Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2018:556

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
22-02-2018
Datum publicatie
22-02-2018
Zaaknummer
08/770219-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Ontuchtige handelingen door het onverhoeds aanraken van billen van verschillende vrouwen. Verdachte wordt verminderd toerekeningsvatbaar geacht en dientengevolge past de rechtbank het jeugdstrafrecht toe, hoewel verdachte ten tijde van het plegen van de bewezenverklaarde feiten de leeftijd van 18 jaar reeds had bereikt. Taakstraf van 120 uur en een verplichte behandeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Strafrecht

Meervoudige kamer

Zittingsplaats Almelo

Parketnummer: 08/770219-17 (P)

Datum vonnis: 22 februari 2018

Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:

[verdachte] ,

geboren [1999] in [plaats 1] ,

wonende in [plaats 2] , [adres] .

1 Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van

8 februari 2018.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie

mr. C.Y. Huang en van hetgeen door verdachte en de raadsvrouw mr. M.A. Lubbers, advocaat te Groningen, naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

De verdenking komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

feit 1: [slachtoffer 1] heeft aangerand;

feit 2: [slachtoffer 2] heeft aangerand;

feit 3: [slachtoffer 3] heeft aangerand dan wel haar heeft geprobeerd aan te randen.

Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:

1.

hij op of omstreeks 23 mei 2017 te Wierden, door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid, te weten:

door het onverhoeds - rijdend op een bromfiets - van achteren benaderen en/of (vervolgens) het onverhoeds van achteren de billen aanraken/betasten en/of op/tegen de billen slaan

[slachtoffer 1] heeft gedwongen tot het plegen en/of dulden van een of meer

ontuchtige handelingen, te weten het onverhoeds aanraken/betasten van de billen, althans het onverhoeds slaan op/tegen de billen;

2.

hij op of omstreeks 02 juni 2017 te Rectum, gemeente Wierden, door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid, te weten:

door het onverhoeds - rijdend op een bromfiets - van achteren benaderen en/of (vervolgens) het onverhoeds van achteren in de billen knijpen, althans betasten/bevoelen van de billen

[slachtoffer 2] heeft gedwongen tot het plegen en/of dulden van een of meer ontuchtige handelingen, te weten het onverhoeds knijpen in en/of betasten/bevoelen van de billen;

3.

hij op of omstreeks 04 juni 2017 in de gemeente Wierden, door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid, te weten:

door het onverhoeds - rijdend op een bromfiets - van achteren benaderen en/of (vervolgens) het onverhoeds van achteren de billen aanraken/betasten en/of op/tegen de billen slaan

[slachtoffer 3] heeft gedwongen tot het plegen en/of dulden van een of meer ontuchtige handelingen, te weten het onverhoeds aanraken/betasten van de billen, althans het onverhoeds slaan op/tegen de billen;

ALTHANS, voor zover voor het vorenstaande onder 3 geen veroordeling mocht of zou

kunnen volgen, SUBSIDIAIR, ter zake dat

hij op of omstreeks 04 juni 2017 in de gemeente Wierden, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid, te weten:

door het onverhoeds - rijdend op een bromfiets - van achteren benaderen en/of (vervolgens) onverhoeds van achteren de billen aanraken/betasten en/of op/tegen de billen slaan,

[slachtoffer 3] te dwingen tot het plegen en/of dulden van een of meer ontuchtige handelingen, te weten het onverhoeds aanraken/betasten van de billen en/of de onderrug, althans het onverhoeds slaan op/tegen de billen en/of de onderrug

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.


Er is daarnaast een ad informandum gevoegd feit, te weten feitelijke aanranding van de eerbaarheid van [slachtoffer 4] .

3 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 De bewijsoverwegingen

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 1, 2 en 3 primair tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard.

4.2

Het standpunt van de raadsvrouw

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de door verdachte verrichte handelingen niet zijn aan te merken als ontuchtige handelingen nu verdachte geen seksuele intentie had. Gelet daarop dient verdachte van het onder 1, 2 en 3 primair en subsidiair tenlastegelegde te worden vrijgesproken, aldus de verdediging.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of de door verdachte verrichte handelingen zijn aan te merken als ontuchtige handelingen.

Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat het doel van de zedelijkheidswetgeving is het beschermen van de seksuele integriteit van personen die daartoe op een bepaald moment, dan wel in het algemeen, zelf niet in staat zijn. Verder blijkt dat de wetgever handelingen van seksuele aard strafbaar heeft willen stellen, voor zover die in strijd zijn met de sociaal ethische norm. Voor de vraag of een handeling als ontuchtige handeling kan worden aangemerkt, is niet doorslaggevend of de dader met de handeling zélf ontuchtige bedoelingen had. Het gaat om handelingen van seksuele aard die in strijd met de sociaal-ethische norm zijn. Of de handelingen als ontuchtig moeten worden aangemerkt, is afhankelijk van de omstandigheden waaronder die handelingen zijn verricht.

