Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2018:5085

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
27-09-2018
Datum publicatie
22-03-2019
Zaaknummer
08/952827-15 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank veroordeelt een 32-jarige man tot een gevangenisstraf van 4 jaar, waarvan 1 jaar voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar. De man heeft zich gedurende een periode van ruim negen maanden schuldig gemaakt aan het als leider deelnemen aan een criminele organisatie. Deze organisatie hield zich bezig met het bedrijfsmatig telen, bereiden, bewerken, etc. van grote hoeveelheden hennep. Daarnaast heeft hij zich schuldig gemaakt aan verboden wapenbezit.

De 37-jarige en 31-jarige medeverdachten (medeverdachte 1 en 3) zijn veroordeeld tot een gevangenisstraf van 3 jaar, waarvan 1 jaar voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar.

De 23-jarige medeverdachte (medeverdachte 2) is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 24 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar.

Zie ECLI:NL:RBOVE:2019:973 voor de uitspraak in de ontneming.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Strafrecht

Meervoudige kamer

Zittingsplaats Zwolle

Parketnummer: 08/952827-15 (P)

Datum vonnis: 27 september 2018

Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1987 in [geboorteplaats] ,

wonende aan [adres 1] .

1 Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 13 september 2018.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie

mr. G.C. Pol en van hetgeen door verdachte en zijn raadsman mr. A.C. Huisman, advocaat in Deventer, naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

De verdenking komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

feit 1: heeft deelgenomen aan een criminele drugsorganisatie;

feit 2: met anderen een hennepkwekerij in IJsselmuiden heeft gehad;

feit 3: met anderen een hennepkwekerij in Deventer heeft gehad;

feit 4: een wapen en munitie in zijn bezit heeft gehad;

feit 5: een imitatiewapen en een boksbeugel in zijn bezit heeft gehad.

Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:

1.

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 21 november

2016 tot en met 11 september 2017 te Deventer, althans in

Nederland,

(telkens) als leider heeft deelgenomen aan een

organisatie, te weten een samenwerkingsverband van verdachte en/of (onder

meer) [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3] en een of meer andere

perso(o)n(en),

welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk het

plegen van misdrijven als bedoeld in artikel 11, derde en/of vijfde lid en/of

11a van de Opiumwet, namelijk het (voorbereiden van) (in de uitoefening van

een bedrijf of beroep) opzettelijk telen en/of bereiden en/of bewerken en/of

verwerken en/of verkopen en/of afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren

en/of aanwezig hebben en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen van

(grote) hoeveelheden hennep,

zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II,

dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

2.

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 20 maart 2017

tot en met 13 juni 2017 te IJsselmuiden,

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (telkens)

opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of

opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand [adres 2] )

een hoeveelheid hennepplanten, althans een groot aantal hennepplanten en/of

delen daarvan, in elk

geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep,

zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II,

dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet, zulks terwijl

verdachte van het plegen van dit misdrijf als zijn beroep of als een bedrijf

heeft uitgeoefend;

3.

hij op of omstreeks 13 juni 2017 te Deventer

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of

aanwezig heeft gehad (in een pand [adres 3] )

een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer zeven kilo henneptoppen, in ieder

geval een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk

geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep,

zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II,

dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet, zulks terwijl

verdachte van het plegen van dit misdrijf als zijn beroep of als een bedrijf

heeft uitgeoefend;

4.

hij op of omstreeks 11 september 2017 te Deventer

- munitie van categorie III, te weten 16 stuks munitie van merk/type Fiocchi,

Luger, kaliber 9mm Luger en/of

- een of meer wapens van categorie II, te weten een schietpen van kaliber

.32/7,65mm,

voorhanden heeft gehad;

5.

hij op of omstreeks 11 september 2017 te Deventer

- (een) wapen(s) van categorie I onder 7°, te weten een imitatie vuurwapen van

het type Beretta, zijnde (een) voorwerp(en) dat/die voor wat betreft zijn/hun

vorm en afmetingen een sprekende gelijkenis vertoonde(n) met (een)

vuurwapen(s) en/of met (een) voor ontploffing bestemde voorwerp(en) en/of

- een wapen(s) (boksbeugel), van categorie I, onder 1° of 3°, voorhanden heeft

gehad,

voorhanden heeft gehad.

