Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2018:510

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
19-02-2018
Datum publicatie
19-02-2018
Zaaknummer
08/996085-15 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Een 28-jarige katvanger is veroordeeld tot 80 uur werkstraf voor faillissementsfraude met bedrijven uit Delfzijl. Een 60-jarige medeverdachte uit Duitsland is veroordeeld tot een celstraf van 15 maanden, waarvan 5 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar. Dit alles omdat de man dacht dat hij door zijn ziekte nog twee jaren te leven had en het daarom financieel nog goed wilde hebben. De boekhouder is vrijgesproken. Zie ook ECLI:NL:RBOVE:2018:503 en ECLI:NL:RBOVE:2018:514.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Afdeling Strafrecht

Meervoudige kamer

Zittingsplaats Zwolle

Parketnummer 08/996085-15 (P)

Datum vonnis: 19 februari 2018

Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1989 in [geboorteplaats] ,

wonende aan de [woonplaats] .

1 Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van

5 februari 2018.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. C.H.J. Bollen en van hetgeen door verdachte en diens raadsman mr. F.H. Kappelhof, advocaat te Delfzijl, naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

De verdenking komt er kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte feitelijk leiding heeft gegeven aan het plegen van bedrieglijke bankbreuk door [Industrieservice] BV in de periode van 17 december 2013 tot en met 7 september 2015, doordat de administratie van voornoemd bedrijf niet bewaard is voor de curator en deze administratie ook niet is getoond aan de curator.

Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:

[Industrieservice] BV, welke rechtspersoon bij vonnis van de Rechtbank

Noord Nederland d.d. 17 december 2013 in staat van faillissement is

verklaard, in of omstreeks de periode van 17 december 2013 tot en met 7

september 2015, in de gemeente Delfzijl en/of de gemeente Groningen, tezamen

en in verenging met een ander(en), ter bedrieglijke verkorting van de rechten

van zijn schuldeisers,

niet heeft voldaan aan de op haar rustende verplichtingen ten opzichte van

het voeren van een administratie ingevolge artikel 15i, eerste lid, van Boek

3 van het Burgerlijk Wetboek, en het bewaren en - daartoe uitgenodigd en

aangemaand door de curator - tevoorschijn brengen van boeken, bescheiden en

gegevensdragers als in dat artikel bedoeld,

zulks terwijl hij, verdachte, tot bovenomschreven strafbare feit, opdracht

heeft gegeven, dan wel feitelijk leiding heeft gegeven aan bovenomschreven

verboden gedraging.

3 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 De bewijsoverwegingen

4.1

Inleiding

[Industrieservice] BV (verder te noemen: Industrieservice) is volgens het uittreksel van de Kamer van Koophandel op 22 augustus 2008 opgericht. Medeverdachte [medeverdachte 1] (verder te noemen: [medeverdachte 1] ) was tot 29 januari 2013 enig bestuurder van Industrieservice. Vanaf 29 januari 2013 is verdachte enig aandeelhouder en bestuurder van Industrieservice. Industrieservice is op 17 december 2013 door de rechtbank Noord-Nederland failliet verklaard waarbij mr. R.G.A. Luinstra tot curator is aangesteld.

Curator Luinstra heeft op 8 december 2014 aangifte gedaan van faillissementsfraude, waarbij de curator heeft verklaard dat volgens opgaaf van de bestuurder (verdachte) geen enkele vorm van een administratie aanwezig was. Ook heeft verdachte aan hem aangegeven dat hij geen administratie had gekregen van zijn voorganger [medeverdachte 1] . Ondanks verzoeken daartoe heeft de curator geen inlichtingen gekregen over de administratie.

Bij de doorzoeking van de privéwoning van de boekhouder van onder meer Industrieservice, de heer [medeverdachte 2] , zijn op 26 mei 2015 op de zolder fysieke administratieve stukken zoals het ketendossier van Industrieservice over het jaar 2012, en een USB-stick met administratie, aangetroffen.

4.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gelet op de inhoud van het dossier en de daarin opgenomen getuigenverklaringen en stukken gevorderd dat het ten laste gelegde bewezen wordt verklaard.

4.3

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat verdachte moet worden vrijgesproken van het tenlastegelegde nu hij niet in het bezit was van de gehele administratie van Industrieservice en hij de administratie waarover hij wel beschikte ter beschikking heeft gesteld aan de curator Luinstra.

4.4

Het oordeel van de rechtbank

Artikel 15i, eerste lid van boek 3 Burgerlijk Wetboek (BW) bepaalt: Een ieder die een bedrijf of zelfstandig een beroep uitoefent, is verplicht van zijn vermogenstoestand en van alles betreffende zijn bedrijf of beroep, naar de eisen van dat bedrijf of beroep, op zodanige wijze een administratie te voeren en de daartoe behorende boeken, bescheiden en andere gegevensdragers op zodanige wijze te bewaren, dat te allen tijde zijn rechten en verplichtingen kunnen worden gekend.

Daarnaast is iedere ondernemer wettelijk verplicht de administratie zeven jaar te bewaren. Bij het voeren van een deugdelijke boekhouding, als bedoeld in de hiervoor weergegeven bepalingen uit het BW, gaat het in ieder geval om basisgegevens als:

- het grootboek;

- de debiteuren- en crediteurenadministratie;

- de voorraadadministratie;

- de in- en verkoopadministratie;

- de loonadministratie (bij personeel).

Degenen die aan deze administratieve verplichtingen zijn onderworpen, worden geacht te weten dat de administratie een leidraad is voor financieel verantwoord handelen en dat, als in geval van een faillissement de curator niet kan beschikken over een deugdelijke administratie, dit benadeling van de (faillissements-)schuldeisers met zich meebrengt.

Uit het uittreksel van de Kamer van Koophandel d.d. 3 april 2015 blijkt dat verdachte op

29 januari 2013 de aandelen heeft verworven van Industrieservice en dat verdachte eigenaar en enig bestuurder van Industrieservice is geworden. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij Industrieservice bewust op zijn naam heeft gezet en dat hij dit heeft gedaan om van zijn schulden af te komen. Verdachte wist dat er binnen deze BV illegale praktijken zouden gaan plaatsvinden en dat hij als katvanger zou fungeren. Hij heeft dit besproken met [medeverdachte 1] . In Industrieservice zouden goederen worden besteld die niet betaald gingen worden maar die wel aan anderen zouden worden doorverkocht. Verder heeft verdachte verklaard dat hij op de hoogte was van het feit dat Industrieservice failliet zou worden verklaard.

Nadat Industrieservice in staat van faillissement is verklaard, is verdachte gevraagd om de administratie van Industrieservice aan de curator te verstrekken. Verdachte heeft tegen de curator verklaard dat er geen enkele vorm van een administratie aanwezig was. Evenwel is in de bij de boekhouder aangetroffen administratie een document aangetroffen, gedateerd januari 2013 en ondertekend door verdachte, waarin staat dat verdachte de gehele boekhouding en administratie van onder meer Industrieservice heeft ontvangen. Verdachte heeft erkend dat hij deze verklaring heeft ondertekend, terwijl hij in werkelijkheid helemaal geen administratie van Industrieservice had ontvangen. Uiteindelijk heeft de curator geen administratie van Industrieservice gekregen van verdachte, noch van medeverdachte [medeverdachte 1] .

Doordat er geen administratie aan de curator is verstrekt, heeft de curator niet kunnen controleren of er (meer) baten in dit faillissement waren, en meer in zijn algemeenheid heeft hij de rechten en verplichtingen van Industrieservice niet kunnen vaststellen, waardoor de rechten van de schuldeisers zijn verkort.

Gelet op het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat Industrieservice onder leiding van verdachte en tezamen en in vereniging met medeverdachte [medeverdachte 1] , ter bedrieglijke verkorting van de rechten van schuldeisers van Industrieservice niet heeft voldaan aan de op haar rustende verplichting ten opzichte van het voeren van een administratie ingevolge artikel 15i, eerste lid, van boek 3 van het BW.

