij heeft gezien dat verdachte [slachtoffer 2] met een glas in het gezicht sloeg en dat de hand van verdachte om het glas heen was op het moment dat het glas het gezicht van [slachtoffer 2] raakte.

Ten aanzien van het verweer van de verdediging dat verdachte geen opzet had op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel is de rechtbank van oordeel dat verdachte opzettelijk het glas in het gezicht van [slachtoffer 2] heeft gegooid. Verdachte heeft zelf, desgevraagd, ter terechtzitting verklaard dat hij het glas bovenhands heeft gegooid. Dit wordt bevestigd door de verklaring van [Getuige 2] . Indien verdachte alleen de inhoud van het glas had willen gooien, had het meer voor de hand gelegen dat hij dat met een onderhandse beweging zou hebben gedaan. Nu verdachte het glas bovenhands heeft gegooid, heeft hij dat naar het oordeel van de rechtbank bewust gedaan om [slachtoffer 2] daarmee in het gezicht te raken.

De vraag die vervolgens voorligt is of het letsel aan het gebit van [slachtoffer 2] is aan te merken als zwaar lichamelijk letsel.

De rechtbank is van oordeel dat het door verdachte aan het slachtoffer toegebrachte letsel, gelet op de aard en de gevolgen daarvan zoals uit de bewijsmiddelen naar voren komt, naar gewoon spraakgebruik als zwaar lichamelijk letsel moet worden aangemerkt. Immers, uit de verklaring van tandarts T.H. Katesari blijkt dat één element in het gebit van [slachtoffer 2] is afgebroken en diep is aangetast. Een ander element is ook afgebroken en de prognose daarvan is slecht.

4.5

De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in de bijlage genoemde bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat:

1. hij op 22 juli 2017 te Zwolle, door een feitelijkheid, te weten:
het onverhoeds vastpakken van de bil en het onverhoeds duwen/drukken van zijn, verdachtes, hand tussen de benen en tegen het kruis
[slachtoffer 1] heeft gedwongen tot het dulden van ontuchtige handelingen, te weten het betasten van de bil en het aanraken van de schaamstreek;

2. hij op 22 juli 2017 te Zwolle aan [slachtoffer 2] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten snijverwondingen in gelaat en gebitschade, heeft toegebracht door met kracht een (bier)glas tegen het gezicht van voornoemde [slachtoffer 2] te gooien.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

5 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld in de artikelen 246 en 302 van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:

feit 1

het misdrijf: feitelijke aanranding van de eerbaarheid.

feit 2 primair

het misdrijf: zware mishandeling.

6 De strafbaarheid van verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor de bewezenverklaarde feiten.

7 De op te leggen straf of maatregel

7.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de feiten 1 en 2 primair wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden, waarvan 3 maanden voorwaardelijk, en met een proeftijd van drie jaren.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft verzocht bij een bewezenverklaring een werkstraf op te leggen en daarbij eventueel een voorwaardelijke gevangenisstraf.

7.3

De gronden voor een straf of maatregel

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij het volgende van belang.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan feitelijke aanranding van de eerbaarheid van [slachtoffer 1] door onverhoeds haar bil vast te pakken en zijn hand tegen haar kruis te duwen. Hij heeft aan haar gezeten terwijl zij dat niet wilde. Hiermee heeft hij haar lichamelijke integriteit geschonden.

Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan zware mishandeling van [slachtoffer 2] . Verdachte werd door [slachtoffer 2] aangesproken vanwege het aanranden van [slachtoffer 1] door verdachte. Verdachte heeft daarop [slachtoffer 2] een glas in het gezicht gegooid. Voor [slachtoffer 2] kwam dit uit het niets. Als gevolg van deze mishandeling heeft [slachtoffer 2] ernstig letsel aan zijn gebit opgelopen.

Beide delicten zijn gepleegd midden in een drukbezochte horecagelegenheid. Veel mensen die niets anders deden dan zich amuseren zijn plotseling getuige van een vreselijke mishandeling. Dat veroorzaakt maatschappelijke verontrusting en gevoelens van angst en onveiligheid bij het publiek. Zo strekken de gevolgen van met name deze mishandeling zich veel verder uit dan alleen tot de directe slachtoffers.

De rechtbank heeft bij de strafoplegging gekeken naar de oriëntatiepunten zoals deze zijn vastgesteld door het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). Bij een zware mishandeling met middelzwaar lichamelijk letsel en met gebruikmaking van een wapen wordt een gevangenisstraf van 7 maanden als uitgangspunt genomen. De rechtbank zal bij het bepalen van de straf, dit oriëntatiepunt als uitgangspunt van denken hanteren.

Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank vervolgens acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel justitiële documentatie van 11 januari 2018. Daaruit blijkt dat verdachte door de kinderrechter op 18 juni 2014 ook is veroordeeld voor (onder meer) mishandeling.

Gelet op de ernst van de feiten is de rechtbank van oordeel dat, overeenkomstig de oriëntatiepunten en gezien het strafblad van verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op zijn plaats is. De rechtbank zal een groot deel van deze gevangenisstraf voorwaardelijk doen zijn, om verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen. De rechtbank is van oordeel dat deze voorwaardelijke straf van substantiële duur moet zijn, omdat zij er niet van overtuigd is dat de ernst van de feiten tot verdachte is doorgedrongen.

De rechtbank is, alles afwegende, van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van acht maanden, waarvan vijf maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaren en met aftrek van voorarrest, passend en geboden is.

8 De schade van benadeelden

8.1

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]

, wonende te [woonplaats] , heeft zich als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert verdachte te veroordelen om schadevergoeding te betalen tot een totaalbedrag van € 250,-, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd. De gevorderde schade bestaat uit immateriële schade.

8.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de vordering wordt toegewezen, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

8.3

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

8.4

Het oordeel van de rechtbank

Door de gebezigde bewijsmiddelen en de behandeling op de terechtzitting is komen vast te staan dat verdachte door het bewezenverklaarde feit rechtstreeks schade heeft toegebracht aan de benadeelde partij. De opgevoerde schadepost is niet betwist en voldoende onderbouwd en aannemelijk. De rechtbank zal het gevorderde daarom toewijzen tot een bedrag van € 250,-, te vermeerderen met de verschuldigde wettelijke rente vanaf de datum waarop het strafbare feit is gepleegd.

8.5

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2]

, wonende te [woonplaats] , heeft zich als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert verdachte te veroordelen om schadevergoeding te betalen tot een totaalbedrag van € 3.408,21, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd. De gevorderde materiële schade bestaat uit de volgende posten:

  • -

    Noodtandarts € 266,22

  • -

    Vervolgbehandelingen tandarts - 763,23

  • -

    Toekomstige schade - 578,76

Wegens immateriële schade wordt een bedrag van € 1.800,- gevorderd.

8.6

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de vordering wordt toegewezen, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

8.7

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft de materiële schadevergoeding niet weersproken. Ten aanzien van de immateriële schadevergoeding heeft de raadsvrouw verzocht deze te matigen, aangezien de jurisprudentie waarnaar wordt verwezen niet vergelijkbaar is.

8.8

Het oordeel van de rechtbank

Door de gebezigde bewijsmiddelen en de behandeling op de terechtzitting is komen vast te staan dat verdachte door het bewezenverklaarde feit rechtstreeks schade heeft toegebracht aan de benadeelde partij. De opgevoerde schadeposten zijn voldoende onderbouwd en aannemelijk en niet dan wel onvoldoende gemotiveerd betwist. De rechtbank zal het gevorderde daarom toewijzen tot een bedrag van € 3.408,21, te vermeerderen met de verschuldigde wettelijke rente vanaf de datum waarop het strafbare feit is gepleegd dan wel de kosten daadwerkelijk zijn gemaakt.

8.5

De schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partijen hebben verzocht en de officier van justitie heeft gevorderd de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

De rechtbank zal de maatregel als bedoeld in artikel 36f Sr opleggen, aangezien verdachte jegens de benadeelde partijen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door de feiten zijn toegebracht.

9 De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 14a, 14b, 14c en 57 Sr.

10 De beslissing

De rechtbank:

bewezenverklaring

- verklaart bewezen dat verdachte het onder 1 en 2 primair ten laste gelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;

- verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;

strafbaarheid feit

- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;

- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1

het misdrijf: feitelijke aanranding van de eerbaarheid.

feit 2 primair

het misdrijf: zware mishandeling;

strafbaarheid verdachte

- verklaart verdachte strafbaar voor het bewezenverklaarde;

straf

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 (acht) maanden;

- bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte van 5 (vijf) maanden niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten. De rechter kan de tenuitvoerlegging gelasten indien verdachte voor het einde van de proeftijd van 3 (drie) jaren de navolgende voorwaarde niet is nagekomen:

- stelt als algemene voorwaarde dat verdachte:

- zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- bepaalt dat de tijd die de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

schadevergoeding

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 1], wonende te [woonplaats] , van een bedrag van € 250,-, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 22 juli 2017;

