Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2018:4505

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
23-11-2018
Datum publicatie
23-11-2018
Zaaknummer
08-760118-18 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank Overijssel veroordeelt een 17-jarige jongeman tot 4 maanden voorwaardelijke jeugddetentie met een proeftijd van 2 jaar en algemene en bijzondere voorwaarden voor het openlijk in vereniging geweld plegen tegen goederen en het medeplegen van poging tot opzettelijk brand stichten. Daarnaast legt de rechtbank de jongeman een taakstraf op van 80 uren en moet hij een bedrag van 86 euro aan schadevergoeding aan zijn slachtoffers betalen. Zie ook:

ECLI:NL:RBOVE:2018:4500

ECLI:NL:RBOVE:2018:4501

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Strafrecht

Meervoudige kamer

Zittingsplaats Almelo

Parketnummer: 08-760118-18 (P)

Datum vonnis: 23 november 2018

Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 2001 in [geboorteplaats] ,

wonende aan de [adres 1] .

1 Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek achter gesloten deuren van

9 november 2018.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie

mr. L. Guest en van hetgeen door verdachte en zijn raadsman, mr.drs. C. Verrillo, advocaat te Denekamp, naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

De verdenking komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

feit 1: openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een Renault Trafic, door deze in brand te steken;

feit 2: in vereniging brand heeft gesticht waardoor een Citroën Saxo is verbrand en gemeen gevaar voor een daarnaast geparkeerde Citroën CX20 te duchten was;

feit 3: openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een Seat Mii, door deze in brand te steken;

feit 4: in vereniging heeft geprobeerd een Mercedes Benz in brand te steken;

feit 5: in vereniging een fiets heeft gestolen.

Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:

1

hij op of omstreeks 04 juni 2018 te Den Ham, gemeente Twenterand, openlijk, te weten de [straat 1] , in elk geval op of aan de openbare weg en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een goed, te weten een bedrijfsbus, merk Renault, type Trafic (gekentekend [kenteken 1] ) door voornoemde bedrijfsbus in brand te steken, terwijl hij, verdachte d(it)eze goed(eren) opzettelijk heeft vernield;

2

hij op of omstreeks 31 mei 2018 te Den Ham, gemeente Twenterand, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk brand heeft gesticht door de vlam van een aansteker, althans open vuur in aanraking te brengen met toiletpapier en/of de inhoud van een (deodorant)spuitbus, althans met een (zeer brandbaar/vluchtig gas/vloeistof en/of aanmaakblokjes en/of een auto(band) , althans met een brandbare stof ten gevolge waarvan een personenauto, merk Citroën, type Saxo, kleur geel (gekentekend [kenteken 2] ) geheel of gedeeltelijk is/zijn verbrand, in elk geval brand is ontstaan, en daarvan gemeen gevaar voor een naast voornoemde Citroën Saxo geparkeerde Citroën CX20, kleur groen (gekentekend [kenteken 3] ), in elk geval gemeen gevaar voor goederen, te duchten was;

althans medeplichtigheid aan bovengenoemd feit;

3

hij in of omstreeks de periode van 02 juni 2018 tot en met 4 juni 2018 te Den Ham, gemeente Twenterand, openlijk, te weten de [straat 2] , in elk geval op of aan de openbare weg en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een goed, te weten een personenauto, merk Seat, type Mii, kleur grijs (gekentekend [kenteken 4] ) door voornoemde auto in brand te steken terwijl hij, verdachte d(it)eze goed(eren) opzettelijk heeft vernield;