3. De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 De bewijsoverwegingen

Om naamsverwarring te voorkomen tussen verdachte en medeverdachte [medeverdachte 1] , zal medeverdachte [medeverdachte 1] hierna bij de roepnaam ‘ [medeverdachte 1] ’ worden aangeduid. Voor de volledigheid merkt de rechtbank op dat verdachte in het dossier wordt aangeduid als ‘ [verdachte] ’.

4.1

Inleiding

In oktober 2013 is een chapter van de Outlaw Motorcycle Gang Trailer Trash Travellers in de omgeving van Zwolle actief. De politie beschikt over informatie dat de leden van deze motorclub betrokken zijn bij drugs- en wapenhandel. Eén van die leden is verdachte. In dat verband wordt op 18 augustus 2015 het strafrechtelijk onderzoek ‘Monroe’ gestart. Op basis van BVH-mutaties en CIE processen-verbaal rijst bij de politie het vermoeden dat verdachte zich met anderen bezighoudt met (grootschalige) handel in soft- en harddrugs. Deze handel ziet zowel op de in- als verkoop van hennep en export naar het buitenland, waaronder Duitsland. Ook zouden in opdracht van verdachte hennepkwekerijen worden opgezet en onderhouden door anderen. Gaandeweg het onderzoek vindt de politie aanwijzingen dat verdachte onder meer samenwerkt met [medeverdachte 3] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] .

4.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de onder 1, 2, 3, 4 en 5 ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen kunnen worden verklaard.

4.3

Het standpunt van de verdediging

De raadsman refereert zich ten aanzien van feit 1 aan het oordeel van de rechtbank gerefereerd. De raadsman bepleit dat zijn cliënt moet worden vrijgesproken van de feiten 2 en 3, nu geen wettig en overtuigend bewijs aanwezig is. Ten aanzien van de feiten 4 en 5 verwijst de raadsman primair naar pagina 2568 van het procesdossier, waar staat dat een doorzoeking heeft plaatsgevonden in de woning van [medeverdachte 1] , gelegen aan de [adres 1] . De raadsman bepleit dat niet kan worden vastgesteld of de voorletter of het huisnummer een vergissing is, zodat niet kan worden gezegd dat zijn cliënt de wapens en munitie voorhanden heeft gehad. Subsidiair merkt de raadsman over feit 5 op dat het (porseleinen) wapen is aan te merken als een siervoorwerp.

4.4

Het oordeel van de rechtbank 1

Ten aanzien van feit 1:

De rechtbank stelt voorop dat onder een organisatie als bedoeld in artikel 11a van de Opiumwet wordt verstaan een samenwerkingsverband met een zekere duurzaamheid en structuur, tussen de verdachte en ten minste één andere persoon. De rechtbank is van oordeel dat in de periode van 21 november 2016 tot en met 11 september 2017 sprake is geweest van een dergelijk samenwerkingsverband tussen verdachte en de medeverdachten, zoals ten laste gelegd. De rechtbank acht voorts bewezen dat deze organisatie zich in die periode heeft bezig gehouden met het bedrijfsmatig telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren, aanwezig hebben en buiten het grondgebied van Nederland brengen van (grote) hoeveelheden hennep. Dat oordeel is gebaseerd op de inhoud van de volgende bewijsmiddelen.

Criminele activiteiten

In de periode van 21 november 2016 tot en met 2 juli 2017 is in de auto van verdachte vertrouwelijke communicatie opgenomen.2 In de gesprekken die verdachte voert, worden regelmatig de termen ‘knippen’, ‘natte’, ‘drogen’, ‘P’ en ‘Haze’ gebruikt.3 Deze laatste twee termen staan bekend als wietsoorten. Daarnaast wordt in voornoemde context gesproken over aantallen en gewichten en veelal grote geldbedragen.4 Ook komt het bestaan van een Nederlands en Duits klantenbestand aan het licht.5 De vermoedens van de politie dat de organisatie zich bezighoudt met het handelen in hennep worden bevestigd als zij op 13 juni 2017 een hennepkwekerij in IJsselmuiden en een hennepdrogerij in Deventer ontmantelen.6 Op 11 september 2017 worden verdachte, [medeverdachte 3] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] aangehouden. De criminele organisatie heeft dan ten minste de periode zoals ten laste is gelegd bestaan.7

Samenwerkingsverband

Gaandeweg het onderzoek blijkt de betrokkenheid van [medeverdachte 3] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] . In de OVC-gesprekken wordt regelmatig gebruik gemaakt van bijnamen. De politie heeft aan de hand van de inhoud van de gesprekken en stemherkenning kunnen vaststellen dat met ‘ [alias verdachte] ’ verdachte wordt bedoeld, dat met ‘ [alias medeverdachte 1] ’ [medeverdachte 1] wordt bedoeld en dat met ‘ [alias medeverdachte 2] ’ [medeverdachte 2] wordt bedoeld.8 Zij hebben allen de volgende rol dan wel taak vervuld binnen de organisatie.

Op grond van de volgende feiten en omstandigheden dient verdachte als leider van de organisatie te worden aangemerkt. Allereerst is verdachte belast geweest met het regelen van en bezoeken van klanten voor de hennephandel.9 Ten tweede geeft verdachte aan dat hij één team heeft met één taak en dat hij ze allemaal goed betaalt.10 Ten derde volgt het leiderschap van verdachte uit de opdrachten die hij andere leden van de organisatie geeft, bijvoorbeeld aan [medeverdachte 2] om de hennep te vervoeren.11 Ten slotte blijkt de machtspositie van verdachte uit het feit dat hij op enig moment zegt [medeverdachte 2] niet nodig te hebben, omdat er genoeg anderen zijn die zijn baantje willen overnemen.12

Daarnaast blijkt op grond van de volgende feiten en omstandigheden dat [medeverdachte 3] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] een uitvoerende rol hebben vervuld. Ten aanzien van [medeverdachte 3] kan worden vastgesteld dat hij onder meer betrokken is geweest bij het zoeken van geschikte panden om ‘spul’ in te zetten.13 Daarnaast informeert [medeverdachte 3] verdachte over de huidige stand van zaken. Hij deelt hem bijvoorbeeld mee hoeveel geld er in de pot zit en vertelt hem dat de jongens al kunnen beginnen met het knippen.14

De rol van [medeverdachte 1] is gelegen in het verzorgen en wegen van de hennep.15 Hij informeert verdachte als er een ‘hok’ moet worden geknipt en regelt de knippers daarvoor.16 Daarnaast heeft [medeverdachte 1] in de periode van 20 april tot en met 30 april 2017, toen verdachte en [medeverdachte 3] op vakantie gingen, ‘alles geregeld’.17

Tot slot is [medeverdachte 2] belast geweest met het vervoeren en afleveren van de hennep. Op 4 mei 2017 bespreekt verdachte met een klant dat [medeverdachte 2] de volgende dag een kilo hennep meeneemt, dat hij de klant ophaalt in Hardinxveld-Giessendam en dat zij dan samen naar Amsterdam rijden.18 Vaststaat dat de telefoon van [medeverdachte 2] op 5 mei 2017 om 10:00 uur een zendmast in Hardinxveld-Giessendam en om 10:58 uur een zendmast in Amsterdam heeft aangestraald.19 Ten slotte wordt op 12 juni 2017 om 14:30 uur tussen verdachte en [medeverdachte 3] besproken dat [medeverdachte 2] naar [straat 1] in Wassenaar moet rijden.20 Gebleken is dat de auto van [medeverdachte 2] zich op die dag rond 16:30 uur bevond aan [straat 1] in Wassenaar, rond 18:30 uur aan [straat 2] in Zwolle (waar [medeverdachte 3] woont) en rond 19:40 uur aan [adres 3] in Deventer (zie feit 3).21

Ten aanzien van de feiten 2 en 3:

[adres 2] , IJsselmuiden

Naar aanleiding van meldingen door buurtbewoners van een verdachte situatie bij een loods aan [adres 2] in IJsselmuiden, wordt in de periode van 12 maart 2017 tot 20 maart 2017 een netmeting verricht door Enexis.22 De conclusie daarvan luidt dat het gemeten patroon duidt op een mogelijke aanwezigheid van een hennepkwekerij in de betreffende loods. Het daadwerkelijke bestaan van de hennepkwekerij komt op 13 juni 2017 aan het licht. Op die dag betreedt het hennepteam omstreeks 09:55 uur de genoemde loods en treft vervolgens een hennepkwekerij aan waarvan de planten kennelijk zijn geoogst. Het team stuit op diverse kweekruimtes, waaronder caravans. Zij vinden een groot aantal gebruikte plantenpotten, bamboestokken en overige kweekbenodigdheden.23