- veroordeelt verdachte daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;

- legt de maatregel op dat verdachte verplicht is ter zake van het bewezenverklaarde feit 1 en tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 250,-, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 22 juli 2017 ten behoeve van de benadeelde, met bevel, voor het geval dat volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt, dat vervangende hechtenis voor de duur van 5 (vijf) dagen zal worden toegepast. Tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis laat de betalingsverplichting onverlet;

- bepaalt dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als verdachte aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen;

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 2], wonende te [woonplaats] , van een bedrag van € 3.408,21, waarvan een bedrag van € 2.066,22 (‘immateriële schade’ en ‘kosten noodtandarts’) te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 22 juli 2017 en een bedrag van € 1.341,99 (‘vervolgbehandelingen tandarts’ en ‘toekomstige schade’) te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de data waarop de respectievelijke kosten zijn gemaakt;

- veroordeelt verdachte daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit

vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;

- legt de maatregel op dat verdachte verplicht is ter zake van het bewezenverklaarde feit 2 en tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 3.408,21, te vermeerderen met de wettelijke rente op bovenvermelde wijze ten behoeve van de benadeelde, met bevel, voor het geval dat volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt, dat vervangende hechtenis voor de duur van 44 dagen zal worden toegepast. Tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis laat de betalingsverplichting onverlet;

- bepaalt dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als verdachte aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen;

Dit vonnis is gewezen door mr. V.P.K. van Rosmalen, voorzitter, mr. S. Taalman en mr. R.M. van Vuure, rechters, in tegenwoordigheid van mr. S.W. de Boer als griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 22 februari 2018.

Bijlage bewijsmiddelen

Leeswijzer

Deze bijlage maakt deel uit van het vonnis en bevat de bewijsmiddelen.

Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van de regiopolitie Oost-Nederland met nummer PL0600-2017349949. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.

Feiten 1 en 2

1.

Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 2] van 22 juli 2017, pagina 14-15, onder meer inhoudende:

(…) Vandaag, zaterdag 22 juli 2017 (…) bevond ik mij in (…) Zwolle. Ik was samen met mijn vriendin genaamd [slachtoffer 1] (…). Mijn vriendin zat binnen in het gedeelte waar je mag roken. Toen ik daar ook naar binnen liep, zag ik dat [slachtoffer 1] een glas cola leeg gooide in het gezicht van een voor mij onbekende jongen. Ik vroeg aan [slachtoffer 1] wat er aan de hand was. Hierop zei [slachtoffer 1] dat die jongen, zonder aanleiding, haar in haar kruis gegrepen had. Ik vroeg hierop boos aan de jongen wat hem bezielde. Hierop gooide de jongen direct, opzettelijk en met kracht, een glas in mijn gezicht. Dit glas kwam op mijn neus en mond terecht. Ik voelde direct een hevige pijn. Ik merkte dat er hierna bloed uit een wond op mijn neus kwam. Ook bloedde ik vanuit mijn mond. Het bleek dat door toedoen van de jongen er een paar tanden los in mijn mond zaten. Ook is er een stuk voortand afgebroken. (…)

2.

Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 1] van 22 juli 2017, pagina 22, 23 en ongenummerd, onder meer inhoudende:

(…) Op een gegeven moment uit het niets werd ik door een onbekende man aan mijn kont gepakt. De eerste keer probeerde hij het en toen kon ik mij nog afweren. De tweede keer lukte dat hem wel. Ik zei tegen deze onbekende man dat ik dit niet wilde. Hij pakte echt met zijn hand mijn kont beet. (…) Vrij kort hierop greep de onbekende man zijn hand in mijn kruis, hij pakte echt vol in mijn kruis gericht. Hij deed dat plotseling en onverwacht. (…) Ook heb ik een glas Cola dat ik in mijn handen had in de richting van de onbekende man gegooid. (…) Ik zag dat de onbekende man zijn glas in het gezicht van mijn vriend duwde. (…) Ik zag dat mijn vriend gewond was door een glas dat hij in zijn gezicht had gekregen.

(…) Het was dezelfde man dan die mij in mijn kruis greep en die mij bij mijn kont beet pakte.

3.

De door J.A. Aberson, forensisch arts, opgemaakte letselrapportage van 22 juli 2017, met bijlagen, pagina 16-21, onder meer inhoudende:

(…) hoofd Op de neusrug is een wond te zien van ca. 3 mm. (…).

