Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2018:4501

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
23-11-2018
Datum publicatie
23-11-2018
Zaaknummer
08-760112-18 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank Overijssel veroordeelt een 22-jarige vrouw tot een gevangenisstraf van 8 maanden waarvan 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar en algemene en bijzondere voorwaarden voor het openlijk in vereniging geweld plegen tegen goederen, het medeplegen van opzettelijk brand stichten en het medeplegen van poging tot opzettelijk brand stichten. Daarnaast moet de vrouw een bedrag van ruim 700 euro aan schadevergoeding aan haar slachtoffers betalen. Zie ook:

ECLI:NL:RBOVE:2018:4500

ECLI:NL:RBOVE:2018:4505

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Strafrecht

Meervoudige kamer

Zittingsplaats Almelo

Parketnummer: 08-760112-18 (P)

Datum vonnis: 23 november 2018

Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1996 in [geboorteplaats] ,

verblijvende bij FPA [naam 1] ,

ingeschreven in de BRP op het adres: [adres 1] .

1 Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van

9 november 2018.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie

mr. L. Guest en van hetgeen door verdachte en haar raadsman, mr. M. Tijken, advocaat te Oldenzaal, naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

De verdenking komt er, na een aanpassing omschrijving van de tenlastelegging van 9 november 2018, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

feit 1 primair: openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een Renault Trafic, door deze in brand te steken;

feit 1 subsidiair: in vereniging een Renault Trafic heeft vernield;

feit 2: in vereniging brand heeft gesticht waardoor een Citroën Saxo is verbrand en gemeen gevaar voor een daarnaast geparkeerde Citroën CX20 te duchten was;

feit 3 primair: openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een Seat Mii, door deze in brand te steken;

feit 3 subsidiair: in vereniging een Seat Mii heeft vernield;

feit 4: in vereniging heeft geprobeerd een Mercedes Benz in brand te steken;

feit 5: in vereniging een fiets heeft gestolen.

Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:

1

Primair

zij op of omstreeks 04 juni 2018 te Den Ham, gemeente Twenterand, openlijk, te weten de [straat 1] , in elk geval op of aan de openbare weg en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een goed, te weten een bedrijfsbus, merk Renault, type Trafic (gekentekend [kenteken 1] ) door voornoemde bedrijfsbus in brand te steken, terwijl zij, verdachte d(it)eze goed(eren) opzettelijk heeft vernield;

Subsidiair

zij op of omstreeks 04 juni 2018 te Den Ham, gemeente Twenterand, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en wederrechtelijk een bedrijfsbus, merk Renault, type Trafic (gekentekend [kenteken 1] ), in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander, te weten aan [bedrijf 1] en/of [naam 2] toebehoorde, heeft/hebben vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt;

2

zij op of omstreeks 31 mei 2018 te Den Ham, gemeente Twenterand, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk brand heeft gesticht door de vlam van een aansteker, althans open vuur in aanraking te brengen met toiletpapier en/of de inhoud van een (deodorant)spuitbus, althans met een (zeer brandbaar/vluchtig gas/vloeistof en/of aanmaakblokjes en/of een auto(band) , althans met een brandbare stof ten gevolge waarvan een personenauto, merk Citroën, type Saxo, kleur geel (gekentekend [kenteken 2] ) geheel of gedeeltelijk is/zijn verbrand, in elk geval brand is ontstaan, en daarvan gemeen gevaar voor een naast voornoemde Citroën Saxo geparkeerde Citroën CX20, kleur groen (gekentekend [kenteken 3] ), in elk geval gemeen gevaar voor goederen, te duchten was;

3

Primair

zij in of omstreeks de periode van 02 juni 2018 tot en met 4 juni 2018 te Den

Ham, gemeente Twenterand, openlijk, te weten de [straat 2] , in elk geval op of aan de openbare weg en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een goed, te weten een personenauto, merk Seat, type Mii, kleur grijs (gekentekend [kenteken 4] ) door voornoemde auto in brand te steken terwijl zij, verdachte d(it)eze goed(eren) opzettelijk heeft vernield;

Subsidiair

zij in of omstreeks de periode van 02 juni 2018 tot en met 4 juni 2018 te Den

Ham, gemeente Twenterand, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen opzettelijk en wederrechtelijk een personenauto, merk Seat, type Mii, kleur grijs (gekentekend [kenteken 4] ), in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander dan aan verdachte en/of zijn/haar mededader(s), te weten aan [naam 3] toebehoorde, heeft vernield, beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt;

4

zij in of omstreeks 3 juni 2018 tot en met 4 juni 2018 te Den Ham, gemeente

Twenterand, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door haar voorgenomen misdrijf om opzettelijk brand te stichten in/aan een bestelauto/bus, Merk Mercedes Benz(gekentekend

[kenteken 5] ), met dat opzet met een of meer van haar mededader(s), althans alleen de vlam van een aansteker en/of lucifer, in elk geval met dat opzet open vuur

in aanraking heeft gebracht met toiletpapier en/of de inhoud van een

(deodorant)spuitbus, althans met een (zeer brandbaar/vluchtig gas/vloeistof

en/of aanmaakblokjes en/of een auto(band) , althans met een brandbare stof ten gevolge waarvan een bestelauto/bus, Merk Mercedes Benz(gekentekend [kenteken 5] )

geheel of gedeeltelijk is/zijn verbrand, in elk geval brand is ontstaan, en daarvan gemeen gevaar voor (een nabij voornoemde bestelauto/bus) gelegen

leegstaande woning (naast perceel [adres 2] ), in elk geval gemeen gevaar

voor goederen, te duchten was, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

5

zij op of omstreeks 05 juni 2018 te Den Ham, gemeente Twenterand, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een fiets, merk Union, kleur groen/zwart, in elk geval enig goed, dat geheel

of ten dele aan een ander dan aan verdachte en/of haar mededader(s)

toebehoorde, te weten aan [naam 4] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.

3 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 De bewijsoverwegingen

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht de feiten 1 tot en met 4 wettig en overtuigend te bewijzen. Van feit 5 dient verdachte volgens de officier van justitie te worden vrijgesproken, omdat zij hierbij alleen aanwezig is geweest wat onvoldoende is om medeplegen bewezen te verklaren.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft eveneens betoogd dat verdachte van feit 5 dient te worden vrijgesproken, omdat er geen sprake is van het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening of medeplegen. Voor het overige heeft de raadsman geen bewijsverweer gevoerd.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank gaat voor haar oordeel uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Ten tijde van de tenlastegelegde feiten verbleef verdachte (hierna: [verdachte] ) bij woonzorgboerderij [boerderij] . Op dat moment verbleven ook medeverdachten [medeverdachte 1] (hierna: [medeverdachte 1] ) en [medeverdachte 2] (hierna: [medeverdachte 2] ) bij [boerderij] .

In de nacht van woensdag 30 mei 2018 op donderdag 31 mei 2018 hebben [medeverdachte 1] en [verdachte] [boerderij] verlaten met het doel om een auto in brand te steken, nadat zij daar ’s middags YouTube-filmpjes over hadden bekeken. [medeverdachte 1] had een rugzak bij zich, met daarin onder andere toiletpapier en een spuitbus deodorant. Samen hebben ze door Den Ham rondgelopen en aan de [straat 3] heeft [medeverdachte 1] deodorant op het toiletpapier gespoten, op de band van een willekeurige Citroën Saxo gelegd en aangestoken. Toen het toiletpapier ontbrandde zijn [medeverdachte 1] en [verdachte] samen weggerend. De Citroën Saxo is daardoor afgebrand. Direct naast de Citroën Saxo stond een Citroën CX20 geparkeerd, die hierdoor ook brand- en blusschade heeft opgelopen.