[adres 3] , Deventer

Omdat de politie ook geluiden heeft gehoord over de mogelijke aanwezigheid van een hennepkwekerij bij de loods aan [adres 3] in Deventer, vindt daar op 13 juni 2017 omstreeks 10:00 uur een inval plaats.24 De verbalisanten treffen op genoemd adres een hennepdrogerij aan. In het pand staat een caravan waarvan de complete inboedel is verwijderd en de wanden en vloer van plastic zijn voorzien. In de caravan staat een inwerking zijnde koolstoffilter en afzuiger. Ook vinden de verbalisanten aldaar zeven zakken gedroogde henneptoppen, met een totaalgewicht van 7.220 gram.25 Er zijn geen aanwijzingen dat in het pand is geteeld en/of gekweekt.

Link naar verdachten

Zowel in IJsselmuiden als in Deventer heeft de politie camera’s geplaatst die zijn gericht op voornoemde loodsen. Gelet op de bevindingen die naar aanleiding van die cameraobservaties zijn gedaan, acht de rechtbank het wettig en overtuigend bewezen dat de locaties in relatie tot elkaar staan. Zo zijn bepaalde voertuigen zowel bij [adres 2] in IJsselmuiden als bij [adres 3] in Deventer geweest. Het betreft de Volkswagen Passat, voorzien van het kenteken [kenteken 1] , de Audi A4 Avant, voorzien van het kenteken [kenteken 2] en de Volkswagen Caddy, voorzien van het kenteken [kenteken 3] .26 Deze voertuigen zijn bovendien direct dan wel indirect te linken aan verdachte dan wel zijn medeverdachten. Zo staan de Volkswagen Passat en de Audi A4 Avant op naam van (de grootvader van) [medeverdachte 2] en staat de Volkswagen Caddy op naam van de moeder van verdachte en [medeverdachte 1] .27 Daarnaast wordt de Volkswagen Golf, voorzien van het kenteken [kenteken 4] , gezien bij de loods in Deventer.28 Voornoemd voertuig staat op naam van de partner van [medeverdachte 1] .29 Bovendien heeft de politie [medeverdachte 3] herkend op de beelden van de loods in IJsselmuiden en [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] herkend op de beelden van de loods in Deventer.30

Daar komt bij dat er DNA-materiaal is aangetroffen in de binnenzijde en buitenzijde van twee handschoenen die in de loods in Deventer zijn aangetroffen. Blijkens de resultaten van het onderzoek zijn is het extreem veel waarschijnlijker dat de bemonstering van het spoor DNA bevat van [medeverdachte 2] en een onbekende, niet verwante persoon dan dat het spoor afkomstig zou zijn van twee onbekende, niet verwante personen.31

Daarnaast is bij beide locaties gebruikgemaakt van een caravan als kweek-/droogruimte. In een OVC-gesprek wordt door verdachte gesproken over het gebruik van een caravan. Verdachte zegt dat hij een oude kampeerwagen koopt die hij leeg sloopt en waar hij vervolgens een afzuiger en filter in zet.32 Deze werkwijze – zoals omschreven door verdachte – sluit naadloos aan bij de caravan zoals die in de loods in Deventer is aangetroffen.33

Ten slotte is op 13 juni 2017 (actiedag onderzoek Berlingo) in de auto van [medeverdachte 2] , zijnde een Audi A4 Avant, voorzien van het kenteken [kenteken 2] , vertrouwelijke communicatie opgenomen. Op 13 juni 2017 om 10:14 uur, net na het moment waarop de inval aan [adres 2] in IJsselmuiden heeft aangevangen, rijden [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] langs [straat 3] in IJsselmuiden.34Ze zien de politie staan en rijden hard weg.35[medeverdachte 2] zegt dat [medeverdachte 1] wakker moet worden omdat alles daar weg moet en zegt dat hij hem zal bellen.36 [medeverdachte 2] zegt dat [medeverdachte 1] alles moet weghalen en dat hij voor de zekerheid alles moet schoonmaken. Er is ook contact gelegd met verdachte.37 Vervolgens wordt gesproken over een caravan. [medeverdachte 2] zegt dan tegen [medeverdachte 3] : ‘laat ze het maar bewijzen, die caravan hebben we een keer gekocht’. Even later vraagt [medeverdachte 3] of de P handel ook al weg is, waarop [medeverdachte 2] antwoordt dat hij denkt dat [medeverdachte 1] het eruit heeft gehaald. Ook spreekt [medeverdachte 2] over een Caddy waarmee hij overal is geweest.38 Verder wordt zowel door [medeverdachte 2] als [medeverdachte 3] gevreesd dat zij in de gaten worden gehouden door de politie. [medeverdachte 2] schakelt iemand in om spullen bij hem thuis op te ruimen dan wel te verplaatsen en [medeverdachte 3] zegt dat hij een paar dagen in een hotel gaat slapen.39 Op enig moment krijgen ze ook het advies om de auto na te laten kijken. Ze laten dan het voertuig achter op een parkeerplaats.40