Verdachte heeft bij drie soortgelijke incidenten steeds opzettelijk de billen aangeraakt van een voor hem onbekende vrouw. De rechtbank stelt vast dat de door aangeefsters afgelegde verklaringen, voor wat betreft de feitelijke handelingen en omstandigheden waaronder deze handelingen plaatsvonden, inhoudelijk op meerdere punten overeenkomen. In al deze gevallen benadert verdachte op een crossmotor een vrouw, die alleen aan het fietsen is, van achteren, raakt bij het passeren van de vrouw haar aan op de billen en rijdt vervolgens weg.

Naar het oordeel van de rechtbank is in deze zaak het onverhoeds van achteren aanraken van de billen van de slachtoffers aan te merken als een seksueel getinte aanraking die in de gegeven omstandigheden in strijd is met de sociaal-ethische norm. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat verdachte en de slachtoffers elkaar in het geheel niet kenden, de aanraking plaatsvond op de openbare weg en verdachte door het onverhoedse aanraken van de billen aangeefsters volledig heeft overvallen en daardoor verzet heeft voorkomen.

Dat de seksuele intentie mogelijk ontbreekt bij verdachte, zoals door de raadsvrouw gesteld, doet hieraan niet af. Bepalend is naar het oordeel van de rechtbank of de aangeefsters door de handeling in hun seksuele schaamtegevoel worden gekwetst en of dit ook in de maatschappij in het algemeen zo wordt gevoeld. De rechtbank overweegt in dit verband dat uit de verklaringen van de aangeefsters en de voorgedragen slachtofferverklaring blijkt dat zij bepaald niet gediend waren van deze handeling van verdachte. Verder overweegt de rechtbank dat ook in de maatschappij in het algemeen wordt gevoeld dat een dergelijke handeling – het onverhoeds aanraken van de billen van een meisje op een moment dat zij alleen aan het fietsen is – in strijd is met de sociaal-ethische norm.

De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsvrouw en is gelet op het voorgaande van oordeel dat de door verdachte verrichte handelingen in deze omstandigheden dienen te worden aangemerkt als ontuchtige handelingen.

De rechtbank acht het onder 1, 2 en feit 3 primair tenlastegelegde dan ook wettig en overtuigend bewezen.

De rechtbank zal volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen nu verdachte de feitelijke gedragingen die in het tenlastegelegde worden genoemd bekent en de raadsvrouw ter zake van die gedragingen geen verweer heeft gevoerd1.

  • -

    het proces-verbaal van de terechtzitting van 8 februari 2018, voor zover inhoudende de bekennende verklaring van verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste volzin, van het Wetboek van Strafvordering (Sv);

  • -

    het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 1] van 20 juni 2017, pagina’s 23 tot en met 29;

  • -

    het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 2] van 14 juni 2017, pagina’s 54 tot en met 58;

  • -

    het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 3] van 27 juni 2017, pagina’s 83 tot en met 86.

4.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de genoemde bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat:

1.

hij op 23 mei 2017 te Wierden, door geweld, te weten: door het onverhoeds - rijdend op een bromfiets - van achteren benaderen en (vervolgens) het onverhoeds van achteren de billen aanraken [slachtoffer 1] heeft gedwongen tot het dulden van een ontuchtige handeling, te weten het onverhoeds aanraken van de billen;

2.

hij op 2 juni 2017 te Rectum, gemeente Wierden, door geweld, te weten: door het onverhoeds - rijdend op een bromfiets - van achteren benaderen en (vervolgens) het onverhoeds van achteren bevoelen van de billen [slachtoffer 2] heeft gedwongen tot het dulden van een ontuchtige handeling, te weten het onverhoeds bevoelen van de billen;

3.

hij op 4 juni 2017 in de gemeente Wierden, door geweld, te weten: door het onverhoeds - rijdend op een bromfiets - van achteren benaderen en (vervolgens) het onverhoeds van achteren de billen aanraken [slachtoffer 3] heeft gedwongen tot het dulden van een ontuchtige handeling, te weten het onverhoeds aanraken van de billen.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte onder 1, 2 en 3 primair meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

5. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld in artikel 246 van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:

feit 1, feit 2 en feit 3 primair

telkens het misdrijf: feitelijke aanranding van de eerbaarheid.

