Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2018:525

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
26-01-2018
Datum publicatie
20-02-2018
Zaaknummer
C/08/203234 / FA RK 17-1352
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Partneralimentatie. Uitleg alimentatie-overeenkomst. Wijziging van omstandigheden. Geen sprake van grove miskenning van de wettelijke maatstaven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Familierecht en Jeugdrecht

Zittingsplaats Zwolle

zaaknummer: C/08/203234 / FA RK 17-1352

beschikking van de enkelvoudige familiekamer voor burgerlijke zaken d.d.

26 januari 2018

inzake

[verzoeker] ,

verder te noemen: de man,

wonende te [woonplaats 1] ,

verzoeker,

advocaat mr. J-W.F. van Horssen te Leek,

en

[verweerster] ,

verder te noemen: de vrouw,

wonende te [woonplaats 2] ,

verweerder,

advocaat mr. J. Oosterhof te Heerenveen.

1 Het procesverloop

1.1.

De rechtbank heeft kennis genomen van de navolgende bescheiden:

- het verzoek met bijlagen, binnengekomen op 13 juni 2017;

- het verweer met bijlagen, binnengekomen op 08 augustus 2017;

- een op 4 december 2017 binnengekomen brief van mr. Van Horssen van 1 december 2017 met bijlagen;

- een op 7 december 2017 binnengekomen brief van mr. Van Horssen van diezelfde datum met bijlagen.

1.2.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft met gesloten deuren plaatsgevonden op 13 december 2017. Ter zitting zijn verschenen en gehoord: partijen beiden bijgestaan door hun advocaat.

2 De feiten

2.1.

Partijen zijn met elkaar gehuwd geweest en hebben de gevolgen van hun echtscheiding geregeld en neergelegd in het door beiden op 24 december 2014 ondertekende echtscheidingsconvenant. In dit convenant zijn partijen, voor zover thans van belang, als volgt overeengekomen:

“2.1 De man heeft inkomen uit zijn B.V. (als dga) van bruto € 78.000 per jaar. De vrouw heeft loon uit dienstbetrekking van bruto € 12.480 per jaar (netto € 888 per maand) en winst uit onderneming van € nihil (gebaseerd op boekjaar 2013).

2.2

Partijen komen overeen om de dienstbetrekking die de vrouw heeft met de B.V. van de man, te beëindigen per 31 december 2014. Hierbij komen partijen tevens overeen dat de vrouw de bedrijfsauto die haar in het kader van voornoemde dienstbetrekking tet beschikking is gesteld, zal overnemen tegen een waarde van € 8.000 (inclusief btw) zijnde de per datum ondertekening geldende verkoopwaarde voor particulieren. Teneinde het gemis van het onder 2.1 genoemde loon uit dienstbetrekking te ondervangen, zal dit bruto inkomen (2.1) worden opgenomen in de onder 2.3 vastgestelde partneralimentatie.

2.3

Op basis van de genoemde uitgangspunten en op basis van het hierna genoemde met betrekking tot het betalen van de lasten met betrekking tot de te koop staande eigen woning (zie 3.2: 50% betaalt de man in het kader van zijn verplichting tot levensonderhoud jegens de vrouw) en de kosten van de meerderjarige kinderen (welke kosten de draagkracht van de man verminderen), zal de man aan de vrouw een partneralimentatie betalen van € 2.307 bruto per maand. Voor de man is dit bedrag fiscaal aftrekbaar en voor de vrouw belast.

2.4

Ter vaststelling van de onder 2.3 genoemde kosten eigen woning, levensonderhoud vrouw en kosten kinderen, hanteren partijen als basis een door hen gezamenlijk opgesteld en overeengekomen kostenoverzicht.

2.5

De hoogte van de partneralimentatie zoals hiervoor onder 2.3 vermeld is grotendeels bepaald op basis van het gemaakte kostenoverzicht (alle lasten) zoals beschreven onder 2.4. Op het moment dat er zich een wijziging voordoet met betrekking tot de eigen woning (verkoop woning) en/of in verband met de kosten levensonderhoud voor de (jong-) meerderjarige kinderen, zullen partijen aan de hand van het voormelde kostenoverzicht een nieuwe berekening van de partneralimentatie maken. Partijen kunnen alsdan ter bemiddeling om tot een herberekening van de partneralimentatie te komen de hulp van een deskundige (bemiddelaar/ mediator) inschakelen.

