Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2018:4698

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
05-11-2018
Datum publicatie
07-12-2018
Zaaknummer
222838 KG ZA 18-273
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Ontruiming van de woning gelast.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Zwolle

Zaaknummer : 222838 KG ZA 18-273

Vonnis in kort geding van 5 november 2018

in de zaak van

de stichting

STICHTING RIBW GROEP OVERIJSSEL,

gevestigd te Zwolle,

eisende partij, hierna te noemen RIBW,

gemachtigde: mr. J. Eerbeek,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [plaats] ,

gedaagde partij, hierna te noemen [gedaagde] ,

niet verschenen.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding met producties

  • -

    het faxbericht van 26 oktober 2018 met productie 11

  • -

    de mondelinge behandeling.

1.2.

Hierna is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

RIBW is een zorgaanbieder die een combinatie van begeleiding en verblijfsruimte biedt aan mensen die vanwege psychiatrische en/of psychologische problemen ondersteuning nodig hebben in hun dagelijkse leven.

2.2.

RIBW is met [gedaagde] op 20 december 2016 een begeleidingsovereenkomst aangegaan. Op deze overeenkomst zijn de Algemene voorwaarden geestelijke gezondheidszorg 2012 (hierna: de algemene voorwaarden) van toepassing en de Huisregels RIBW IJsselhof. De algemene voorwaarden zijn (ook) in de begeleidingsovereenkomst samengevat weergegeven (hierna: de samengevatte algemene voorwaarden).

2.3.

De begeleidingsovereenkomst is gegrond op een beschikking van de Centrale Toegang van GGD IJsselland van 31 oktober 2017, waarin de ‘Toekenning maatwerkvoorziening Beschermd wonen in natura’ is vastgelegd voor [gedaagde] over de periode 1 september 2017 tot en met 31 augustus 2018. Daarvoor had [gedaagde] een beschikking voor ZZP GGZ 4C over de periode 1 september 2016 tot en met 31 augustus 2017.

2.4.

Op grond van de begeleidingsovereenkomst is door RIBW ten behoeve van de begeleiding van [gedaagde] een verblijfsruimte ter beschikking gesteld aan [adres 1] te [plaats] . Deze verblijfsruimte is ter beschikking gesteld als tijdelijke verblijfsruimte in afwachting van een definitieve, structurele woonruimte.

2.5.

Er is een Zorgplan opgesteld, waarin als doel is opgenomen:

“Ik heb een indicatie tot 31 augustus 2018 en ik wil onderzoeken of ik bij [adres 2] kan en wil blijven wonen of dat ik op mijzelf ga wonen en wat ik daar eventueel bij nodig heb. (is mijn hulpvraag voldoende om in aanmerking te blijven komen voor een indicatie begeleid wonen).”

2.6.

[gedaagde] heeft meermalen een alternatieve woonruimte bekeken met (een medewerker van) RIBW.

2.7.

De indicatie van [gedaagde] is per 1 september 2018 verlopen en niet verlengd.

2.8.

Op 26 juli 2018 is [gedaagde] door RIBW uitgenodigd voor een gesprek over de woonsituatie van [gedaagde] na het verlopen van de indicatie. [gedaagde] heeft aan deze uitnodiging geen gehoor gegeven.

2.9.

Op 14 augustus 2018 heeft RIBW [gedaagde] een formele waarschuwing gestuurd over het verlopen van de indicatie van [gedaagde] , alsmede over diens gedrag.

2.10.

Bij brief van 12 september 2018 heeft RIBW, onder vermelding van de gronden voor de opzegging, de begeleidingsovereenkomst opgezegd. [gedaagde] is in de gelegenheid gesteld uiterlijk op donderdag 20 september 2018 voor 15.00 uur tot ontruiming van de verblijfsruimte over te gaan. [gedaagde] heeft daaraan geen gevolg gegeven.

3 Het geschil

3.1.

RIBW vordert – samengevat – bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, ontruiming van de woning aan [adres 1] te [plaats] , met onmiddelijke ingang en subsidiair binnen een door de voorzieningenrechter in redelijkheid vast te stellen korte termijn na betekening van dit vonnis, met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten.

4 De beoordeling

4.1.

Van een spoedeisend belang is in voldoende mate gebleken.

4.2.

[gedaagde] is niet verschenen. De voorzieningenrechter constateert dat bij de dagvaarding de bij de wet voorgeschreven formaliteiten in acht zijn genomen, zodat het gevraagde verstek zal worden verleend.