Daarnaast wordt verdachte in de gaten gehouden door een observatieteam. Zij zien dat hij om 10:20 uur vanuit Amsterdam vertrekt naar Deventer.41 De verbalisanten schrijven dat zijn rijgedrag duidt op afschudgedrag.42 Om 12:19 uur stopt verdachte bij de woning van [naam] . Verdachte geeft iemand opdracht om die Golf in de wasstraat schoon te maken en op te ruimen.43 [medeverdachte 1] is in het bezit van een Volkswagen Golf, voorzien van het kenteken [kenteken 4] . Even later ziet het observatieteam dat deze Golf door de wasstraat wordt gehaald.44 Verdachte ruilt van auto met [naam] , omdat zij vermoeden dat er door politie bakens zijn geplaatst.45 Om 13:49 uur betreden verdachte en [naam] , [straat 4] in Deventer en hebben daar contact met twee mannen. Even later zegt [naam] tegen verdachte: ‘ze moeten voor donderdag betalen, je weet nooit wanneer ze komen’.46

Gelet op het hiervoor overwogene en in het licht van de bewezenverklaarde criminele organisatie, acht de rechtbank bewezen dat verdachte en zijn medeverdachten nauw en bewust hebben samengewerkt bij de hennepkwekerij in IJsselmuiden en de hennepdrogerij in Deventer. Immers medeverdachten [medeverdachte 3] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] zijn bij de loodsen gezien, en namen na de inval bij [adres 2] contact op met verdachte. De hennepkwekerij en de hennepdrogerij passen voorts naadloos in de activiteiten van de criminele organisatie waarin verdachte en medeverdachte deelnamen en er zijn geen aanwijzingen dat medeverdachten zich op enig moment los van verdachte met deze activiteiten bezighielden. De rechtbank gaat er dan ook vanuit dat verdachte – vanuit zijn leidinggevende rol – ook aan deze feiten deelnam.

Ten aanzien van de feiten 4 en 5:

De rechtbank overweegt dat het, in het licht van de inhoud van het beslagdossier en het zaaksdossier van verdachte, evident is dat op pagina 2548 van het procesdossier sprake is van een verschrijving van de voorletter. De rechtbank begrijpt aldus dat de betreffende doorzoeking niet in de woning van [medeverdachte 1] maar in die van [verdachte] (verdachte) heeft plaatsgevonden. Tijdens deze doorzoeking in de woning van verdachte, heeft de politie verschillende wapens en munitie aangetroffen en vervolgens in beslag genomen.47 Uit onderzoek naar de in beslag genomen goederen blijkt dat deze goederen zijn te kwalificeren als wapens/munitie als bedoeld in de Wet wapens en munitie en daarin tevens zijn strafbaar gesteld.48 Anders dan de raadsman, is de rechtbank van oordeel dat het porseleinen imitatiewapen een sprekende gelijkenis vertoont met een Beretta, model FS92, zijnde een imitatie vuurwapen zoals is ten laste gelegd.49

Ten aanzien van bovenstaande goederen geldt dat zij aanwezig waren in de woning van verdachte en dat daarmee sprake was van een bepaalde machtsrelatie tot die goederen. Bovendien is de rechtbank van oordeel dat verdachte zich in een meer of minder mate bewust moet zijn geweest van de aanwezigheid van de goederen in zijn woning. De rechtbank gaat daarbij uit van de algemene ervaringsregel dat de bewoner zich bewust is van wat zich in zijn woning bevindt. Dit kan anders zijn indien deze bewustheid gemotiveerd wordt weersproken. De verdachte heeft zich echter structureel beroepen op zijn zwijgrecht. De rechtbank is, gelet hierop, van oordeel dat de verdachte onvoldoende heeft gesteld op grond waarvan die bewustheid afwezig zou moeten worden geacht.