Midden op de onderlip is diagonaal een wond te zien van ca. 3 mm (…)

In de mond is te zien dat van de linker voortand boven een stukje is afgebroken over de hele breedte. (…)

De hoektand boven links wordt met een noodspalk op zijn plaats gehouden. (…)

Bij de onderkaak is te zien dat de voortand rechts een afwijkende stand naar achter heeft. (…)

beoordeling letsel

ontstaan Het waargenomen letsel (…) kan zijn ontstaan door inwerking van een kracht op de mond. De wond op de neus kan het gevolg zijn van snijden door een scherpe rand.

blijvend letsel Er blijven op de neus en lip littekentjes over.

Aan het gebit kan, afhankelijk van behandeling, aan m.n. de linkervoortand boven blijvende schade resteren. (…)

4.

Het proces-verbaal van verhoor verdachte van 22 juli 2018, pagina 26-29, onder meer inhoudende:

(…) A: Ja, ik kneep iemand in de kont (…).

V: Zowel de getuige als de aangever hebben vervolgens gezien dat jij een glas, welke jij in je handen vast had hebt stuk geslagen in het gezicht van aangever. U vraagt mij waarom ik dit gedaan heb.

A: Ik heb mijn bierglas naar hem toegegooid. Ik deed dit met opzet. (…)

5.

Het proces-verbaal van de terechtzitting van 8 februari 2018, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als de bekennende verklaring van verdachte:

(…) De jongste rechter vraagt mij hoe ik het glas heb gegooid. Ik antwoord daarop dat ik bovenhands heb gegooid. (…)

(…)

6.

Het proces-verbaal van de terechtzitting van 8 februari 2018, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van [Getuige 2] :

(…) Ik was met [slachtoffer 1] in gesprek. [verdachte] stond aan de andere kant van de tafel. Toen gilde zij in één keer. (…) Ik vond dat [slachtoffer 2] vrij kalm bleef. (…) Ik heb gezien dat verdachte [slachtoffer 2] sloeg met een glas. Voor zover ik weet is daar niks aan vooraf gegaan. (…) Het slaan door verdachte was echt slaan; in het gezicht. (…) De arm van verdachte maakte een bovenhandse beweging. Ik zag dat het glas het gezicht van [slachtoffer 2] raakte. (…)

De oudste rechter vraagt mij of verdachte op zo’n afstand stond dat hij [slachtoffer 1] aan kon raken. Ik antwoord daarop dat hij er volgens mij dichtbij genoeg voor stond. [slachtoffer 1] en ik stonden aan de lange kant van de tafel; verdachte stond aan de korte kant. (…)

De raadsvrouw vraagt mij waar de hand van verdachte was op het moment dat het glas het gezicht van [slachtoffer 2] raakte. Ik antwoord daarop dat de hand op dat moment om het glas heen was.

De raadsvrouw vraagt mij of [slachtoffer 1] met haar gezicht of haar rug in de richting van verdachte stond. Ik antwoord daarop dat [slachtoffer 1] een beetje schuin stond. Zij keek met haar gezicht richting de tafel. (…)

7.

Een schriftelijk bescheid, te weten een op schrift gestelde verklaring van T.H. Katesari, tandarts verbonden aan Tandartspraktijk De Brink te Zwolle, van 25 juli 2017, zoals gevoegd als bijlage 5 bij de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] , onder meer inhoudende:

(…) [slachtoffer 2] (…) heeft (…) een klap tegen zijn gezicht gekregen. Hierdoor zijn zowel zijn boven en onder front geraakt en hebben hierbij een trauma opgelopen. Patiënt is bij ons op consult geweest en er zijn röntgen foto’s gemaakt, naar aanleiding van de röntgen foto’s die zijn gemaakt en de klinische waarneming is er geconstateerd dat element 22 een trauma heeft opgelopen en helemaal afgebroken is. Element 21 is ook afgebroken. In element 22 is endodontisch behandeld en het element is opgebouwd. De prognose van het element 22 is slecht. De kans is aanwezig dat dit element in de toekomst alsnog verloren gaat en er een implantaat geplaatst moet worden met een kroon er op. Element 21 is diep aangetast. Het element is voor nu opgebouwd. De kans is aanwezig dat dit element in de toekomst nog een endodontische behandeling nodig heeft. Om chronische avitaliteit van getraumatiseerde elementen in de toekomst op te kunnen sporen, is het belangrijk dat regelmatig foto’s worden gemaakt van deze elementen (boven- en onderfront). Want na een trauma bestaat de kans dat de getraumatiseerde elementen alsnog avitaal worden waardoor een wortelkanaal behandeling bij hun noodzakelijk is. (…)