4

hij in of omstreeks 3 juni 2018 tot en met 4 juni 2018 te Den Ham, gemeente Twenterand, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door hem voorgenomen misdrijf om opzettelijk brand te stichten in/aan een bestelauto/bus, Merk Mercedes Benz(gekentekend [kenteken 5] ), met dat opzet met een of meer van zijn mededader(s), althans alleen de vlam van een aansteker en/of lucifer, in elk geval met dat opzet open vuur in aanraking heeft gebracht met toiletpapier en/of de inhoud van een (deodorant)spuitbus, althans met een (zeer brandbaar/vluchtig gas/vloeistof en/of aanmaakblokjes en/of een auto(band) , althans met een brandbare stof ten gevolge waarvan een bestelauto/bus, Merk Mercedes Benz(gekentekend [kenteken 5] ) geheel of gedeeltelijk is/zijn verbrand, in elk geval brand is ontstaan, en daarvan gemeen gevaar voor (een nabij voornoemde bestelauto/bus) gelegen leegstaande woning (naast perceel [adres 2] ), in elk geval gemeen gevaar voor goederen, te duchten was, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

althans medeplichtigheid aan bovengenoemde poging;

5

hij op of omstreeks 05 juni 2018 te Den Ham, gemeente Twenterand, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een fiets, merk Union, kleur groen/zwart, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde, te weten aan [naam 1] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.

3 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 De bewijsoverwegingen

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht feit 1, 3 en 4 wettig en overtuigend te bewijzen. Van de feiten 2 en 5 dient verdachte volgens de officier van justitie te worden vrijgesproken, omdat hiervoor onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd dat verdachte integraal dient te worden vrijgesproken. Verdachte bekent aanwezig te zijn geweest bij feit 1, maar hij heeft geen voldoende significante bijdrage geleverd aan het gepleegde geweld. Verder is er onvoldoende bewijs dat verdachte aanwezig is geweest bij de feiten 2, 3 en 4. De verklaring van de medeverdachten zijn onbetrouwbaar en kunnen niet voor het bewijs worden gebruikt. Wat betreft feit 5 is er geen bewijs dat verdachte de fiets heeft meegenomen of als medepleger kan worden aangemerkt.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank gaat voor haar oordeel uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Ten tijde van de tenlastegelegde feiten verbleef verdachte (hierna: [verdachte] ) bij woonzorgboerderij [boerderij] . Op dat moment verbleven ook medeverdachten [medeverdachte 1] (hierna: [medeverdachte 1] ) en [medeverdachte 2] (hierna: [medeverdachte 2] ) bij [boerderij] .

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de feiten 1, 3 en 4 heeft begaan, hetgeen volgt uit de na te noemen bewijsmiddelen.

De rechtbank acht de feiten 2 en 5 niet wettig en overtuigend bewezen. Het dossier bevat onvoldoende aanknopingspunten dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan (het medeplegen van) deze feiten. Daarom zal de rechtbank hem hiervan vrijspreken, zoals ook is gevorderd door de officier van justitie en bepleit door de raadsman.

Bewijsmiddelen 1

Feit 1

Aangever [naam 2] heeft verklaard2 dat hij een (groene3) Renault Trafic met kenteken [kenteken 1] op een parkeerhaven aan de [straat 1] in Den Ham had geparkeerd. Op 4 juni 2018 omstreeks 01:10 uur werd hij gewekt en zag hij dat de brandweer het voertuig aan het blussen was. De voorzijde van het voertuig was volledig uitgebrand.4

[medeverdachte 1] heeft hierover op 9 juni 2018 verklaard: ‘dat hebben we met een sok gedaan. [medeverdachte 2] , [verdachte] en ik waren buiten, bij die straat van die groene bedrijfsbus. Toen zei [medeverdachte 2] : ‘zal ik mijn sok gebruiken’. En [verdachte] zei ja dat moet je doen. Zij vonden het grappig. (..) [medeverdachte 2] spoot toen heel veel deo op de sok, het busje werd gewoon leeggespoten. Toen legde hij de sok op de autoband (..) en toen heb ik de sok aangestoken met een aansteker’.5 Op 13 juni 2018 heeft [medeverdachte 1] hierover verklaard: ‘wij waren met z’n drieën, [medeverdachte 2] , [verdachte] en ik. (..) We hadden al een auto in de fik gestoken. (..). Iemand zei, ik weet niet meer wie, we doen er nog eentje (..). [medeverdachte 2] en [verdachte] stonden achter mij. Ik heb de sok met een BIG aansteker in de fik gezet. Er kwam een grote vlam en we zijn direct weg gegaan.6 Op 21 juni 2018 heeft [medeverdachte 1] over dit feit nog verklaard: ‘we hadden het met elkaar al over gehad dat we iets in brand zouden steken’.7