Gelet op het hiervoor overwogene is de rechtbank van oordeel dat verdachte de onder 4 en 5 ten laste gelegde feiten heeft begaan.

4.5

De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de genoemde bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat:

1.

hij in de periode van 21 november 2016 tot en met 11 september 2017 in Nederland, (telkens) als leider heeft deelgenomen aan een organisatie, te weten een samenwerkingsverband van verdachte en [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] ,

welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk het plegen van misdrijven als bedoeld in artikel 11, derde en vijfde lid en 11a van de Opiumwet, namelijk het (voorbereiden van) (in de uitoefening van een bedrijf of beroep) opzettelijk telen en bereiden en bewerken en verwerken en verkopen en afleveren en verstrekken en vervoeren en aanwezig hebben en buiten het grondgebied van Nederland brengen van (grote) hoeveelheden hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II;

2.

hij in de periode van 20 maart 2017 tot en met 13 juni 2017 te IJsselmuiden, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, (telkens) opzettelijk heeft geteeld en bereid en bewerkt en verwerkt en opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand aan [adres 2] ) een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, zulks terwijl verdachte het plegen van dit misdrijf als zijn beroep of als een bedrijf heeft uitgeoefend;

3.

hij op 13 juni 2017 te Deventer, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, opzettelijk heeft bereid en bewerkt en verwerkt en aanwezig heeft gehad (in een pand aan [adres 3] ) een hoeveelheid van in totaal ongeveer zeven kilo henneptoppen, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep,

zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, zulks terwijl

verdachte het plegen van dit misdrijf als zijn beroep of als een bedrijf heeft uitgeoefend;

4.

hij op 11 september 2017 te Deventer

- munitie van categorie III, te weten 16 stuks munitie van merk/type Fiocchi, Luger, kaliber 9mm Luger en

- een wapen van categorie II, te weten een schietpen van kaliber .32/7,65mm,

voorhanden heeft gehad;

5.

hij op 11 september 2017 te Deventer

- een wapen van categorie I onder 7°, te weten een imitatie vuurwapen van het type Beretta, zijnde een voorwerp dat voor wat betreft zijn vorm en afmetingen een sprekende gelijkenis vertoonde met een vuurwapen en

- een wapen (boksbeugel), van categorie I, onder 1° of 3°,

voorhanden heeft gehad.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte onder 1, 2, 3, 4 en 5 meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

5 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld in artikel 47 van het Wetboek van Strafrecht (Sr) jo. artikel 11 van de Opiumwet, artikel 11b van de Opiumwet en artikel 55 van de Wet wapens en munitie. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:

feit 1

het misdrijf:

als leider deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven als bedoeld in artikel 11 derde lid en vijfde lid en 11a van de Opiumwet;

feiten 2 en 3

telkens het misdrijf:

medeplegen van het in de uitoefening van een beroep of bedrijf opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder B en C van de Opiumwet gegeven verbod, terwijl het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid van het middel;

feit 4:

het misdrijf:

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II;

feit 5:

het misdrijf:

handelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.

6 De strafbaarheid van verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor de bewezenverklaarde feiten.

7 De op te leggen straf of maatregel

7.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie jaren, met aftrek van het voorarrest.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman bepleit dat wordt volstaan met een gevangenisstraf voor de duur van het voorarrest, wellicht in combinatie met een forse taakstraf en een voorwaardelijke gevangenisstraf. De raadsman verwijst daartoe naar de impact van het voorarrest en de (nog te behandelen) ontnemingszaak waarin een financiële afrekening zal plaatsvinden.

7.3

De gronden voor een straf of maatregel

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij het volgende van belang.

Verdachte heeft zich gedurende een periode van ruim negen maanden schuldig gemaakt aan het als leider deelnemen aan een criminele organisatie. Deze organisatie hield zich op grootschalig niveau bezig met het bedrijfsmatig telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren, aanwezig hebben en buiten het grondgebied van Nederland brengen van (grote) hoeveelheden hennep. Bovendien acht de rechtbank bewezen dat verdachte nauw en bewust betrokken is geweest bij de ontmantelde hennepkwekerij in IJsselmuiden en de hennepdrogerij in Deventer. Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van wapens en munitie.