6 De strafbaarheid van verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor de bewezenverklaarde feiten.

7 De op te leggen straf of maatregel

7.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie is van mening dat het jeugdstrafrecht moet worden toegepast nu verdachte kinderlijker gedrag vertoont dan van hem verwacht kan worden. De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor het onder 1, 2 en 3 primair tenlastegelegde wordt veroordeeld tot een taakstraf voor de duur 120 uren subsidiair 60 dagen jeugddetentie waarvan 80 uren subsidiair 40 dagen jeugddetentie voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, met aftrek van de tijd die verdachte in verzekering heeft doorgebracht. Aan het voorwaardelijke strafdeel dienen de bijzondere voorwaarden van een meldplicht en behandeling bij Accare of soortgelijke instelling te worden gekoppeld.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft verzocht indien de rechtbank tot een bewezenverklaring komt om het jeugdstrafrecht toe te passen. Voorts heeft de raadsvrouw verzocht rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte en de verminderde toerekeningsvatbaarheid van verdachte.

7.3

De gronden voor een straf of maatregel

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van verdachte, zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij het volgende van belang.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het meermalen onverhoeds aanraken van de billen van verschillende vrouwen. Verdachte heeft al deze feiten gepleegd door de vrouwen van achteren te benaderen op zijn crossmotor. Door zo te handelen heeft verdachte een groot gevoel van onveiligheid bij de slachtoffers gecreëerd. Verdachte is hiermee doorgegaan zelfs nadat hij al een keer was bevraagd door de politie over soortgelijke feiten. Als feit van algemene bekendheid geldt dat slachtoffers van dit soort delicten vaak nog lang psychische gevolgen ondervinden van hetgeen hen is overkomen.

Bij de straftoemeting is verder rekening gehouden met het in de dagvaarding omschreven ad informandum gevoegde feit, dat door verdachte ter terechtzitting is erkend.

De rechtbank weegt ook mee dat uit het uittreksel justitiële documentatie van 2 januari 2018 van verdachte blijkt dat hij niet eerder is veroordeeld.

Wat betreft de persoon van verdachte houdt de rechtbank rekening met het psychologisch rapport van drs. M. van Heteren, GZ-psycholoog, van 4 oktober 2017. In het rapport concludeert de psycholoog dat bij verdachte sprake is van een ziekelijke stoornis in de zin van psychotraumatische klachten ten gevolge van het onvoldoende aansluiting kunnen vinden bij leeftijdsgenoten in het basis- en voortgezet onderwijs. Voorts is sprake van een vertraagde puberteitsontwikkeling en mogelijk hiermee samenhangend een grote afweer ten aanzien van seksualiteit. De psycholoog adviseert verdachte het tenlastegelegde verminderd toe te rekenen. De rechtbank neemt deze conclusie over en maakt deze tot de hare.

Gezien de aard van de problematiek en de gezinscontext beschouwt de psycholoog de kans op herhaling bij ongewijzigd functioneren van verdachte op de langere termijn als matig verhoogd. Het is nog tamelijk onduidelijk waar deze endocrine en ontwikkelingspsychologische tekorten toe gaan leiden. De psycholoog adviseert verdachte te behandelen voor zijn tekorten.

De reclassering heeft in het rapport van 2 februari 2018 opgesteld door A.M.F. Smellink, reclasseringswerker, geadviseerd om het jeugdstrafrecht toe te passen. De reclassering ziet op basis van het wegingskader zwaarwegende redenen over te gaan tot toepassen van het jeugdstrafrecht. Verdachte heeft een disharmonisch intelligentieprofiel, vertoont kinderlijker gedrag dan van hem verwacht kan worden en in sommige situaties is sprake van impulsief gedrag. Verder ziet de reclassering meer in een pedagogische aanpak daar verdachte nog deel uitmaakt van een gezin, hij ontvankelijk is voor ondersteuning en beïnvloeding door ouders en het belangrijk is dat het opleidingstraject wordt voortgezet.

De rechtbank ziet in het voorgaande aanleiding om, met toepassing van artikel 77c Sr, het jeugdstrafrecht toe te passen, hoewel verdachte ten tijde van het plegen van de bewezenverklaarde feiten de leeftijd van 18 jaar reeds had bereikt.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een taakstraf van na te melden duur moet worden opgelegd. De rechtbank zal echter bepalen dat een gedeelte daarvan vooralsnog niet ten uitvoer zal worden gelegd en zal daaraan een proeftijd van drie jaren verbinden, opdat verdachte ervan wordt weerhouden zich voor het einde van die proeftijd schuldig te maken aan een strafbaar feit. Daarnaast acht de rechtbank verplicht contact met de jeugdreclassering en een behandelverplichting bij Accare te Deventer of soortgelijk instelling zoals Intermetzo, Karakter of Transfore noodzakelijk.