Feit 3

Aangever [naam 3] heeft verklaard8 dat hij op 2 juni 2018 omstreeks 19.15 uur zijn grijze Seat MI (de rechtbank begrijpt: Seat Mii) met kenteken [kenteken 4] op een parkeerhaven aan de [straat 2] in Den Ham had geparkeerd. Op 4 juni 2018 zag hij een stuk verbrand papier/keukenrol naast de auto liggen. De politie vertelde hem dat hij naar de garage moest om zijn auto te laten controleren. Bij de garage werd geconstateerd dat er blaarvorming was ontstaan in de wielkas.

De telefoon van [medeverdachte 2] is onderzocht en daarbij is een video aangetroffen waarop het lijkt of er iets in brand wordt geprobeerd te steken. Verbalisant [verbalisant] heeft deze video bekeken en verklaart hierover in een ambtsedig proces-verbaal9 dat deze gemaakt zou moeten zijn op 4 juni 2018 om 00:31 uur aan de [straat 2] in Den Ham. Volgens verbalisant [verbalisant] is op die video een klik-geluid te horen waarna een vlammetje ontstaat. Direct hierna is de stem van [medeverdachte 2] te horen die zegt ‘ [medeverdachte 1] , kom’.

[medeverdachte 1] heeft op 9 juni 2018 verklaard: ‘we hebben ook daarvoor geprobeerd een auto in de fik te steken, of het was [verdachte] of het was ik, we hebben het samen geprobeerd. (..). Daar waren we ook met z’n drieën. (..) We stonden er een hele tijd bij, bij die auto. We dachten dat de auto maar niet in brand vloog. We spoten ook deodorant op de WC papier en legde het op de auto band. [verdachte] of ik deed dit. Wie heeft het aangestoken? [verdachte] of ik. We dachten eerst dat het niet brandde en dachten laat maar zitten en we zijn weggelopen. Ik las de volgende dag op het nieuws dat die auto wel in brand was gevlogen’.10 Ook heeft [medeverdachte 1] verklaard dat deze auto grijs was.11

Feit 4

Aangever [naam 4] heeft verklaard12 dat hij op 4 juni 2018 een plukje rondom aangebrand toiletpapier op en naast de rechter voorband van zijn (witte13) Mercedes-Benz autobus met kenteken [kenteken 5] zag liggen. Deze stond geparkeerd in Den Ham.

[medeverdachte 1] heeft hierover op 9 juni 2018 verklaard: ‘toen hebben we dat weer met wc papier en deo gedaan. [medeverdachte 2] had het wc papier en deo op de autoband gelegd. [verdachte] stond verderop. [medeverdachte 2] heeft het toen aangestoken. (..). het lukte ook niet, omdat het wc papier in zijn hand wegbrande. Opmerking advocaat: en wie had nu het plan om weer auto’s in brand te steken? [medeverdachte 2] . [medeverdachte 2] vertelde aan [verdachte] dat hij auto’s in de fik had gestoken. [medeverdachte 2] vroeg [verdachte] mee om weer auto’s in de fik te steken’.14Op 13 juni 2018 heeft [medeverdachte 1] hierover verklaard: ‘dat was ook met wc papier. Wij dachten het brand toch niet. [medeverdachte 2] wilde het wc papier pakken en het wc papier is opgebrand in zijn handen. [verdachte] en ik stonden op dat moment bij de lantaarnpaal’.15Daarna zijn ze samen weggelopen.16

Bewijsoverwegingen

Door [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [verdachte] zijn uiteenlopende verklaringen afgelegd. Hoewel [verdachte] ter zitting heeft verklaard aanwezig te zijn geweest bij feit 1 en uit pagina 25 van het proces-verbaal blijkt dat hij als getuige uit eigen waarneming heeft verklaard over feit 3, hebben hij en [medeverdachte 2] voornamelijk elkaar en [medeverdachte 1] als (hoofd)schuldige aangewezen. Onder meer gelet op de inhoud van de in het dossier weergegeven WhatsApp-gesprekken en de inconsistenties in hun verklaringen, is de rechtbank van oordeel dat ten aanzien van de verklaringen van [medeverdachte 2] en [verdachte] uiterste behoedzaamheid dient te worden betracht.

De verklaringen van [medeverdachte 1] acht de rechtbank daarentegen betrouwbaar. Zij heeft hoofdzakelijk consistent en geloofwaardig verklaard, heeft ook belastend over zichzelf verklaard en haar verklaringen worden nagenoeg geheel ondersteund door het dossier. Zij verklaart bovendien zowel belastend als ontlastend voor verdachte. Het verweer van de raadsman wordt dan ook verworpen en bij de bewezenverklaring gaat de rechtbank uit van de verklaringen die [medeverdachte 1] in haar verhoren bij de politie heeft afgelegd.

Uit deze verklaringen volgt dat zij, [medeverdachte 2] en [verdachte] bij de feiten 1, 3 en 4 vooraf hadden besproken om een auto in brand te steken en met dat doel en voorzien van onder meer toiletpapier en een spuitbus deodorant [boerderij] hebben verlaten. Samen zijn zij in Den Ham op zoek gegaan naar auto’s om in brand te steken. Op het moment dat zij – om de beurt – de brand aanstaken, of dat probeerden, bevonden zij zich allen in de directe nabijheid daarvan. In sommige gevallen werden daarbij aanwijzingen gegeven aan degene die daadwerkelijk het toiletpapier of de sok in brand stak of hierbij werd geholpen door het toiletpapier of de sok met deodorant in te spuiten waardoor deze sneller zou ontbranden. Na het aansteken van het toiletpapier of de sok zijn zij vervolgens gezamenlijk weggerend.

Openlijke geweldpleging: feiten 1 en 3

Voor de bewezenverklaring van het openlijk in vereniging plegen van geweld is vereist dat er sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking binnen een groep waarvan geweld uitgaat. Het opzet van de dader moet gericht zijn op het geweld en zijn bijdrage daaraan. Ook moet hij materieel aan het geweld hebben bijgedragen door zelf geweld te gebruiken, of een wezenlijke bijdrage hebben geleverd aan het geweld van anderen. Daarbij is alleen het deel uitmaken van een groep waarvan geweld uitgaat op zichzelf niet voldoende. Beoordeeld zal moeten worden of de door de verdachte geleverde bijdrage aan het geweld van voldoende gewicht is. Daarvoor is dus niet vereist dat verdachte (ook) zelf geweld heeft gebruikt. Ook door intellectuele bijdragen aan het verband dat geweld pleegt kan hiervan sprake zijn.

Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit de bovenstaande bewijsmiddelen dat door een in homogeen verband opererende groep openlijk geweld is gepleegd tegen goederen, waardoor opzettelijk een Renault Trafic (feit 1) en een Seat Mii (feit 3) zijn vernield. Verdachte heeft daarin een actief en wezenlijk aandeel gehad, door een substantiële bijdrage te leveren aan het gepleegde geweld. Ook heeft hij door zijn handelen bijgedragen aan een sfeer van ontremming waarin anderen (ook) zijn overgegaan tot het plegen van geweld. Hieruit volgt dat verdachtes opzet zich (ook) uitstrekte tot het geweld dat anderen tijdens deze gebeurtenis pleegden. Ook dat geweld kan verdachte daarom worden toegerekend. Wie uiteindelijk daadwerkelijk het toiletpapier of de sok heeft aangestoken is in dat verband niet relevant.

Medeplegen poging brandstichting: feit 4

Uit voorgaande bewijsmiddelen volgt dat sprake is geweest van een gezamenlijke uitvoering van de poging tot brandstichting. Verdachte en zijn mededaders zijn allen fysiek aanwezig geweest bij deze poging en hebben allen een bijdrage geleverd die van voldoende gewicht is geweest om te concluderen dat sprake is van een bewuste en nauwe samenwerking en dus van medeplegen. Ook hier is in dat verband niet relevant wie daadwerkelijk de brand heeft proberen te stichten.

Uit bovenstaande bewijsmiddelen blijkt verder dat de vlam van een aansteker in contact is gebracht met toiletpapier dat was ingespoten met deodorant spray. Dit toiletpapier is vervolgens op de autoband van een Mercedes-Benz gelegd, met het doel om dat voertuig in brand te steken. Hoewel het toiletpapier op de autoband van de Mercedes-Benz uiteindelijk niet is overgeslagen naar (brandbare delen van) de Mercedes-Benz, was met het handelen van verdachten reeds sprake van het begin van uitvoering van opzettelijke brandstichting ten gevolge waarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten was.

De rechtbank overweegt dat uit het dossier onvoldoende blijkt dat gemeen gevaar voor een nabijgelegen leegstaande woning te duchten was. In het bijzonder blijkt niet wat de afstand was tussen de Mercedes-Benz en deze leegstaande woning. Van dit onderdeel van de tenlastelegging wordt verdachte dan ook partieel vrijgesproken.

4.5

De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de hiervoor genoemde bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat:

1

hij op 4 juni 2018 te Den Ham, gemeente Twenterand, openlijk, te weten aan de [straat 1] , in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een goed, te weten een bedrijfsbus, merk Renault, type Trafic (gekentekend [kenteken 1] ) door voornoemde bedrijfsbus in brand te steken, terwijl hij, verdachte dit goed opzettelijk heeft vernield;

3

hij in de periode van 2 juni 2018 tot en met 4 juni 2018 te Den Ham, gemeente Twenterand, openlijk, te weten aan de [straat 2] , in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een goed, te weten een personenauto, merk Seat, type Mii, kleur grijs (gekentekend [kenteken 4] ) door voornoemde auto in brand te steken terwijl hij, verdachte dit goed opzettelijk heeft vernield;

4

hij in de periode van 3 juni 2018 tot en met 4 juni 2018 te Den Ham, gemeente Twenterand, tezamen en in vereniging met anderen, ter uitvoering van het door hem voorgenomen misdrijf om opzettelijk brand te stichten aan een autobus, merk Mercedes-Benz (gekentekend [kenteken 5] ), met dat opzet met zijn mededaders, de vlam van een aansteker in aanraking heeft gebracht met toiletpapier ten gevolge waarvan gemeen gevaar voor goederen, te duchten was, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

De rechtbank heeft in de tenlastelegging voorkomende schrijffouten verbeterd in de bewezenverklaring. Verdachte wordt hierdoor niet in zijn verdediging geschaad.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

5 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld in de artikelen 45, 47, 141 en 157 van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:

feit 1

het misdrijf: het openlijk in vereniging geweld plegen tegen goederen, terwijl hij opzettelijk goederen vernielt;

feit 3

het misdrijf: het openlijk in vereniging geweld plegen tegen goederen, terwijl hij opzettelijk goederen vernielt;

feit 4

het misdrijf: medeplegen van poging opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is.

6 De strafbaarheid van verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor de bewezenverklaarde feiten.

7 De op te leggen straf of maatregel

7.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte te veroordelen tot een taakstraf van 80 uren en twee maanden voorwaardelijke jeugddetentie met een proeftijd van drie jaren. Hieraan dienen een meldplicht en begeleid wonen-verplichting als bijzondere voorwaarden te worden verbonden.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht, indien de rechtbank tot een bewezenverklaring komt, verdachte een voorwaardelijke taakstraf op te leggen.

7.3

De gronden voor een straf of maatregel

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen.

Voor wat betreft de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan, vindt de rechtbank het volgende van belang.

Verdachte heeft zich twee keer schuldig gemaakt aan openlijke geweldpleging en aan het medeplegen van een poging brandstichting. Dergelijke ernstige feiten zijn niet alleen voor de direct betrokkenen zeer verontrustend, maar ook voor de samenleving.

Ten aanzien van de persoon van de verdachte heeft de rechtbank acht geslagen op het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming van 2 november 2018 en hetgeen deskundige [naam 5] (jeugdreclasseerder van Jeugdbescherming Overijssel, afdeling Jeugdreclassering) ter zitting naar voren heeft gebracht. Kort gezegd blijkt daaruit onder meer dat bij verdachte sprake is van een licht verstandelijke beperking en een disharmonisch profiel, waarbij een posttraumatische stressstoornis, een narcistische persoonlijkheidsstoornis, een aandachtstekortstoornis met hyperactiviteit is gediagnosticeerd van het gecombineerde type. Verdachte heeft op zijn jonge leeftijd al veel mee moeten maken. Hij staat onder voogdij en is nu nog geplaatst bij [boerderij] . In januari 2019 wordt hij 18 jaar. Er is door de voogd en de jeugdreclasseerder een traject uitgezet ter overbrugging en in afwachting van plaatsing op een begeleid wonen traject. Onderdeel van dat plan is dat hij tot het moment van plaatsing bij zijn moeder zal gaan wonen. Volgens de Raad voor de Kinderbescherming is het daarbij van groot belang dat verdachte sturing blijft krijgen. Daarom wordt een flinke stok achter de deur van belang geacht, bij voorkeur door middel van schorsingsvoorwaarden. Omdat naar verwachting over zes maanden duidelijk zal zijn waar verdachte gaat verblijven, adviseren de Raad voor de Kinderbescherming en de jeugdreclasseerder om het onderzoek ter terechtzitting voor zes maanden te schorsen. Ter zitting heeft de jeugdreclasseerder te kennen gegeven dat ook een voorwaardelijk strafdeel een stok achter de deur kan zijn, maar dat er bij een schorsing van de voorlopige hechtenis meer druk kan worden uitgevoerd op verdachte en sneller kan worden opgetreden bij het niet-naleven van de voorwaarden.

Door de officier van justitie en de verdediging is ter zitting geen verzoek gedaan om het onderzoek ter terechtzitting aan te houden. De rechtbank ziet hiervoor ook ambtshalve geen aanleiding.

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank de oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) en de straffen die zijn opgelegd in vergelijkbare situaties als uitgangspunt genomen. Daarbij heeft de rechtbank meegewogen dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor een strafbaar feit, zo blijkt uit het uittreksel van zijn justitiële documentatie van 28 september 2018.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat met de vordering van de officier van justitie en de door de raadsman bepleitte straf onvoldoende recht wordt gedaan aan de ernst van de feiten. De rechtbank acht een taakstraf van 80 uren en een voorwaardelijke jeugddetentie van vier maanden met een proeftijd van twee jaren passend en geboden. Aan het voorwaardelijk strafdeel zal de rechtbank een meldplicht bij de jeugdreclassering en begeleid wonen-verplichting als bijzondere voorwaarden verbinden.

8 De schade van benadeelden

8.1

De vordering van de benadeelde partij

[naam 6] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. Hij vordert verdachte te veroordelen om schadevergoeding voor materiële schade te betalen tot een totaalbedrag van € 1.375,-, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd. De gevorderde schade bestaat uit de volgende posten:

- € 1.000,-, de aanschafwaarde voor de Citroën Saxo 1,5 jaar geleden;

- € 225,- voor de winterbanden van deze Citroën Saxo;

- € 150,-, het restantbedrag na vergoeding uit de autoverzekering van de Citroën CX20.

[naam 3] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert verdachte te veroordelen om € 86,21 schadevergoeding voor materiële schade te betalen voor verrichte herstelwerkzaamheden aan zijn Seat Mii, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd.

8.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd de vordering van [naam 6] niet-ontvankelijk te verklaren, nu verdachte volgens haar van feit 2 dient te worden vrijgesproken.

De vordering van [naam 3] dient volgens de officier van justitie volledig te worden toegewezen, hoofdelijk te worden opgelegd en te worden vermeerderd met de wettelijke rente. Ook heeft de officier van justitie gevorderd de schadevergoedingsmaatregel als bedoeld in artikel 36f Sr toe te passen.

8.3

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd de vorderingen niet-ontvankelijk te verklaren, gelet op de door hem bepleitte integrale vrijspraak.

8.4

Het oordeel van de rechtbank

8.4.1.

Ten aanzien van de vordering van benadeelde partij [naam 6]

Nu verdachte van dit feit wordt vrijgesproken, zal de rechtbank [naam 6] op de voet van artikel 361, tweede lid, Sv niet-ontvankelijk verklaren in zijn vordering.

8.4.2.

Ten aanzien van de vordering van benadeelde partij [naam 3]

Door de gebezigde bewijsmiddelen en de behandeling ter zitting is komen vast te staan dat verdachte door het bewezenverklaarde feit rechtstreeks schade heeft toegebracht aan de benadeelde partij.

De vordering van [naam 3] is niet betwist, voldoende onderbouwd en aannemelijk. De rechtbank zal zijn vordering daarom hoofdelijk toewijzen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de einddatum van de bewezenverklaarde periode.

8.5

De schadevergoedingsmaatregel

De officier van justitie heeft gevorderd de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

De rechtbank zal de maatregel als bedoeld in artikel 36f Sr opleggen, aangezien verdachte jegens de benadeelde partij naar burgerlijk recht (mede) aansprakelijk is voor de schade die door het feit is toegebracht.

9 De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 77a, 77g, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z en 77aa Sr.

10 De beslissing

De rechtbank:

vrijspraak

- verklaart niet bewezen dat verdachte het als feit 2 en feit 5 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij;

bewezenverklaring

- verklaart bewezen dat verdachte het als feit 1, feit 3 en feit 4 tenlastegelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;

- verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;

strafbaarheid feit

- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;

- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1

het misdrijf: het openlijk in vereniging geweld plegen tegen goederen, terwijl hij opzettelijk goederen vernielt;

feit 3

het misdrijf: het openlijk in vereniging geweld plegen tegen goederen, terwijl hij opzettelijk goederen vernielt;

feit 4

het misdrijf: medeplegen van poging opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is;

strafbaarheid verdachte

- verklaart verdachte strafbaar voor de bewezenverklaarde feiten;

straf

- veroordeelt verdachte tot een jeugddetentie voor de duur van 4 (vier) maanden;

- bepaalt dat deze jeugddetentie in zijn geheel niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten. De rechter kan de tenuitvoerlegging gelasten indien verdachte voor het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren de navolgende voorwaarden niet is nagekomen:

- stelt als algemene voorwaarden dat verdachte:

- zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

- medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 77aa, eerste tot en met het vierde lid Sr, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

- stelt als bijzondere voorwaarden dat:

- de verdachte zich zal melden bij de Jeugdbescherming Overijssel, afdeling Jeugdreclassering te bepalen periode (die loopt tot maximaal het einde van de proeftijd) en op de door de Jeugdreclassering te bepalen tijdstippen zal melden bij de Jeugdreclassering zo frequent en zo lang deze instelling dat noodzakelijk acht;

- de verdachte, zodra daarvoor plaats is, zal verblijven in een instelling voor begeleid wonen die de Jeugdbescherming Overijssel daartoe geschikt acht. Hij zal daar ook gedurende de proeftijd moeten verblijven;

- draagt deze reclasseringsinstelling op om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;

- veroordeelt verdachte tot een taakstraf, bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid voor de duur van 80 (tachtig) uren;

- beveelt, voor het geval dat verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de duur van 40 dagen;

- beveelt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de taakstraf in mindering wordt gebracht, waarbij als maatstaf geldt dat voor de eerste 60 in verzekering of voorlopige hechtenis doorgebrachte dagen, twee uren en voor de resterende dagen één uur per dag aftrek plaatsvindt;

schadevergoeding benadeelde partij [naam 6]

- bepaalt dat de benadeelde partij in het geheel niet-ontvankelijk is in de vordering, en dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

schadevergoeding benadeelde partij [naam 3]

- veroordeelt verdachte tot betaling aan benadeelde partij [naam 3] van een bedrag van € 86,21, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 4 juni 2018, voor zover dit bedrag niet door een mededader zal zijn voldaan;

- veroordeelt verdachte daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;

- legt de maatregel op dat verdachte verplicht is ter zake van het bewezenverklaarde feit 4 tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 86,21 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 4 juni 2018 ten behoeve van de benadeelde;

- bepaalt dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als verdachte aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen;

- heft het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis op.

Dit vonnis is gewezen door mr. E.J.M. Bos, voorzitter en tevens kinderrechter, mr. J.H.W.R. Orriëns-Schipper en mr. M. van Berlo, rechters, in tegenwoordigheid van J.P. Ponsteen als griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 23 november 2018.

Buiten staat

mr. J.H.W.R. Orriëns-Schipper en J.P. Ponsteen zijn niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van de regiopolitie Oost-Nederland met nummers [nummer 1] , [nummer 2] , [nummer 3] , [nummer 4] en [nummer 5] (onderzoek Uranus). Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.

2 Het proces-verbaal van aangifte door [naam 2] namens [bedrijf] , pagina’s 184 en 185.

3 Een ander geschrift als bedoeld in artikel 344 lid 1 onder 5 Sv, pagina 20.

4 Een ander geschrift als bedoeld in artikel 344 lid 1 onder 5 Sv, pagina 6.

5 Het proces-verbaal van verhoor van medeverdachte [medeverdachte 1] , pagina 116, zevende alinea.

6 Het proces-verbaal van verhoor van medeverdachte [medeverdachte 1] op 13 juni 2018, pagina 139, achtste alinea.

7 Het proces-verbaal van verhoor van medeverdachte [medeverdachte 1] op 21 juni 2018, pagina 146, vijfde alinea.

8 Het proces-verbaal van aangifte door [naam 3] , pagina’s 490 tot en met 492.

9 Het proces-verbaal van bevindingen naar aanleiding van het onderzoek naar de telefoon van medeverdachte [medeverdachte 2] , pagina’s 192 en 193.

10 Het proces-verbaal van verhoor van medeverdachte [medeverdachte 1] op 9 juni 2018, pagina 139, achtste alinea.

11 Het proces-verbaal van verhoor van medeverdachte [medeverdachte 1] op 9 juni 2018, pagina 140, vierde alinea.

12 Het proces-verbaal van aangifte door [naam 4] , pagina’s 496 en 497.

13 Een ander geschrift als bedoeld in artikel 344 lid 1 onder 5 Sv, pagina 20.

14 Het proces-verbaal van verhoor van medeverdachte [medeverdachte 1] op 9 juni 2018, pagina 115, achtste en negende alinea.

15 Het proces-verbaal van verhoor van medeverdachte [medeverdachte 1] op 13 juni 2018, pagina 139, negende alinea.

16 Het proces-verbaal van verhoor van medeverdachte [medeverdachte 1] op 13 juni 2018, pagina 141, zesde alinea.