De rechtbank overweegt dat verdachte een centrale rol heeft gespeeld binnen de criminele organisatie en door zijn betrokkenheid een onmisbare schakel is geweest bij het in stand houden daarvan. De rechtbank beschouwt de mate van organisatiegraad, waarin in gezamenlijk verband willens en wetens buitengewoon kwalijke feiten zijn gepleegd, als een strafverzwarende omstandigheid. Ook weegt de rechtbank het professionele dan wel bedrijfsmatige karakter van de organisatie mee. Er is bijvoorbeeld in de loodsen in IJsselmuiden en Deventer gebruik gemaakt van caravans als kweek-/droogruimte, omdat deze (bij het vermoeden van een inval door de politie) gemakkelijk konden worden verplaatst. Ook werd er binnen de organisatie constant rekening mee gehouden dat de politie hen in de gaten hield, door onder meer de auto’s regelmatig te controleren op zenders en gebruik te maken van jammers en in hun onderlinge communicatie van zogenaamde pretty good privacy. Ten slotte overweegt de rechtbank dat het bezit van verboden wapens en munitie in strijd is met de normen die de samenleving hanteert ter beheersing van het wapenbezit, in verband met het voorkomen van agressie in de samenleving.

Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met het uittreksel justitiële documentatie van verdachte van 13 augustus 2018. Hieruit blijkt dat verdachte in het verleden meermalen is veroordeeld tot gevangenisstraffen wegens soortgelijke feiten, met name overtreding van de Opiumwet. Daarnaast heeft de rechtbank gelet op het reclasseringsadvies van 28 februari 2018, dat inhoudt dat bij een veroordeling een straf wordt opgelegd zonder bijzondere voorwaarden. De reclassering rapporteert dat zij geen mogelijkheden zien om met interventies of toezicht de risico’s te beperken of het gedrag te veranderen. Zij achten het niet uitgesloten dat verdachte zijn criminele handel en wandel opnieuw zal oppakken als hij vrijkomt. De reclassering verwijst daartoe naar zijn delictsgeschiedenis en het criminele milieu waarbinnen verdachte zich bevindt. Tot slot rekent de rechtbank het verdachte aan dat hij op geen enkele manier inzicht heeft willen geven in zijn beweegredenen en geen verantwoordelijkheid heeft genomen voor zijn gedrag.

De rechtbank is van oordeel dat de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan een forse onvoorwaardelijke gevangenisstraf vereisen. Daarnaast acht de rechtbank het noodzakelijk dat aan verdachte een forse voorwaardelijke gevangenisstraf wordt opgelegd om hem ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw (dergelijke) strafbare feiten te plegen. De door de officier van justitie geëiste straf doet onvoldoende recht aan de ernst van de feiten en de persoon van verdachte, zoals hiervoor overwogen.

Alles afwegende zal de rechtbank aan verdachte een gevangenisstraf opleggen voor de duur van vier jaren, met aftrek van het voorarrest, waarvan één jaar voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaren.

7.4

De inbeslaggenomen voorwerpen

De politie heeft in de woning van verdachte een aantal wapens en munitie aangetroffen en vervolgens in beslag genomen. De rechtbank is van oordeel dat deze op de beslaglijst vermelde goederen vatbaar zijn voor onttrekking aan het verkeer, aangezien met betrekking tot deze voorwerpen de feiten zijn begaan en zij van zodanige aard zijn, dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of met het algemeen belang.

8 De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36b, 36c, 57 en 63 Sr.

9 De beslissing

De rechtbank:

bewezenverklaring

- verklaart bewezen dat verdachte het onder 1, 2, 3, 4 en 5 ten laste gelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;

- verklaart niet bewezen wat aan verdachte onder 1, 2, 3, 4 en 5 meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;

strafbaarheid feit

- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;

- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1: als leider deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven als bedoeld in artikel 11 derde lid en vijfde lid en 11a van de Opiumwet;

feiten 2 en 3 telkens: medeplegen van het in de uitoefening van een beroep of bedrijf opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder B en C van de Opiumwet gegeven verbod, terwijl het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid van het middel;

feit 4: handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II;

feit 5: handelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en munitie;

strafbaarheid verdachte

- verklaart verdachte strafbaar voor het onder 1, 2, 3, 4 en 5 bewezenverklaarde;

straf

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) jaren;

- bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte van 1 (één) jaar niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd van 3 (drie) jaren schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- bepaalt dat de tijd die de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

de inbeslaggenomen voorwerpen

- verklaart onttrokken aan het verkeer de inbeslaggenomen voorwerpen, te weten de na te noemen voorwerpen onder de nummers:
nep pistool aardewerk (IBN code: B.01.04.002);

schietpen (IBN code: B.02.03.002);

boksbeugel (IBN code: B.14.02.001);

munitie, kogels (IBN code: B.02.03.001);

opheffing bevel voorlopige hechtenis

- heft het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis op.

