Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2018:4504

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
23-11-2018
Datum publicatie
23-11-2018
Zaaknummer
08/952348-18 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank Overijssel veroordeelt een 37-jarige Hengeloër tot 15 maanden cel, waarvan 5 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar voor het medeplegen van het tot ontploffing brengen van een vuurwerkbom bij de voordeur van een huis in Glanerbrug (Enschede). Hiermee bedreigde hij het leven van de bewoners. Samen met medeverdachten zouden ze één van de bewoners 'iets aandoen' in ruil voor geld. De man was verslaafd en had forse schulden. Hij moet de bewoners schadevergoedingen betalen van in totaal iets meer dan 8.500 euro.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Strafrecht

Meervoudige kamer

Zittingsplaats Almelo

Parketnummer 08/952348-18 (P)

Datum vonnis: 23 november 2018

Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1980 in [geboorteplaats] ,

wonende aan de [woonplaats] ,

nu verblijvende in Detentiecentrum Schiphol HvB te Badhoevedorp.

1 Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van

9 november 2018.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie

mr. M.S. de Waard en van hetgeen door verdachte en zijn raadsman mr. J.B.A. Kalk, advocaat in Enschede, naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

De verdenking komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

feit 1, primair: met één of meer anderen een ontploffing teweeg heeft gebracht dichtbij de woning aan de [adres] in Enschede, waardoor gevaar voor die woning en/of levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor de bewoners te duchten was;

feit 1, subsidiair: met één of meer anderen een voordeur en/of een deurmat heeft vernield;

feit 2: met één of meer anderen de bewoners van de [adres] in Enschede heeft bedreigd door dichtbij die woning een ontploffing teweeg te brengen.

Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:

1. primair
hij op of omstreeks 3 februari 2016 te Enschede, althans in Nederland,
gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
opzettelijk
een ontploffing teweeg heeft gebracht door een zogenoemde vuurwerkbom,
althans een explosief (voorwerp) aan te steken en/of tot ontploffing te
brengen in de nabijheid van een woning, gelegen aan de [adres] ,
en daarvan gemeen gevaar voor voornoemde woning en/of omliggende woningen, in
elk geval gemeen gevaar voor goederen en/of
levensgevaar voor de zich in voornoemde woning bevindende slachtoffers [slachtoffer 1]
en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of andere zich in omliggende
woningen bevindende personen, in elk geval levensgevaar voor een ander of
anderen en/of
gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor de zich in voornoemde woning
bevindende slachtoffers [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of andere
zich in omliggende woningen bevindende personen, in elk geval gevaar voor
zwaar lichamelijk letsel voor een ander of anderen
te duchten was;

1. subsidiair
hij op of omstreeks 03 februari 2016 te Enschede, althans in Nederland,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen
opzettelijk en wederrechtelijk:
- de voordeur van de woning gelegen aan de [adres] en/of
- een deurmat,
in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander dan aan
verdachte en/of zijn/haar mededader(s), te weten aan [slachtoffer 1] toebehoorde,
heeft vernield, beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt;

2.
hij op of omstreeks 03 februari 2016 te Enschede, althans in Nederland,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
[slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] heeft bedreigd
met enig misdrijf tegen het leven gericht, en/of met zware mishandeling,
door:
- een zogenoemde vuurwerkbom, althans een explosief (voorwerp) tot ontploffing
te brengen en/of aan te steken in de nabijheid van de woning van die [slachtoffer 1]
en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] .

3 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 De bewijsoverwegingen

4.1

Inleiding

In 2015 en 2016 zijn de bewoners van de woning aan de [adres] in Enschede het

slachtoffer geworden van een negental incidenten, waaronder bedreigingen, vernielingen en een mishandeling. Tijdens het zevende voorval, dat zich in de nacht van 3 februari 2016 heeft afgespeeld, vindt een explosie plaats bij de voordeur van de woning. Er wordt naderhand vlak voor de woning een zwerfkei omwikkeld met tape aangetroffen net als een vuurwerkwikkel, vuurwerkresten, taperesten en een vuisthamer. Mede op basis van een DNA-match en tapgesprekken vindt de politie aanwijzingen dat verdachte en medeverdachte [medeverdachte] betrokken zijn geweest bij deze ontploffing.

4.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de onder 1 primair en 2 ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend kunnen worden bewezen. Ten aanzien van feit 1 primair

voert de officier van justitie aan dat geen levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel te duchten is geweest, zodat verdachte van die onderdelen (partieel) moet worden vrijgesproken. Wel acht de officier van justitie bewezen dat gemeen gevaar voor goederen bestond.

4.3

Het standpunt van de verdediging

De raadsman bepleit dat zijn cliënt integraal moet worden vrijgesproken van de onder 1 primair en 1 subsidiair ten laste gelegde feiten. Ten aanzien van feit 1 primair is de raadsman van mening dat noch gevaar voor goederen noch levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel te duchten is geweest. Ten aanzien van feit 1 subsidiair voert de raadsman aan dat niet uit de dagvaarding blijkt welke gedraging tot de vernieling van de deur heeft geleid en bovendien aannemelijk is dat de deur reeds was beschadigd.

De raadsman stelt zich op het standpunt dat het onder 2 ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen kan worden.

4.4

Het oordeel van de rechtbank

Ten aanzien van feit 1 primair:

Vast staat dat er in de nacht van 3 februari 2016 aan de [adres] in Enschede een ontploffing heeft plaatsgevonden, waarbij meerdere personen betrokken zijn geweest. Verdachte heeft, zakelijk weergegeven, verklaard dat hij was benaderd door een derde om één van de slachtoffers, [slachtoffer 1] , iets aan te doen in ruil voor betaling van een geldsom. Daarop heeft verdachte het initiatief genomen om een ontploffing teweeg te brengen bij voornoemde woning en hij heeft daarvoor het gebruikte vuurwerk (een zogenaamde ‘shell’, een explosief voorwerp), aangeschaft en een kei gezocht, waar de shell op vast getapet is. Daarnaast heeft verdachte medeverdachte [medeverdachte] benaderd om (tegen betaling) het explosief voorwerp te plaatsen, aan te steken en tot ontploffing te brengen, hetgeen [medeverdachte] (samen met een derde) heeft gedaan. Ook was verdachte fysiek aanwezig bij de uitvoering van het delict om het gebeuren op film te zetten ten behoeve van de opdrachtgever.

De vraag die de rechtbank moet beantwoorden is of bij de ontploffing gevaar voor goederen dan wel levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel te duchten is geweest, zoals bedoeld in artikel 157 van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Daarbij is van belang of het uit de gedraging voortvloeiende gevaar naar objectieve maatstaven algemeen voorzienbaar is geweest op het moment van het verrichten van die gedraging.

In dit geval was redelijkerwijs voorzienbaar dat het laten ontploffen van een explosief voorwerp op zeer korte afstand van de woning aan de [adres] gevaar voor die woning zou opleveren. De rechtbank is dan ook van oordeel dat er door de ontploffing gemeen gevaar voor voornoemde woning te duchten was. Dit gevaar heeft zich ook verwezenlijkt, nu als gevolg van de ontploffing de ruit van de voordeur is gesprongen en de voordeur, het kozijn en een aantal stenen in de tuin zijn beschadigd. De lezing van de raadsman dat de ruit ook kan zijn gesprongen als gevolg van het intikken daarvan met de vuisthamer volgt de rechtbank niet. In de schriftelijke weergave van het tapgesprek valt immers te lezen dat medeverdachte [medeverdachte] , die het explosief voorwerp samen met een derde bij de voordeur heeft gelegd waarna deze tot ontploffing is gebracht, tegen verdachte heeft gezegd dat de ruit niet is gesprongen door het intikken daarvan maar door ‘dat ding’ (de rechtbank begrijpt: het explosief voorwerp).

De rechtbank is van oordeel dat, zoals ook de officier van justitie en de raadsman hebben bepleit, het, mede gelet op de inhoud van het NFI-rapport over het explosievenonderzoek, niet voorzienbaar was dat er levensgevaar dan wel gevaar voor zwaar lichamelijk letsel zou ontstaan door het laten ontploffen van een explosief voorwerp in de nabijheid van de woning aan de [adres] . De rechtbank zal verdachte dan ook vrijspreken van die onderdelen.

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 primair ten laste gelegde feit heeft begaan.

Ten aanzien van feit 2:

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het onder 2 ten laste gelegde feit op grond van de in de bijlage genoemde bewijsmiddelen, waarbij de rechtbank – nu verdachte dit feit heeft bekend en door of namens hem geen vrijspraak is bepleit – conform artikel 359, derde lid, laatste volzin van het Wetboek van Strafvordering (Sv), zal volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen.

4.5

De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in de bijlage genoemde bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat:

1. primair
hij op 3 februari 2016 te Enschede, gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk een ontploffing teweeg heeft gebracht door een explosief voorwerp aan te steken en tot ontploffing te brengen in de nabijheid van een woning, gelegen aan de [adres] , en daarvan gemeen gevaar voor voornoemde woning te duchten was;

2.
hij op 3 februari 2016 te Enschede, tezamen en in vereniging met anderen, [slachtoffer 1] en

[slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht door een explosief voorwerp tot ontploffing te brengen in de nabijheid van de woning van die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] .

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte onder 1 primair en 2 meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

5 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld in artikel 47 juncto 157 en artikel 47 juncto 285 Sr. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:

feit 1 primair

het misdrijf:

medeplegen van opzettelijk een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is;

feit 2

het misdrijf:

medeplegen van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.

6 De strafbaarheid van verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor de bewezenverklaarde feiten.

7 De op te leggen straf of maatregel

7.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijftien maanden, waarvan vijf maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman verzoekt de rechtbank primair om een gevangenisstraf op te leggen die gelijk is aan de duur van het voorarrest. De raadsman geeft de rechtbank subsidiair in overweging om daarnaast een taakstraf op te leggen.

7.3

De gronden voor een straf of maatregel

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij het volgende van belang.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van het veroorzaken van een ontploffing voor de voordeur van de woning aan de [adres] in Enschede. Met dit handelen heeft hij tevens de bewoners bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht. Uit de slachtofferverklaring blijkt dat de bewoners nog steeds slapeloze nachten, stress en angst ervaren. Zij durfden lange tijd niet meer thuis te slapen en verbleven ergens anders, terwijl een thuis een veiligheidsbasis hoort te zijn. Het gebeurde heeft een enorme impact op de psychische en lichamelijke gesteldheid van de bewoners gehad. Verder heeft de ontploffing geleid tot materiële schade aan de woning. De ontploffing moet daarnaast ook voor de omwonenden een bijzonder nare en bedreigende ervaring zijn geweest. De klap, die na middernacht te horen was, was zo fors dat enkele omwonenden hiervan wakker zijn geschrokken. Het behoeft geen toelichting dat een ontploffing van die omvang de nodige schrik in de buurt teweeg heeft gebracht. Dat verdachte, die zich bij zijn handelen alleen heeft laten leiden door zijn eigen geldelijk gewin, dit één en ander voor lief heeft genomen, neemt de rechtbank hem ernstig kwalijk.

Bij haar beslissing heeft de rechtbank rekening gehouden met het uittreksel justitiële documentatie van verdachte van 28 september 2018. In dat verband houdt de rechtbank rekening met het bepaalde in artikel 63 Sr, aangezien verdachte op 15 januari 2018 wegens een vernieling is veroordeeld tot een deels voorwaardelijke taakstraf. De rechtbank acht het echter waarschijnlijk dat in het geval onderhavige zaak gelijktijdig met die zaak was afgedaan aan verdachte een hogere straf was opgelegd.

Daarnaast heeft de rechtbank gelet op het reclasseringsrapport d.d. 18 oktober 2018. De reclassering beschouwt het leefgebied financiën als delict gerelateerd, omdat verdachte een geldsom werd aangeboden voor het plegen van het onderhavige delict en tevens sprake is van forse schuldenproblematiek. Aan de andere kant lijkt op dit moment ook sprake te zijn van positieve factoren. Verdachte heeft naar zijn zeggen geen GHB-afhankelijkheid meer en er zou geen sprake meer zijn van problematisch alcoholgebruik, wat in het verleden tot het plegen van strafbare feiten heeft geleid. Ook is op dit moment sprake van een stabiele partnerrelatie. Al met al schat de reclassering het recidiverisico in als matig/gemiddeld. Indien de rechtbank tot een veroordeling komt, adviseert de rechtbank oplegging van een straf zonder bijzondere voorwaarden. De reclassering acht interventies of toezicht niet aangewezen, nu verdachte zich sinds het delict een andere leefstijl heeft aangemeten, waarin hij meer stabiliteit heeft dan voorheen.

De rechtbank is van oordeel dat de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan een forse onvoorwaardelijke gevangenisstraf rechtvaardigen. Daarnaast acht de rechtbank het noodzakelijk dat aan verdachte een voorwaardelijke gevangenisstraf wordt opgelegd om hem ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw (dergelijke) strafbare feiten te plegen. Bij het bepalen van de proeftijd houdt de rechtbank rekening met het tijdsverloop sinds het plegen van de feiten en met het gegeven dat er geen bijzondere voorwaarden worden opgelegd.

Alles afwegend acht de rechtbank de door de officier van justitie gevorderde straf passend en geboden, te weten een gevangenisstraf voor de duur van vijftien maanden, met aftrek van het voorarrest, waarvan vijf maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren.

8 De schade van benadeelden

8.1

De vordering van de benadeelde partij

Mevrouw [slachtoffer 2] , de heer [slachtoffer 1] en de heer [slachtoffer 3] hebben zich ieder als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces.

De benadeelde partij [slachtoffer 2] vordert verdachte te veroordelen om schadevergoeding te betalen tot een totaalbedrag van € 8.574,98, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop de strafbare feiten zijn gepleegd. De gevorderde materiële schade bestaat uit de volgende posten:

- bevestiging rolluiken: € 5.300,-;

- montage beveiligingsfolie: € 1.274,98.

Wegens immateriële schade wordt een bedrag van € 2.000,- gevorderd.

De benadeelde partijen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3] vorderen ieder afzonderlijk verdachte te veroordelen om schadevergoeding te betalen tot een totaalbedrag van € 1.000,-, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop de strafbare feiten zijn gepleegd. De vorderingen zien op immateriële schade.

8.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie vordert dat alle vorderingen van de benadeelde partijen integraal worden toegewezen, te vermeerderen met de verschuldigde wettelijke rente.

8.3

Het standpunt van de verdediging

De raadsman bepleit dat de benadeelde partijen om verschillende redenen niet-ontvankelijk moeten worden verklaard in hun vorderingen. De raadsman voert primair aan dat de behandeling van de vorderingen een onevenredige belasting voor het strafproces vormt. Ten aanzien van de materiële schade, zoals gevorderd door [slachtoffer 2] , bepleit de raadsman dat er geen causaal verband is tussen het bewezenverklaarde feit en de gestelde schade en dat onderhavige incident slechts één is van meerdere incidenten die hebben geleid tot de gestelde schade. Ten aanzien van de immateriële schade stelt de raadsman dat de benadeelde partijen reeds pre-existente psychische klachten hadden, dat sprake is van pluraliteit van schadeveroorzakende feiten en omstandigheden, dat niet is voldaan aan de verplichting tot schadebeperking (omdat geen of niet tijdig hulp is gezocht dan wel therapie is gevolgd) en dat er geen deskundigenrapportage is waaruit een medisch erkend psychisch ziektebeeld blijkt.

8.4

Het oordeel van de rechtbank

Door de gebezigde bewijsmiddelen en de behandeling op de terechtzitting is komen vast te staan dat verdachte door de bewezenverklaarde feiten rechtstreeks schade heeft toegebracht aan de benadeelde partijen. Anders dan de raadsman heeft bepleit, is de rechtbank van oordeel dat de behandeling van de vorderingen van de benadeelde partijen geen onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. De vorderingen zijn immers relatief eenvoudig van aard, duidelijk, beknopt en overzichtelijk. De rechtbank zal de vorderingen van de benadeelde partijen dan ook inhoudelijk beoordelen.

De materiële schade

Naar het oordeel van de rechtbank zijn de door de benadeelde partij [slachtoffer 2] opgevoerde schadeposten voldoende onderbouwd en aannemelijk en onvoldoende betwist. Gebleken is dat de benadeelde partijen eerder met soortgelijke incidenten zijn geconfronteerd. Zij hebben naar aanleiding daarvan in toenemende mate beveiligingsmaatregelen genomen. Door het gezin zijn bijvoorbeeld eerst op enig moment voorafgaand aan onderhavig incident camera’s aangeschaft. Daarnaast heeft de officier van justitie ter terechtzitting kenbaar gemaakt dat het gezin dit incident het meest heftig vond om mee te maken, hetgeen steun vindt in het feit dat de rolluiken en beveiligingsfolie kort na het gebeuren zijn bevestigd. Gelet daarop is de rechtbank van oordeel dat een causaal verband bestaat tussen de bewezenverklaarde feiten en de geleden materiële schade. De rechtbank zal de gevorderde materiële schade daarom toewijzen tot een bedrag van € 6.574,98, te vermeerderen met de verschuldigde wettelijke rente vanaf de datum waarop de strafbare feiten zijn gepleegd.

De immateriële schade

De rechtbank is, ten aanzien van alle ingediende vorderingen ter zake immateriële schade, van oordeel dat een causaal verband bestaat tussen het bewezenverklaarde en de immateriële schade. Voor psychische klachten die voortvloeien uit de eventuele psychische predispositie als gevolg van de eerdere incidenten, geldt immers dat de veroorzaker het slachtoffer moet nemen zoals hij is. Volgens vaste rechtspraak moet de reactie op een gebeurtenis die wordt teweeggebracht door de persoonlijke predispositie van het slachtoffer nu juist niet voor diens rekening worden gelaten, maar aan de veroorzaker van de gebeurtenis worden toegerekend, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden zoals het geval dat het slachtoffer heeft nagelaten alles in het werk te stellen wat redelijkerwijs van hem kan worden verlangd om tot het herstelproces bij te dragen.1 Van dergelijke bijzondere omstandigheden is de rechtbank niet gebleken. Dit brengt mee dat de immateriële schade door verdachte moet worden vergoed. De rechtbank stelt de omvang van de immateriële schade naar redelijkheid en billijkheid vast op € 1.000,- voor [slachtoffer 2] en € 500,- per persoon voor [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3] . De rechtbank zal de vorderingen inzake immateriële schade tot zover toewijzen en de benadeelde partijen voor het overige niet-ontvankelijk verklaren in hun vorderingen.

Slotsom

De rechtbank zal in totaal de vorderingen hoofdelijk toewijzen tot de volgende bedragen:

- [slachtoffer 2] € 7.574,98,

- [slachtoffer 1] € 500,00,

- [slachtoffer 3] € 500,00,

elk te vermeerderen met de verschuldigde wettelijke rente vanaf de datum waarop het strafbare feit is gepleegd.

8.5

De schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partijen hebben verzocht en de officier van justitie heeft gevorderd de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

De rechtbank zal de maatregel als bedoeld in artikel 36f Sr opleggen, aangezien verdachte jegens de benadeelde partij naar burgerlijk recht (mede) aansprakelijk is voor de schade die door de feiten is toegebracht.

9 De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 14a, 14b, 14c en 57 Sr.

10 De beslissing

De rechtbank:

bewezenverklaring

- verklaart bewezen dat verdachte het onder 1 primair en 2 ten laste gelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;

- verklaart niet bewezen wat aan verdachte onder 1 primair en 2 meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;

strafbaarheid feit

- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;

- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1 primair: medeplegen van opzettelijk een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is;

feit 2: medeplegen van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht;

strafbaarheid verdachte

- verklaart verdachte strafbaar voor het onder 1 primair en 2 bewezenverklaarde;

straf

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 (vijftien) maanden;

- bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte van 5 (vijf) maanden niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- bepaalt dat de tijd die de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

schadevergoeding

- veroordeelt verdachte hoofdelijk tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 2] van een bedrag van € 7.574,98 (zegge: zevenduizend vijfhonderdvierenzeventig euro en achtennegentig cent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 3 februari 2016, voor zover dit bedrag niet door een mededader zal zijn voldaan;

- veroordeelt verdachte daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;

- legt de maatregel op dat verdachte verplicht is ter zake van de onder 1 primair en 2 bewezenverklaarde feiten tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 7.574,98 (zegge: zevenduizend vijfhonderdvierenzeventig euro en achtennegentig cent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 3 februari 2016 ten behoeve van de benadeelde, met bevel, voor het geval dat volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt, dat vervangende hechtenis voor de duur van 72 dagen zal worden toegepast, een en ander voor zover dit bedrag niet door een mededader zal zijn voldaan. Tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis laat de betalingsverplichting onverlet;

- bepaalt dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als verdachte aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen;

- bepaalt dat de benadeelde partij [slachtoffer 2] voor een deel van € 1.000,- (zegge: duizend euro) niet-ontvankelijk is in de vordering, en dat de benadeelde partij de vordering voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

- veroordeelt verdachte hoofdelijk tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 1] van een bedrag van € 500,- (zegge: vijfhonderd euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 3 februari 2016, voor zover dit bedrag niet door een mededader zal zijn voldaan;

- veroordeelt verdachte daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;

- legt de maatregel op dat verdachte verplicht is ter zake van de onder 1 primair en 2 bewezenverklaarde feiten tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 500,- (zegge: vijfhonderd euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf
3 februari 2016 ten behoeve van de benadeelde, met bevel, voor het geval dat volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt, dat vervangende hechtenis voor de duur van 10 dagen zal worden toegepast, een en ander voor zover dit bedrag niet door een mededader zal zijn voldaan. Tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis laat de betalingsverplichting onverlet;

- bepaalt dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als verdachte aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen;

- bepaalt dat de benadeelde partij [slachtoffer 1] voor een deel van € 500,- (zegge: vijfhonderd euro) niet-ontvankelijk is in de vordering, en dat de benadeelde partij de vordering voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

- veroordeelt verdachte hoofdelijk tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 3] van een bedrag van € 500,- (zegge: vijfhonderd euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 3 februari 2016, voor zover dit bedrag niet door een mededader zal zijn voldaan;

- veroordeelt verdachte daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;

- legt de maatregel op dat verdachte verplicht is ter zake van de onder 1 primair en 2 bewezenverklaarde feiten tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 500,- (zegge: vijfhonderd euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf

3 februari 2016 ten behoeve van de benadeelde, met bevel, voor het geval dat volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt, dat vervangende hechtenis voor de duur van 10 dagen zal worden toegepast, een en ander voor zover dit bedrag niet door een mededader zal zijn voldaan. Tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis laat de betalingsverplichting onverlet;

- bepaalt dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als verdachte aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen;

- bepaalt dat de benadeelde partij [slachtoffer 3] voor een deel van € 500,- (zegge: vijfhonderd euro) niet-ontvankelijk is in de vordering, en dat de benadeelde partij de vordering voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.H.W.R. Orriëns-Schipper, voorzitter, mr. E.J.M. Bos en

mr. M. van Berlo, rechters, in tegenwoordigheid van mr. E.H. Doldersum, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 23 november 2018.

Buiten staat

De voorzitter en de griffier zijn niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage bewijsmiddelen

Leeswijzer

Deze bijlage maakt deel uit van het vonnis en bevat de bewijsmiddelen.

Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van de regiopolitie Oost-Nederland, districtsrecherche Twente, met nummer ON2R017090 (ZEEPAARDJE). Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.

Ten aanzien van feit 1 primair:

1. Het proces-verbaal van verhoor van verdachte [verdachte] d.d. 8 mei 2018, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven (p. 99-105):

(...) V: Wie stelt voor dat het een vuurwerkbom moest zijn?

A: lk heb het zelf bedacht. (…) lk weet niet meer waar die kei vandaan komt, maar ik heb dat met [medeverdachte] gedaan. (...)

V: Hoe zat dat met de vuurwerkbom?

A: Die hadden ze bij zich. Het is een shell, het is ter grootte van een tennisbal. Omwikkeld met tape. De shell zat aan de steen, zodat het zou blijven liggen.

V: Hoe is die shell, die bom bij [medeverdachte] terecht gekomen?

A: Dat weet ik niet meer precies, maar hij lag bij [medeverdachte] in de auto. Zij hebben met zijn tweeën die shell daar bij de woning neergelegd. (...) Die shell heb ik van [naam 1] .

V: Heb jij specifiek naar iets gevraagd bij hem?

A: Nee, niet iets specifieks. lk weet niet meer precies hoeveel ik er voor betaald heb. lk denk rond de 25 euro. lk heb het zelf opgehaald. We hadden toen ergens afgesproken. (…)

2. Het proces-verbaal van verhoor van verdachte [verdachte] d.d. 16 mei 2018, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven (p. 106-115):

(...) V: Dan heb je dus een idee om een vuurwerkbom te maken en je hebt een shell. Waarom is [medeverdachte] er toen bij betrokken geraakt?

A: Omdat ik zelf moest filmen voor bewijs voor [naam 2] . [naam 2] wilde bewijs. (...)

V: Hoe kwam je aan die kennis?

A: Dat had ik opgezocht op YouTube. (…)

V: en [naam 3] , hoe is hij erbij betrokken geraakt?

A: Volgens mij heb ik dat aan [medeverdachte] gevraagd. We hadden er iemand bij nodig die desnoods dat ruitje in kon tikken, zodat het erop zou lijken dat de shell naar binnen zou worden gegooid. lk zou filmen. (...)

V: Op de camerabeelden zien we bij een bushalte een auto langzaam heen en weer rijden op het moment dat [medeverdachte] en [naam 3] naar die woning lopen. Die auto schijnt ook met de koplampen richting die woning. lk zal je de beelden tonen. Beelden van camera 1. Was jij de bestuurder van die auto?

A: Ja, dat ben ik. (...).

3. De verklaring van verdachte [verdachte] zoals afgelegd ter terechtzitting van 9 november 2018, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

(…) Ik ben begin januari benaderd door [naam 2] (…) We moesten hem wat aandoen, meer dan een paar blauwe plekken. (…) Ik had voor de kei gezorgd. (…) Ik zeg tegen [medeverdachte] : “leg hem maar voor de woning.” (…)

4. Het proces-verbaal van aangifte [slachtoffer 1] d.d. 5 februari 2016, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven (p. 386-387):

(...) Dinsdag 2 februari 2016 op woensdag 3 februari 2015 lag ik te slapen in mijn woning aan de [adres] te Enschede. Mijn vrouw en mijn zoon [slachtoffer 3] lagen ook te

slapen in deze woning. (…) Omstreeks 02.20 uur schrok ik wakker van een harde knal. Mijn vrouw en mijn zoon zijn hier ook wakker van geworden. (...) Ik zag dat de ruit van de voordeur kapot was. Voor de voordeur zag ik een grote steen liggen. Op deze staan zat grijs tape. Iets verderop zag ik een hamer op de grond liggen. (...)

5. Het proces-verbaal van verhoor van getuige [slachtoffer 2] d.d. 14 mei 2018, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven (p. 402-404):

(...) V: een tijdje later, op 3 februari 2016 was de 2e ontploffing. Wat kunt U mij daar over vertellen?

A: (...) Toen ik in bed lag hoorde ik een auto rijden en hard remmen. (…) Ik keek naar buiten via het badkamer raam. Dat badkamer raam zit boven de voordeur. Ik zag een auto draaien. Die auto reed bij de bushalte op de [adres] . Ik heb toen het raam van de badkamer open gedaan. Ik zag bij de voordeur van ons huis twee jongens staan. Ze stonden echt bij de voordeur van ons huis. Ik zag dat één van de jongens een hamer in zijn hand had en ik zag dat één van de jongens een zware, steen vast hield. (…) Toen kwam die ontploffing. Dat was een keiharde ontploffing. Niet normaal. Ik had het idee dat het huis stond te schudden. Ik ging weer via het badkamerraam naar buiten kijken. Ik zag rook en vuur. Dat was bij de voordeur, aan de buitenkant. (...) De voordeur was beschadigd. De schade zat aan de buitenkant. De voordeur en het kozijn waren kapot. Ook stenen van de tuin waren kapot. Er is een nieuwe voordeur geplaatst maar het kozijn kon niet gemaakt worden. (...)

6. Een tapgesprek (p. 495-496):

(...) Beller: + [telefoonnummer 1] @telefonie.ziggo

Naam: [verdachte]

Tnv: [verdachte] (...)

Datum: 03-05-2018 (...)

Gebelde: + [telefoonnummer 2] @telefonie.ziggo

Naam: [medeverdachte] NG

Tnv: Prepaid [medeverdachte] (...)

NNM2505: luister zoveel is er niet aan de hand. want er is gewoon, er is geen ruit gesprongen toch?

NNM8049: jawel

NNM2505: weet je dat zeker

NNM8049: ja, dat was op ding toch

NNM2505: ja maar omdat ik dat zelf zei van je tikt desnoods de ruit in of is dat door dat ding gebeurd.

NNM8049: door dat ding

NNM2505: oke, dus de ruit is wel gesprongen

NNM8049: ja (…).

Ten aanzien van feit 2:

1. De bekennende verklaring van verdachte [verdachte] zoals afgelegd ter terechtzitting

van 9 november 2018;

2. Het proces-verbaal van aangifte [slachtoffer 1] d.d. 5 februari 2016 (p. 386-387);

3. Het proces-verbaal van verhoor van getuige [slachtoffer 2] d.d. 14 mei 2018 (p. 402-404).

1 HR 4 november 1988, ECLI:NL:HR:1988:AB8920 (ABP/Stuyvenberg).