4.5

De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in de bijlage genoemde bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat:

[Industrieservice] BV, welke rechtspersoon bij vonnis van de Rechtbank Noord-Nederland d.d. 17 december 2013 in staat van faillissement is verklaard, in de periode van

17 december 2013 tot en met 7 september 2015, in de gemeente Delfzijl en/of de gemeente Groningen, tezamen en in vereniging met een ander, ter bedrieglijke verkorting van de rechten van haar schuldeisers, niet heeft voldaan aan de op haar rustende verplichtingen ten opzichte van het voeren van een administratie ingevolge artikel 15i, eerste lid, van Boek

3 van het Burgerlijk Wetboek, en het bewaren en - daartoe uitgenodigd en aangemaand door de curator - tevoorschijn brengen van boeken, bescheiden en gegevensdragers als in dat artikel bedoeld, zulks terwijl hij, verdachte, feitelijk leiding heeft gegeven aan bovenomschreven verboden gedraging.

De rechtbank heeft de eventueel in de tenlastelegging voorkomende schrijffouten verbeterd in de bewezenverklaring. Verdachte wordt hierdoor niet in zijn verdediging geschaad.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

5 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld in artikel 341 van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op het misdrijf:

medeplegen van bedrieglijke bankbreuk, begaan door een rechtspersoon, terwijl hij, verdachte, feitelijk leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging.

6 De strafbaarheid van verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor het bewezenverklaarde feit.

7 De op te leggen straf of maatregel

7.1

De vordering van de officier van justitie

De officier heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een taakstraf van 80 uren, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, alsmede dat verdachte voor de duur van drie (3) jaren het recht wordt ontzegd om op te treden als bestuurder van een vennootschap.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit dat in geval van een bewezenverklaring een taakstraf passend is. Hij heeft zich voor wat betreft de duur van die taakstraf gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Voorts heeft de raadsman gesteld dat ontzegging van de bevoegdheid om op te treden als bestuurder van een vennootschap niet passend is.

7.3

De gronden voor een straf of maatregel

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij het volgende van belang.

Verdachte heeft zich samen met [medeverdachte 1] schuldig gemaakt aan bedrieglijke bankbreuk. Uit het dossier komt naar voren dat verdachte om van zijn schuldenlast af te komen zich door [medeverdachte 1] heeft laten verleiden om bestuurder te worden van Industrieservice, terwijl hij wist dat er illegale praktijken zouden gaan plaatsvinden en Industrieservice uiteindelijk failliet zou worden verklaard. Ondanks het feit dat verdachte niet degene is geweest die het plan heeft bedacht, heeft hij een wezenlijke bijdrage geleverd aan deze faillissementsfraude. Dat neemt de rechtbank hem kwalijk.

Bij de strafbepaling neemt de rechtbank mee dat verdachte, zo blijkt uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting, het laakbare van zijn handelen heeft ingezien en zijn leven weer op de rails heeft gekregen.

Voorts overweegt de rechtbank dat als uitgangspunt heeft te gelden dat de behandeling ter terechtzitting dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaren nadat de redelijke termijn is aangevangen, zijnde 26 mei 2015, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. De rechtbank stelt vast dat de redelijke termijn met een jaar en acht maanden is overschreden. De rechtbank houdt met deze overschrijding van de redelijke termijn ook rekening bij het bepalen van de strafmaat.

Alles afwegende acht de rechtbank een taakstraf van 80 uren, zoals die is geëist door de officier van justitie, passend en geboden. De rechtbank ziet geen reden om de door de officier van justitie geëiste bijkomende straf aan verdachte op te leggen nu hij niet eerder voor soortgelijke feiten is veroordeeld.

8 De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op het hiervoor genoemde wetsartikel. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 22c, 22d, 47 en 51 Sr.

9 De beslissing

De rechtbank:

bewezenverklaring

- verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;

- verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;

strafbaarheid feit

- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;

- verklaart dat het bewezenverklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

medeplegen van bedrieglijke bankbreuk, begaan door een rechtspersoon, terwijl hij, verdachte, feitelijk leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging;

strafbaarheid verdachte

- verklaart verdachte strafbaar voor het bewezenverklaarde;

straf

- veroordeelt verdachte tot een taakstraf, bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid voor de duur van 80 (tachtig) uren;

- beveelt, voor het geval dat verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 40 (veertig) dagen;

- beveelt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de taakstraf in mindering wordt gebracht, waarbij als maatstaf geldt dat voor de eerste 60 in verzekering of voorlopige hechtenis doorgebrachte dagen, twee uren en voor de resterende dagen één uur per dag aftrek plaatsvindt.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.M.F. Schreurs, voorzitter, mr. H. Stam en mr. M. Aksu, rechters, in tegenwoordigheid van H.J. Veldhuis, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 19 februari 2018.

