Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2018:5045

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
24-09-2018
Datum publicatie
15-01-2019
Zaaknummer
220874 FT RK 763/18
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek wsnp in verband met aanleveren onvoldoende informatie over omvang en samenstelling schuldenlast en te lang doorgaan met onderneming waarvoor tot eind 2017 nog is geleend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Toezicht

Zittingsplaats Zwolle

rekestnummer: 220874 FT RK 763/18

uitspraakdatum: 24 september 2018

Vonnis van de rechtbank Overijssel, enkelvoudige kamer voor burgerlijke zaken op het verzoek van:

[verzoeker] ,

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,

wonende te [woonplaats] , [adres] ,

verder [verzoeker] te noemen.

Het procesverloop

[verzoeker] heeft een verzoekschrift ingediend de toepassing van de schuldsaneringsregeling uit te spreken. Het verzoek is behandeld ter zitting van 10 september 2018, waarvan aantekeningen zijn gemaakt. Ter zitting is [verzoeker] , vergezeld door zijn advocaat, de heer mr. S.A. Wensing, verschenen.

De beoordeling

De feiten

[verzoeker] is weduwnaar en alleenstaand. In 2016 is de echtgenote van [verzoeker] overleden.

[verzoeker] heeft vanaf 2004 een onderneming in de vorm van een eenmanszaak geëxploiteerd onder de handelsnamen: [XXX] en [YYY] Europe. De onderneming was op 21 augustus 2018 nog niet uitgeschreven uit de Kamer van Koophandel.

Volgens [verzoeker] zijn de schulden vanaf 2015 ontstaan. [verzoeker] heeft verklaard leningen te zijn aangegaan om de oplopende schuldenlast te kunnen aflossen, maar dat hij de lasten van de leningen niet kon voldoen, waardoor er meer achterstanden zijn ontstaan. [verzoeker] heeft verklaard dat hij in november 2017 is opgelicht door een Duitse onderneming. [verzoeker] heeft voor € 25.000,-- auto’s ingekocht en betaald, maar achteraf bleek de onderneming niet te bestaan.

[verzoeker] heeft een woning in eigendom in [woonplaats] . De WOZ-waarde van de woning bedraagt € 282.000,--. Volgens een taxatierapport uit januari 2018 bedraagt de marktwaarde € 380.000,--. De hoogte van de hypothecaire lening(en) bedraagt € 404.000,--. Volgens het schuldenoverzicht zou er sprake zijn van een achterstand in betaling van hypotheeklasten van € 1.630,-- over de maanden mei tot en met juli 2018.

Volgens het verzoekschrift bedraagt de totale schuldenlast van [verzoeker] € 301.379,86, waaronder:

  • -

    Belastingdienst ad € 23.851,--, hoofdzakelijk bestaande uit naheffingsaanslagen omzetbelasting over 2014 (€ 19.050,--) en 2017 van in totaal € 23.357,--;

  • -

    Rabobank ad € 13.000,--, lening;

  • -

    Vesting Finance ad € 42.924,42, lening;

  • -

    Swishfund Nederland ad € 35.198,98, voorschotovereenkomst afgesloten in december 2017;

  • -

    Vitoria Investment ad € 11.655,61, lening;

  • -

    [A] ad € 59.616,11, leningen uit 2010 en 2013;

  • -

    [B] ad € 82.490,--, leningen verstrekt van 2015 tot eind 2017;

  • -

    [C] ad € 28.000,--, leningen verstrekt in de jaren 2014 tot en met 2016.

Volgens een opgave van de Rabobank van 19 maart 2018 is er sprake van een lening, waarvan nog een bedrag van € 12.000,-- openstaat en van een krediet, dat nog € 50.997,12 bedraagt.

[verzoeker] is in de oproepbrief d.d. 16 augustus 2018 voor de zitting van 10 september 2018 opgedragen om uiterlijk een week voor de zitting, onder andere de volgende stukken over te leggen:

  • -

    Jaarstukken van de laatste drie jaar van de onderneming, indien ze zijn opgemaakt;

  • -

    Een kopie van de hypotheekakte en een opgave van de hypotheekschuld.

Deze stukken zijn niet aangeleverd.