Dit vonnis is gewezen door mr. B.T.C. Jordaans, voorzitter, mr. R.M. van Vuure en mr. T.J. Thurlings-Rassa, rechters, in tegenwoordigheid van mr. E.H. Doldersum, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 27 september 2018.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van de regiopolitie Oost-Nederland met nummer ONRAD15003 MONROE. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.

2 Van 21 november 2016 tot en met 14 januari 2017 in een Volkswagen Golf, voorzien van het kenteken [kenteken 5] en van 12 april 2017 tot en met 2 juli 2017 in een Mercedes Benz, voorzien van het kenteken [kenteken 6] .

3 Zie onder meer OVC-gesprekken: p. 315, p. 321, p. 347 en p. 364.

4 Zie onder meer OVC-gesprekken: p. 305, p. 315, p. 324 en p. 391.

5 Zie onder meer OVC-gesprekken: p. 337, p. 352, p. 374, p. 387-389.

6 P. 1336-1370 en p. 1454-1507.

7 OVC-gesprek, p. 335. ( [medeverdachte 3] zegt op 29 december 2016 tegen verdachte dat ze al twee jaar ‘aan het knallen zijn’ en dat verdachte ‘bakken verdiende’.

8 P. 2718-2719 ‘ [alias verdachte] ’, p. 2854-2855 ‘ [alias medeverdachte 1] ’ en p. 3164-3165 ‘ [alias medeverdachte 2] ’.

9 Zie onder meer OVC-gesprekken: p. 326-340, p. 350 en p. 374.

10 OVC-gesprek, p. 341.

11 Zie onder meer OVC-gesprekken: p. 389 en p. 412.

12 OVC-gesprek, p. 319.

13 OVC gesprek, p. 414.

14 OVC-gesprekken, p. 315 en p. 321.

15 OVC-gesprekken, p. 327, p. 347, p. 364 en p. 405.

16 OVC-gesprekken, p. 363 en p. 398.

17 OVC-gesprek, p. 357.

18 OVC-gesprek, p. 389.

19 Telefoontap, p. 739-740.

20 OVC-gesprek, p. 412.

21 [medeverdachte 2] [kenteken 2] [bedrijf] , p. 685.

22 Netmeting, p. 1437.

23 P. 1456.

24 P. 1336.

25 P. 1337.

26 Ter illustratie: op 10 april 2017 is de Volkswagen Passat bij beide locaties gezien (p. 1792 en p. 2099-2100). Op 16 mei 2017 is de Audi A4 bij beide locaties gezien (p. 1918 en p. 2215). Op 19 april 2017 is de Volkswagen Caddy bij beide locaties gezien (p. 1995 en p. 2166).

27 P. 449-450 (Volkswagen Caddy) en p. 451 (Volkswagen Passat en Audi A4 Avant).

28 Ter illustratie: p. 1792.

29 P. 450.

30 P. 1330 en p. 1333 ( [medeverdachte 2] ), p. 1448-1450 ( [medeverdachte 3] ) en p. 1695 ( [medeverdachte 1] ).

31 Het proces-verbaal aanvullend dossier, p. 57 en p. 74-75.

32 OVC-gesprek, p. 369.

33 P. 1337.

34 P. 1008.

35 OVC-gesprek, p. 431.

36 OVC-gesprek, p. 433.

37 OVC-gesprek, p. 433.

38 OVC-gesprek, p. 440.

39 OVC-gesprek, p. 435-436.

40 OVC-gesprek, p. 441.

41 P. 1012.

42 P. 1014.

43 P. 1017.

44 P. 1018.

45 P. 1019-1020.

46 P. 1021.

47 P. 4033.

48 P. 2550-2555 en p. 2556-2558.

49 p. 2556-2558.