Met het plan om wederom een auto in brand te steken hebben [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [verdachte] enkele dagen na de eerdergenoemde brand [boerderij] verlaten en rondgelopen door Den Ham. Wederom hadden ze onder andere toiletpapier en een spuitbus deodorant bij zich. [medeverdachte 1] heeft geprobeerd een witte Mercedes-Benz autobus aan de [straat 4] in de brand te steken, maar dat lukte niet. [verdachte] en [medeverdachte 2] hebben vervolgens geprobeerd aan de [straat 2] een Seat Mii in brand te steken. Daardoor is blaarvorming in de wielkas van de Seat Mii ontstaan. Bij een groene Renault Trafic bedrijfsbus aan de [straat 1] bespraken [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] om deze met een sok in brand te steken. [medeverdachte 1] heeft toen zijn sok uitgedaan, deze met deodorant ingespoten en op de autoband gelegd. Vervolgens heeft [verdachte] deze aangestoken, waardoor de Renault Trafic is afgebrand.

Op 5 juni 2018 zijn [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [verdachte] naar de [bedrijf 2] gefietst in Den Ham. [medeverdachte 2] zat achterop bij [medeverdachte 1] . Aangekomen bij de [bedrijf 2] heeft [medeverdachte 1] een damesfiets (merk Union) uit het fietsenrek gepakt en is daarop weggefietst.

Bewijsmiddelen 1

In de als feit 1 primair, feit 2, feit 3 primair en feit 4 tenlastegelegde zaken komt de rechtbank tot een bewezenverklaring en zal – nu verdachte deze feiten heeft bekend en door of namens haar geen vrijspraak is bepleit – conform artikel 359, derde lid, laatste volzin, van het Wetboek van Strafvordering (Sv), worden volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen.

Feit 1 primair

  • -

    het proces-verbaal van aangifte door [naam 2] namens [bedrijf 1] , pagina’s 184 en 185;

  • -

    het proces-verbaal van verhoor van verdachte op 9 juni 2018, pagina’s 112 tot en met 118;

  • -

    het proces-verbaal van verhoor van verdachte op 13 juni 2018, pagina’s 138 tot en met 142;

  • -

    het proces-verbaal van de terechtzitting van 9 november 2018, voor zover inhoudende de bekennende verklaring van verdachte.

Feit 2

  • -

    het proces-verbaal van aangifte door [naam 5] , pagina’s 487 en 488;

  • -

    het proces-verbaal van verhoor van verdachte op 9 juni 2018, pagina’s 112 tot en met 118;

  • -

    het proces-verbaal van verhoor van verdachte op 13 juni 2018, pagina’s 138 tot en met 142;

  • -

    het proces-verbaal van de terechtzitting van 9 november 2018, voor zover inhoudende de bekennende verklaring van verdachte.

Feit 3 primair

  • -

    het proces-verbaal van aangifte door [naam 3] , pagina’s 490 tot en met 492;

  • -

    het proces-verbaal van bevindingen naar aanleiding van het onderzoek naar de telefoon van [medeverdachte 1] , pagina’s 192 en 193;

  • -

    het proces-verbaal van verhoor van verdachte op 9 juni 2018, pagina’s 112 tot en met 118;

  • -

    het proces-verbaal van verhoor van verdachte op 13 juni 2018, pagina’s 138 tot en met 142;

  • -

    het proces-verbaal van de terechtzitting van 9 november 2018, voor zover inhoudende de bekennende verklaring van verdachte.

Feit 4

  • -

    het proces-verbaal van aangifte door [naam 6] , pagina’s 496 en 497;

  • -

    het proces-verbaal van verhoor van verdachte op 9 juni 2018, pagina’s 112 tot en met 118;

  • -

    het proces-verbaal van verhoor van verdachte op 13 juni 2018, pagina’s 138 tot en met 142;

  • -

    het proces-verbaal van de terechtzitting van 9 november 2018, voor zover inhoudende de bekennende verklaring van verdachte.

