Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2018:5037

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
25-09-2018
Datum publicatie
31-07-2019
Zaaknummer
08-760102-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank Overijssel veroordeelt een 35-jarige vrouw tot een gevangenisstraf voor de duur van 20 maanden, waarvan 10 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar. Ze vroeg haar slachtoffers geld te leen en kreeg dit ook omdat zij zich voordeed als buurtbewoner en ze hen vertelde dat zij zichzelf had buitengesloten en geld nodig had voor vervoer om de reservesleutels op te kunnen halen. Daarnaast deed ze pintransacties zonder toestemming van de eigenaar van de bankrekening.

Naast de gevangenisstraf moet ze zich houden aan de bijzondere voorwaarden, waaronder een meldplicht bij de Reclassering en moet ze de slachtoffers een schadevergoeding betalen van in totaal 148 euro.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Strafrecht

Meervoudige kamer

Zittingsplaats Almelo

Parketnummers 08-760102-18 en 21-001174-13 (TUL) (P)

Datum vonnis: 25 september 2018

Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1983 in [woonplaats] ,

wonende aan [adres] ,

nu verblijvende in PIV in Zwolle

1 Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 11 september 2018.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. G.R.G. Nijpels en van hetgeen door verdachte en de raadsman mr. D. Fontein, advocaat te Koog aan de Zaan, naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

De verdenking komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

feit 1: [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] , [slachtoffer 4] , [slachtoffer 5] , [slachtoffer 6] , [slachtoffer 7] , [slachtoffer 8] , [slachtoffer 9] en/of [slachtoffer 10] heeft opgelicht;

feit 2: geldbedragen van [slachtoffer 11] heeft weggenomen;

feit 3: een pinpas en/of geldbedrag van [slachtoffer 11] heeft weggenomen.

Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:

1

zij op meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 februari 2018 tot

en met 02 juni 2018 te Enschede, althans in Nederland, met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van

een valse naam en/of een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen

en/of door een samenweefsel van verdichtsels, meerdere personen, te weten [slachtoffer 1] ; [slachtoffer 2] ; [slachtoffer 3] ;

[slachtoffer 4] ; [slachtoffer 5] ; [slachtoffer 6] ; [slachtoffer 7] ; [slachtoffer 8] ; [slachtoffer 9]

en/of [slachtoffer 10] , (telkens) heeft bewogen tot de afgifte van enig goed

en/of een geldbedrag, immers heeft verdachte genoemde personen (telkens) voorgehouden dat zij, verdachte, zichzelf had buitengesloten en een geldbedrag wilde lenen zodat zij

met een taxi of het openbaar vervoer elders de sleutels van haar woning kon

halen zonder die geldbedragen daarna terug te betalen;

2

zij op of omstreeks 20 april 2018 te Enschede, in ieder geval in Nederland, één of meer geldbedragen, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 11]

, in ieder geval aan een ander dan aan verdachte, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte die weggenomen geldbedragen (telkens) onder haar bereik

heeft gebracht door middel van een valse sleutel, door geld op te nemen (te

pinnen) met behulp van een door verdachte weggenomen pinpas in combinatie met

de bijbehorende geheime pincode;

3

zij op of omstreeks 20 april 2018 te Enschede, in ieder geval in Nederland, een pinpas en/of een geldbedrag (circa 1800 euro) heeft weggenomen, geheel of

ten dele toebehorende aan [slachtoffer 11] , in ieder geval aan een ander dan

aan verdachte, met het oogmerk om zich die pinpas en/of dat geldbedrag wederrechtelijk toe te

eigenen;

3 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4. De bewijsoverwegingen 1

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie vindt dat het als feit 1 ten laste gelegde wettig en overtuigend is bewezen, met uitzondering van het oplichten van [slachtoffer 10] . Van die oplichting moet verdachte worden vrijgesproken. Het oplichten van [slachtoffer 4] , [slachtoffer 7] en [slachtoffer 8] ontkent verdachte, maar in die zaken komt de modus operandi overeen met die van de feiten die verdachte bekent en voldoet zij aan de signalementen die de aangevers hebben opgegeven. Het door de verdachte geschetste alternatieve scenario (dat anderen gebruik hebben gemaakt van haar modus operandi) is niet aannemelijk.