Bijlage bewijsmiddelen

Leeswijzer

Deze bijlage maakt deel uit van het vonnis en bevat de bewijsmiddelen.

Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s zijn dit bladzijden uit het dossier van de FIOD/Belastingdienst met nummer 55483. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.

1.

De verklaring die de verdachte ter terechtzitting van 5 februari 2018 heeft afgelegd, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Ik heb bewust Industrieservice op mijn naam gezet. Ik heb dit gedaan om van mijn schulden af te komen. Ik wist dat er illegale praktijken zouden gaan plaatsvinden en dat ik als katvanger zou fungeren. Ik heb dit besproken met [medeverdachte 1] . In Industrieservice zouden goederen worden besteld die niet betaald gingen worden maar die wel aan anderen zouden worden doorverkocht.

Ik was ook op de hoogte was van het feit dat Industrieservice failliet zou worden verklaard. [medeverdachte 1] zei dat dit zou gebeuren immers zouden we niet gaan betalen voor de goederen die we bestelden.

Ik heb ook een verklaring ondertekend waarop stond dat de administratie van Industrieservice aan mij was overgedragen en dat ik deze administratie had ontvangen. Dit terwijl ik in werkelijkheid helemaal geen administratie van Industrieservice heb ontvangen;

2.

Een geschrift zijnde de aangifte van de curator mr. R.G.A. Luinstra van 8 december 2014

(AG-002 blz. 308 t/m 310) waarin deze onder meer verklaart:

Met toestemming van de rechter-commissaris doe ik in mijn functie als curator aangifte van het feit dat (feitelijk) bestuurder zich vermoedelijk schuldig heeft gemaakt aan

het plegen van bedrieglijke bankbreuk nu de bestuurder niet heeft voldaan aan de op hem rustende verplichting om de volledige administratie te voorschijn te brengen. waardoor

mogelijk de boedel en daarmee mogelijk schuldeisers benadeeld zijn in het faillissement van

[Industrieservice] B.V.

Ondanks herhaalde verzoeken mijnerzijds heeft de bestuurder van [Industrieservice] BV

tot op heden niet voldaan aan verzoeken mijnerzijds om inlichtingen te verstrekken inzake de

(verdwenen) administratie.

Volgens opgaaf van de bestuurder is er geen enkele vorm van een administratie aanwezig. De eerste voorlopige conclusie die daaruit getrokken kan worden is dat er niet is voldaan aan de boekhoudplicht. Ook heeft de bestuurder geen administratie gekregen van dhr. [medeverdachte 1] ;

3.

Een geschrift zijnde een verklaring van januari 2013 (DOC-034 blz. 642) die door verdachte is ondertekend, inhoudende:

Heden de januari 2013, verklaart ondergetekende, [verdachte] ,

Dat hij van [Uitzendburo] B.V. en [Industrieservice] B.V. de gehele administratie en boekhoudkundige gegevens heeft ontvangen:

1. Complete kas en bank administratie tot en met heden

2. Complete mappen van de inkoop- en verkoopfacturen tot en met heden.

3. De complete loonadministratie tot en met 31 december 2012 op een usb stick

4. De accountantsdossiers van de externe adviseur bijgewerkt tot en met heden

5. Verder nog overige correspondentie mappen en andere dossiers en mappen met diverse

gegevens van de beide vennootschappen.

6. Map met fiscale documentatie en briefwisselingen tot en met 2012.

7. Map met kopie brieven tot en met heden

4.

Een geschrift zijnde het uittreksel van de Kamer van Koophandel d.d. 3 april 2015 (DOC-002 blz. 576) waaruit blijkt dat verdachte met ingang van 29 januari 2013 algemeen directeur en enig bestuurder is geworden van [Industrieservice] BV.

5.

Een geschrift zijnde het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland van 17 december 2013 (AG-002-4 blz. 311), in welk vonnis Industrieservice in staat van faillissement is verklaard en mr. R.G.A. Luinstra tot curator is aangesteld.