4.3.

De vorderingen komen de voorzieningenrechter niet onrechtmatig of ongegrond voor en behoren daarom te worden toegewezen met inachtneming van het navolgende.

4.4.

RIBW heeft onweersproken gesteld dat [gedaagde] geen beroep op huurbescherming toekomt, omdat het recht op het gebruik van de woning is gekoppeld aan de begeleiding van [gedaagde] .

4.5.

RIBW heeft de begeleidingsovereenkomst opgezegd en vordert ontruiming omdat per 1 september 2018 de indicatie van [gedaagde] is geëindigd en daarmee ook de financiering voor de begeleiding van RIBW is geëindigd. Ondanks diverse aanbiedingen tot verlenging in verschillende vervolg(woon/begeleiding)voorzieningen en begeleiding bij een gesprek met de Centrale Toegang over een (verlenging van de) indicatie heeft [gedaagde] daaraan geen medewerking verleend. Verder heeft RIBW onweersproken gesteld dat [gedaagde] zijn verantwoordelijkheden en verplichtingen uit de begeleidingsovereenkomst niet nakomt: hij weigert om de voorgeschreven noodzakelijke medicatie in te nemen, accepteert niet de noodzakelijke hulp van deskundigen, verschijnt niet op afspraken, stelt zich onbegeleidbaar op en vertoont (ernstig) agressief, intimiderend en bedreigend gedrag tegenover andere cliënten en medewerkers van RIBW, waardoor het zelfs noodzakelijk is geworden extra (zeer) kostbare beveiliging in te huren.

4.6.

De voorzieningenrechter acht op grond van het voorgaande aannemelijk geworden dat inmiddels een zodanige situatie is ontstaan dat het laten voortduren van de begeleidingsovereenkomst in redelijkheid niet langer van het RIBW kan worden verlangd en dat in een eventuele bodemprocedure zal worden geoordeeld dat RIBW de begeleidingsovereenkomst mocht opzeggen, zoals zij heeft gedaan bij brief van 12 september 2018. Dat betekent dat de gevorderde ontruiming in beginsel toewijsbaar is. RIBW vordert echter primair onmiddellijke ontruiming. In dat verband heeft RIBW naar voren gebracht dat zij gelet op het gedrag van [gedaagde] geen mogelijkheden ziet tot het verlenen van adequate nazorg aan [gedaagde] , dat de situatie onhoudbaar is geworden en dat zij zeer hoge beveiligingskosten moet maken. De voorzieningenrechter zal gelet op het bepaalde in artikel 555 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering echter een ontruimingstermijn van 3 dagen hanteren. [gedaagde] wordt op deze wijze in de gelegenheid gesteld om vrijwillig te vertrekken en een ontruiming door een deurwaarder te voorkomen. Ook valt niet uit te sluiten dat [gedaagde] indien hem bekend is geworden dat hij moet ontruimen wel open staat voor behulpzaamheid van RIBW in contacten met bijvoorbeeld de maatschappelijke opvang. Van RIBW mag, gelet op de in (artikel 28 en 29 van de algemene voorwaarden bij) de begeleidingsovereenkomst opgenomen verplichting tot nazorg, worden verwacht dat zij [gedaagde] dan ondersteuning biedt als [gedaagde] daaraan behoefte heeft en zich dan begeleidbaar opstelt.

4.7.

[gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van RIBW worden begroot op:

- dagvaarding € 82,57

- griffierecht € 626,00

- salaris gemachtigde € 633,00

Totaal € 1.341,57.

5 De beslissing in kort geding

De voorzieningenrechter:

5.1.

veroordeelt [gedaagde] om binnen drie dagen na betekening van dit vonnis de woning

aan [adres 1] te [plaats] met al degenen die en al hetgeen zich daarin of daarop

bevinden respectievelijk bevindt (behoudens indien en voor zover dat eigendommen van

RIBW zijn) volledig en behoorlijk te verlaten en te ontruimen en met afgifte van de sleutels

van deze woning aan RIBW ter vrije beschikking te stellen en vervolgens verlaten en

ontruimd te houden;

5.2.

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van RIBW tot op heden begroot

op € 1.341,57, waarin begrepen € 633,00 aan salaris gemachtigde;

5.3.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

5.4.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. F.E.J. Goffin, voorzieningenrechter, en in het openbaar uitgesproken op 5 november 2018. (SK)