Ook het als feit 2 ten laste gelegde vindt de officier van justitie wettig en overtuigend bewezen, onder meer gelet op de verklaring van verdachte dat zij zonder toestemming van aangever met zijn pinpas € 1.000,- contant heeft opgenomen en voor € 15,- sigaretten heeft gekocht. Voor het als feit 3 ten laste gelegde is volgens de officier van justitie onvoldoende bewijs, waardoor verdachte hiervan moet worden vrijgesproken.

4.2

Het standpunt van de verdediging

Ten aanzien van het onder feit 1 ten laste gelegde oplichten van [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] , [slachtoffer 5] , [slachtoffer 6] en [slachtoffer 9] heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank, omdat verdachte die feiten bekent. Ten aanzien van de onder feit1 ten laste gelegde oplichting van [slachtoffer 4] , [slachtoffer 7] en [slachtoffer 8] moet verdachte worden vrijgesproken nu niet kan worden uitgesloten dat zij door iemands anders zijn opgelicht. Ook van het in feit 1 ten laste gelegde het oplichten van [slachtoffer 10] moet verdachte worden vrijgesproken.

Het als feit 2 ten laste gelegde acht de raadsman wettig en overtuigend bewezen, omdat verdachte heeft bekend dat zij zonder toestemming van aangever met zijn pinpas € 1.000,- contant heeft opgenomen en voor € 15,- sigaretten heeft gekocht. Voor het als feit 3 ten laste gelegde is geen bewijs, waardoor verdachte hiervan moet worden vrijgesproken.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

Ten aanzien van feit 1

Door verschillende personen is aangifte van oplichting gedaan, die aan verdachte als feit 1 ten laste zijn gelegd. In het hierna volgende zal de rechtbank per aangifte ingaan op de vraag of verdachte als dader van deze oplichting kan worden aangemerkt.

In de zaken waarin [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] , [slachtoffer 5] , [slachtoffer 6] , en [slachtoffer 9] aangifte hebben gedaan komt de rechtbank tot bewezenverklaring en zal – nu verdachte deze feiten heeft bekend en door of namens haar geen vrijspraak is bepleit – conform artikel 359, derde lid, laatste volzin, van het Wetboek van Strafvordering (Sv), worden volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen.

[slachtoffer 1]

  • -

    het proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 1] , pagina’s 47 tot en met 50;

  • -

    het proces-verbaal van de terechtzitting van 11 september 2018, voor zover inhoudende de bekennende verklaring van de verdachte.

[slachtoffer 2]

  • -

    het proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 2] , pagina’s 52 tot en met 55;

  • -

    het proces-verbaal van de terechtzitting van 11 september 2018, voor zover inhoudende de bekennende verklaring van de verdachte.

[slachtoffer 3]

  • -

    het proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 3] , pagina’s 59 tot en met 61;

  • -

    het proces-verbaal van de terechtzitting van 11 september 2018, voor zover inhoudende de bekennende verklaring van de verdachte.

[slachtoffer 5]

  • -

    het proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 5] , pagina’s 70 tot en met 71;

  • -

    het proces-verbaal van de terechtzitting van 11 september 2018, voor zover inhoudende de bekennende verklaring van de verdachte.

[slachtoffer 6]

  • -

    het proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 6] , pagina’s 79 tot en met 80;

  • -

    het proces-verbaal van de terechtzitting van 11 september 2018, voor zover inhoudende de bekennende verklaring van de verdachte.

[slachtoffer 9]

  • -

    het proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 9] , pagina’s 117 tot en met 120;

  • -

    het proces-verbaal van de terechtzitting van 11 september 2018, voor zover inhoudende de bekennende verklaring van de verdachte.

Met betrekking tot de aangiftes van [slachtoffer 4] , [slachtoffer 7] en [slachtoffer 8] stelt de rechtbank het volgende vast.

Door [slachtoffer 4] is aangifte gedaan van oplichting op 10 maart 2018 in Enschede.2 Zij heeft in haar aangifte verklaard3 dat er een vrouw aan de deur van haar woning kwam die zei dat ze een buurvrouw was en dat ze was buitengesloten. De vrouw had geld nodig voor een taxi, om een reservesleutel op te kunnen halen. De vrouw beloofde het geld terug te komen brengen. Uiteindelijk heeft aangeefster haar € 20,- en € 15,- gegeven. De vrouw heeft het geld niet terug gegeven. Aangeefster heeft de vrouw onder meer als volgt omschreven: ‘Nederlandse vrouw, leeftijd 30-40 jaar, lengte 1.60-1.65, lang dik, donker (bruin) haar met slagen, normaal/gezet postuur, bol (volle) ronde gezicht (..)’.

Door [slachtoffer 7] is aangifte gedaan van oplichting op 2 april 2018 in Enschede.4 Zij heeft in haar aangifte verklaard5 dat er een vrouw aan de deur van haar woning kwam die zei dat ze in de buurt woonde, dat ze was buitengesloten en geld nodig had voor een taxi. De vrouw beloofde het geld terug te komen brengen. Uiteindelijk heeft aangeefster haar € 100,- gegeven. De vrouw heeft het geld niet terug gegeven. Aangeefster heeft de vrouw als volgt omschreven: ‘ongeveer 40 jaar, lengte 1.65-1.67, donker/slijk (de rechtbank begrijpt; sluik) haar tot op de schouders’.

Door [slachtoffer 8] is aangifte gedaan van oplichting op 22 april 2018 in Enschede.6 Zij heeft in haar aangifte verklaard7 dat er een vrouw aan de deur van haar woning kwam die zei dat ze een achterbuurvrouw was, dat ze was buitengesloten en geld nodig had voor een taxi. De vrouw beloofde het geld terug te komen brengen. Aangeefster heeft haar € 50,- gegeven. De vrouw heeft het geld niet terug gegeven. Aangeefster heeft de vrouw als volgt omschreven: ‘Nederlandse vrouw, lengte 1.65 m, leeftijd 30 a 35 jaar, stevig gedrongen postuur, bol gezicht, kort donker haar’.

Anders dan de raadsman komt de rechtbank ook tot bewezenverklaring van deze feiten

door de bewijsmiddelen die ten grondslag liggen aan de verschillende feiten als schakelbewijs te gebruiken. Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad (HR 11 januari 2000, ECLI:NL:PHR:2000:ZD1146 ) is het gebruik van aan andere bewezen geachte soortgelijke feiten ten grondslag liggende bewijsmiddelen als ondersteunend bewijs toegelaten. Daarbij moet het gaan om bewijsmateriaal van die andere feiten dat op essentiële punten belangrijke overeenkomsten vertoont met het bewijsmateriaal van het te bewijzen feit en dat duidt op een specifiek patroon in het gedrag van verdachte, welk patroon herkenbaar aanwezig is in de voor het te bewijzen feit voorhanden bewijsmiddelen.

De rechtbank is van oordeel dat de bewijsmiddelen die ten grondslag liggen aan de gepleegde oplichtingen van [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] , [slachtoffer 6] , [slachtoffer 5] en [slachtoffer 9] kunnen dienen als schakelbewijs voor de gepleegde oplichtingen van [slachtoffer 4] , [slachtoffer 7] en [slachtoffer 8] , nu sprake is van een herkenbare, specifieke modus operandi van verdachte. Immers blijkt dat de werkwijze van de dader bij de afzonderlijke feiten telkens overeenkomt. Steeds wordt er aangebeld en vertelt een vrouw dat zij een buurtbewoner is, is buitengesloten uit haar huis en geld nodig heeft voor een taxi of het openbaar vervoer. Deze feiten hebben bovendien alle in een korte periode in Enschede plaatsgevonden.

Daarbij komt dat het gedetailleerde signalement dat de aangevers hebben opgegeven in zodanig mate overeenkomt met de uiterlijke verschijning van verdachte op 3 juni 2018, zoals blijkt uit de foto’s op pagina 26 tot en met 29 van het dossier, en haar lengte (1,62 meter) zoals blijkt pagina 75 van het dossier, dat – alle omstandigheden in aanmerking genomen – de conclusie kan worden getrokken dat het niet anders kan dan dat het de verdachte is geweest die ook deze ten laste gelegde feiten heeft gepleegd.

Door de verdediging is aangevoerd dat een reëel alternatief scenario inhoudt dat niet verdachte, maar iemand uit het gebruikerscircuit waarin verdachte zich destijds bevond, [slachtoffer 4] , [slachtoffer 7] en [slachtoffer 8] heeft opgelicht. Volgens verdachte heeft zij haar werkwijze namelijk gedeeld met drie vrouwen in het gebruikerscircuit, die vervolgens ook op deze wijze mensen zouden hebben opgelicht. Verdachte – die hierover overigens pas ter terechtzitting van 11 september 2018 heeft verklaard – heeft deze vrouwen desgevraagd als volgt omschreven:

  • -

    [naam] , een lange vrouw met blond haar’;

  • -

    Een vrouw met mijn postuur, met blond haar tot net onder haar oksels’;

  • -

    ‘Een vrouw iets kleiner dan ik ben, met kort haar’.

De rechtbank overweegt dat de signalementen die verdachte heeft opgegeven van de beweerde andere oplichtsters hen uitsluiten als oplichters van [slachtoffer 4] , [slachtoffer 7] en [slachtoffer 8] , nu de signalementen van deze beweerde oplichtsters niet overeen komen met de signalementen die de aangevers hebben opgegeven. Door de raadsman is nog betoogd dat deze manier van oplichten vaker voorkomt waardoor niet kan worden uitgesloten dat een ander dan verdachte deze feiten heeft gepleegd. Deze algemene stelling is niet nader geconcretiseerd. Daarbij komt dat alle feiten in een korte periode in Enschede hebben plaatsgevonden, terwijl niet is gebleken dat omstreeks die periode of na aanhouding van verdachte op 1 juni 2018 vaker personen op deze manier zijn opgelicht in Enschede (door anderen dan verdachte). Nu de gepresenteerde alternatieve scenario’s onvoldoende aannemelijk zijn geworden zal de rechtbank het verweer verwerpen.

[slachtoffer 10]

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte [slachtoffer 10] heeft opgelicht. Nu de officier van justitie dit ook heeft gevorderd en dit ook is bepleit door de raadsman, zal dit oordeel niet nader worden gemotiveerd.

Ten aanzien van feit 2

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van dit tenlastegelegde feit op grond van de volgende bewijsmiddelen, waarbij de rechtbank – nu verdachte dit feit heeft bekend en door of namens haar geen vrijspraak is bepleit – conform artikel 359, derde lid, laatste volzin, van het Wetboek van Strafvordering, zal volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen:

  • -

    het proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 11] , pagina’s 85 tot en met 88;

  • -

    het proces-verbaal van de terechtzitting van 11 september 2018, voor zover inhoudende de bekennende verklaring van de verdachte (dat zij zonder toestemming van aangever met zijn pinpas € 1.000,- contant heeft opgenomen en voor € 15,- sigaretten heeft gekocht).

Ten aanzien van feit 3

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 3 ten laste gelegde heeft begaan en zal haar hiervan vrijspreken. Nu de officier van justitie dit ook heeft gevorderd en dit eveneens is bepleit door de raadsman, zal dit oordeel niet nader worden gemotiveerd.

4.5

De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van voornoemde bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat:

1

zij op meerdere tijdstippen in de periode van 19 februari 2018 tot

en met 6 mei 2018 te Enschede, met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse hoedanigheid en door listige kunstgrepen en/ een samenweefsel van verdichtsels, meerdere personen, te weten [slachtoffer 1] ; [slachtoffer 2] ; [slachtoffer 3] ; [slachtoffer 4] ; [slachtoffer 5] ; [slachtoffer 6] ; [slachtoffer 7] ; [slachtoffer 8] en [slachtoffer 9] , telkens heeft bewogen tot de afgifte van een geldbedrag, immers heeft verdachte genoemde personen telkens voorgehouden dat zij, verdachte, zichzelf had buitengesloten en een geldbedrag wilde lenen zodat zij met een taxi of het openbaar vervoer elders de sleutels van haar woning kon halen zonder die geldbedragen daarna terug te betalen;

2

zij op 20 april 2018 te Enschede, geldbedragen, toebehorende aan [slachtoffer 11] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte die weggenomen geldbedragen (telkens) onder haar bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel, door geld op te nemen (te pinnen) met behulp van een door verdachte weggenomen pinpas in combinatie met de bijbehorende geheime pincode;

De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij haar daarvan zal vrijspreken.

5 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld in artikel 310, 311 en 326 Sr. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:

feit 1

het misdrijf: oplichting, meermalen gepleegd

feit 2

het misdrijf: diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel, meermalen gepleegd

6 De strafbaarheid van verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor de bewezenverklaarde feiten.

7 De op te leggen straf of maatregel

7.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van twintig maanden, waarvan 10 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren. Aan het voorwaardelijk deel van de gevangenisstraf moeten de door de reclassering geadviseerde voorwaarden worden verbonden, en een middelenverbod, indien en zolang de reclassering dat noodzakelijk acht.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman waardeert de ernst van de feiten anders en vindt de vordering van de officier van justitie te fors. Hij heeft erop gewezen dat verdachte al lange tijd in voorarrest verblijft en dat het noodzakelijk is dat zij zo spoedig mogelijk klinisch wordt behandeld. Een middelenverbod gaat wat de raadsman betreft de ver.

7.3

De gronden voor een straf of maatregel

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij het volgende van belang.

Voor wat betreft de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn gepleegd, overweegt de rechtbank als volgt. Verdachte heeft haar slachtoffers geld te leen gevraagd en dit ook gekregen omdat zij zich voordeed als buurtbewoner en hen vertelde dat zij zichzelf had buitengesloten en geld nodig had voor vervoer om de reservesleutel op te kunnen halen. De slachtoffers leenden haar het geld uit medeleven en omdat hen was beloofd dat zij het geld terug zouden krijgen. Verdachte heeft de slachtoffers financiële schade toegebracht en op een brutale wijze misbruik gemaakt van de welwillendheid en het vertrouwen van haar slachtoffers. Niet alleen bij hen, maar in de maatschappij in het algemeen ontstaan door het plegen van dergelijke feiten gevoelens van achterdocht. Bovendien zijn mensen daardoor in het algemeen minder bereidwillig om medemensen die daadwerkelijk in nood verkeren en hulp nodig hebben, te helpen. De rechtbank zal dit in het nadeel van verdachte meewegen bij de bepaling van de op te leggen straf.

Daarnaast heeft verdachte pintransacties tot een bedrag van € 1.015,- gedaan zonder toestemming van de eigenaar van de bankrekening.

Voor wat betreft de persoonlijk omstandigheden vindt de rechtbank het volgende van belang. Uit verdachtes uittreksel van haar justitiële documentatie van 6 september 2018 blijkt dat zij al vele malen voor vergelijkbare vermogensdelicten is veroordeeld. Dat heeft haar er echter niet van weerhouden om opnieuw in een korte periode negen mensen op te lichten en van een andere persoon geld te stelen, ondanks dat zij nog een proeftijd liep waarbij haar een gevangenisstraf van zestien maanden boven het hoofd hing. Dit zal de rechtbank in het nadeel van verdachte meewegen bij het bepalen van de op te leggen straf.

Ter zitting en uit de door Tactus over haar opgemaakte reclasseringsrapportage van 7 september 2018, opgesteld door G.J. Schoeber, blijkt dat verdachte maar beperkt verantwoordelijkheid neemt voor haar daden, en vooral de hulpverlening de schuld geeft, omdat zij niet de hulp zou hebben gekregen die zij nodig stelt te hebben.

Uit het reclasseringsadvies van Tactus blijkt dat sprake is van problemen op de meeste leefgebieden van verdachte en dat de afgelopen jaren haar maatschappelijke teloorgang op de voorgrond staat. Vanwege de grote kans op verder afglijden en crimineel en overlastgevend gedrag is een intensieve multidisciplinaire klinische behandeling geïndiceerd met aansluitend een re-integratietraject en resocialisatie naar een passende beschermende woonvoorziening met intensieve begeleiding. Geadviseerd wordt verdachte een voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen met een proeftijd van drie jaren. Daarbij worden – kort gezegd – een meldplicht, een klinische behandelverplichting, opname in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang, een ambulante behandelverplichting en de verplichting tot het meewerken aan middelencontroles als bijzondere voorwaarden geadviseerd.

Verdachte heeft ter zitting 11 september 2018 verklaard dat zij meer dan ooit gemotiveerd is voor behandeling.

Alles afwegende acht de rechtbank de door de officier van justitie gevorderde gevangenisstraf van twintig maanden, waarvan tien maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren, passend en geboden, evenals de door de officier van justitie gevorderde bijzondere voorwaarden. Gezien verdachtes problematiek – in het bijzonder haar cocaïneafhankelijkheid en cannabismisbruik, zoals uit het rapport van de reclassering blijkt – zal de rechtbank ook het door de officier van justitie gevorderde verbod op het gebruik van alcohol en drugs, indien en zolang de reclassering dat noodzakelijk acht, als bijzondere voorwaarde opleggen.

8 De schade van de benadeelden

8.1

De vorderingen van de benadeelde partijen

[slachtoffer 3] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. Zij vordert verdachte te veroordelen om voor haar materiële schade schadevergoeding te betalen tot een totaalbedrag van € 30,-, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd.

[slachtoffer 6] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. Zij vordert verdachte te veroordelen om voor haar materiële schade schadevergoeding te betalen tot een totaalbedrag van € 18,-, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd.

[slachtoffer 7] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. Hij vordert verdachte te veroordelen hem een materiële schade schadevergoeding te betalen tot een totaalbedrag van € 100,-, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd.

[slachtoffer 11] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. Hij vordert verdachte te veroordelen om hem een materiële schade schadevergoeding te betalen tot een totaalbedrag van € 3.085,-, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd.

8.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd de vorderingen van [slachtoffer 3] , [slachtoffer 6] en [slachtoffer 7]

toe te wijzen en de schadevergoedingsmaatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht toe te passen. De vordering van [slachtoffer 11] dient wat de officier van justitie betreft niet-ontvankelijk te worden verklaard, omdat zijn schade al is vergoed door de bank.

8.3

Het standpunt van de verdediging

Ten aanzien van de vorderingen van [slachtoffer 3] , [slachtoffer 6] en [slachtoffer 7] heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. De vordering van [slachtoffer 11] dient te worden afgewezen, omdat deze is ingediend door de dochter van [slachtoffer 11] en een handtekening van [slachtoffer 11] voor een machtiging ontbreekt.

Verdachte heeft ter zitting verklaard dat zij de schade die de benadeelde partijen hebben geleden via haar bewindvoerder terug zal betalen.

8.4

Het oordeel van de rechtbank

Naar het oordeel van de rechtbank hebben benadeelde partijen [slachtoffer 3] , [slachtoffer 6] en [slachtoffer 7] aangetoond dat de gestelde materiële schade is geleden en dat deze schade (in alle gevallen) een rechtstreeks gevolg zijn van het onder 1 bewezen verklaarde. Nu de vorderingen van deze benadeelde partijen niet gemotiveerd zijn betwist, is verdachte tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vorderingen zullen worden toegewezen.

Ten aanzien van de vordering van [slachtoffer 11] constateert de rechtbank dat de vordering door de dochter van [slachtoffer 11] is ingediend, maar dat zowel de handtekening van de dochter als een handtekening van [slachtoffer 11] voor machtiging van zijn dochter ontbreekt. Dit is een eis die de wet in artikel 51c, tweede lid, Sv stelt. Dat betekent dat daarom de vordering van [slachtoffer 11] niet-ontvankelijk moet worden verklaard. De rechtbank merkt verder op dat uit de onderbouwing van de schade ook blijkt dat de schade die [slachtoffer 11] door het bewezen verklaarde heeft geleden (een bedrag van € 1.015,-) al volledig door zijn bank is vergoed. Dat betekent dat de vordering – los van de formele gebreken – ook daarom niet-ontvankelijk zou moeten worden verklaard.

8.5

De schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partijen hebben verzocht en de officier van justitie heeft gevorderd de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

Ten aanzien van de vordering van benadeelde partij [slachtoffer 7] zal de rechtbank de maatregel als bedoeld in artikel 36f Sr opleggen, aangezien verdachte jegens de benadeelde partij naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het feit is toegebracht, en deze schade een bedrag van € 100,- bedraagt. Ten aanzien van de vorderingen van [slachtoffer 3] en [slachtoffer 6] zal de rechtbank niet de schadevergoedingsmaatregel opleggen. De schade die zij hebben geleden bedraagt respectievelijk €30,- en €18,- en de rechtbank acht het daarom niet wenselijk en niet noodzakelijk het incassotraject via de Staat te laten verlopen, met name nu verdachte heeft verklaard dat zij de schade die de benadeelde partijen hebben geleden via haar bewindvoerder terug zal betalen.

9 De vordering tenuitvoerlegging

9.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd de vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde straf in de zaak met parketnummer 21-001174-13 af te wijzen. Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft op 1 augustus 2018 de bijzondere voorwaarden verbonden aan deze voorwaardelijke straf gewijzigd, en het openbaar ministerie acht voortzetting van het traject dat daarmee in gang is gezet noodzakelijk.

9.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering tenuitvoerlegging moet worden afgewezen.

9.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank stelt vast dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig heeft gemaakt aan een nieuw strafbaar feit, zoals naar voren komt uit de verdere inhoud van dit vonnis, en daarmee de algemene voorwaarde heeft overtreden van de voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf in de zaak met parketnummer 21-001174-13.

Dat betekent dat de vordering tenuitvoerlegging in beginsel kan worden toegewezen.

Uit de stukken blijkt dat een traject van zorg en behandeling is gestart. Doorbreking van dit traject is niet wenselijk. De rechtbank zal daarom de vordering van de officier van justitie afwijzen, zoals ook de officier van justitie heeft gevorderd en de raadsman heeft bepleit.

10 De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f en 57 Sr.

11 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- verklaart niet bewezen dat verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt haar daarvan vrij;

Bewezenverklaring

- verklaart bewezen dat verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;

- verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt haar daarvan vrij;

strafbaarheid feit

- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;

- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1: het misdrijf: oplichting, meermalen gepleegd

feit 2: het misdrijf: diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel, meermalen gepleegd

strafbaarheid verdachte

- verklaart verdachte strafbaar voor het onder 1 en 2 bewezenverklaarde;

straf

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 20 (twintig) maanden;

- bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte van 10 (tien) maanden niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten. De rechter kan de tenuitvoerlegging gelasten indien verdachte voor het einde van de proeftijd van 3 (drie) jaren de navolgende voorwaarden niet is nagekomen:

- stelt als algemene voorwaarden dat verdachte:

- zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- ten behoeve van het vaststellen van haar identiteit medewerking verleent aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

- medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, Sr, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

- stelt als bijzondere voorwaarden dat verdachte:

- zich gedurende de proeftijd meldt bij de reclassering, op de door de reclassering te bepalen tijdstippen, zo frequent en zo lang deze instelling dat nodig acht;

- zich op basis van een indicatiestelling van het NIFP-IFZ laat opnemen bij Trajectum, locatie Boschoord, forensisch psychiatrische afdeling ’t Wold, of soortgelijke intramurale instelling, zulk ter beoordeling van het NIFP, waarbij zij zich zal houden aan de aanwijzingen die haar in het kader van die behandeling door of namens de (geneesheer-)directeur van die instelling zullen worden gegeven, voor de duur van maximaal 18 maanden;

- zich aansluitend op de klinische behandeling ambulant laat behandelen en begeleiden door een forensisch FACT-team of soortgelijke ambulante (forensische) zorg, zulks ter beoordeling van de reclassering, waarbij zij zich zal houden aan de aanwijzingen die haar in het kader van die behandeling door of namens de instelling/behandelaar zullen worden gegeven, ook als deze ambulante behandeling inhoudt een kortdurende klinische opname voor de duur van maximaal zeven weken als de reclassering dit noodzakelijk acht, waarbij zij zich zal houden aan de aanwijzingen die haar in het kader van die opname door of namens de instelling/behandelaar zullen worden gegeven;

- aansluitend op de klinische behandeling zal verblijven in een instelling voor beschermd of begeleid wonen, zulks ter beoordeling van de reclassering en zich te houden aan het programma dat deze voorziening in overleg met de reclassering heeft opgesteld, zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;

- geen alcohol en/of drugs zal gebruiken, indien en zolang de reclassering dat noodzakelijk acht;

- medewerking zal verlenen aan drugs- en alcoholcontroles door middel van urinecontroles, bloed- en/of blaastesten;

- bepaalt dat de tijd die de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

schadevergoeding benadeelde partij [slachtoffer 3]

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 3] van een bedrag van € 30,- (zegge: dertig euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 13 maart 2018;

- veroordeelt verdachte daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;

schadevergoeding benadeelde partij [slachtoffer 6]

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 6] van een bedrag van € 18,- (zegge: achttien euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 april 2018;

- veroordeelt verdachte daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;

schadevergoeding benadeelde partij [slachtoffer 7]

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 7] van een bedrag van € 100,- (zegge: honderd euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 2 april 2018;

- veroordeelt verdachte daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;

- legt de maatregel op dat verdachte verplicht is ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde feit tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 100,-, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 2 april 2018, ten behoeve van de benadeelde, met bevel, voor het geval dat volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt, dat vervangende hechtenis voor de duur van 2 dagen zal worden toegepast, een en ander voor zover dit bedrag niet door de mededader zal zijn voldaan. Tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis laat de betalingsverplichting onverlet;

- bepaalt dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als verdachte aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen;

schadevergoeding benadeelde partij [slachtoffer 11]

  • -

    verklaart [slachtoffer 11] niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

  • -

    veroordeelt de benadeelde partij in de kosten door de verdachte gemaakt, tot op heden begroot op nihil;

tenuitvoerlegging voorwaardelijke straf

- wijst af de vordering tot tenuitvoerlegging met parketnummer 21-001174-13.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.A.H. Heijink, voorzitter, mr. F.H.W. Teekman en M.I. van Meel, rechters, in tegenwoordigheid van J.P. Ponsteen als griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 25 september 2018.

Buiten staat

Mr. Van Meel is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van de regiopolitie Oost-Nederland met nummer PL0600-2018391028. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.

2 Pagina 67.

3 Pagina’s 67 en 68.

4 Pagina 82.

5 Pagina’s 82 en 83.

6 Pagina 113.

7 Pagina’s 113 en 114.