De behandeling ter zitting

[verzoeker] heeft verklaard dat er betreffende de afgelopen jaren geen jaarcijfers zijn opgesteld. Volgens [verzoeker] is hij na het overlijden van zijn echtgenote in 2016 psychisch ingestort.

Volgens [verzoeker] is er nagenoeg geen achterstand in betaling van hypotheeklasten. De Rabobank heeft echter wel de financiering opgezegd. [verzoeker] heeft verklaard dat er sprake is van twee hypothecaire leningen van de Rabobank. De eerste hypothecaire lening is afgesloten in 1994 voor een bedrag van NLG 266.000,-- en de tweede hypothecaire lening is aangegaan in 2007 voor een bedrag van € 110.000,-- voor een verbouwing.

[verzoeker] heeft verklaard dat de schuld aan de Rabobank van € 50.997,12 ziet op een volledig benut zakelijk rekeningcourantkrediet. Volgens [verzoeker] bestaat de totale hypotheeksom van € 404.000,-- uit alle leningen en kredieten van de Rabobank tezamen.

[verzoeker] heeft verklaard dat Vitoria Investment een derde hypotheekcaire inschrijving op zijn woonhuis heeft of had. De lening van Vitoria Investment is aangegaan in 2013, aldus [verzoeker] .

Ten aanzien van de belastingschulden heeft [verzoeker] verklaard dat er geen aangifte is gedaan en dat ‘er nog een paar dingen lopen’. Volgens [verzoeker] heeft hij ‘daar niet goed op gereageerd’. De jaarcijfers over 2016 en 2017 moeten volgens [verzoeker] nog worden afgewerkt. [verzoeker] heeft verklaard niet te weten hoe de naheffingsaanslagen omzetbelasting over 2014 zijn ontstaan en onbetaald zijn gelaten.

[verzoeker] heeft verklaard dat hij de lening van Swishfund Nederland vorig jaar is aangegaan om de boel nog te redden. Volgens [verzoeker] was er sprake van een krediet met een hoge rente van in totaal € 74.000,-- en moest hij binnen een half jaar een bedrag van € 89.000,-- terugbetalen. Volgens [verzoeker] zat hij aan de grond op het moment dat hij de lening is aangegaan en is het faliekant misgegaan. Alle omzet en winst is direct weggevloeid.

Mr. Wensink heeft verklaard dat het gaat om een financieringsmaatschappij die aan de onderkant van de markt operereert. Swishfund Nederland slaat bijvoorbeeld geen acht op negatieve BKR-noteringen, aldus mr. Wensink en er moest elke dag op het krediet worden ingelost. Volgens [verzoeker] is [B] een goede vriend van hem en bestaat de schuld uit een lening plus kosten en uit gewerkte uren. Voor [C] geldt hetzelfde volgens [verzoeker] . [verzoeker] heeft verklaard dat de schuld aan Vesting Finance van € 42.924,42 bestaat uit een rekeningcourantkrediet van de ING Bank, dat in 2008 is aangegaan en tot op heden doorloopt.

De overwegingen van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat het verzoek van [verzoeker] moet worden afgewezen en overweegt daartoe als volgt. De rechtbank is van oordeel dat [verzoeker] niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij te goeder trouw is geweest ten aanzien ten aanzien van het ontstaan en onbetaald laten van zijn schulden in de vijf jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend.

[verzoeker] heeft geen informatie aangeleverd, terwijl die wel is opgevraagd, waaruit kan worden opgemaakt hoe hoog de totale schuldenlast aan de Rabobank is en hoe die schuldenlast is samengesteld. De rechtbank concludeert dat in het schuldenoverzicht een krediet van ruim € 50.000,--, dat is verstrekt door de Rabobank, ontbreekt. [verzoeker] heeft ter zitting verklaard dat die totale schuldenlast ongeveer € 404.000,-- bedraagt, omdat de zakelijke leningen volgens hem onderdeel uitmaken van de totale door hypotheek gezekerde schuldenlast van € 404.000,--. Aangezien [verzoeker] geen hypotheekakten en een recente opgave van de hoogte van de hypotheekschuld heeft aangeleverd, valt dit niet te controleren. De rechtbank is van oordeel dat [verzoeker] door het ontbreken van allerlei informatie niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij te goeder trouw is geweest ten aanzien van het ontstaan en onbetaald laten van de schuldenlast aan de Rabobank.

Voorts concludeert de rechtbank dat [verzoeker] van 2008 tot en met heden ruim

€ 300.000,-- heeft geleend om zijn ondernemingsactiviteiten te financieren, waarvan een belangrijk deel eerst in de afgelopen vijf jaren is aangegaan. [verzoeker] heeft verklaard dat hij na het overlijden van zijn echtgenote in 2016 is ingestort en weinig acht meer heeft geslagen op de (financiële) gang van zaken in zijn onderneming, waardoor de teloorgang van zijn onderneming is ingezet. De rechtbank concludeert echter dat er betreffende 2014 reeds sprake was van een omzetbelastingschuld van ruim € 19.000,-- en dat [verzoeker] in 2014 en 2015 al forse bedragen heeft geleend van [B] en [C] . Bovendien was er gedurende die jaren sprake van (volledig benutte) zakelijke (rekeningcourant-) kredieten bij de Rabobank en de ING Bank van in totaal bijna € 100.000,--.

De rechtbank concludeert op grond van het feit dat er kennelijk in 2014 reeds sprake was van ernstige betalingsproblemen, dat [verzoeker] , ook gelet op de daarvoor al geleende omvangrijke bedragen, (veel) te lang is doorgegaan met zijn onderneming, waardoor de totale schuldenlast nodeloos hoog is opgelopen en de reeds bestaande schulden verwijtbaar onbetaald zijn gelaten. De rechtbank is van oordeel dat [verzoeker] vanaf in ieder geval 2008 onverantwoord veel heeft geleend. [verzoeker] wist immers of had moeten weten dat hij de geleende bedragen nooit zou kunnen terugbetalen. Ook het feit dat [verzoeker] tot eind 2017 is blijven bijlenen, maakt dat de schuldenlast onnodig en verwijtbaar hoog is opgelopen en onbetaald is gelaten, waarbij de rechtbank het aangaan van de lening bij Swishfund in december 2017 in zeer ernstige mate verwijtbaar acht. [verzoeker] wist immers dat hij de aan de lening verbonden financiële verplichtingen niet zou kunnen nakomen en er dus een schuld van minimaal de omvang van de lening zou ontstaan.

Voorts acht de rechtbank niet aannemelijk dat ‘slechts’ de afgelopen drie jaren de boekhouding niet naar behoren is bijgehouden en er geen belastingaangifte is gedaan, nu er ten aanzien van het jaar 2014 reeds een naheffingsaanslag omzetbelasting van ruim € 19.000,-- is opgelegd, zodat er destijds al geen, te late of ondeugdelijke aangifte is gedaan. De rechtbank overweegt dat op een ondernemer een boekhoudplicht rust, in die zin dat er een zodanige administratie wordt bijgehouden dat daaruit de financiële verplichtingen van de onderneming blijken en op basis waarvan juist en tijdig belastingaangifte kan worden gedaan. [verzoeker] heeft niet aan deze verplichting voldaan.

Op grond van vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat [verzoeker] niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij te goeder trouw is geweest ten aanzien van het ontstaan en onbetaald laten van zijn omvangrijke schuldenlast.

De rechtbank concludeert dat [verzoeker] een beroep heeft gedaan op de hardheidsclausule als bedoeld in artikel 288 lid 3 Faillissementswet, in die zin dat hij na het overlijden van zijn echtgenote zijn onderneming heeft verwaarloosd en dat deze daardoor ten onder is gegaan. De rechtbank is echter van oordeel dat [verzoeker] dit oorzakelijk verband niet aannemelijk heeft gemaakt, nu de rechtbank concludeert dat de onderneming reeds (ver) voor het overlijden van de echtgenote van [verzoeker] in zwaar weer verkeerde en het naar het oordeel van de rechtbank op de weg van [verzoeker] had gelegen zijn ondernemingsactiviteiten jaren eerder te beëindigen. De rechtbank honoreert het beroep op de hardheidsclausule dus niet.

De beslissing

De rechtbank:

- wijst het verzoek af;

Gewezen door mr. M.C. Bosch, lid van genoemde kamer, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 24 september 2018, in tegenwoordigheid van de griffier1.

1 [-]