8 De schade van benadeelden

8.1

De vordering van de benadeelde partij

[slachtoffer 3] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert verdachte te veroordelen om immateriële schadevergoeding te betalen tot een totaalbedrag van € 150,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd.

8.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij volledig toewijsbaar is voor een bedrag van € 150,00, te vermeerderen met de wettelijke rente, en verzoekt de rechtbank voor dat bedrag de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

8.3

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft verzocht om de vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren nu zij vrijspraak heeft bepleit.

8.4

Het oordeel van de rechtbank

Door de gebezigde bewijsmiddelen en de behandeling op de terechtzitting is komen vast te staan dat verdachte door het bewezenverklaarde onder 3 primair rechtstreeks schade heeft toegebracht aan de benadeelde partij. De opgevoerde schadepost is niet betwist en voldoende onderbouwd. De rechtbank zal de gevorderde immateriële schade daarom toewijzen tot een bedrag van € 150,00, te vermeerderen met de verschuldigde wettelijke rente vanaf de datum waarop het strafbare feit is gepleegd.

8.5

De schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank zal de maatregel als bedoeld in artikel 36f Sr opleggen, aangezien verdachte jegens de benadeelde partij naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het feit is toegebracht.

9 De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 27, 77c, 77g, 77h, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77aa en 77gg Sr.

10 De beslissing

De rechtbank:

bewezenverklaring

- verklaart bewezen dat verdachte het onder 1, 2 en 3 primair tenlastegelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;

- verklaart niet bewezen wat aan verdachte onder 1, 2 en 3 primair meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;

strafbaarheid feit

- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;

- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feiten 1, 2 en 3 primair: telkens het misdrijf: feitelijke aanranding van de eerbaarheid;

strafbaarheid verdachte

- verklaart verdachte strafbaar voor het onder 1, 2 en 3 primair bewezenverklaarde;

straf

- veroordeelt verdachte tot een taakstraf, bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid voor de duur van 120 (honderdtwintig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 60 (zestig) dagen jeugddetentie;

- bepaalt dat van deze taakstraf een gedeelte van 80 (tachtig) uren subsidiair 40 (veertig) dagen jeugddetentie niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten. De rechter kan de tenuitvoerlegging gelasten indien verdachte voor het einde van de proeftijd van 3 (drie) jaren de navolgende voorwaarden niet is nagekomen:

- stelt als algemene voorwaarden dat verdachte:

- zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

- medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 77aa, vierde lid Sr, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

- stelt als bijzondere voorwaarden dat verdachte:

- zich gedurende de proeftijd meldt bij Jeugdreclassering William Schrikker Groep, op de door de jeugdreclassering te bepalen tijdstippen, zo frequent en zo lang deze instelling dat nodig acht;

- wordt verplicht zich onder behandeling te stellen van Accare te Deventer of een soortgelijke instelling zoals Intermetzo, Karakter of Transfore, indien en zo lang als de jeugdreclassering dit noodzakelijk acht. Waarbij aan de gecertificeerde instelling te weten William Schrikker Groep te Oost Nederland opdracht wordt gegeven toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden van verdachte en ten behoeve daarvan te begeleiden.

- beveelt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de taakstraf in mindering wordt gebracht, waarbij als maatstaf geldt dat voor de eerste 60 in verzekering of voorlopige hechtenis doorgebrachte dagen, twee uren en voor de resterende dagen één uur per dag aftrek plaatsvindt;

schadevergoeding

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 3] van een bedrag van € 150,00 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 4 juni 2017;

- veroordeelt verdachte daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;

- legt de maatregel op dat verdachte verplicht is ter zake van het bewezenverklaarde onder 3 primair en tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 150,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 4 juni 2017 ten behoeve van de benadeelde, met bevel, voor het geval dat volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt, dat vervangende hechtenis voor de duur van drie dagen zal worden toegepast. Tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis laat de betalingsverplichting onverlet;

- bepaalt dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als verdachte aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen;

opheffing bevel voorlopige hechtenis

- heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door mr. F. van der Maden, voorzitter, mr. F.C. Berg en

mr. S.H. Peper, rechters, in tegenwoordigheid van M.M. Greven-Diepenmaat, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 22 februari 2018.

Mr. F. van der Maden is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van de regiopolitie Oost-Nederland met nummer PL0600 2017344715. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.