Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2018:4521

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
20-11-2018
Datum publicatie
26-11-2018
Zaaknummer
7049881 \ CV EXPL 18-2216
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eigendomsrechten paard en geschil omtrent de huur van een woning boven manege.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Almelo

Zaaknummer : 7049881 \ CV EXPL 18-2216

Vonnis van 20 november 2018

in de zaak van

1 de vennootschap onder firma [eiser 1] ,
gevestigd en kantoorhoudende te [vestigingsplaats] ,

2. [eiser 2],
wonende te [woonplaats 1] ,

3. [eiser 3],
wonende te [woonplaats 1] ,

eisende partij, hierna te noemen [eiser 2] en [eiser 3] ,

gemachtigde: mr. H.G. Ruis,

tegen

1 [gedaagde 1] ,
wonende te [woonplaats 2] ,

2. [gedaagde 2],
wonende te [woonplaats 2] ,

gedaagde partij, hierna te noemen [gedaagde 1] en [gedaagde 2] ,

gemachtigde: mr. F. Kolkman.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het vonnis in het incident van 7 augustus 2018;

- de conclusie van antwoord in conventie tevens eis in reconventie;

- het tussenvonnis van 14 augustus 2018 waarbij een comparitie van partijen is bevolen en waarbij [eiser 2] en [eiser 3] in de gelegenheid zijn gesteld te antwoorden op de eis in reconventie;

- de conclusie van antwoord in reconventie;

- de akte overlegging producties (producties 17 en 18) van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] ;

- het proces-verbaal van de op 7 november 2018 gehouden comparitie van partijen.

1.2.

Ten slotte is (vervroegd) vonnis bepaald.

2 De beoordeling

2.1.

Gelet op de samenhang zullen de vorderingen in conventie en in reconventie gezamenlijk worden behandeld.

2.2.

De kantonrechter verwijst naar het vonnis in het incident van 7 augustus jl.

Daarin heeft de kantonrechter bij wijze van voorlopig oordeel, voor de duur van de procedure, geoordeeld dat [gedaagde 1] onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat Power Boy in opdracht van hem door [eiser 2] is gekocht en dat daarom [eiser 2] voorlopig geacht wordt eigenaresse van Power Boy te zijn. Aan het incidenteel vonnis is gevolg gegeven: Power Boy is inmiddels bij [eiser 2] .

2.3.

Daarna is in de hoofdzaak doorgeprocedeerd over de twee kwesties die in deze zaak spelen; wie de eigenaar van Power Boy is en de huurkwestie, of [eiser 2] en [eiser 3] door eigenrichting van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] werden gedwongen de door hen van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] gehuurde woonruimte op korte termijn te verlaten.

[eiser 2] en [eiser 3] vorderen in conventie kort gezegd een verklaring voor recht dat Power Boy van [eiser 2] is en dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] moeten worden veroordeeld tot betaling van door hen geleden schade door eigenrichting van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] . Zij vorderen in dat verband een schadevergoeding van € 2352,11 met rente, bestaande uit diverse kostenposten (meerkosten verblijf elders, opslagkosten inboedel, hotelovernachting, transport hooibalen en paarden).

[gedaagde 1] en [gedaagde 2] vorderen in reconventie kort gezegd afgifte van het paardenpaspoort van Power Boy, afgifte van een sleutel van het gehuurde en de veroordeling van [eiser 2] en [eiser 3] tot betaling van een bedrag van € 2.482,69, zijnde huur voor de huurwoning en de stalboxen tot en met 8 juni 2018 en schadevergoeding bestaande uit diverse kostenposten (eindschoonmaak, inzet personeel, afvoeren afval incl. transport en stortgeld) in verband met het in deplorabele staat achterlaten van het gehuurde.

2.4.

Ook tijdens de comparitie zijn de twee kwesties besproken. In het vonnis in het incident heeft de kantonrechter over de gang van zaken het volgende vastgesteld (r.o. 3.4.):

-Partijen waren tijdens de koop van Power Boy op 7 december 2017 goede vrienden, [eiser 2] en [eiser 3] huurden van [gedaagde 1] de woonruimte boven de kantine van de manege en [eiser 2] huurde meerdere boxen van [gedaagde 1] .

-Pas na de breuk tussen partijen is het geschil over de eigendom van Power Boy gerezen.

- [eiser 2] had destijds een flink aantal paarden op stal staan bij [gedaagde 1] .

-Partijen hebben niets over de aankoop op papier gezet.

-Het initiatief om een paard te kopen (dat, anders dan de andere paarden, niet na bepaalde tijd verkocht hoefde te worden) kwam van [eiser 2] .

- [eiser 2] had geen geld om een paard te kopen. [gedaagde 1] wel. [eiser 2] mocht van [gedaagde 1] een paard uitzoeken voor maximaal € 25.000,00. [eiser 2] kreeg de vrije hand, koos Power Boy en heeft hem uiteindelijk, in overleg met [gedaagde 1] , gekocht voor

€ 6750,00. Het geld was afkomstig van [gedaagde 1] . [eiser 2] had € 15.000,00 mee en heeft het restant na de koop teruggegeven aan [gedaagde 1] .

-Power Boy is door de verkoper geleverd aan [eiser 2] , [gedaagde 1] was daar niet bij.

-De verkoper en de (voor de voorafgaande keuring ingeschakelde) dierenarts hebben verklaard dat [eiser 2] “de nieuwe baas” is van Power Boy resp. dat [eiser 2] de koper van Power Boy was. De factuur van de dierenarts d.d. 02-01-2018 is gericht aan [eiser 2] & [eiser 3] .

-Na levering van Power Boy heeft deze eerst op stal gestaan bij [X] , daarna bij [gedaagde 1] .

De kantonrechter gaat ook in de hoofdzaak uit van deze gang van zaken.

2.5.

Tijdens de comparitie is nader gevraagd naar de gang van zaken ten tijde van de koop van Power Boy. [gedaagde 1] , [eiser 2] en [gedaagde 2] hebben (gelet op het proces-verbaal) respectievelijk verklaard:

De heer [gedaagde 1] verklaart als volgt: [eiser 2] wou een paard kopen. Ik heb toen gezegd “koop dat paard maar”, “dat gun ik jou wel”. Over een schenking is nooit gesproken. Voor mij is normaal dat als het mijn geld is, het ook mijn paard is. Dat is toch logisch. Ik heb niet gezegd dat [eiser 2] het paard uit mijn naam moest kopen.

[eiser 2] verklaart als volgt: Ik heb het geld voor de koop van het paard van [gedaagde 2] gekregen. Enkele maanden daarvoor heb ik het met de heer [gedaagde 1] gehad over het kopen van een eigen paard. [gedaagde 1] gunde mij dat paard voor de hogere sport. Hij heeft mij het geld niet gegeven, dat was [gedaagde 2] . Ik weet nog dat ik bij haar thuis in de keuken kwam, het geld lag klaar, zij heeft mij dat gegeven en er verder niets bij gezegd. Dat ik het paard namens [gedaagde 1] moest kopen heeft zij niet gezegd. Zij heeft me alleen succes gewenst en de hoop uitgesproken dat het paard goedgekeurd werd.

[gedaagde 2] heeft verklaard: Het is zoals [eiser 2] net heeft verklaard. Ik heb er verder niets bij gezegd. Ook voor mij was het logisch: mijn geld, mijn paard. Ik wil nog vermelden dat ik de keuringskosten heb betaald.

2.6.

[gedaagde 1] heeft in de conclusie van antwoord tevens eis in reconventie gesteld dat hij [eiser 2] mondeling volmacht heeft verleend om de koopovereenkomst in zijn naam te sluiten. Dat er sprake was van een mondelinge volmacht is door [eiser 2] weersproken en uit de hierboven opgenomen ter comparitie afgelegde verklaringen van zowel [gedaagde 1] als [gedaagde 2] kan worden afgeleid dat er van een uitdrukkelijke, mondelinge, volmacht geen sprake is geweest. De kantonrechter constateert daarbij dat [gedaagde 2] ter comparitie anders heeft verklaard dan in haar schriftelijke verklaring van 21 juni 2018 (productie 2 conclusie van antwoord in conventie tevens houdende eis in reconventie).

2.7.

Het verlenen van volmacht kan echter ook stilzwijgend geschieden (art. 3: 61 lid 1 BW). Voor zover [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hier op doelen daar waar zij zeggen dat het logisch is dat het hun paard was omdat het ook hun geld was, overweegt de kantonrechter het volgende. De vraag of een (stilzwijgende) volmacht is verleend dient te worden beantwoord aan de hand van de maatstaven van de artikelen 3: 33 BW en 3: 35 BW. Het komt dus aan op hetgeen partijen over en weer hebben verklaard en over en weer uit elkaars gedragingen en verklaringen hebben mogen begrijpen. In het onderhavige geval zijn er in dat kader weinig verklaringen en gedragingen bekend. Na een gesprek tussen [eiser 2] en [gedaagde 1] over het kopen van een paard dat, anders dan de andere paarden, niet na bepaalde tijd verkocht hoefde te worden, dat [eiser 2] daarvoor geen geld had en [gedaagde 1] wel, heeft [gedaagde 1] later, op enig moment, gezegd “koop dat paard maar” en “dat gun ik jou wel”. Weer later, toen [eiser 2] het geld van [gedaagde 2] overhandigd kreeg, heeft zij [eiser 2] alleen succes gewenst en de hoop uitgesproken dat het paard goedgekeurd werd. Uit deze verklaringen en gedragingen hoefde [eiser 2] niet te begrijpen dat er sprake was van stilzwijgende volmachtverlening, om het paard namens [gedaagde 1] te kopen. Integendeel, de woorden “dat gun ik jou wel” kunnen duiden op schenking of sponsoring (gelet op de processtukken niet ongebruikelijk in de paardenwereld). Daarbij speelt dat partijen op dat moment nog goede vrienden waren. [eiser 2] heeft Power Boy derhalve niet als gevolmachtigde van [gedaagde 1] maar voor haarzelf, in eigen naam, gekocht. Zij is daarom eigenaar van Power Boy. De vordering in conventie is op dit punt dus toewijsbaar en de vordering in reconventie, strekkende tot het verstrekken van het paardenpaspoort, niet.

2.8.

Op de comparitie is ook nader gesproken over de huurkwestie en de in dat kader over en weer gevorderde posten. [eiser 2] heeft hierover verklaard:

de aanleiding voor ons vertrek was de mededeling van [gedaagde 2] aan [eiser 3] dat wij de huurfactuur te laat betaalden. [eiser 3] werd te verstaan gegeven dat we er uit moesten. Ik ben toen van mijn paard afgestapt en naar [gedaagde 2] gegaan, die mij te kennen gaf dat de maat vol was en dat [eiser 3] met een arrogant smoelwerk rond liep. Er viel niet over te praten, we moesten de volgende dag weg zijn. Er is geen ruzie gemaakt, ik was wel verbijsterd. Omdat ik problemen had met mijn ex en moest wachten op een huis van de woningbouw heeft [gedaagde 1] mij een aanbod gedaan om op de stal te komen wonen. Daar ben ik hem nog steeds dankbaar voor. Het was geen verblijfsruimte maar een volwaardig appartement (woonkamer, eigen opgang door kantine, af te sluiten, met een keuken en sanitaire voorzieningen). Ik mocht er zo lang blijven wonen als ik wilde. De huurfactuur (appartement en stallen) heb ik altijd binnen anderhalve week na ontvangst van de factuur betaald. Dat vind ik niet te laat. De mededeling om te vertrekken hebben we op 7 juni 2018 s ochtends gehoord. We hebben toen alles ingepakt die dag en de volgende dag, 8 juni, hebben we spullen naar de opslag gebracht. Daarna hebben we voer op laten halen en s avonds met een trailer en twee vrachtwagens de paarden opgehaald. U houdt mij voor de foto’s van een container met goederen. Het klopt dat wij daar een deel van onze spullen in hebben gegooid: een bank, een wasdroger, een vloer en een aantal vuilniszakken. Wij mochten altijd dingen in die container gooien. Dat deden anderen ook. U houdt mij voor twee foto’s van stallen. Wij konden vanwege de tijdsdruk de stallen niet beter uitmesten. We hebben toen nog gezegd dat we de helft van de huur ook wel vooruit wilden betalen maar ook dat was geen optie. Toen wij de paarden wilden vervoeren kwamen er grote kerels van het loonbedrijf van [gedaagde 1] om Power Boy achter te houden. De auto met trailer werd toen gebarricadeerd. Omdat wij niet meer gewenst waren was voor ons de situatie onhoudbaar geworden. Wij konden absoluut niet langer blijven, wij moesten weg. Gedreigd is er niet, maar [gedaagde 2] was wel duidelijk.

[eiser 3] heeft hierover verklaard:

Nadat ons was te verstaan gegeven te vertrekken ben ik gaan bellen voor andere stalruimte. Ik had hiervoor ook al naar andere stalruimte gekeken. Toen die geregeld was zijn we vertrokken.

2.9.

[gedaagde 2] heeft verklaard:

Op 6 juni 2018 heb ik een WhatsApp berichtje gestuurd wanneer er werd betaald. Dat berichtje werd genegeerd. Op 7 juni was er nog geen reactie. Ik ben toen naar [eiser 3] gegaan en heb toen gezegd: “vertrekken, per direct”. Ik was boos. [eiser 2] zat toen nog op een paard en heeft met mij gesproken. Ik heb tegen haar gezegd: doe er maar wat langer over als dat nodig is. Ik heb niet gedreigd. Het appartement had de voorzieningen die [eiser 2] zojuist heeft aangegeven. Ik heb niet gezegd wat er zou gebeuren als ze niet zou vertrekken. Ik heb geen juridisch advies ingewonnen.

De container wordt gebruikt voor afval uit de stallen. Het is geen vuilnisplaats voor inboedel en dergelijke. Anderen doen dat ook niet.

2.10.

De beëindiging van de huur van de woonruimte en de stallen is niet op de gebruikelijke en juridisch juiste manier gegaan. In beginsel kan ontbinding van een huurovereenkomst als de onderhavige slechts door de rechter geschieden en dient opgezegd te worden op één van de in de wet genoemde gronden en met inachtneming van de geldende opzegtermijn. Huurders van woonruimte hoeven dus niet op verzoek van de verhuurder binnen enkele dagen te vertrekken als zij dat niet willen. [eiser 2] en [eiser 3] hoefden aan het verzoek van [gedaagde 2] geen gehoor te geven maar hebben dat onder de gegeven omstandigheden wel gedaan. Tot die omstandigheden behoren dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] [eiser 2] hebben geholpen met de woonruimte toen zij in nood zat, dat [eiser 2] en [eiser 3] al op zoek waren naar andere ruimte en het verzoek van [gedaagde 2] blijkbaar dwingend op hen overkwam. Vast staat dat er geen sprake was van een ruzie en dat er niet is gedreigd met iets als [eiser 2] niet aan het verzoek zou voldoen. De aanwezigheid van grote kerels van het loonbedrijf van [gedaagde 1] hield alleen verband met het meenemen van Power Boy, niet met gedwongen vertrek uit de woonruimte.

2.11.

De kantonrechter kan gelet hierop niet tot de conclusie komen dat sprake is geweest van eigenrichting door [gedaagde 1] en/of [gedaagde 2] . Zij hebben [eiser 2] dringend verzocht te vertrekken en [eiser 2] heeft daaraan om haar moverende redenen gevolg gegeven. Ook het feit dat [eiser 2] op korte termijn moest vertrekken levert, anders dan [eiser 2] stelt, geen eigenrichting op. Hantering van een te korte opzegtermijn leidt niet tot eigenrichting maar tot nietigheid van de opzegging (art. 7:271 lid 7 BW).

2.12.

Bij deze stand van zaken past niet dat partijen elkaar achteraf gaan bestoken met vorderingen gegrond op niet juist juridisch handelen door de wederpartij. [eiser 2] en [eiser 3] hebben tot 8 juni 2018 van het gehuurde gebruik gemaakt en dienen daarvoor de huur te betalen, naar rato € 160,00 voor de woonruimte en € 498,61 voor de stalruimte, samen € 658,61. De overige posten houden verband met de bijzondere manier waarop is beëindigd en ontruimd en dienen, ex aequo et bono, over en weer te worden afgewezen.

2.13.

[gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben in reconventie gevorderd afgifte van de (derde) sleutel, op straffe van een dwangsom. [eiser 2] en [eiser 3] hebben die vordering niet betwist zodat deze zal worden toegewezen, waarbij de kantonrechter geen aanleiding ziet hieraan een dwangsom te verbinden. De kantonrechter gaat er van uit dat die sleutel alsnog wordt afgegeven aan [gedaagde 1] en [gedaagde 2] .

2.14.

In conventie zal de gevorderde verklaring voor recht worden toegewezen. De gevorderde schadevergoeding zal worden afgewezen en [gedaagde 1] en [gedaagde 2] zullen, als de overwegend in het ongelijk gestelde partij, de proceskosten in conventie dienen te dragen. In reconventie zal de tot 8 juni 2018 verschuldigde huur worden toegewezen alsmede de afgifte van de sleutel. Het overige in reconventie gevorderde zal worden afgewezen, met compensatie van de proceskosten in reconventie, nu partijen in reconventie over en weer in het ongelijk zijn gesteld.

3 De beslissing

De kantonrechter

In conventie:

3.1.

Verklaart voor recht dat het paard Fiderling v. Fiderhit, stamboeknummer BEL-W-244897-BWP (Belgisch Warmbloed Paard), geboren op 9 januari 2006, met de sportnaam Power Boy, aan [eiser 2] in eigendom toebehoort.

3.2.

Veroordeelt [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk in de kosten van de procedure, tot op heden aan de zijde van [eiser 2] en [eiser 3] begroot op € 960,14, waaronder € 400,00 gemachtigdesalaris.

3.3.

Verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

3.4.

Wijst af het meer of anders gevorderde.

In reconventie:

3.5.

Veroordeelt [eiser 2] en [eiser 3] hoofdelijk om aan [gedaagde 1] en [gedaagde 2] te betalen een bedrag van € 658,61 ter zake van huur tot en met 8 juni 2018.

3.6.

Veroordeelt [eiser 2] en [eiser 3] hoofdelijk om de sleutel van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] binnen 48 uur na betekening van dit vonnis aan [gedaagde 1] en [gedaagde 2] af te geven.

3.7.

Compenseert de proceskosten in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

3.8.

Wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.L. Alers, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 20 november 2018.