Partijen streven er naar dat middels voornoemde partneralimentatie en verdeling kosten/ lasten woning en kinderen, onder verrekening van de onder 2.6 genoemde netto eigen inkomsten van de vrouw, er een zodanige verdeling tot stand komt dat voor de alimentatieplichtige (de man) na aftrek van belastingteruggaven/ voordeel, geen netto -voor partijen duidelijk aantoonbaar- lager besteedbaar bedrag resteert dan voor de vrouw.

2.6

Partijen komen ten aanzien van de eigen inkomsten van de vrouw (uit onderneming en/ of loondienst/ uitkering) in verhouding tot de te ontvangen partneralimentatie het volgende overeen:

Netto omzet c.q. inkomen (per maand): Korting op netto alimentatie in ¾ van netto omzet

(per maand):

€ 200-750 75%

€ 751-meer 100%

De eigen inkomsten worden jaarlijks achteraf vastgesteld en eventueel (bruto) verrekend. Bij

substantiële inkomenswijziging gedurende het lopende kalenderjaar zal de vrouw dit terstond

melden aan de man. Teneinde de eigen inkomsten van de vrouw te kunnen bepalen en - indien van toepassing- te verrekenen, zal de vrouw jaarlijks achteraf bij gereedkomen van haar aangifte

lB en jaarcijfers, deze aan de man overhandigen.

2.7.

Partijen zijn ervan op de hoogte dat de alimentatieplicht volgens de wettelijke bepalingen

(maximaal) 12 jaar duurt, te rekenen vanaf de datum van ontbinding van het huwelijk. Als de

alimentatiegerechtigde / vrouw hertrouwt, een geregistreerd partnerschap aangaat dan wel gaat

samenleven met een ander als waren zij gehuwd of als hadden zij hun partnerschap laten

registreren, vervalt vanaf dat moment de alimentatieplicht en zat ook niet herleven. Indien de

samenwoonperiode feitelijk korter heeft geduurd dan 6 maanden (de GBA inschrijving vormt

hiervoor een indicatie), zat de alimentatieplicht herleven, de totale duur zal echter niet worden

verlengd.

Partijen zullen op pensioendatum van ieder van hen, indien en voor zover nog sprake is van

betaling van partneralimentatie, nagaan in hoeverre de vrouw in haar eigen levensonderhoud

kan voorzien uit pensioen, lijfrente en AOW. Tevens zal hierbij de draagkracht van de man

berekend kunnen warden.

2.8

De kosten voor de studio en het levensonderhoud van de jong-meerderjarige kinderen [A]

en [B] , en voor de meerderjarige studerende dochter [C] , zullen door de man warden

voldaan. Partijen hebben gezamenlijk bepaald welke kosten dit betreft en deze inzichtelijke

gemaakt. De man zal deze kosten voldoen voor zover de kinderen genoemde kosten niet zelf

kunnen voldoen uit eigen inkomsten.

2.9

Het onder 2.3. genoemde bedrag van alimentatie wordt jaarlijks aangepast aan de CBS index

voor alimentatiebedragen, dit voor het eerst per 1 januari 2016.

….

3.2

De kosten van de voormalige echtelijke woning worden door de man betaald. Partijen hebben een overzicht gemaakt van alle lasten die samenhangen met de woning en op basis daarvan vastgesteld welke laste door man (rechtstreeks) zullen worden voldaan. De man neemt deze lasten voor zijn rekening en betaalt het op de vrouw drukkende deel van de hypotheekrente en de overige lasten in het kader van zijn onderhoudsverplichting jegens haar (en brengt deze als zodanig in aftrek in zijn aangifte IB). De voornoemde regeling met betrekking tot de lasten van de voormalige echtelijke woning zal gelden tot verkoop en levering van de woning, tenzij partijen in onderling overleg en met wederzijdse instemming tot een andere regeling komen.

Na tijdsverloop van twee jaar (24 maanden), derhalve in het voorjaar van 2016 (tenzij eerdere verkoop) zal de fiscale regeling voor de man wijzigen. De man zal zijn deel van de hypotheekrente (50%) niet meer als zodanig in aftrek kunnen brengen omdat zijn deel van de woning inclusief schuld vanaf dat moment naar box 3 verhuist.

Partijen zullen begin 2016 de situatie met betrekking tot de woning bespreken en de partneralimentatie aanpassen aan de gewijzigde situatie, Hierbij zal ieders totale financiële situatie meegewogen worden.

2.2.

Bij beschikking van 1 april 2015 heeft de rechtbank Noord Nederland, locatie Leeuwarden, de echtscheiding tussen partijen uitgesproken, welke beschikking op 10 april 2015 is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

2.3.

Bij voormelde echtscheidingsbeschikking heeft de rechtbank voorts, voor zover thans van belang, bepaald dat:
- de inhoud van hiervoor bedoeld echtscheidingsconvenant deel uitmaakt van die beschikking;
- de man aan de vrouw met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand als bijdrage in de kosten van levensonderhoud € 2.307,- bruto per maand dient te betalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen.

2.4.

Ingevolge de wettelijke indexering beloopt voormelde bijdrage met ingang van 1 januari 2017 € 2.386,- per maand

3 Het verzoek

De man verzoekt, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

primair:

de alimentatie-overeenkomst zoals opgenomen bij convenant van 24 december 2014, alsmede genoemde beschikking van 1 april 2015 in te trekken althans te wijzigen en de door de man te betalen bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw te stellen op nihil, met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de Burgerlijke Stand, althans met ingang van een datum in goed justitie te bepalen;

te bepalen dat de vrouw gehouden is om de woonlasten betreffende de voormalige echtelijke woning voor haar rekening te nemen met ingang van 1 januari 2015;

de vrouw te veroordelen om aan de man te betalen een bedrag van € 67.520,72, zijnde de woonlasten van de echtelijke woning tot en met het eerste kwartaal 2017, althans de helft hiervan, althans een bedrag in goede justitie te bepalen;

subsidiair:

I. de door de man te betalen alimentatie met ingang van 1 januari 2015, althans met ingang van een datum in goede justitie te bepalen, op nihil te stellen;

II. te bepalen dat de vrouw gehouden is om over het tijdvak 1 januari 2015 tot 1 april 2017 aan de man te betalen als bijdrage in de kosten van levensonderhoud een bedrag van € 25.620,- (vangnetbepaling);

III. te bepalen dat de vrouw gehouden is om de woonlasten betreffende de voormalige echtelijke woning voor haar rekening te nemen met ingang van 1 januari 2015.

IV. de vrouw te veroordelen om aan de man te betalen een bedrag van € 67.520,72, zijnde de woonlasten van de echtelijke woning tot en met het eerste kwartaal 2017, althans de helft hiervan, althans een bedrag in goede justitie te bepalen.

4 Het verweer

De vrouw verzoekt de rechtbank de man in zijn verzoek niet-ontvankelijk te verklaren dan wel dit verzoek af te wijzen.

5 De beoordeling

De ontvankelijkheid

5.1.

De man stelt (subsidiair) dat sprake is van een wijziging van omstandigheden erin gelegen dat de hypotheekrente voor de man niet langer aftrekbaar is. Hoewel partijen in het echtscheidingsconvenant voorzien hebben in de situatie dat de hypotheekrenteaftrek zou wijzigen (3.2 tweede alinea van het convenant), acht de rechtbank dit een gerechtvaardigde wijzigingsgrond in de zin van artikel 1:401 lid 1 BW, omdat partijen er vervolgens in onderling overleg niet tot aanpassing van de partneralimentatie aan de gewijzigde situatie hebben kunnen komen. Dit maakt dat de man kan worden ontvangen in zijn verzoek. Of deze gewijzigde omstandigheid ook tot toewijzing van (een van) de verzoeken van de man zal dienen te leiden, wordt hierna beoordeeld.

De alimentatie-overeenkomst in het echtscheidingsconvenant

5.2.

