Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2018:4983

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
16-11-2018
Datum publicatie
24-12-2018
Zaaknummer
C/08/224454 / KG ZA 18-310
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kinder- en partneralimentatie geschil. De vrouw moet loonbeslag opheffen, en het ingevorderde terug betalen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Zwolle

zaaknummer / rolnummer: C/08/224454 / KG ZA 18-310

Vonnis in kort geding van 16 november 2018

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [plaats] ,

eiser,

advocaat mr. B.J. Driessen te Nijmegen,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [plaats] ,

gedaagde,

advocaat mr. M.J.H. Mühlstaff te Deventer.

Partijen zullen hierna de man en de vrouw genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 2 november 2018 met 5 producties

  • -

    de brief van de man van 7 november 2018 met de betekende dagvaarding en productie 6

  • -

    de e-mail van de vrouw van 8 november 2018 met 6 producties

  • -

    de mondelinge behandeling op 8 november 2018.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Partijen zijn gewezen echtgenoten. Tijdens hun huwelijk is op [geboortedatum] een zoon geboren, [A] .

2.2.

Bij beschikking van 9 december 2009 (zaaknummer: 146383 FARK 08-2359) heeft de (voormalige) rechtbank Zwolle-Lelystad, voor zover hier van belang, als volgt beslist:

Bepaalt dat de man met ingang van 1 oktober 2009 een bedrag van € 500,00 (zegge: vijfhonderd euro) per maand telkens bij vooruitbetaling aan de vrouw voldoet als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige.

Kent aan de vrouw met ingang van 1 oktober 2009 een telkens bij vooruitbetaling te ontvangen uitkering tot levensonderhoud ten laste van de man toe van € 84,00 (zegge: vierentachtig euro) per maand.

2.3.

Naar aanleiding van het verzoek van de man tot het (her)berekenen van de hoogte van de kinder- en partneralimentatie heeft het LBIO bij brief van 21 april 2015 het volgende geadviseerd:

Advies over de hoogte van de alimentatie in uw geval

Rekening houdend met de inkomsten en uitgaven van u en [gedaagde] adviseert het LBIO een eigen aandeel van u van € 0 per maand voor kinderalimentatie. De reden dat u geen kinderalimentatie hoeft te betalen komt door het feit dat het kindgebonden budget wat uw ex-partner ontvangt (€ 340 per maand) hoog genoeg is om in de behoefte van het kind te voorzien (€ 256 per maand)

Wat betreft de partneralimentatie adviseert het LBIO een bedrag ad. € 227,00 per maand. Dit bedrag is een brutobedrag en dus het bedrag dat u aan [gedaagde] dient te betalen. Rekening houdend met het belastingvoordeel betaalt u uiteindelijk een nettobedrag ad € 132 per maand aan partneralimentatie.

2.4.

Bij brief van 31 mei 2018 heeft het LBIO de man geïnformeerd dat hij volgens de vrouw niet (volledig) voldoet aan zijn betalingsverplichtingen waardoor over de periode december 2017 t/m juni 2018 een achterstand van € 2.513,45 aan kinderalimentatie is ontstaan.

2.5.

Op 7 september 2018 heeft het LBIO uit hoofde van gemelde beschikking van 9 december 2009 ten laste van de man loonbeslag onder zijn werkgever, VOF Wdeliver te Deventer, gelegd.

2.6.

Bij brief van 17 oktober 2018 heeft de man de vrouw verzocht gemeld loonbeslag op te heffen, alsmede actuele financiële gegevens te verstrekken teneinde een nieuwe alimentatieberekening te maken. Aan dit verzoek heeft de vrouw geen gevolg gegeven.

3 Het geschil

3.1.

De man vordert dat de voorzieningenrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

(I) de vrouw zal veroordelen de tenuitvoerlegging van de beschikking d.d. 9 december 2009 te (doen) stoppen en de vrouw zal bevelen het LBIO opdracht te geven het loonbeslag onder de werkgever van de man op te heffen, een en ander op straffe van een dwangsom ter grootte van € 500,00 per dag dat de vrouw nalaat zulks te doen;

(II) de vrouw zal veroordelen tot terugbetaling van hetgeen middels loonbeslag is ingevorderd, meer dan € 227,00 per maand;

(III) de vrouw zal veroordelen in de kosten van deze procedure.

3.2.

De vrouw voert gemotiveerd verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Van een spoedeisend belang van de man bij zijn vorderingen is in voldoende mate gebleken.

4.2.

Aan zijn vorderingen legt de man, samengevat, ten grondslag dat tussen partijen per 1 mei 2015 een gewijzigde alimentatieregeling is gaan gelden. De man betoogt dat de vrouw door de tenuitvoerlegging van de beschikking van 9 december 2009 misbruik van recht maakt en dat zij daardoor jegens hem onrechtmatig handelt.

4.3.

De vrouw voert als verweer dat zij nimmer met het LBIO-advies uit april 2015 heeft ingestemd en dat aldus geen gewijzigde alimentatieregeling is overeengekomen.

Volgens de vrouw is het aan de man om een verzoek tot vermindering van de kinder- en/of partneralimentatie bij de rechtbank in te dienen, maar heeft hij dat tot op heden nagelaten. Bovendien heeft de man inkomsten als voetbaltrainer die hij nimmer heeft opgegeven in het kader van de berekening van zijn draagkracht, aldus de vrouw.

4.4.

In een executiegeschil kan de voorzieningenrechter de tenuitvoerlegging van een rechterlijke uitspraak slechts schorsen, indien hij van oordeel is dat de executant mede gelet op de belangen aan de zijde van de geëxecuteerde die door de executie zullen worden geschaad - geen in redelijkheid te respecteren belang heeft bij gebruikmaking van zijn bevoegdheid tot tenuitvoerlegging over te gaan. Dat zal het geval kunnen zijn indien de uitspraak klaarblijkelijk op een juridische of feitelijke misslag berust of indien de tenuitvoerlegging op grond van nadien voorgevallen of aan het licht gekomen feiten klaarblijkelijk aan de zijde van de geëxecuteerde een noodtoestand zal doen ontstaan, waardoor een onverwijlde tenuitvoerlegging niet kan worden aanvaard.

4.5.

Op basis van door partijen wederzijds aan het LBIO verstrekte gegevens en het door partijen kennelijk gedurende 36 maanden feitelijk uitvoering geven aan het door het LBIO uitgebrachte alimentatie-advies, mocht de man – naar voorshands oordeel van de voorzieningenrechter – erop vertrouwen dat aldus een gewijzigde onderhoudsverplichting was gaan gelden waaraan de man uitvoering mocht geven, te meer nu de vrouw niet heeft onderbouwd richting de man dat en wanneer zij zich hiermee niet (langer) kon verenigen.

Tegen deze achtergrond maakt de vrouw thans misbruik van recht door tenuitvoerlegging van de beschikking van 9 december 2009 en ziet de voorzieningenrechter daarom aanleiding tot schorsing daarvan.

4.6.

Indien en voor zover de vrouw zich niet (meer) kan vinden in de gewijzigde onderhoudsverplichting, ligt het op haar weg om herziening van de kinder- en/of partneralimentatie te verzoeken, onder gelijktijdige verstrekking van de meest actuele financiële gegevens. In dat kader zullen dan ook de inkomsten van de man die hij als voetbaltrainer geniet, worden betrokken.

4.7.

Het voorgaande leidt ertoe dat het gevorderde voor toewijzing in aanmerking komt. De gevorderde dwangsom zal, op de hierna te melden wijze, worden gematigd en gemaximeerd.

4.8.

Gelet op de relatie tussen partijen als ex-echtgenoten zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

veroordeelt de vrouw de tenuitvoerlegging van de beschikking d.d. 9 december 2009 te (doen) stoppen en beveelt de vrouw het LBIO binnen vijf dagen na betekening van dit vonnis opdracht te geven het loonbeslag onder de werkgever van de man – [bedrijf] te Deventer – op te heffen, op straffe van verbeurte van een dwangsom van

€ 250,00 per dag voor iedere dag dat de vrouw nalaat zulks te doen, tot een maximum van

€ 5.000,00,

5.2.

veroordeelt de vrouw tot terugbetaling van hetgeen middels loonbeslag is ingevorderd, voor zover dit bedraagt dan € 227,00 per maand,

5.3.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.4.

compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,

5.5.

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. L.M. Rijksen en in het openbaar uitgesproken op 16 november 2018.1

1 type: coll: