Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2018:4941

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
21-12-2018
Datum publicatie
21-12-2018
Zaaknummer
08-952745-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Een 31-jarige brandweerman is veroordeeld tot een taakstraf van 100 uur voor het veroorzaken van een dodelijk ongeval met zijn brandweerauto tijdens een uitruk in Deventer. De brandweerauto reed met zwaailicht en sirene aan, door rood licht op een kruising bij de oprit naar de A1. Daar botste hij op een personenauto die de kruising opreed. De inzittende overleed aan haar verwondingen.

De rechtbank oordeelt dat de brandweerman door het rode licht mocht rijden, maar daar veel te hard reed. Hij ging 94 kilometer per uur, waar hij volgens de richtlijnen maar met een snelheid van 20 kilometer per uur door het rode licht had mogen rijden. Dit is aanmerkelijk onvoorzichtig rijgedrag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWR 2019/4
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Strafrecht

Meervoudige kamer

Zittingsplaats Zwolle

Parketnummer 08-952745-17

Datum vonnis: 21 december 2018

Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1987 in [geboorteplaats] ,

wonende te [adres] .

1 Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 13 december 2018.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie

mr. G.H. Agelink en van wat door verdachte en zijn raadsman mr. H. Tadema, advocaat te Deventer, naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

De verdenking komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

als bestuurder van een brandweerwagen (met zwaailicht en sirene), zeer onvoorzichtig heeft gereden door met te hoge snelheid een rood verkeerslicht te negeren en hierdoor een aanrijding heeft veroorzaakt waardoor [slachtoffer] werd gedood.

Als dat niet bewezen kan worden, wordt verdachte verweten dat hij als bestuurder van een brandweerwagen (met zwaailicht en sirene), is gebotst tegen een voor hem van links komende auto waardoor gevaar op de weg werd veroorzaakt.

Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:

hij op of omstreeks 18 juni 2017 te Deventer in de gemeente Deventer, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (bedrijfsauto (brandweerwagen)), - zijnde een motorrijtuig dat optische en geluidssignalen voerde als bedoeld in artikel 29 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 en als zodanig een voorrangsvoertuig was in de zin van artikel 1 van voormeld reglement -, komende uit de richting van de Schoonenvaardersingel en/of gaande in de richting van de kruising van de wegen, de Deventerweg en de Oprit naar de A-1, daarmede rijdende over de middelste rijstrook van de drie rijstroken voor het rechtdoor gaande verkeer van de rijbaan van de weg, de Deventerweg,

zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig, onoplettend en/of onachtzaam heeft gereden, hierin bestaande dat verdachte,

toen een voor hem, verdachte uit over die middelste rijstrook rijdende bestuurder van een ander motorrijtuig (personenauto, merk Citroen type C1) zijn motorijtuig afremde en/of tot stilstand bracht voor de in zijn richting en/of de rijrichting van verdachte gekeerde en rood uitstralende verkeerslichten, met dat door hem, verdachte bestuurde motorrijtuig (bedrijfsauto (brandweerwagen)), naar links heeft gestuurd en naar links is gegaan en/of

dat andere motorrijtuig via de linker rijstrook van die drie voor het rechtdoor gaande verkeer bestemde rijstroken heeft ingehaald en/of voorbij is gereden, terwijl de voor deze kruising geplaatste en in zijn, verdachtes rijrichting gekeerd staande verkeerslichten reeds ongeveer 15 seconden rood licht uitstraalden en/of

met een snelheid van ongeveer gelegen tussen de 94 en 101 km/u voormelde kruising is op- en/of overgereden, althans in strijd met het gestelde in de "Brancherichtlijn optische en geluidssignalen brandweer 2017" (in werking getreden 1 juni 2017), voormelde kruising niet is op- en/of overgereden met een lagere snelheid dan 20 kilometer per uur en/of

is gebotst tegen, althans in aanrijding is gekomen met een gezien zijn verdachtes, rijrichting op die weg (de Deventerweg) tegemoetkomend en in de richting van de oprit van de A1 afslaand en/of gezien zijn, verdachtes rijrichting dicht van links genaderd zijnd ander motorrijtuig (personenauto, merk Fiat),

en aldus zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor een ander(genaamd [slachtoffer] ) werd gedood en/of

welk feit is veroorzaakt of mede is veroorzaakt doordat hij een krachtens de Wegenverkeerswet 1994 vastgestelde maximumsnelheid in ernstige mate heeft overschreden;

ALTHANS, voor zover voor het vorenstaande geen veroordeling mocht of zou kunnen volgen, SUBSIDIAIR, terzake dat

hij op of omstreeks 18 juni 2017 te Deventer in de gemeente Deventer, als bestuurder van een motorrijtuig (bedrijfsauto (brandweerwagen)), -zijnde een motorrijtuig dat optische en geluidssignalen voerde als bedoeld in artikel 29 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 en als zodanig een voorrangsvoertuig was in de zin van artikel 1 van voormeld reglement-, komende uit de richting van de Schoonenvaardersingel en/of gaande in de richting van de kruising van de wegen, de Deventerweg en de Oprit naar de A-1, daarmede heeft gereden over de middelste rijstrook van de drie rijstroken voor het rechtdoor gaande verkeer van de rijbaan van de weg, de Deventerweg en

toen een voor hem, verdachte uit over die middelste rijstrook rijdende bestuurder van een ander motorrijtuig (personenauto, merk Citroen type C1) zijn motorijtuig afremde en/of tot stilstand bracht voor de in zijn richting en/of de rijrichting van verdachte gekeerde en rood uitstralende verkeerslichten, met dat door hem, verdachte bestuurde motorrijtuig (bedrijfsauto (brandweerwagen)), naar links heeft gestuurd en naar links is gegaan en/of

dat andere motorrijtuig via de linker rijstrook van die drie voor het rechtdoor gaande verkeer bestemde rijstroken heeft ingehaald en/of voorbij is gereden, terwijl de voor deze kruising geplaatste en in zijn, verdachtes rijrichting gekeerd staande verkeerslichten reeds ongeveer 15 seconden rood licht uitstraalden

en/of met een snelheid van ongeveer gelegen tussen de 94 en 101 km/u voormelde kruising is op- en/of overgereden, althans in strijd met het gestelde in de "Brancherichtlijn optische en geluidssignalen brandweer 2017" (in werking getreden 1 juni 2017), voormelde kruising niet is op- en/of overgereden met een lagere snelheid dan 20 kilometer per uur en/of

is gebotst tegen, althans in aanrijding is gekomen met een gezien zijn verdachtes, rijrichting op die weg (de Deventerweg) tegemoetkomend en in de richting van de oprit van de A1 afslaand en/of gezien zijn, verdachtes rijrichting dicht van links genaderd zijnd ander motorrijtuig (personenauto, merk Fiat),

door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd,

althans kon worden gehinderd.

3 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 De bewijsoverwegingen

4.1

Inleiding – het ongeval

Op 18 juni 2017 rond 19:30 uur kwam er bij de brandweer in Deventer een melding binnen van een ongeval met letsel op de Deventerstraat in Deventer. Het betrof een zogenaamde prio-1 melding. De brandweer is vervolgens met twee brandweervoertuigen: een tankautospuit (hierna: blusvoertuig) en een hulpverleningsvoertuig (hierna: brandweervoertuig) vertrokken richting de plek van het ongeval. Het blusvoertuig reed voorop en verdachte bestuurde het brandweervoertuig daar achter. Omdat het een prio-1 melding betrof, voerde het brandweervoertuig dat door verdachte werd bestuurd optische- en geluidssignalen (zwaailicht en sirene). Op een bepaald moment reden het blusvoertuig en het brandweervoertuig op de Deventerweg. Zij naderden de verkeerslichten ter hoogte van de afslag A1 – Apeldoorn rijdend op de middelste van drie rijstroken. Omdat een andere auto (Citroën C1) de middelste rijbaan bezette, is verdachte deze auto aan de linkerzijde gepasseerd.1 De verkeerslichten stonden op dat moment op rood. Verdachte heeft vervolgens het rode verkeerslicht gepasseerd en is de kruising opgereden, achter het blusvoertuig aan.2 In tegenovergestelde richting, komend vanuit Epse en voorgesorteerd voor het verkeerslicht om linksaf te slaan richting de oprit A1 richting Apeldoorn, stond mevrouw [slachtoffer] (hierna: het slachtoffer) met haar auto. Op het moment dat het verkeerslicht voor haar groen werd, trok zij op met haar auto. Het slachtoffer passeerde de stopstreep terwijl de voor haar geldende verkeerslichten geel licht uitstraalden.3 Het blusvoertuig was haar op dat moment al voorbij gereden. Het slachtoffer reed de kruising op en werd aan de rechterzijde van haar auto geraakt door het brandweervoertuig van verdachte. Het slachtoffer is met haar auto onder het brandweervoertuig terechtgekomen en beide voertuigen zijn tientallen meters verder tegen een bushokje tot stilstand gekomen.4 Het slachtoffer is ter plaatse overleden.

4.2

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden.

De officier van justitie heeft ter onderbouwing van zijn standpunt verwezen naar een beschikking van de Minister van Infrastructuur en Milieu waarin staat dat aan voertuigen van de brandweer vrijstelling van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV) wordt verleend bij minder spoedeisende taken. Als voorwaarde bij deze vrijstelling geldt dat de brandweer zich moet houden aan de voorschriften van de Brancherichtlijn Optische- en Geluidssignalen Brandweer van

1 juni 2017 (hierna: de brancherichtlijn). Aangezien verdachte onderweg was naar een spoedeisende taak, gold de brancherichtlijn voor hem des te meer. Volgens de officier van justitie heeft verdachte zich niet gehouden aan de brancherichtlijn, met name waar het gaat om de richtlijnen ten aanzien van het oversteken van kruispunten en het negeren van een rood uitstralend verkeerslicht. In de brancherichtlijn staat dat het negeren van een rood verkeerslicht gebeurt met een snelheid van maximaal 20 kilometer per uur. Ondanks de aanwezigheid van de Korteafstandsradio (het KAR-systeem) in de verkeersregelinstallatie op het kruispunt, had verdachte zich moeten vergewissen van de kleur die het verkeerslicht voor hem uitstraalde en de snelheid waarmee hij dit verkeerslicht zou passeren. Het desbetreffende verkeerslicht stond al 15 seconden op rood. De officier van justitie vindt het verwijtbaar dat verdachte, door niet goed op de kleur van het verkeerslicht te letten en vervolgens met een snelheid van minstens 94 kilometer per uur het rode licht te negeren, een ongeval heeft veroorzaakt waarbij een dodelijk slachtoffer is te betreuren. Het geheel van verkeersgedragingen en inschattingsfouten moet er volgens de officier van justitie toe leiden dat sprake is van ‘ernstige schuld’ zoals bedoeld in artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW).

4.3

Het standpunt van de raadsman en de verdachte

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat niet is bewezen dat verdachte zeer of aanmerkelijk onvoorzichtig heeft gereden. Het aan de linkerzijde passeren van de Citroën C1 was op zichzelf niet gevaarzettend. Op grond van artikel 91 van het RVV mocht verdachte de maximumsnelheid overtreden, omdat hij onderweg was naar een prio-1 melding en met zwaailicht en sirenes reed. De brancherichtlijn is een beleidsregel en geen wet in formele zin. Volgens de raadsman is geen sprake van het in ernstige mate overtreden van de maximumsnelheid krachtens de WVW. Op de Deventerweg geldt immers een maximum toegestane snelheid van 80 kilometer per uur, die verdachte slechts in beperkte mate heeft overschreden. Op grond van het RVV mocht verdachte er volgens de raadsman op vertrouwen dat hij, vanwege het voeren van zwaailicht en sirenes, voorrang zou krijgen van andere weggebruikers. Verschillende getuigen hebben verklaard dat zij het brandweervoertuig waarin verdachte reed goed hebben gezien en gehoord. Bovendien was de verkeersregelinstallatie uitgerust met een KAR-systeem, waardoor de verkeerslichten op groen zouden springen zodra verdachte deze verkeerslichten zou naderen met zijn brandweervoertuig. Verdachte was zich er niet van bewust dat het KAR-systeem van de verkeersinstallatie waar het ongeval plaatsvond niet werkte. Verdachte heeft ter terechtzitting toegelicht dat hij gefocust was op de kruising en het ongeval waar hij als hulpverlener naar onderweg was. Hij probeerde gelijktijdig met het blusvoertuig bij dat ongeval te komen. De kruising was vrij op het moment dat hij onder de verkeerslichten door reed en hij volgde de lijn van het blusvoertuig voor hem. Verdachte was er daarom van overtuigd dat hij door kon rijden. Daarnaast blijkt uit getuigenverklaringen dat het slachtoffer niet alle aandacht bij haar omgeving c.q. op de weg had. Uit onderzoek blijkt verder dat het slachtoffer berichten verstuurde met haar telefoon op het moment dat zij op de voorsorteerstrook richting de A1 reed. Volgens de raadsman zou verdachte op grond van dit geheel van omstandigheden moeten worden vrijgesproken van het ten laste gelegde.

4.4

Het oordeel van de rechtbank5

4.4.1

Het toetsingskader

Het staat niet ter discussie dat verdachte op 18 juni 2017 onderweg was om een dringende taak te vervullen (prio-1) als bedoeld in artikel 29 RVV. Om dat kenbaar te maken voerde verdachte zwaailicht en sirenes. Artikel 1 RVV bepaalt dat het brandweervoertuig daardoor de status van voorrangsvoertuig kreeg. Bestuurders van voorrangsvoertuigen zijn vrijgesteld van alle voorschriften van het RVV, voor zover de uitoefening van hun taak dit vereist.6 In artikel 29 RVV is opgenomen dat bij ministeriele regeling voorschriften gesteld kunnen worden betreffende het voeren van zwaailicht en sirene door hulpdiensten. In de Regeling Optische en Geluidssignalen 2009 (hierna: De Regeling) zijn deze nadere voorschriften gesteld. Op grond van artikel 3 van De Regeling dient de brandweer een richtlijn op te stellen met betrekking tot de werkzaamheden en omstandigheden waarin van het zwaailicht en de sirenes gebruik mag worden gemaakt. In De Regeling is verder bepaald dat in die richtlijn ten aanzien van de bestuurder van het voorrangsvoertuig onder meer de volgende eis geldt: “Het negeren van een rood stoplicht gebeurt met een snelheid van maximaal 20 km per uur.” De richtlijn die voor de brandweer is opgesteld is

de brancherichtlijn ‘Optische en geluidssignalen brandweer’.

4.4.2

Het passeren van rood licht

Op basis van het onderzoek dat heeft plaatsgevonden kan worden geconcludeerd dat de verkeerslichten op de Deventerweg voor de kruising met de A1 richting Apeldoorn op de rijbaan waar verdachte reed 15 seconden rood licht uit uitstraalden, toen hij de stopstreep passeerde.7Verdachte mocht, omdat hij kon worden aangemerkt als voorrangsvoertuig, dit rode verkeerslicht negeren. In de brancherichtlijn staat het volgende geschreven: ‘Het naderen en oversteken van kruispunten gebeurt met aangepaste snelheid. Bij het oprijden van het kruisingsvlak dient de bestuurder van het voorrangsvoertuig ervan uit te gaan dat andere weggebruikers hem niet hebben opgemerkt en hem dus mogelijk niet voor laten gaan. Daarom wordt zo nodig gestopt. Het negeren van een rood verkeerslicht gebeurt met een snelheid van maximaal 20 kilometer per uur.’8

De geldende snelheidsnorm voor verdachte zoals die in de brancherichtlijn is opgenomen volgt rechtstreeks uit De Regeling. De brancherichtlijn geeft invulling aan de wettelijke verplichting, zoals ook in de inleiding van de brancherichtlijn staat beschreven. In tegenstelling tot wat de raadsman heeft betoogd ten aanzien van de wettelijk toegestane snelheid, is de rechtbank van oordeel dat voor verdachte op basis van de brancherichtlijn bij het passeren van het rode verkeerslicht een maximum snelheid van 20 kilometer per uur gold.

4.4.3

De gereden snelheid

Op basis van het onderzoek dat heeft plaatsgevonden kan worden geconcludeerd dat verdachte de kruising is opgereden met een snelheid van minstens 94 kilometer per uur.9

4.4.4

De mate van schuld

Bestuurders van voorrangsvoertuigen zijn weliswaar vrijgesteld van de bepalingen van het RVV, maar blijven onderworpen aan onder meer de artikelen 5 en 6 WVW.

Aan verdachte is primair overtreding van artikel 6 WVW ten laste gelegd.

Bij de beoordeling of schuld aan het verkeersongeval uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid, komt het aan op het geheel van gedragingen van verdachte, de aard en ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval.

Bij de beoordeling van de vraag of in deze zaak sprake is van schuld in de zin van artikel 6 WVW, neemt de rechtbank het volgende in aanmerking.

Verdachte is de kruising genaderd en opgereden met een voertuig van behoorlijke afmetingen en met een snelheid van tenminste 94 kilometer per uur. Daar komt bij dat de kruising werd geregeld door verkeerslichten en dat het verkeerslicht op de rijbaan in de richting van verdachte al 15 seconden rood licht uitstraalde, wat de kans op het in beweging komen van kruisend verkeer vergrootte. Door de snelheid waarmee verdachte het kruispunt opreed, was het naar het oordeel van de rechtbank onmogelijk om nog adequaat te kunnen reageren op onvoorziene of onberekenbare gedragingen van andere weggebruikers, waaronder die van het slachtoffer.

Juist omdat verdachte in het verkeer reed in een voorrangsvoertuig en zich niet hoefde te houden aan de voorschriften uit de RVV, moest hij zich ervan bewust zijn dat zijn rijgedrag, de voorschriften negerend, ook gevaarscheppend kon zijn.

Dat staat ook met zoveel woorden genoemd in de brancherichtlijn:

De bestuurder van een voorrangsvoertuig dient zich bewust te zijn van zijn bijzondere positie en verantwoordelijkheden. De optische en geluidssignalen worden gebruikt als vraag om medewerking van andere weggebruikers en niet als dwangmiddel. De bestuurder moet zich rekenschap geven van de mogelijkheid dat andere weggebruikers hem niet horen en/of zien, danwel zijn richting en/of snelheid niet goed kunnen inschatten. Dit betekent dat er rekening gehouden dient te worden met reacties van andere weggebruikers. Het algehele rijgedrag van de bestuurder van het voorrangsvoertuig dient beheerst te zijn.”

De rechtbank acht het door een rood verkeerslicht naderen en oprijden van de kruising met een overschrijding van de voor verdachte toegestane snelheid van minstens 74 kilometer per uur onder de gegeven omstandigheden disproportioneel, zodanig dat dit aanmerkelijk onvoorzichtig rijgedrag oplevert in de zin van schuld als bedoeld in artikel 6 WVW. Als gevolg van dit aanmerkelijk onvoorzichtig handelen is verdachte met zijn brandweervoertuig gebotst tegen de auto van het slachtoffer, als gevolg waarvan zij is komen te overlijden.10

4.4.5

Het KAR-Systeem

De verkeersregelinstallatie op de kruising was voorzien van het KAR-systeem. Hiermee zou de uitrusting in het brandweervoertuig moeten corresponderen, zodat prioriteitsverlening (groen licht) verkregen zou worden. Het KAR-systeem in de verkeersregelinstallatie bevatte echter een softwarefout, waardoor verdachte geen groen licht kreeg. Naar het oordeel van de rechtbank doet die omstandigheid, anders dan door de raadsman is betoogd, niet af aan de aanmerkelijke onvoorzichtigheid. Verdachte bleef als bestuurder van het voertuig altijd verantwoordelijk en mocht op basis van het KAR-systeem niet blindelings vertrouwen op het krijgen van groen licht.

4.4.6

Het slachtoffer

Omdat het voorrangsvoertuig van verdachte betrokken is geraakt bij een verkeersongeval, staat vast dat het slachtoffer verdachte geen voorrang heeft verleend. Omdat de mobiele telefoon op de schoot van het slachtoffer werd aangetroffen, is onderzoek gedaan naar de vraag of het slachtoffer mogelijk is afgeleid door het gebruik van haar mobiele telefoon.

Uit het ingestelde onderzoek is niet gebleken dat het slachtoffer berichten stuurde met haar telefoon toen zij de kruising met de Deventerweg op reed.11 Het verzenden van de berichten heeft plaatsgevonden vóórdat zij het stoplicht op de kruising naderde. De rechtbank overweegt dat het verzenden van berichten door het slachtoffer dus geen invloed gehad heeft op het ontstaan van het ongeluk.

4.4.7

Links inhalen

De rechtbank is het met de raadsman eens dat het ten laste gelegde ‘met dat door hem, verdachte bestuurde motorrijtuig (bedrijfsauto (brandweerwagen)), naar links heeft gestuurd en naar links is gegaan’ niet op zichzelf als aanmerkelijk onvoorzichtig of onoplettend rijgedrag kan worden aangemerkt. Dat verdachte de vrije linkerbaan koos om vervolgens rechtdoor de kruising te kunnen oversteken is niet (extra) gevaarzettend geweest. De rechtbank is van oordeel dat dit gedeelte van de tenlastelegging niet wettig en overtuigend bewezen kan worden en zal verdachte hiervan vrijspreken.

4.5

De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat:

hij op 18 juni 2017 in de gemeente Deventer, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (bedrijfsauto (brandweerwagen)) dat optische- en geluidssignalen voerde als bedoeld in artikel 29 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 en als zodanig een voorrangsvoertuig was in de zin van artikel 1 van voormeld reglement -, komende uit de richting van de Schoonenvaardersstraat en gaande in de richting van de kruising van de wegen, de Deventerweg en de Oprit naar de A-1, daarmede rijdende over de Deventerweg,

aanmerkelijk, onvoorzichtig heeft gereden, hierin bestaande dat verdachte,

met dat door hem, verdachte bestuurde motorrijtuig (bedrijfsauto (brandweerwagen)), terwijl de voor deze kruising geplaatste en in zijn, verdachtes rijrichting gekeerd staande verkeerslichten reeds ongeveer 15 seconden rood licht uitstraalden

met een snelheid van ongeveer gelegen tussen de 94 en 101 km/u voormelde kruising is op- en overgereden, en

is gebotst tegen een gezien zijn verdachtes, rijrichting op die weg (de Deventerweg) tegemoetkomend en in de richting van de oprit van de A1 afslaand en gezien zijn, verdachtes rijrichting dicht van links genaderd zijnd ander motorrijtuig (personenauto, merk Fiat),

en aldus zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor een ander(genaamd [slachtoffer] ) werd gedood en

welk feit is veroorzaakt of mede is veroorzaakt doordat hij een krachtens de Wegenverkeerswet 1994 vastgestelde maximumsnelheid in ernstige mate heeft overschreden.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

5 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld in artikel 6 WVW. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:

Overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood.

6 De strafbaarheid van verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor het bewezenverklaarde feit.

7 De op te leggen straf of maatregel

7.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte te veroordelen tot een taakstraf van 180 uren, te vervangen door 90 dagen hechtenis, en een voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid, voor de duur van 18 maanden.

7.2

Het standpunt van de raadsman en de verdachte

De raadsman heeft verzocht om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 9a Wetboek van Strafrecht (Sr) en aan verdachte geen straf of maatregel op te leggen. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat het gebeurde grote indruk op hem heeft gemaakt. Hij heeft zijn ervaringen door het meemaken van dit ongeval gedeeld met collega’s in de vorm van een ‘leertafel’, zodat zij daar ook van kunnen leren. Volgens de raadsman zou een straf niets toevoegen aan de impact die het ongeval op verdachte heeft gehad. Het ongeval en de onzekerheid over de afloop erna, is voor hem voldoende straf geweest.

7.3

De gronden voor een straf of maatregel

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij het volgende van belang.

Verdachte was op 18 juni 2017 als bestuurder van een brandweervoertuig, met zwaailicht en sirene samen met een collega onderweg naar melding. Voor hem reed het zogenaamde blusvoertuig met nog twee collega’s. Ter hoogte van de kruising op de Deventerweg met de oprit naar de snelweg A1 richting Apeldoorn is verdachte in botsing gekomen met een personenauto. Ten gevolge van deze botsing is de personenauto onder het brandweervoertuig van verdachte terecht gekomen, waardoor het brandweervoertuig onbestuurbaar werd en het samen met de personenauto, tientallen meters verder, tegen een bushokje tot stilstand kwam. De bestuurster van de personenauto is ter plaatse overleden.

De rechtbank vindt het bij een bewezenverklaring van artikel 6 WVW niet passend om toepassing te geven aan artikel 9a Sr zoals door de raadsman is verzocht.

De raadsman heeft betoogd dat het bij spoed de praktijk is, dat kruisingen als deze met een snelheid zoals in dit geval, worden overgestoken. Dat betekent naar het oordeel van de rechtbank echter niet dat het rijgedrag van verdachte onbestraft moet blijven. Integendeel, de rechtbank is van oordeel dat met een op te leggen straf ook recht wordt gedaan aan de generale preventie, inhoudende dat ook anderen lering trekken uit het gebeurde.

De rechtbank houdt er wel rekening mee dat verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan in de uitoefening van zijn functie als brandweerman, terwijl hij met spoed op weg was naar een voor anderen mogelijk levensbedreigende situatie, waarbij hij in het belang van de veiligheid van anderen ook voor zichzelf risico’s heeft genomen.

Dit zijn bijzondere omstandigheden op grond waarvan de rechtbank van oordeel is dat van de oriëntatiepunten voor straftoemeting moet worden afgeweken.

De oriëntatiepunten geven als uitgangspunt voor de op te leggen straf in een situatie, waarbij sprake is van aanmerkelijke schuld en een dodelijk slachtoffer, een taakstraf van 240 uur en een ontzegging van de rijbevoegdheid. Dat betekent dat de rechtbank, waar zij een taakstraf wel een passende straf acht, een lager aantal uren zal opleggen dan in de oriëntatiepunten is vermeld.

Bij het bepalen van de hoogte van de op te leggen taakstraf, heeft de rechtbank acht geslagen op de volgende omstandigheden.

Verdachte heeft ter zitting er blijk van gegeven dat hij de ernst van het door hem aangedane leed inziet. De gevolgen voor de nabestaanden van het slachtoffer zijn groot, zoals ook bleek uit de ter terechtzitting door de ex-partner van het slachtoffer voorgedragen verklaring van de zoon van het slachtoffer.

De rechtbank houdt er verder rekening mee dat verdachte geen strafblad heeft en voor de uitoefening van zijn functie als brandweerman in sterke mate afhankelijk is van zijn rijbevoegdheid.

Alles overziende acht de rechtbank in dit geval oplegging van een taakstraf voor de duur van 100 uren, subsidiair 50 dagen hechtenis, passend en geboden.

De rechtbank zal de ontzegging van de rijbevoegdheid om motorrijtuigen te besturen voorwaardelijk opleggen voor de duur van 6 maanden.

8 De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen en artikel 175 WVW.

9 De beslissing

De rechtbank:

bewezenverklaring

  • -

    verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;

  • -

    verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;

strafbaarheid feit

  • -

    verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;

  • -

    verklaart dat het bewezenverklaarde het volgende strafbare feit oplevert: Overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood.

strafbaarheid verdachte

- verklaart verdachte strafbaar voor het bewezenverklaarde;

straf

  • -

    veroordeelt verdachte tot een taakstraf, bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid voor de duur van 100 (honderd) uren;

  • -

    beveelt, voor het geval dat verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 50 (vijftig) dagen;

maatregel

  • -

    ontzegt de verdachte ter zake van het bewezen verklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 6 (zes) maanden, voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren;

  • -

    bepaalt dat de ontzegging van de rijbevoegdheid niet ten uitvoer wordt gelegd tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast omdat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit.

Dit vonnis is gewezen door mr. S. Taalman, voorzitter, mr. D.E. Schaap en

mr. D.L. Westendorp, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M. Bakker, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 21 december 2018

1Het proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting inhoudende de, ten aanzien van de feiten, bekennende verklaring van verdachte.

2Het proces-verbaal “Analyse van een verkeersdelict o.b.v. een verkeersregelinstallatie” van 22 oktober 2017, pagina 109.

3Het proces-verbaal Verkeers Ongevallen Analyse van 11 november 2017, pagina 87 en het proces-verbaal “Analyse van een verkeersdelict o.b.v. een verkeersregelinstallatie” van 22 oktober 2017, pagina 109.

4Het proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting inhoudende de, ten aanzien van de feiten, bekennende verklaring van verdachte.

5 Wanneer wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van de regiopolitie Oost-Nederland met nummer PL0600-2017279694 . Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.

6Artikel 91 van het RVV.

7 Het proces-verbaal “Analyse van een verkeersdelict o.b.v. een verkeersregelinstallatie” van 22 oktober 2017, pagina 109.

8 De brancherichtlijn, pagina 161.

9Het proces-verbaal Verkeers Ongevallen Analyse van 11 november 2017, pagina 86.

10Het proces-verbaal van bevindingen van 19 juni 2017, pagina 56.

11 Het proces-verbaal aanvullend van 1 februari 2018.