De man heeft gesteld dat in het echtscheidingsconvenant sprake is van een grove miskenning van de wettelijke maatstaven, omdat er een grote wanverhouding bestaat tussen zijn inkomen en de opgenomen verplichtingen voor hem om de woonlasten van de echtelijke woning, de partneralimentatie van € 2.307,- en de kosten van de kinderen te betalen. De man verzoekt daarom intrekking dan wel wijziging van de alimentatie-overeenkomst. De vrouw betwist dat sprake is van een grove miskenning van de wettelijke maatstaven.

5.3.

De rechtbank oordeelt als volgt. Het is de rechtbank onvoldoende aannemelijk geworden dat bij het aangaan van de alimentatie-overeenkomst partijen bewust zijn afgeweken van de wettelijke maatstaven. Er zijn geen onopzettelijk onjuiste gegevens gehanteerd bij het maken van de afspraken. De rechtbank acht de man ertoe in staat om voldoende te hebben kunnen begrijpen wat er bij het aangaan van de alimentatie-overeenkomst is overeengekomen in het convenant en wat de consequenties van die afspraken waren. Dat de man hieromtrent heeft ‘gedwaald’ of is misleid door de mediator heeft de man onvoldoende onderbouwd en acht de rechtbank, gelet op het beroep en het opleidingsniveau van de man, niet aannemelijk. Als de man de afspraken en de consequenties onvoldoende begreep of onredelijk vond, had hij naar het oordeel van de rechtbank deskundige hulp moeten inschakelen. Dat de man dit niet heeft gedaan, laat de rechtbank voor zijn rekening en risico. Bovendien betaalde de man, ook vóór de inwerkingtreding van het convenant, al sinds augustus 2013 een soortgelijke bijdrage aan de vrouw, te weten ook de gehele lasten van de echtelijke woning, de kosten voor de kinderen en huishoudgeld ad € 450,- voor de vrouw, alsmede de maandelijkse betaling vanuit de B.V. van de man ad € 1.040,-. Dat de man na het aangaan van het convenant is verrast door de uitwerking van de afspraken in het convenant, acht de rechtbank dan ook onvoldoende aannemelijk. De rechtbank zal daarom het echtscheidingsconvenant met de alimentatie-overeenkomst in stand laten, behoudens het hetgeen hierna over de hoogte van de partneralimentatie wordt bepaald.

De woonlasten

5.4.

Van een situatie dat de vrouw vanaf 1 januari 2015 de woonlasten (gedeeltelijk) voor haar rekening dient te nemen, dan wel (deels) terugbetaalt aan de man, zoals de man verzoekt, is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake. De rechtbank heeft hiervoor onder 5.3 immers bepaald dat het echtscheidingsconvenant in stand blijft en daarin is opgenomen dat de man de woonlasten van de woning aan de Klamp 39 te Joure betaalt (artikel 3.2). Dat de vrouw alleen het gebruik had van deze woning maakt dat niet anders. De verzoeken van de man op dit punt worden dan ook afgewezen.

De vangnetbepaling

5.5.

De man verzoekt de rechtbank voorts te bepalen dat de vrouw aan de man een bijdrage in de kosten van levensonderhoud betaalt op grond van de vangnetbepaling in het convenant (artikel 2.5 en 2.6). De vrouw heeft betwist hiertoe gehouden te zijn.

5.6.

De rechtbank oordeelt als volgt. Blijkens artikel 2.6 van het convenant dient de vrouw jaarlijks achteraf bij gereedkomen van haar aangifte IB en jaarcijfers, deze aan de man te overhandigen teneinde de eigen inkomsten van de vrouw te bepalen. De netto omzet c.q. inkomsten van de vrouw per maand worden verrekend met de partneralimentatie/verdeling kosten/lasten voor de woning en de kinderen. De artikelen 2.5 en 2.6 spreken over zowel netto inkomsten als netto omzet van de vrouw.

5.7.

De man heeft gesteld dat partijen de insteek hebben gekozen om uit te gaan van verrekening van de netto-omzet van de vrouw. De vrouw betwist dit en stelt dat uitgegaan dient te worden van netto-inkomsten. De rechtbank oordeelt hierover als volgt. De artikelen 2.5 en 2.6 kunnen niet anders uitgelegd worden dan dat van de netto-inkomsten van de vrouw dient te worden uitgegaan. In artikel 2.5 staat ook met zoveel woorden dat de netto-inkomsten van de vrouw dienen te worden verrekend. Door uit te gaan van netto-omzet, zou geen rekening worden gehouden met de kosten die de vrouw maakt in haar onderneming, wat de rechtbank niet redelijk voorkomt. Partijen hebben in het convenant voorts afgesproken dat deze verrekening plaatsvindt, zodat er voor de man geen netto - voor partijen duidelijk aantoonbaar – lager besteedbaar bedrag resteert dan voor de vrouw. Het komt de rechtbank dan niet redelijk voor dat bij de vrouw dan rekening zou worden gehouden met haar bruto inkomsten (omzet).

5.8.

De vrouw heeft als productie 10 haar jaarcijfers 2015 en 2016 overgelegd en daaruit blijkt een (bruto) winst uit onderneming van € 2.921,- respectievelijk € 10.957,-. De man heeft onvoldoende weersproken dat de netto maandinkomsten van de vrouw in het jaar 2015 € 147,- en in 2016 € 615,- bedroegen in die jaren, zoals in productie 11 van de vrouw berekend door Van der Wal en Bergsma Accountants. De man heeft zijn stelling dat de vrouw in 2016 een netto besteedbaar inkomen had van € 913,-, onvoldoende onderbouwd. Gelet op genoemde productie 11 van de vrouw, waarin staat dat als rekening wordt gehouden met de partneralimentatie die de vrouw had moeten ontvangen (zie ook hierna), de netto-inkomsten van de vrouw € 615,- per maand bedragen, had het op de weg gelegen van de man om zijn stelling nader te onderbouwen, hetgeen hij heeft nagelaten. De rechtbank gaat dan ook uit van netto inkomsten van de vrouw van € 615,-. Dat de man voorts heeft aangevoerd dat de vrouw meer had kunnen werken, acht de rechtbank onvoldoende onderbouwd.

5.9.

Naar het oordeel van de rechtbank hoeft, gelet op de netto-inkomsten van de vrouw over 2015, over 2015 geen correctie op grond van artikel 2.6 van het convenant (de vangnetbepaling) te worden toegepast.

5.10.

Over het jaar 2016 dient op grond van deze artikelen een korting op de partneralimentatie te worden toegepast van 75% van € 615,- is € 461,-. De vrouw dient over de periode 1 januari 2016 tot en met 31 december 2016 op grond van de terugbetalingsverplichting wegens de vangnetbepalingen in het convenant (artikel 2.5 en 2.6) 12 x € 461,- is € 5.532,- aan de man terug te betalen. De vrouw zal hiertoe worden veroordeeld.

5.11.

Niet is gebleken van een substantiële wijziging van de netto-inkomsten van de vrouw, die zij terstond had moeten melden aan de man. De vrouw hoefde haar financiële gegevens over het afgelopen jaar boekjaar niet eerder te verschaffen aan de man dan na gereedkomen van de jaarstukken. Niet gebleken is dat de vrouw dit te laat heeft gedaan.

De wijziging van omstandigheden

5.12.

Partijen hebben in artikel 3.2. van het convenant specifiek voorzien in de situatie dat de hypotheekrenteaftrek voor de man na twee jaar (24 maanden) zou wijzigen. Partijen zouden in dat geval de partneralimentatie aanpassen. De man en de vrouw zijn hier in onderling overleg echter niet uitgekomen. De rechtbank acht het redelijk, gelet op de inhoud van het convenant, dat rekening wordt gehouden met dit nadeel dat de man thans leidt.

5.13.

Partijen verschillen van mening over artikel 3.2 van het convenant. De rechtbank is van oordeel dat partijen reeds hebben voorzien in de specifieke omstandigheid de hypotheekrenteaftrek wijzigt in het voorjaar van 2016. Deze bepaling dient in redelijk zo te worden uitgelegd dat met niet meer of met ander nadeel dan deze wijziging voor de man rekening zal worden gehouden. De rechtbank is onvoldoende gebleken dat deze wijziging van omstandigheden zou moeten leiden tot een verdere wijziging van het convenant. De rechtbank gaat ervan uit dat partijen de bedoeling hebben gehad uitsluitend de gevolgen van de wijziging van de hypotheekrenteaftrek te regelen. Als partijen van oordeel zouden zijn geweest dat de hele financiële situatie bij deze wijziging opnieuw moet worden berekend, had deze bepaling niet hoeven te worden opgenomen. De rechtbank zal daarom geen totale nieuwe afweging van de financiële situatie van partijen maken. De rechtbank zal het nadeel, zoals hierna zal worden bepaald, in mindering brengen op de overeengekomen partneralimentatie. De rechtbank is van oordeel dat op deze wijze voldoende recht wordt gedaan aan de afspraken van partijen in het convenant.

5.14.

De rechtbank zal het nadeel dat de man leidt omdat de hypotheekrente voor hem niet langer aftrekbaar is, in redelijkheid, als volgt vaststellen. De totale hypotheekrentekosten voor de voormalige echtelijke woning bedragen volgens productie 9 van de man € 1.264,68. De vrouw heeft dit niet, althans onvoldoende, weersproken. De man betaalt conform het convenant de gehele hypotheekrente. Vanaf het voorjaar 2016 kan de man dit bedrag niet meer als aftrekpost (in de hoogste belastingschijf) opvoeren in zijn belastingaangifte. De man mist hierdoor een belastingvoordeel van ongeveer 50% van dit bedrag. Dit bedrag kan jaarlijks enigszins verschillen door wijzigingen van belastingtarieven. De rechtbank zal echter, in redelijkheid, een vast bedrag bepalen waarmee de overeengekomen partneralimentatie wordt vermindert, te weten € 632,-. Het nieuw vast te stellen bedrag aan partneralimentatie bedraagt derhalve € 2.307,- minus € 632,- is € 1.675,-.

De ingangsdatum

5.15.

De rechtbank hanteert als ingangsdatum van het nieuwe bedrag aan partneralimentatie 3 juni 2017, de datum van indienen van het verzoekschrift. Naar het oordeel van de rechtbank hoefde de vrouw in de periode voor deze datum geen rekening te houden met een gewijzigd/verminderd bedrag aan partneralimentatie. De rechtbank acht het daarom niet redelijk om het nieuwe bedrag met terugwerkende kracht op te leggen. Ook al was in het convenant voorzien in een wijziging van de hypotheekrenteaftrek, partijen hebben daarover geen overeenstemming bereikt. Het had op de weg van de man gelegen om dan eerder een wijzigingsverzoek bij de rechtbank in te dienen.

5.16.

Omdat het convenant voor het overige in stand blijft, is de man gehouden om tot 13 juni 2017 de afspraken uit het convenant onverkort na te komen.

De proceskosten

5.17.

Nu partijen gewezen echtelieden zijn, zal de rechtbank bepalen dat elk van de partijen zijn eigen kosten draagt.

6 De beslissing

De rechtbank:

6.1.

wijzigt de bij beschikking van de rechtbank Noord Nederland, locatie Leeuwarden, van 1 april 2015 vastgestelde en de bij het van deze beschikking deeluitmakende echtscheidingsconvenant van 24 december 2014 overeengekomen bijdrage van de man aan de vrouw in de kosten van haar levensonderhoud en stelt die bijdrage met ingang van 13 juni 2017 op € 1.675,- (zestienhonderd vijf en zeventig euro) per maand, voor de toekomst telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

6.2.

veroordeelt op grond van de terugbetalingsverplichting wegens de vangnetbepalingen in het convenant (artikel 2.5 en 2.6) de vrouw tot betaling aan de man binnen vier weken na heden van een bedrag groot € 5.532,- ;

6.3.

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

6.4.

compenseert de kosten van deze procedure in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

6.5.

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven te Zwolle door mr. A.A.J. Lemain en in het openbaar uitgesproken op 26 januari 2018 in tegenwoordigheid van mr. A.H. Wiersma, griffier.

Tegen deze beschikking kan – uitsluitend door tussenkomst van een advocaat – hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden:

  1. door verzoeker en door degene(n) aan wie een afschrift van de beschikking (vanwege de griffier) is verstrekt of verzonden: binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;

  2. door andere belanghebbenden: binnen drie maanden na betekening daarvan of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden.