Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2018:4575

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
29-11-2018
Datum publicatie
29-11-2018
Zaaknummer
08/996023-17 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank Overijssel veroordeelt een juweliersechtpaar uit de provincie Groningen tot een celstraf van 8 maanden voor het plegen van faillissementsfraude. Toen het faillissement van hun juwelierszaken in Stadskanaal en Veendam in zicht kwam stelden zij geld en goederen veilig in binnen- en buitenland. Ook na het faillissement hielden ze geld uit de boedel. Zo konden zij comfortabel leven en hadden de schuldeisers en de curator het nakijken.

Hun dochter en schoonzoon zijn veroordeeld voor hun aandeel hierin. De dochter krijgt een voorwaardelijke celstraf van 3 maanden met een proeftijd van 3 jaar en een taakstraf van 240 uur. De schoonzoon moet ook 240 uur werken en heeft een voorwaardelijke celstraf van 6 maanden boven zijn hoofd hangen met een proeftijd van 3 jaar.

De rechtbank rekent het echtpaar aan dat zij alleen aan hun eigen financiële positie hebben gedacht, de schuld in de schoenen van anderen schuiven, en slechts beperkt inzicht hebben getoond in het laakbare van hun handelen. Zij hebben op geen enkele wijze laten blijken zich in de gevolgen van het uitgesproken faillissement te hebben verdiept, maar hebben enkel uit eigen gewin gehandeld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Strafrecht

Meervoudige kamer

Zittingsplaats Zwolle

Parketnummer: 08/996023-17 (P)

Datum vonnis: 29 november 2018

Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1951 te [geboorteplaats] ,

wonende te [adres 1]

1 Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 15 november 2018.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. G.J. Heidema en van hetgeen door verdachte en de raadsvrouw mr. Z. Boufadiss, advocaat te Amsterdam, naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

De verdenking komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte zich tezamen en in vereniging met anderen schuldig heeft gemaakt aan faillissementsfraude door in het zicht van- en tijdens een faillissement goederen/gelden aan de boedel te onttrekken waardoor schuldeisers benadeeld zijn (feit 1), het niet voldoen aan de verplichting de administratie voor de curator te bewaren dan wel die administratie voor die curator tevoorschijn te brengen (feit 2), het opzettelijk zonder geldige reden niet of niet afdoende reageren op verzoeken van de curator tot het verstrekken van informatie over zijn vermogen, inkomen en administratie (feit 3) en het plegen van valsheid in geschrift, bestaande uit het valselijk opmaken van een betalingsbewijs en een koopovereenkomst (feit 4).

Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:

1.

hij op één of meer momenten in de periode van 01 november 2015 tot en met 30 juni 2016 in de gemeente Oldambt en/of Groningen en/of Stadskanaal en/of Veendam, althans in Nederland en/of Spanje en/of Duitsland, tezamen en in vereniging met één of meer andere natuurlijke personen en/of rechtspersonen, althans alleen, terwijl verdachte bij vonnis van de Rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen van 7 juni 2016, in staat van faillissement is verklaard, ter bedrieglijke verkorting van de rechten van zijn schuldeiser(s), (een) bate(n) niet heeft verantwoord en/of een enig goed aan de boedel heeft onttrokken, immers hebbende verdachte en/of één of meer andere(n):

A. de curator niet geïnformeerd over, het bestaan van een kapitaalverzekering bij [maatschappij] en/of het laten uitbetalen van de kapitaalverzekering ad EUR 3.780,14 hij [maatschappij] en/of opmaken van het door [maatschappij] uitbetaalde bedrag ad EUR 3.780,14; en/of

B. de curator niet geïnformeerd over het bestaan van de inhoud van de garageboxen aan de [adres 2] te Winschoten, box [nummer 1] en [nummer 2] , wetende dat hierin inboedel stond van verdachte en/of de vennootschap van verdachte, met een waarde van circa EUR 31.073,00; en/of

C. de curator niet geïnformeerd over de Dodge Caliber met het kenteken [kenteken 1] en/of de curator niet geïnformeerd over de verkoopopbrengst van de Doge Caliber met het kenteken [kenteken 1] , te weten EUR 6.500,00, en dit bedrag niet heeft afgedragen aan de curator; en/of

D. het bezit van de Dodge Nitro met het kenteken [kenteken 2] en/of [kenteken 3] niet aan de curator gemeld en/of de verkoopopbrengst van de Dodge Nitro met het kenteken [kenteken 2] en/of [kenteken 3] , te weten EUR 5.000,00, niet afgedragen aan de curator; en/of

E. verzwegen dat hij/zij in het bezit was/waren van een tweede woning aan de Costa Azahar, [adres 3] Spanje en/of de woning zonder aan de Costa Azahar, [adres 3] Spanje, verkocht zonder toestemming van de curator en de netto verkoopopbrengst, te weten EUR 175.982,06, niet heeft afgedragen aan de curator;

en/of

hij op één of meer momenten in de periode van 01 juli 2016 tot en met 01 oktober 2017 in de gemeente Oldambt en/of Groningen en/of Stadskanaal en/of Veendam, althans in Nederland en/of Spanje en/of Duitsland, tezamen en in vereniging met één of meer andere natuurlijke personen en/of rechtspersonen, althans alleen, terwijl verdachte bij vonnis van de Rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen van 7 juni 2016, in staat van faillissement is verklaard, voor of tijdens het faillissement enig goed aan de boedel heeft onttrokken, wetende dat één of meer schuldeisers in hun verhaalsmogelijkheden word(t)(en) benadeeld, immers hebbende verdachte en/of één of meer andere(n),

A. de curator niet geïnformeerd over het bestaan van de inhoud van de garageboxen aan de [adres 2] te Winschoten, box [nummer 1] en [nummer 2] , wetende dat hierin inboedel stond van verdachte en/of de vennootschap van verdachte, met een waarde van circa EUR 31.073,00; en/of

B. de curator niet geïnformeerd over de Dodge Caliber met het kenteken [kenteken 1] en/of de curator niet geïnformeerd over de verkoopopbrengst van de Dodge Caliber met het kenteken [kenteken 1] , te weten EUR 6.500,00, en dit bedrag niet heeft afgedragen aan de curator; en/of

C. het bezit van de Dodge Nitro met het kenteken [kenteken 2] en/of [kenteken 3] niet aan de curator gemeld en/of de verkoopopbrengst van de Dodge Nitro met het kenteken [kenteken 2] en/of [kenteken 3] , te weten EUR 5.000,00, niet afgedragen aan de curator; en/of

D. verzwegen dat hij/zij in het bezit was/waren van een tweede woning aan de Costa Azahar, [adres 3] Spanje en/of de woning zonder aan de Costa Azahar, [adres 3] Spanje, verkocht zonder toestemming van de curator en de netto verkoopopbrengst, te weten EUR 175.982,06, niet heeft afgedragen aan de curator;

2.

hij op één of meer momenten in of omstreeks de periode van 07 juni 2016 tot en met 30 juni 2016 in de gemeente Oldambt en/of Groningen en/of Stadskanaal en/of Veendam, althans elders in Nederland en/of Spanje en/of Duitsland, tezamen en in vereniging met één of meer andere natuurlijke personen en/of rechtspersonen, althans alleen, terwijl verdachte bij vonnis van de Rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen van 07 juni 2016 in staat van faillissement is verklaard, ter bedrieglijke verkorting van de rechten van zijn schuldeiser(s), niet heeft voldaan aan de op hem rustende verplichtingen ten opzichte van het voeren van een administratie ingevolge artikel 15i van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek, en/of het bewaren en/of te voorschijn brengen van de boeken, bescheiden en/of

andere gegevensdragers in dat artikel bedoeld, immers hebbende verdachte en/of één of meer andere(n) hun administratie en/of die van de vennootschap, althans een groot deel hiervan, niet overlegd aan de curator, waaronder in ieder geval:

- de afschriften van de Spaanse en/of Duitse bankrekening(en); en/of

- de administratie die door [naam 1] Accountants en adviseurs in januari 2016 aan verdachte is overhandigd; en/of

- de administratie afkomstig van de juridisch adviseur [naam 2] ; en/of

- de aangetroffen stukken tijdens de doorzoeking(en); en/of

- de na 3 juli 2017 (onder druk van de faillissementsgijzeling) aan de curator overlegde administratie,

en/of

hij op één of meer momenten in of omstreeks de periode van 01 juli 2016 tot en met 01 oktober 2017, in de gemeente Oldambt en/of Groningen en/of Stadskanaal en/of Veendam, althans elders in Nederland en/of Spanje en/of Duitsland, tezamen en in vereniging met één of meer andere natuurlijke personen en/of rechtspersonen, althans alleen, terwijl verdachte bij vonnis van de Rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen van 07 juni 2016 in staat van faillissement is verklaard, desgevraagd opzettelijk niet terstond, overeenkomstig de op hem rustende wettelijke verplichtingen ter zake, een ingevolge de wettelijke verplichtingen gevoerde en bewaarde administratie en de daartoe behorende boeken, bescheiden en andere gegevensdragers in ongeschonden vorm, aan de curator heeft verstrekt.

3.

hij in of omstreeks de periode van 07 juni 2016 tot en met 30 juni 2016 in de gemeente Oldambt en/of Groningen en/of Veendam en/of Stadskanaal, althans in Nederland en/of Spanje en/of Duitsland, tezamen en in vereniging met één of meer andere(n), althans alleen, als degene die op 07 juni 2016 door de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, in staat van faillissement is verklaard en wettelijk opgeroepen tot het geven van inlichtingen, hetzij zonder geldige reden opzettelijk weg is gebleven en/of geweigerd heeft de vereiste inlichtingen te geven en/of opzettelijk verkeerde inlichtingen heeft gegeven, immers hebbende verdachte op diverse verzoeken van de curator tot het

verstrekken van informatie over vermogen, inkomen en administratie, niet of niet afdoende gereageerd en/of niet, althans veel te laat, gereageerd op de oproep van de rechter-commissaris tot het verstrekken van inlichtingen;

en/of

hij in of omstreeks de periode van 01 juli 2016 tot en met 01 oktober 2017 in de gemeente Oldambt en/of Groningen en/of Veendam en/of Stadskanaal, althans in Nederland en/of Spanje en/of Duitsland, tezamen en in vereniging met één of meer andere(n), althans alleen, als degene die op 07 juni 2016 door de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, in staat van faillissement is verklaard en wettelijk verplicht was tot het geven van inlichtingen, hetzij zonder geldige reden opzettelijk weg is gebleven en/of geweigerd heeft de vereiste inlichtingen te geven en/of opzettelijk onjuiste of onvolledige inlichtingen heeft gegeven, immers hebbende verdachte op diverse verzoeken van de curator tot het verstrekken van informatie over vermogen, inkomen en administratie, niet of niet afdoende gereageerd en/of niet, althans veel te laat, gereageerd op de oproep van de rechter-commissaris tot het verstrekken van inlichtingen;

4.

hij op of omstreeks de periode van 16 maart 2016 en/of 21 maart 2016 te Blauwestad, gemeente Oldambt, meermalen, althans eenmaal, tezamen en in vereniging met één of meer natuurlijke perso(o)n(en) en/of rechtsperso(o)n(en), althans alleen,

1. een betalingsbewijs (DOC-014), en/of

2. een koopovereenkomst (DOC-012),

zijnde elk een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt en/of heeft laten opmaken en/of heeft vervalst en/of heeft laten vervalsen,

ad 1. door hierin op te (laten) nemen dat [naam 3] en/of [bedrijf 1] , een bedrag van EUR 3.300,00 heeft voldaan ten behoeve van de huur voor [adres 4] te Stadskanaal, wetende dat deze huur niet is betaald; en/of

ad 2. door hierin op te (laten) nemen dat [bedrijf 1] de volledige inventaris in het winkelpand aan het [adres 4] te Stadskanaal en de hierbij aanwezige showroomkasten en vitrines, overneemt voor een bedrag van EUR 1.500,00 en dit bedrag contant is voldaan, wetende dat dit bedrag nooit is betaald;

met het oogmerk om het als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken.

3 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4. De bewijsoverwegingen 1

4.1

Inleiding

De rechtbank gaat op grond van de wettige bewijsmiddelen van de volgende feiten en omstandigheden uit.

Verdachte is gehuwd met medeverdachte [medeverdachte 1] (hierna [medeverdachte 1] ) en samen hebben ze één kind, medeverdachte [medeverdachte 2] (hierna [medeverdachte 2] ).

[medeverdachte 2] woonde voorheen samen met medeverdachte [medeverdachte 3] .2

Sinds 15 januari 1990 vormde verdachte samen met [medeverdachte 1] een vennootschap onder firma onder de naam [VOF] (hierna [VOF] ). Verdachte en [medeverdachte 1] beschikten over twee zakelijke panden gevestigd aan het [adres 4] in Stadskanaal en aan de [adres 5] in Veendam.3

Sinds 4 juli 2002 waren verdachte en [medeverdachte 1] voor 100% eigenaar van een vakantiewoning in [adres 3] (Spanje). Op deze woning rustte een hypotheek van € 210.000,00 ten gunste van [bedrijf 2] .4

Op 29 oktober 2015 werd een auto van het merk Dodge type Caliber op naam van [medeverdachte 1] overgeschreven op naam van [medeverdachte 3] .5 [medeverdachte 1] bleef eigenaar van deze auto.6

Op 1 december 2015 werd [VOF] door de rechtbank Noord-Nederland veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 7.915,20 aan achterstallige huur, te vermeerderen met wettelijke rente en proceskosten, aan [bedrijf 3] .7

Op 30 december 2015 werd door Rabobank Stad en Midden Groningen een brief gestuurd aan verdachte en [medeverdachte 1] waarin onder andere stond vermeld:

“(…)

Uw onderneming bevindt zich al geruime tijd in financiële problemen. Doordat gedurende een aantal jaren forse verliezen zijn geleden is er inmiddels sprake van een aanzienlijk negatief eigen vermogen. De financiële verplichtingen aan onze bank kunnen niet meer worden nagekomen. Maatregelen om het tij te keren hebben niet tot het gewenste resultaat geleid. Omdat daarmee de grondslag voor de door onze bank verstrekte bedrijfsfinanciering komt te vervallen vormt dit voor onze bank reden om tot opzegging van de financiering over te gaan.

(…)

Wij hebben begrepen dat u inmiddels contact hebt opgenomen met het Regionaal Ondernemings Instituut ( [bedrijf 4] ) om een plan van aanpak te maken over de manier waarop de aflossing van uw schulden zal gaan plaatsvinden. Dit plan van aanpak zal op 25 januari 2016 aan onze bank worden voorgelegd. Hiervoor is een afspraak ingepland om 13.30 uur op ons kantoor aan de Griffeweg 80 te Groningen. Bij deze afspraak zal tevens de heer [naam 4] van de [bedrijf 4] aanwezig zijn.

(…)

Omdat onze bank – zo nodig – gebruik wil maken van haar pandrecht zeggen wij u voorts de bevoegdheid op tot het gebruik en/of vervreemding van de goederen waarop wij pandrecht hebben.

De roerende zaken (voorraad, inventaris etc) moet u ter beschikking van onze bank houden om ze op eerste afroep aan ons af te geven. Zonder onze expliciete toestemming mag u niets meer verkopen of verwijderen.

(…)” 8

Op 12 januari 2016 nam [medeverdachte 3] de huur van twee garageboxen gelegen in een complex aan de [adres 2] in Winschoten over van verdachte.9

In een brief aan hun leveranciers deelden verdachte en [medeverdachte 1] op 1 februari 2016 mee dat zij hun zaak gingen beëindigen vanwege het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd.10

Bij brief van 18 februari 2016 werd de financiering ten behoeve van [VOF] door de Rabobank Zuid en Oost Groningen opgezegd. In deze brief staat, onder andere, vermeld:

“(…)

Zoals aan u kenbaar is gemaakt door Rabobank Stad en Midden Groningen zijn wij geïnformeerd met betrekking tot de gevoerde gesprekken tussen hen, u en uw adviseur, de heer [naam 4] .

Uw onderneming bevindt zich al geruime tijd in financiële problemen. Doordat gedurende een aantal jaren forse verliezen zijn geleden is er inmiddels sprake van een aanzienlijk negatief eigen vermogen. De financiële verplichtingen aan zowel Rabobank Stad en Midden Groningen als onze bank kunnen niet meer worden nagekomen. Maatregelen om het tij te keren hebben niet tot het gewenste resultaat geleid. Om deze reden heeft Rabobank Stad en Midden Groningen per 30 december 2015 uw financiering opgezegd met een opzegtermijn van 6 maanden.

(…)

Bij onze bank is inmiddels sprake van een ongeoorloofde debetstand op uw rekeningen met nummers NL (…).

Verder hebben wij deze week van uw adviseur vernomen dat u heeft besloten op korte termijn maar uiterlijk 1 maart 2016 uw faillissement aan te vragen.

Daarmee is de grondslag voor de door onze bank verstrekte financieringen komen te vervallen. Dit is voor onze bank een reden om tot opzegging over te gaan.

(…)

Omdat onze bank – zo nodig – gebruik wil maken van haar pandrecht zeggen wij u voorts de bevoegdheid op tot het gebruik en/of de vervreemding van de goederen waarop wij pandrecht hebben.

(…)

De roerende zaken (voorraad, inventaris etc) moet u ter beschikking van onze bank houden om ze op eerste afroep aan ons af te geven. Zonder onze expliciete toestemming mag u niets meer verkopen of verwijderen.

(…)” 11

Op 23 februari 2016 veroordeelde de rechtbank Noord-Nederland [VOF] en haar vennoten verdachte en [medeverdachte 1] tot het betaling van een bedrag van € 14.609,45, te vermeerderen met de wettelijke rente en de proceskosten aan [bedrijf 5] .12

Op 25 februari 2016 werd bij de Kamer van Koophandel geregistreerd dat [VOF] met terugwerkende kracht per 1 januari 2016 was opgeheven.13

Op 26 februari 2016 schreven verdachte en [medeverdachte 1] zich in op het adres [adres 6] in Duitsland.14

Bij overeenkomst d.d. 16 maart 2016 kwamen verdachte, [medeverdachte 1] en [bedrijf 1] , vertegenwoordigd door [medeverdachte 3] , overeen dat de bedrijfsruimte gelegen aan het [adres 4] in Stadskanaal vanaf 1 maart 2016 voor de duur van zeven jaren werd verhuurd.15 Op 16 maart 2016 tekenden verdachte en [medeverdachte 1] voor ontvangst van een bedrag van € 3.300,00: een bedrag dat [medeverdachte 3] zou hebben betaald voor het huren van het pand aan het [adres 4] in Stadskanaal voor de maanden maart, april, mei en juni 2016.16

Op 8 maart 2016 veroordeelde de rechtbank Noord-Nederland [VOF] en haar vennoten verdachte en [medeverdachte 1] tot betaling van een bedrag van € 9 .909,57, te vermeerderen met de wettelijke rente en de proceskosten aan [naam 5] .17

Bij overeenkomst d.d. 21 maart 2016 kwamen verdachte en [medeverdachte 1] met [bedrijf 1] overeen dat de – aan de Rabobank verpande – winkelinventaris van het winkelpand aan het [adres 4] in Stadskanaal werd verkocht voor een bedrag van

€ 1.500,00. Onder de overeenkomst stond vermeld dat een bedrag van € 1.500,00 was betaald en ontvangen in contanten. Deze overeenkomst werd namens verdachte en [medeverdachte 1] per volmacht getekend en voorzien van een – voor hen – onbekende handtekening.18

Op 24 maart 2016 openden verdachte en [medeverdachte 1] een Duitse bankrekening bij Kreissparkasse.19

Delta Lloyd stuurde op 16 maart 2016 een brief aan verdachte in verband met het bereiken van de einddatum van zijn kapitaalverzekering. Het eindkapitaal bedroeg een bedrag van

€ 3.780,14. Het bijgevoegde antwoordformulier werd op 26 maart 2016 ingevuld en door verdachte ondertekend te [plaats] . In dit antwoordformulier werd het (nieuwe) Duitse bankrekeningnummer opgegeven en Delta Lloyd verzocht het eindkapitaal op deze bankrekening over te maken.20

Op 8 april 2016 werd een auto van het merk Dodge type Nitro op naam van verdachte op het Duitse kenteken [kenteken 3] gezet.21

Op 20 april 2016 werd het faillissementsrekest ingediend door de Rabobank.22

De auto van het merk Dodge type Caliber werd op 3 mei 2016 met toestemming van verdachte door [medeverdachte 3] verkocht voor een bedrag van € 6.500,00.23

Op 30 mei 2016 stond [medeverdachte 1] geregistreerd op het adres [adres 7] [adres 3] in Spanje.24

Op 7 juni 2016 werden [VOF] en haar vennoten, verdachte en [medeverdachte 1] , door de rechtbank Noord Nederland failliet verklaard.25

Op 9 en 10 juni 2016 heeft de curator verdachte en [medeverdachte 1] per e-mail gevraagd met hem in contact te treden om de gevolgen van het faillissement te bespreken.26

In een brief van Delta Lloyd van 18 juni 2016 gericht aan verdachte werd aangekondigd dat de beëindigingswaarde van de kapitaalverzekering zou worden overgemaakt op de Duitse bankrekening van verdachte en [medeverdachte 1] .27

Blijkens bankafschriften van de Kreissparkasse werd op 20 juni 2016 een bedrag van

€ 3.780,14 door Delta Lloyd overgemaakt. Ook was te zien dat er tussen 23 juni 2016 tot en met 29 juni 2016 meerdere keren het maximaal op te nemen bedrag van € 503,00 was gepind. In totaal werd een bedrag van € 4.527,00 in korte tijd contant van deze Duitse rekening opgenomen.28

Verdachte en [medeverdachte 1] hebben de curator per e-mail van 30 juni 2016 om 10.01 uur toegezegd overal aan mee te werken. In deze e-mail staat vermeld dat de curator zijn vragen schriftelijk per mail kan sturen en dat verdachte en [medeverdachte 1] zo snel mogelijk zullen antwoorden. De balansen en een usb stick met de boekhouding 2015 zullen worden opgestuurd en verdachte en [medeverdachte 1] zullen de curator uitvoerig berichten indien gewenst.29

De curator heeft daarop dezelfde dag om 10.44 uur een e-mail naar verdachte en [medeverdachte 1] verstuurd naar het speciaal door [medeverdachte 1] voor de communicatie met de curator aangemaakte e-mailadres [mailadres] waarin de curator onder meer heeft gevraagd naar het huidige adres en telefoonnummer van verdachte en [medeverdachte 1] , waar de inboedel was van het huis in Blauwestad, waar de klokkenverzameling zich bevond, of zij eigenaar waren van een woning in Spanje, welke auto’s zij bezaten en of zij een overzicht van schulden en afschriften van de Spaanse bankrekening konden verstrekken. Ook verzocht hij een bijgevoegde checklist in te vullen, te ondertekenen en aan hem te retourneren.30

Op 4 juli 2016 gaf de curator aan dat hij nog geen antwoord had gekregen op deze e-mail.31

Op 3 augustus 2016 werd een notariële verkoopakte opgemaakt tussen verdachte en [medeverdachte 1] en [naam 6] . In deze koopakte was onder meer opgenomen dat de woning in [adres 3] Spanje op 3 augustus 2016 aan [naam 6] was verkocht. De koopprijs bedroeg

€ 360.000,00 en deze was op de volgende wijze ontvangen: € 3.000,00 in contanten op 7 juli 2016, € 3.000,00 en € 30.000,00 door middel van bankoverschrijving op de Spaanse bankrekening van verdachte en [medeverdachte 1] op 11 juli 2016, overhandiging van een bankcheque van € 150.872,06 ten name van de verkopers, overhandiging van een bankcheque van € 144.716,22 ten name van de Caixaltea bank ten behoeve van de aflossing van de hypothecaire lening van de verkopers en overhandiging van een bankcheque van

€ 17.611,72 ten name van de intermediair. Een bedrag van € 10.800,00 werd achtergehouden door de kopende partij in verband met het achteraf betalen aan de belastingdienst in het kader van de Wet Inkomstenbelasting Niet Ingezetenen.32

Op de Spaanse bankrekening van verdachte en [medeverdachte 1] werd op 12 juli 2016 respectievelijk een bedrag van € 30.000,- en € 3.000,- van [naam 6] bijgeschreven. In de periode 12 juli 2016 tot en met 14 juli 2016 werd in totaal een bedrag van € 22.000,00 contant opgenomen van deze rekening.33 Vervolgens vond op 4 augustus 2016 een bijboeking plaats van € 150.872,00 en werd in de periode 8 augustus 2016 tot en met 23 augustus 2016 van deze bankrekening een bedrag van € 148.740,00 contant opgenomen.34

De curator deed op 6 oktober 2016 aangifte van faillissementsfraude. Verdachte en [medeverdachte 1] zouden in het zicht van- en tijdens het faillissement gelden en goederen aan de boedel hebben onttrokken, niet voldaan hebben aan de op hen rustende verplichting om de volledige administratie tevoorschijn te brengen en onvoldoende inlichtingen hebben verstrekt. Daarnaast vermoedde de curator dat een tussen verdachte en [medeverdachte 1] enerzijds en [medeverdachte 3] anderzijds gesloten huurovereenkomst voor het winkelpand in Stadskanaal en een betalingsbewijs voor de overname van de inventaris van deze winkel valselijk waren opgemaakt.35

Op 10 maart 2017 werd de auto van het merk Dodge type Nitro op naam van [medeverdachte 1] verkocht aan [naam 2] voor een bedrag van € 5.000,00.36

Op 16 maart 2017 vond er een doorzoeking plaats in de garageboxen gelegen in een complex aan de [adres 2] in Winschoten en in deze garageboxen bevond zich onder meer inboedel die afkomstig was uit de woning in Blauwestad en de voormalige winkels van verdachte en [medeverdachte 1] alsmede de administratie.37 De curator heeft deze goederen ter veiling aangeboden en de opbrengst onder aftrek van kosten bedroeg € 31.073,14.38

4.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht het onder 1, 2, 3 en 4 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met uitzondering van de onder 4 ten laste gelegde valsheid in geschrift ten aanzien van de koopovereenkomst.

4.3

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich ten aanzien van de bewezenverklaring van de onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Ten aanzien van het onder 4 ten laste gelegde heeft de raadsvrouw vrijspraak bepleit. Daartoe heeft zij aangevoerd dat voor het valselijk opmaken van het betalingsbewijs en de koopovereenkomst, wettig en overtuigend bewijs ontbreekt. Alleen de curator heeft aangegeven dat hij het vermoeden heeft dat deze documenten vals zijn en dit is onvoldoende.

4.4

Het oordeel van de rechtbank

Feit 1

De raadsvrouw heeft – in het kader van een strafmaatverweer – aangevoerd dat verdachte niet de intentie heeft gehad schuldeisers te benadelen. De rechtbank begrijpt het verweer van de raadsvrouw aldus dat het opzet van verdachte niet gericht was op de bedrieglijke verkorting van de rechten van de schuldeisers dan wel op de benadeling van de verhaalsmogelijkheden van de schuldeisers. De rechtbank overweegt daarover het volgende.

Voor een bewezenverklaring van het onder 1 ten laste gelegde is vereist dat - nu het (met name) gaat om handelingen voorafgaand aan faillissement - verdachte op het moment van diens gedragingen het opzet moet hebben gehad op de bedrieglijke verkorting van rechten van de schuldeisers dan wel op de benadeling van verhaalsmogelijkheden van de schuldeisers, met in het laatste geval ook daadwerkelijke benadeling tot gevolg. Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad moet het hier gaan om minstens voorwaardelijk opzet. In het licht van een – ingeval van een gegronde aanvraag – onvermijdbaar faillissement, moet de aanmerkelijke kans hebben bestaan dat een faillietverklaring met een tekort zou volgen en dat de schuldeisers in het latere faillissement door de gedragingen zouden worden benadeeld in hun verhaalsmogelijkheden. Voorts moet verdachte die aanmerkelijke kans hebben aanvaard.

Bij de beoordeling hiervan heeft de rechtbank vooral gelet op de slechte financiële omstandigheden waarin [VOF] zich al enige tijd voor het faillissement bevond. Op 30 december 2015 werd door Rabobank Stad en Midden Groningen aangegeven dat [VOF] zich al geruime tijd in financiële problemen bevond en dat zij om die reden de financiering wilde stopzetten.39 Verdachte was hiervan ook op de hoogte nu [medeverdachte 1] heeft verklaard dat zij naar aanleiding van deze brief direct telefonisch contact op heeft genomen met de bank en tegen de bank heeft gezegd: ’Dit is dus einde verhaal’.40 uit die bewoordingen volgt dat verdachte en [medeverdachte 1] vanaf dat moment ook kennelijk op de hoogte waren van het dreigende faillissement. Hierna hebben verdachte en [medeverdachte 1] naar het oordeel van de rechtbank hun verantwoordelijkheden getracht te ontlopen en hebben zij geprobeerd inkomsten en bezittingen te versluieren en weg te maken.

Uit het dossier en de verklaringen van verdachte en [medeverdachte 1] komt naar voren dat zij hun woning in Blauwestad na ontvangst van de brief van de Rabobank op eigen initiatief hebben verlaten en naar [plaats] in Duitsland zijn vertrokken, alwaar zij zich op 26 februari 2016 hebben ingeschreven.41 In twee garageboxen werd de inboedel van hun woning in Blauwestad en de inventaris van de winkels opgeslagen. De huur van deze boxen werd op 12 januari 2016 door hun schoonzoon [medeverdachte 3] overgenomen.42

In Duitsland werd vervolgens op 24 maart 2016 door verdachte en [medeverdachte 1] een Duitse bankrekening bij Kreissparkasse geopend.43 Middels het antwoordformulier werd op 26 maart 2016 Delta Lloyd verzocht de beëindigingswaarde van de kapitaalverzekering over te maken op deze Duitse bankrekening. Tevens werd op 8 april 2016 de auto op naam van verdachte van het merk Dodge type Nitro op het Duitse kenteken [kenteken 3] gezet.44 Een andere auto, een Dodge type Caliber, werd kort daarna op 3 mei 2016 verkocht voor een bedrag van € 6.500,00.45 Daarna vertrokken verdachte en [medeverdachte 1] naar hun vakantiewoning in [adres 3] in Spanje.46

Het faillissement van [VOF] en haar vennoten werd op 7 juni 2016 uitgesproken.47 Blijkens zijn eigen verklaring was verdachte diezelfde dag van het faillissement op de hoogte.48 Toch voldeden verdachte en [medeverdachte 1] , ondanks herhaalde verzoeken van de curator, niet aan de op hen rustende inlichtingenplicht en legden zij geen (deugdelijke) administratie over.

Verdachte en [medeverdachte 1] onttrokken daarop meer gelden en goederen aan de boedel. Op hun Duitse bankrekening werd op 20 juni 2016 de beëindigingswaarde van de kapitaalverzekering gestort van € 3.780,14 en deze werd vervolgens in een paar dagen tijd contant door hen opgenomen. Verdachte en [medeverdachte 1] verkochten zonder medeweten van de curator in 2016 hun vakantiewoning in Spanje waaraan zij een (netto) bedrag van

€ 175.982,06 overhielden en in 2017 de Dodge Nitro voor € 5.000,00 49. De opbrengst van de woning werd vervolgens grotendeels contant door verdachte en [medeverdachte 1] in een kort tijdsbestek opgenomen en de opbrengst van de Dodge Nitro werd contant aan hen uitbetaald. Een deel van de opbrengst van de woning, een bedrag van € 75.000,00, werd aan hun schoonzoon en dochter (mee)gegeven. Het ander deel werd in Spanje besteed aan levensonderhoud en uitstapjes met de (klein)kinderen.50

Verdachte en [medeverdachte 1] hebben verklaard dat zij de curator niet hadden geïnformeerd over het bestaan van een kapitaalverzekering bij Delta Lloyd en het laten uitbetalen van die kapitaalverzekering van € 3.780,14.51 Ook hadden zij de curator niet geïnformeerd over het bestaan van de inhoud van de garageboxen aan de [adres 2] te Winschoten met inboedel met een waarde van € 31.073,0052 en over de verkoop van de Dodge Caliber en de verkoop van een Dodge Nitro. De verkoopopbrengsten van respectievelijk € 6.500,0053 en

€ 5.000,0054 hebben verdachte en [medeverdachte 1] niet afgedragen aan de curator.

Verdachte en [medeverdachte 1] hebben tevens verzwegen dat zij in het bezit waren van een tweede woning in [adres 3] (Spanje) en dat zij deze woning hadden verkocht en geleverd. De netto verkoopopbrengst van € 175.982,06 van deze woning hebben zij niet afgedragen aan de curator. Een deel van de verkoopopbrengst, een bedrag van € 75.000,00 hebben zij aan hun schoonzoon [medeverdachte 3] (mee)gegeven teneinde het gezin van hun dochter [medeverdachte 2] in staat te stellen hun schulden af te lossen. Het andere deel werd besteed aan kosten voor hun eigen levensonderhoud.55 Ten slotte verklaarden verdachte en [medeverdachte 1] dat zij niet voldaan hadden aan de verplichting de volledige administratie tevoorschijn te brengen56 en aan de op hen rustende inlichtingenplicht.57

Gelet op het hiervoor genoemde samenstel van gedragingen, naar de uiterlijke verschijningsvorm bezien, alsmede de door verdachte en [medeverdachte 1] afgelegde verklaringen hebben zij naar het oordeel van de rechtbank op zijn minst bewust de aanmerkelijke kans op verkorting van rechten van de schuldeisers, dan wel op de benadeling van verhaalsmogelijkheden van de schuldeisers, aanvaard. Tevens is de boedel – en daarmee de gezamenlijke schuldeisers – onmiskenbaar daadwerkelijk benadeeld.

Het onder 1 ten laste gelegde kan wettig en overtuigend worden bewezen.

Feiten 2 en 3

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van de onder 2 en 3 tenlastegelegde feiten op grond van de aangifte58 en de verklaring van verdachte59, waarbij de rechtbank - nu verdachte deze feiten heeft bekend en door of namens hem geen vrijspraak is bepleit - conform artikel 359, derde lid, laatste volzin van het Wetboek van Strafvordering (Sv), zal volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen.

Feit 4

In het dossier bevindt zich een betalingsbewijs, ondertekend door verdachte en [medeverdachte 1] , waarin is opgenomen dat [naam 3] / [bedrijf 1] een bedrag van

€ 3.300,00 heeft voldaan ten behoeve van de huur voor [adres 4] te Stadskanaal.60 Dit document werd vervolgens door [medeverdachte 3] gebruikt in een kort geding procedure op 11 juli 2016.61 [medeverdachte 3] heeft verklaard dat het wel op papier is gezet dat hij de huur heeft voldaan maar dat dit feitelijk niet juist is.62

Gelet hierop acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte, [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] valsheid in geschrift hebben gepleegd door het opstellen en ondertekenen van het betalingsbewijs, wetende dat er niet betaald is.

De rechtbank zal verdachte vrijspreken van het plegen van valsheid in geschrift ten aanzien van de koopovereenkomst waarin is opgenomen dat [bedrijf 1] de volledige inventaris van het winkelpand aan het [adres 4] te Stadskanaal en de showroomkasten en vitrines heeft overgenomen voor een bedrag van € 1.500,00 en dit bedrag contant is voldaan, aangezien deze overeenkomst niet is opgesteld en opgemaakt door verdachte of [medeverdachte 1] , maar door de gemachtigde [naam 2] .

4.5

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat:

1.

hij in de periode van 01 november 2015 tot en met 30 juni 2016 in Nederland en Spanje en Duitsland, tezamen en in vereniging met andere natuurlijke personen en rechtspersonen, terwijl verdachte bij vonnis van de Rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen van 7 juni 2016, in staat van faillissement is verklaard, ter bedrieglijke verkorting van de rechten van zijn schuldeisers, baten niet heeft verantwoord en enig goed aan de boedel heeft onttrokken, immers hebbende verdachte en anderen:

A. de curator niet geïnformeerd over, het bestaan van een kapitaalverzekering bij Delta Lloyd en het laten uitbetalen van de kapitaalverzekering ad EUR 3.780,14 bij Delta Lloyd en opmaken van het door Delta Lloyd uitbetaalde bedrag ad EUR 3.780,14; en

B. de curator niet geïnformeerd over het bestaan van de inhoud van de garageboxen aan de [adres 2] te Winschoten, box [nummer 1] en [nummer 2] , wetende dat hierin inboedel stond van verdachte en de vennootschap van verdachte, met een waarde van circa EUR 31.073,00; en

C. de curator niet geïnformeerd over de Dodge Caliber met het kenteken [kenteken 1] en de curator niet geïnformeerd over de verkoopopbrengst van de Dodge Caliber met het kenteken [kenteken 1] , te weten EUR 6.500,00, en dit bedrag niet heeft afgedragen aan de curator; en

D. het bezit van de Dodge Nitro met het kenteken [kenteken 2] en/of [kenteken 3] niet aan de curator gemeld en de verkoopopbrengst van de Dodge Nitro met het kenteken [kenteken 2] of [kenteken 3] , te weten EUR 5.000,00, niet afgedragen aan de curator; en

E. verzwegen dat hij/zij in het bezit was/waren van een tweede woning aan de Costa Azahar, [adres 3] Spanje en de woning aan de Costa Azahar, [adres 3] Spanje, verkocht zonder toestemming van de curator en de netto verkoopopbrengst, te weten EUR 175.982,06, niet heeft afgedragen aan de curator;

en

hij in de periode van 01 juli 2016 tot en met 01 oktober 2017 in Nederland en Spanje en Duitsland, tezamen en in vereniging met andere natuurlijke personen en rechtspersonen, terwijl verdachte bij vonnis van de Rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen van 7 juni 2016, in staat van faillissement is verklaard, voor of tijdens het faillissement enig goed aan de boedel heeft onttrokken, wetende dat één of meer schuldeisers in hun verhaalsmogelijkheden worden benadeeld, immers hebbende verdachte en anderen,

A. de curator niet geïnformeerd over het bestaan van de inhoud van de garageboxen aan de [adres 2] te Winschoten, box [nummer 1] en [nummer 2] , wetende dat hierin inboedel stond van verdachte en de vennootschap van verdachte, met een waarde van circa EUR 31.073,00; en

B. de curator niet geïnformeerd over de Dodge Caliber met het kenteken [kenteken 1] en de curator niet geïnformeerd over de verkoopopbrengst van de Dodge Caliber met het kenteken [kenteken 1] , te weten EUR 6.500,00, en dit bedrag niet heeft afgedragen aan de curator; en

C. het bezit van de Dodge Nitro met het kenteken [kenteken 2] en/of [kenteken 3] niet aan de curator gemeld en/ of de verkoopopbrengst van de Dodge Nitro met het kenteken [kenteken 2] en/of [kenteken 3] , te weten EUR 5.000,00, niet afgedragen aan de curator; en

D. verzwegen dat hij/zij in het bezit was/waren van een tweede woning aan de Costa Azahar, [adres 3] Spanje en de woning aan de Costa Azahar, [adres 3] Spanje, verkocht zonder toestemming van de curator en de netto verkoopopbrengst, te weten EUR 175.982,06, niet heeft afgedragen aan de curator;

2.

hij op één of meer momenten in de periode van 07 juni 2016 tot en met 30 juni 2016 in Nederland en Spanje en Duitsland, tezamen en in vereniging met één of meer andere natuurlijke personen en rechtspersonen, terwijl verdachte bij vonnis van de Rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen van 07 juni 2016 in staat van faillissement is verklaard, ter bedrieglijke verkorting van de rechten van zijn schuldeisers, niet heeft voldaan aan de op hem rustende verplichtingen ten opzichte van het voeren van een administratie ingevolge artikel 15i van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek, en het bewaren en te voorschijn brengen van de boeken, bescheiden en andere gegevensdragers in dat artikel bedoeld, immers hebbende verdachte en één of meer anderen hun administratie en die van de vennootschap, althans een groot deel hiervan, niet overgelegd aan de curator, waaronder in ieder geval:

- de afschriften van de Spaanse en Duitse bankrekening(en); en

- de administratie die door [naam 1] Accountants en adviseurs in januari 2016 aan verdachte is overhandigd; en

- de administratie afkomstig van de juridisch adviseur [naam 2] ; en

- de aangetroffen stukken tijdens de doorzoeking(en); en

- de na 3 juli 2017 (onder druk van de faillissementsgijzeling) aan de curator overlegde administratie,

en

hij op één of meer momenten in de periode van 01 juli 2016 tot en met 01 oktober 2017, in Nederland en Spanje en Duitsland, tezamen en in vereniging met één of meer andere natuurlijke personen en rechtspersonen, terwijl verdachte bij vonnis van de Rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen van 07 juni 2016 in staat van faillissement is verklaard, desgevraagd opzettelijk niet terstond, overeenkomstig de op hem rustende wettelijke verplichtingen ter zake, een ingevolge de wettelijke verplichtingen gevoerde en bewaarde administratie en de daartoe behorende boeken, bescheiden en andere gegevensdragers in ongeschonden vorm, aan de curator heeft verstrekt;

3.

hij in de periode van 07 juni 2016 tot en met 30 juni 2016 in Nederland en/of Spanje en/of Duitsland, tezamen en in vereniging met één of meer anderen, als degene die op 07 juni 2016 door de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, in staat van faillissement is verklaard en wettelijk opgeroepen tot het geven van inlichtingen, hetzij zonder geldige reden opzettelijk weg is gebleven en geweigerd heeft de vereiste inlichtingen te geven en opzettelijk verkeerde inlichtingen heeft gegeven, immers hebbende verdachte op diverse verzoeken van de curator tot het verstrekken van informatie over vermogen, inkomen en administratie, niet of niet afdoende gereageerd;

en

hij in de periode van 01 juli 2016 tot en met 01 oktober 2017 in Nederland en/of Spanje en/of Duitsland, tezamen en in vereniging met één of meer anderen, als degene die op 07 juni 2016 door de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, in staat van faillissement is verklaard en wettelijk verplicht was tot het geven van inlichtingen, hetzij zonder geldige reden opzettelijk weg is gebleven en geweigerd heeft de vereiste inlichtingen te geven en opzettelijk onjuiste of onvolledige inlichtingen heeft gegeven, immers hebbende verdachte op diverse verzoeken van de curator tot het verstrekken van informatie over vermogen, inkomen en administratie, niet of niet afdoende gereageerd;

4.

hij op 21 maart 2016 te Blauwestad, gemeente Oldambt, tezamen en in vereniging met één of meer natuurlijke perso(o)n(en) en/of rechtspersoon,

een betalingsbewijs (DOC-014), zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt en/of heeft laten opmaken door hierin op te (laten) nemen dat [naam 3] en/of [bedrijf 1] , een bedrag van EUR 3.300,00 heeft voldaan ten behoeve van de huur voor [adres 4] te Stadskanaal, wetende dat deze huur niet is betaald; en/of

met het oogmerk om het als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd in de bewezenverklaring. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

5 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld in de artikelen 47, 57, 194, 225, 341 (oud), 341, 344a van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:

feit 1

het misdrijf: tot 1 juli 2016: het medeplegen van bedrieglijke bankbreuk, meermalen gepleegd;

en

het misdrijf: vanaf 1 juli 2016: het medeplegen van onttrekking van enig goed aan de boedel, wetende dat hierdoor een of meer schuldeisers in hun verhaalsmogelijkheid wordt benadeeld, meermalen gepleegd;

feit 2

het misdrijf: tot 1 juli 2016: het medeplegen van bedrieglijke bankbreuk, meermalen gepleegd;

en

het misdrijf: vanaf 1 juli 2016: het medeplegen van in staat van faillissement zijn verklaard en desgevraagd opzettelijk niet terstond, overeenkomstig de op hem rustende een ingevolge de wettelijke verplichtingen ter zake, een ingevolgde de wettelijke verplichtingen gevoerde en bewaarde administratie en de daartoe behorende boeken, bescheiden en andere gegevensdragers in ongeschonden vorm aan de curator te verstrekken, meermalen gepleegd;

feit 3

het misdrijf: het medeplegen van als degene die in staat van faillissement is verklaard, wettelijk verplicht tot het geven van inlichtingen zonder geldige reden weigeren de vereiste inlichtingen te geven, meermalen gepleegd;

feit 4

het misdrijf: het medeplegen van valsheid in geschrift.

6 De strafbaarheid van verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor de bewezenverklaarde feiten.

7 De op te leggen straf of maatregel

7.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte te veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden, met aftrek overeenkomstig artikel 27 Sr.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft verzocht bij de bepaling van straf rekening te houden met de leeftijd van verdachte, de media-aandacht die de strafzaak heeft gekregen, het gegeven dat verdachte zijn hele leven heeft gewerkt, nog nooit een misstap heeft gemaakt en hij vlak voor zijn pensionering ineens alles kwijt is geraakt. Ook is hij op verzoek van de curator gegijzeld geweest en heeft hij twee á drie dagen in verzekering doorgebracht. Verdachte heeft uit loyaliteit naar zijn kind(eren) gehandeld en heeft nooit de intentie gehad schuldeisers te benadelen. In geval van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf zal verdachte zijn (sociale)huurwoning kwijtraken en zullen zijn PTTS-klachten verergeren.

7.3

De gronden voor een straf of maatregel

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij het volgende van belang.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan faillissementsfraude. Gedurende een periode van (ten minste) een half jaar voorafgaande aan het op 7 juni 2016 uitgesproken faillissement - een periode waarin hij, op zijn minst genomen, ernstig rekening moet hebben gehouden met een naderend faillissement - heeft hij samen met zijn echtgenote goederen en gelden aan de boedel onttrokken en geprobeerd vermogensbestanddelen uit het zicht van zijn schuldeisers en de curator te houden door naar Duitsland en later naar Spanje te verhuizen en daar bankrekeningen te openen waarop tijdens het faillissement buiten de boedel om gelden werden overgemaakt, voertuigen op naam van een ander te zetten en een voertuig te (laten) verkopen.

Na het uitspreken van hun respectievelijke faillissementen hebben verdachte en zijn echtgenote nog meer goederen en gelden aan de boedel onttrokken, waaronder de verkoopopbrengst van een vakantiewoning van € 175.982,06. Van deze gelden hebben verdachte en zijn echtgenote geruime tijd op een comfortabele wijze geleefd, waardoor hun schuldeisers niet de gelden hebben kunnen krijgen waar zij op basis van de faillissementsregeling recht op zouden hebben gehad.

Ondanks beloften daartoe hebben verdachte en zijn echtgenote bovendien niet voldaan aan de op hen rustende inlichtingenverplichting en de verplichting om een inzichtelijke administratie aan de curator over te leggen. Door het handelen van verdachte en zijn echtgenote hebben zij hun schuldeisers benadeeld in hun verhaalsmogelijkheden. Dit handelen is buitengewoon kwalijk, niet alleen omdat de gedupeerde schuldeisers financiële schade leiden, maar ook omdat dergelijke vormen van fraude het vertrouwen tussen ondernemers onderling, dat van essentieel belang is voor een goed functionerend handelsverkeer, aantasten. Tevens ondermijnt deze handelwijze het functioneren van de wettelijk vastgelegde faillissementsregeling, waarbij de curator zijn taak uitoefent ten behoeve van de gezamenlijke schuldeisers.

Ten slotte hebben verdachte en zijn echtgenote een betalingsbewijs valselijk opgemaakt om hun dochter en schoonzoon te bevoordelen en hen in de gelegenheid te stellen een eigen bedrijf op te zetten, daarmee hun schuldeisers benadelend. Hiermee is het vertrouwen dat in het maatschappelijk verkeer bestaat in de juistheid van bepaalde geschriften beschaamd.

De rechtbank rekent het verdachte aan dat hij alleen aan zijn eigen financiële positie heeft gedacht, de schuld in de schoenen van anderen schuift, en slechts beperkt inzicht heeft getoond in het laakbare van zijn handelen. Verdachte heeft op geen enkele wijze laten blijken zich in de gevolgen van het uitgesproken faillissement te hebben verdiept, maar heeft enkel uit eigen gewin gehandeld.

De rechtbank houdt tevens rekening met het gegeven dat verdachte blijkens een hem betreffend uittreksel justitie documentatie niet eerder veroordeeld is ter zake soortgelijke feiten.

De rechtbank stelt voorts vast dat de strafzaak tegen verdachte de nodige media-aandacht heeft gekregen. Het is naar het oordeel van de rechtbank in het algemeen aanvaardbaar dat strafzaken, gelet op hun aard en inhoud, een zekere vorm van media-aandacht met zich brengen. Niet is gebleken dat er publicaties in de media zijn verschenen met onbewezen aantijgingen en andere onjuistheden betreffende verdachte, waardoor verdachte in zijn persoon zou zijn geschaad. Nu de rechtbank niet is gebleken van onaanvaardbare media-aandacht, zal de rechtbank hiermee geen rekening houden bij de strafmaat.

De rechtbank is van oordeel dat de ernst van de bewezenverklaarde feiten de oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf rechtvaardigt. De rechtbank ziet geen aanleiding om op grond van de leeftijd van verdachte hiervan af te wijken. De rechtbank zal wel een lagere onvoorwaardelijke gevangenisstraf opleggen dan door de officier van justitie is gevorderd, nu de rechtbank rekening houdt met de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Voorts zal de rechtbank – mede gelet op het uitdrukkelijk verzoek van verdachte daartoe – eveneens een werkstraf opleggen.

Alles overziende acht de rechtbank een gevangenisstraf van acht maanden, met aftrek van het voorarrest overeenkomstig artikel 27 Sr, en een werkstraf voor de duur van 240 uren subsidiair 120 dagen hechtenis, passend en geboden.

8 De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 22c en 22d Sr.

9 De beslissing

De rechtbank:

bewezenverklaring

- verklaart bewezen dat verdachte het onder 1, 2, 3 en 4 tenlastegelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;

- verklaart niet bewezen wat aan verdachte onder 1, 2, 3 en 4 meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;

strafbaarheid feit

- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;

- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1

het misdrijf: tot 1 juli 2016: het medeplegen van bedrieglijke bankbreuk, meermalen gepleegd

en

het misdrijf: vanaf 1 juli 2016: het medeplegen van onttrekking van enig goed aan de boedel, wetende dat hierdoor een of meer schuldeisers in hun verhaalsmogelijkheid worden benadeeld, meermalen gepleegd;

feit 2

het misdrijf: tot 1 juli 2016: het medeplegen van bedrieglijke bankbreuk, meermalen gepleegd

en

het misdrijf: vanaf 1 juli 2016: het medeplegen van in staat van faillissement zijn verklaard en desgevraagd opzettelijk niet terstond, overeenkomstig de op hem rustende een ingevolge de wettelijke verplichtingen ter zake, een ingevolgde de wettelijke verplichtingen gevoerde en bewaarde administratie en de daartoe behorende boeken, bescheiden en andere gegevensdragers in ongeschonden vorm aan de curator te verstrekken, meermalen gepleegd;

feit 3

het misdrijf: het medeplegen van als degene die in staat van faillissement is verklaard, wettelijk verplicht tot het geven van inlichtingen zonder geldige reden weigeren de vereiste inlichtingen te geven, meermalen gepleegd;

feit 4

het misdrijf: het medeplegen van valsheid in geschrift;

strafbaarheid verdachte

- verklaart verdachte strafbaar voor het onder 1, 2, 3 en 4 bewezenverklaarde;

straf

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van acht (8 ) maanden;

- bepaalt dat de tijd die de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

- veroordeelt verdachte tot een taakstraf, bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid voor de duur van 240 uren;

- beveelt, voor het geval dat verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 120 dagen.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.H.W.R. Orriëns-Schipper, voorzitter, mr. M. Aksu en

mr. T.J. Thurlings-Rassa, rechters, in tegenwoordigheid van mr. S.J. de Vries, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 29 november 2018.

Mr. M. Aksu was buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van de FIOD met nummer [nummer 3] . Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.

2 Pagina 14 en 15

3 Pagina 562 tot en met 565

4 Pagina 619 tot en met 629

5 Pagina 687 tot en met 690

6 Pagina 408

7 Pagina 681 tot en met 684

8 Pagina 654 tot en met 657

9 Pagina 889 tot en met 893

10 Pagina 671

11 Pagina 659 tot en met 662

12 Pagina 771 en 772

13 Pagina 562

14 Pagina 23

15 Pagina 635 tot en met 638

16 Pagina 640

17 Pagina 786 en 787

18 Pagina 634

19 Pagina 595 tot en met 597

20 Pagina 613

21 Pagina 758 en 759

22 Pagina 644 tot en met 649

23 Pagina 357

24 Pagina 24

25 Pagina 566 en 567

26 Pagina 642

27 Pagina 614 en 615

28 Pagina 599 en 600

29 Pagina 585

30 Pagina 568

31 Pagina 714 en 715

32 Pagina 1082 tot en met 1126

33 Pagina 607

34 Pagina 1148 tot en met 1162

35 Pagina 167 tot en met 173

36 Pagina 409

37 Pagina 236 tot en met 238

38 Pagina 975 tot en met 989

39 Pagina 654 tot en met 657

40 Pagina 387

41 Pagina 23

42 Pagina 889 tot en met 893

43 Pagina 595 tot en met 597

44 Pagina 758 en 759

45 Pagina 357

46 Pagina 24

47 Pagina 566 en 567

48 Proces-verbaal ter terechtzitting d.d. 15 november 2018, de verklaring van verdachte

49 Pagina 357 en 409

50 Pagina 372, 403

51 Pagina 373, 400 en 401

52 Pagina 381, 412

53 Pagina 409

54 Pagina 357 en 409

55 Pagina 372, 403

56 Pagina 382 en 415

57 Pagina 370

58 Pagina 167 tot en met 173

59 Pagina 382

60 Pagina 640

61 Pagina 843 tot en met 858

62 Pagina 465