Aanvullende bewijsoverwegingen

Door [verdachte] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] zijn uiteenlopende verklaringen afgelegd. [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] hebben voornamelijk elkaar en [verdachte] als (hoofd)schuldige aangewezen. Onder meer gelet op de inhoud van de in het dossier weergegeven WhatsApp-gesprekken en de inconsistenties in hun verklaringen, is de rechtbank van oordeel dat ten aanzien van de verklaringen van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] uiterste behoedzaamheid dient te worden betracht.

De verklaringen van [verdachte] acht de rechtbank daarentegen betrouwbaar. Zij heeft hoofdzakelijk consistent en geloofwaardig verklaard, heeft ook belastend over zichzelf verklaard en haar verklaringen worden nagenoeg geheel ondersteund door het dossier. Bij de bewezenverklaring gaat de rechtbank daarom uit van de verklaringen die [verdachte] in haar verhoren bij de politie heeft afgelegd.

Uit deze verklaringen volgt dat zij en [medeverdachte 1] bij feit 2, en zij, [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] bij de feiten 1, 3 en 4 vooraf hadden besproken om een auto in brand te steken en met dat doel en voorzien van onder meer toiletpapier en een spuitbus deodorant [boerderij] hebben verlaten. Samen zijn zij in Den Ham op zoek gegaan naar auto’s om in brand te steken. Op het moment dat zij – om de beurt – de brand aanstaken, of dat probeerden, bevonden zij zich allen in de directe nabijheid daarvan. In sommige gevallen werden daarbij aanwijzingen gegeven aan degene die daadwerkelijk het toiletpapier of de sok in brand stak of hierbij werd geholpen door het toiletpapier of de sok met deodorant in te spuiten waardoor deze sneller zou ontbranden. Na het aansteken van het toiletpapier of de sok zijn zij vervolgens gezamenlijk weggerend.

Openlijke geweldpleging: feiten 1 en 3

Voor de bewezenverklaring van het openlijk in vereniging plegen van geweld is vereist dat er sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking binnen een groep waarvan geweld uitgaat. Het opzet van de dader moet gericht zijn op het geweld en zijn bijdrage daaraan. Ook moet hij materieel aan het geweld hebben bijgedragen door zelf geweld te gebruiken, of een wezenlijke bijdrage hebben geleverd aan het geweld van anderen. Daarbij is alleen het deel uitmaken van een groep waarvan geweld uitgaat op zichzelf niet voldoende. Beoordeeld zal moeten worden of de door de verdachte geleverde bijdrage aan het geweld van voldoende gewicht is. Daarvoor is dus niet vereist dat verdachte (ook) zelf geweld heeft gebruikt. Ook door intellectuele bijdragen aan het verband dat geweld pleegt kan hiervan sprake zijn.

Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit de bovenstaande bewijsmiddelen dat door een in homogeen verband opererende groep openlijk geweld is gepleegd tegen goederen, waardoor opzettelijk een Renault Trafic (feit 1) en een Seat Mii (feit 3) zijn vernield. Verdachte heeft daarin een actief en wezenlijk aandeel gehad, door een substantiële bijdrage te leveren aan het gepleegde geweld. Ook heeft zij door zijn handelen bijgedragen aan een sfeer van ontremming waarin anderen (ook) zijn overgegaan tot het plegen van geweld. Hieruit volgt dat verdachtes opzet zich (ook) uitstrekte tot het geweld dat anderen tijdens deze gebeurtenis pleegden. Ook dat geweld kan verdachte daarom worden toegerekend. Wie uiteindelijk daadwerkelijk het toiletpapier of de sok heeft aangestoken is in dat verband niet relevant.

Medeplegen (poging) brandstichting: feiten 2 en 4

Uit voorgaande bewijsmiddelen volgt dat sprake is geweest van een gezamenlijke uitvoering van de brandstichtingen. Verdachte en haar mededader(s) zijn allen fysiek aanwezig geweest bij de brandstichtingen en hebben allen een bijdrage geleverd die van voldoende gewicht is geweest om te concluderen dat sprake is van een bewuste en nauwe samenwerking en dus van medeplegen. Ook hier is in dat verband niet relevant wie daadwerkelijk de brand heeft gesticht, of dat heeft geprobeerd te doen.

Uit bovenstaande bewijsmiddelen blijkt verder dat de vlam van een aansteker in contact is gebracht met toiletpapier dat was ingespoten met deodorant spray. Dit toiletpapier is vervolgens op de autoband van een Citroën Saxo (feit 2) en een Mercedes-Benz (feit 4) gelegd, met het doel om dat voertuig in brand te steken. Hoewel het toiletpapier op de autoband van de Mercedes-Benz (feit 4) uiteindelijk niet is overgeslagen naar (brandbare delen van) de Mercedes-Benz, was met het handelen van verdachten reeds sprake van het begin van uitvoering van opzettelijke brandstichting ten gevolge waarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten was. In het parkeervak naast de Citroën Saxo (feit 2) stond een Citroën CX20 geparkeerd. Als een feit van algemene bekendheid kan worden aangenomen dat er een aanmerkelijke kans bestaat dat een brandend voertuig ook brandoverslag kan veroorzaken, bijvoorbeeld naar een direct daarnaast geparkeerd voertuig. Gelet op deze omstandigheden is de rechtbank dan ook van oordeel dat objectief voorzienbaar was dat de brand zich had kunnen verspreiden en dat ook daarom gemeen gevaar voor goederen te duchten was.

Ten aanzien van feit 4 overweegt de rechtbank verder dat uit het dossier onvoldoende blijkt dat gemeen gevaar voor een nabijgelegen leegstaande woning te duchten was. In het bijzonder blijkt niet wat de afstand was tussen de Mercedes-Benz en deze leegstaande woning. Van dit onderdeel van de tenlastelegging wordt verdachte dan ook partieel vrijgesproken.

Vrijspraak feit 5

De rechtbank acht het onder 5 tenlastegelegde niet wettig en overtuigend bewezen. Het dossier bevat onvoldoende aanknopingspunten dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van diefstal van de fiets. Daarom zal de rechtbank haar hiervan vrijspreken, zoals ook is gevorderd door de officier van justitie en bepleit door de raadsman.

4.5

De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de hiervoor genoemde bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat:

1

Primair

zij op 4 juni 2018 te Den Ham, gemeente Twenterand, openlijk, te weten aan de [straat 1] , in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een goed, te weten een bedrijfsbus, merk Renault, type Trafic (gekentekend [kenteken 1] ) door voornoemde bedrijfsbus in brand te steken, terwijl zij, verdachte dit goed opzettelijk heeft vernield;

2

zij op of omstreeks 31 mei 2018 te Den Ham, gemeente Twenterand, tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk brand heeft gesticht door de vlam van een aansteker in aanraking te brengen met toiletpapier ten gevolge waarvan een personenauto, merk Citroën, type Saxo, kleur geel (gekentekend [kenteken 2] ) is verbrand, en daarvan gemeen gevaar voor een naast voornoemde Citroën Saxo geparkeerde Citroën CX20, kleur groen (gekentekend [kenteken 3] ), te duchten was;

3

Primair

zij in de periode van 2 juni 2018 tot en met 4 juni 2018 te Den Ham, gemeente Twenterand, openlijk, te weten aan de [straat 2] , in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een goed, te weten een personenauto, merk Seat, type Mii, kleur grijs (gekentekend [kenteken 4] ) door voornoemde auto in brand te steken terwijl zij, verdachte dit goed opzettelijk heeft vernield;

4

zij in in de periode van 3 juni 2018 tot en met 4 juni 2018 te Den Ham, gemeente

Twenterand, tezamen en in vereniging met anderen, ter uitvoering van het door haar voorgenomen misdrijf om opzettelijk brand te stichten aan een autobus, merk Mercedes-Benz (gekentekend [kenteken 5] ), met dat opzet met haar mededaders, de vlam van een aansteker in aanraking heeft gebracht met toiletpapier ten gevolge waarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten was, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

De rechtbank heeft in de tenlastelegging voorkomende schrijffouten verbeterd in de bewezenverklaring. Verdachte wordt hierdoor niet in haar verdediging geschaad.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij haar daarvan zal vrijspreken.

5 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld in de artikelen 45, 47, 141 en 157 van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:

feit 1

het misdrijf: het openlijk in vereniging geweld plegen tegen goederen, terwijl hij opzettelijk goederen vernielt;

feit 2

het misdrijf: medeplegen van opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is;

feit 3

het misdrijf: het openlijk in vereniging geweld plegen tegen goederen, terwijl hij opzettelijk goederen vernielt;

feit 4

het misdrijf: medeplegen van poging opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is.

6 De strafbaarheid van verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor de bewezenverklaarde feiten.

7 De op te leggen straf of maatregel

7.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte te veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van acht maanden, waarvan drie maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren. Hieraan dienen de door de reclassering geadviseerde voorwaarden als bijzondere voorwaarden te worden verbonden, waarbij bepaald dient te worden dat de klinische opname maximaal drie jaren kan duren. De officier van justitie heeft gevorderd de bijzondere voorwaarden dadelijk uitvoerbaar te verklaren.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit verdachte geen langere onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen dan de tijd die zij reeds in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, met een voorwaardelijke taakstraf als stok achter de deur. De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de gevorderde bijzondere voorwaarden en de dadelijke uitvoerbaarheid kunnen worden opgelegd.

7.3

De gronden voor een straf of maatregel

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen.

Voor wat betreft de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan, vindt de rechtbank het volgende van belang.

Verdachte heeft zich twee keer schuldig gemaakt aan openlijke geweldpleging en twee keer aan het medeplegen van (poging tot) brandstichting. Dergelijke ernstige feiten zijn niet alleen voor de direct betrokkenen zeer verontrustend, maar ook voor de samenleving.

Ten aanzien van de persoon van de verdachte heeft de rechtbank acht geslagen op het rapport van psycholoog B. Koudstaal van 2 oktober 2018, het rapport van psychiater A.M. de Jong van 10 oktober 2018, het rapport van Reclassering Nederland van 5 november 2018 en hetgeen deskundige [naam 7] namens Reclassering Nederland ter zitting naar voren heeft gebracht. Kort gezegd blijkt daaruit onder meer dat verdachte lijdt aan een autismespectrumstoornis, een ongespecificeerde schizofreniespectrum- of andere psychotische stoornis, een posttraumatische stressstoornis en een licht verstandelijke beperking. Deze stoornissen hebben haar gedragskeuzen en gedragingen ten tijde van het tenlastegelegde beïnvloed. De psycholoog en psychiater adviseren daarom om verdachte het ten laste gelegde in verminderde mate toe te rekenen. De reclassering adviseert een meldplicht en klinische opname in een zorginstelling voor maximaal drie jaren als bijzondere voorwaarden aan verdachte op te leggen, en deze voorwaarden dadelijk uitvoerbaar te verklaren.

De rechtbank is van oordeel dat de conclusies van de deskundigen goed zijn onderbouwd en zal deze als uitgangspunt nemen bij het bepalen van de op te leggen straf. Daarnaast zal de rechtbank het commune strafrecht toepassen, aangezien op basis van de hiervoor genoemde adviezen niet kan worden vastgesteld dat een pedagogische aanpak haalbaar is.

Daarbij heeft de rechtbank de straffen die zijn opgelegd in vergelijkbare situaties als uitgangspunt genomen. De rechtbank heeft daarbij meegewogen dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor enig strafbaar feit, zo blijkt uit het uittreksel van zijn justitiële documentatie van 20 augustus 2018. Ten voordele van verdachte heeft de rechtbank ook meegewogen dat zij openheid van zaken heeft gegeven.

De rechtbank overweegt dat de door de raadsman bepleite strafmaat onvoldoende recht doet aan de ernst van de feiten.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van acht maanden, waarvan drie maanden voorwaardelijk en een proeftijd van drie jaren, passend en geboden is, conform de vordering van de officier van justitie. Hieraan zullen de door de reclassering geadviseerde voorwaarden als bijzondere voorwaarden worden verbonden, maar daarbij zal de rechtbank gelet op de proportionaliteit bepalen dat de klinische behandelverplichting maximaal 24 maanden zal duren.

De rechtbank is van oordeel dat de op grond van artikel 14c Sr te stellen voorwaarden en het op grond van artikel 14d Sr uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar moeten zijn nu er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van één of meer personen.

8 De schade van benadeelden

8.1

De vordering van de benadeelde partijen

[naam 5] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. Hij vordert verdachte te veroordelen om schadevergoeding voor materiële schade te betalen tot een totaalbedrag van € 1.375,-, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd. De gevorderde schade bestaat uit de volgende posten:

- € 1.000,-, de aanschafwaarde voor de Citroën Saxo 1,5 jaar geleden;

- € 225,- voor de winterbanden van deze Citroën Saxo;

- € 150,-, het restantbedrag na vergoeding uit de autoverzekering van de Citroën CX20.

Tevens heeft [naam 5] ter zitting mondeling om een onkostenvergoeding verzocht in

verband met zijn aanwezigheid bij de inhoudelijke behandeling van de strafzaak,

zonder hiervoor een bedrag te noemen.

[naam 3] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert verdachte te veroordelen om € 86,21 schadevergoeding voor materiële schade te betalen voor verrichte herstelwerkzaamheden aan zijn Seat Mii, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd.

8.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd dat de vordering van [naam 5] tot een bedrag van € 1.150,- kan worden toegewezen, bestaande uit de gevorderde € 1.000,- voor de Citroën Saxo en het bedrag van € 150,- voor de Citroën CX20 dat niet door de verzekeraar is vergoed. Wat betreft de winterbanden is de vordering onvoldoende onderbouwd. Daarom dient de vordering te worden afgewezen, aldus de officier van justitie. Over de onkostenvergoeding heeft de officier van justitie zich niet uitgelaten.

De vordering van [naam 3] dient volledig te worden toegewezen, aldus de officier van justitie.

Ten aanzien van beide vorderingen dient het toegewezen bedrag volgens de officier van justitie hoofdelijk te worden opgelegd en te worden vermeerderd met de wettelijke rente. Ook heeft de officier van justitie gevorderd de schadevergoedingsmaatregel als bedoeld in artikel 36f Sr toe te passen.

8.3

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd dat de vordering van [naam 5] niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, omdat deze onvoldoende is onderbouwd. Over de onkostenvergoeding heeft de raadsman zich niet uitgelaten. De vordering van [naam 3] heeft de raadsman niet betwist.

8.4

Het oordeel van de rechtbank

8.4.1.

Ten aanzien van de vordering van benadeelde partij [naam 5]

Door de gebezigde bewijsmiddelen en de behandeling ter zitting is komen vast te staan dat verdachte door het bewezenverklaarde feit rechtstreeks schade heeft toegebracht aan de benadeelde partij.

De rechtbank overweegt dat uit de aangifte van [naam 5] blijkt dat de Citroën Saxo motorisch is afgebrand (wat ook is te zien op de foto op pagina 7 in het proces-verbaal), dat deze niet allrisk was verzekerd en dat hij deze 1,5 jaar geleden voor € 1.000,- had gekocht. Aangezien geen stukken ter onderbouwing van de schade voor de Citroën Saxo zijn overgelegd, ziet de rechtbank aanleiding om gebruik te maken van haar bevoegdheid om de omvang van de schade te schatten en acht als redelijke schatting een bedrag van € 500,- voor toewijzing vatbaar. De rechtbank is verder van oordeel dat de gestelde schade ten aanzien van het restantbedrag na uitkering van het verzekerde bedrag voor de Citroën CX20 voldoende aannemelijk is geworden.

Wegens materiële schade zal de rechtbank daarom een bedrag van € 650,- hoofdelijk toewijzen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum waarop het strafbare feit is gepleegd.

Voor het overige zal de rechtbank [naam 5] niet-ontvankelijk verklaren, nu nadere onderbouwing van de vordering op dit punt en het aanhouden van de zaak voor nader onderzoek tot een onevenredige belasting van het strafproces zou leiden. Dat geldt ook voor de mondeling gevorderde onkostenvergoeding, nu [naam 5] deze schade onvoldoende heeft onderbouwd.

8.4.2.

Ten aanzien van de vordering van benadeelde partij [naam 3]

Door de gebezigde bewijsmiddelen en de behandeling ter zitting is komen vast te staan dat verdachte door het bewezenverklaarde feit rechtstreeks schade heeft toegebracht aan de benadeelde partij.

De vordering van [naam 3] is niet betwist, voldoende onderbouwd en aannemelijk. De rechtbank zal zijn vordering daarom hoofdelijk toewijzen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de einddatum van de bewezenverklaarde periode.

8.5

De schadevergoedingsmaatregel

De officier van justitie heeft gevorderd de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

De rechtbank zal de maatregel als bedoeld in artikel 36f Sr opleggen, aangezien verdachte jegens de benadeelde partijen naar burgerlijk recht (mede) aansprakelijk is voor de schade die door de feiten is toegebracht.

9 De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 14e en 57 Sr.

10 De beslissing

De rechtbank:

vrijspraak

- verklaart niet bewezen dat verdachte het als feit 5 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt haar daarvan vrij;

bewezenverklaring

- verklaart bewezen dat verdachte het als feit 1 primair, feit 2, feit 3 primair en feit 4 tenlastegelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;

- verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt haar daarvan vrij;

strafbaarheid feit

- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;

- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1 primair

het misdrijf: het openlijk in vereniging geweld plegen tegen goederen, terwijl hij opzettelijk goederen vernielt;

feit 2

het misdrijf: medeplegen van opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is;

feit 3 primair

het misdrijf: het openlijk in vereniging geweld plegen tegen goederen, terwijl hij opzettelijk goederen vernielt;

feit 4

het misdrijf: medeplegen van poging opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is;

strafbaarheid verdachte

- verklaart verdachte strafbaar voor de bewezenverklaarde feiten;

straf

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 (acht) maanden;

- bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte van 3 (drie) maanden niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten. De rechter kan de tenuitvoerlegging gelasten indien verdachte voor het einde van de proeftijd van 3 (drie) jaren de navolgende voorwaarden niet is nagekomen:

- stelt als algemene voorwaarden dat verdachte:

- zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- ten behoeve van het vaststellen van haar identiteit medewerking verleent aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

- medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, Sr, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

- stelt als bijzondere voorwaarden dat verdachte:

- zich gedurende de proeftijd meldt bij de reclassering, op de door de reclassering te bepalen tijdstippen, zo frequent en zo lang deze instelling dat nodig acht;

- zich gedurende de proeftijd voor een periode van maximaal 24 maanden laat opnemen in FPA De Boog of een soortgelijke zorginstelling, waarbij de verdachte zich zal houden aan de aanwijzingen die de verdachte in het kader van die behandeling zullen worden gegeven, ook als dit inhoudt de inname van voorgeschreven medicatie;

- draagt deze reclasseringsinstelling op om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;

- beveelt dat de op grond van artikel 14c Sr gestelde voorwaarden en het op grond van artikel 14d Sr uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn;

- bepaalt dat de tijd die de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

schadevergoeding benadeelde partij [naam 5]

- veroordeelt verdachte tot betaling aan benadeelde partij [naam 5] van een bedrag van € 650,-, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 31 mei 2018, voor zover dit bedrag niet door een mededader zal zijn voldaan;

- veroordeelt verdachte daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;

- legt de maatregel op dat verdachte verplicht is ter zake van het bewezenverklaarde feit 2 tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 650,- te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 31 mei 2018 ten behoeve van de benadeelde, met bevel, voor het geval dat volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt, dat vervangende hechtenis voor de duur van 13 dagen zal worden toegepast (een en ander voor zover dit bedrag niet door een mededader zal zijn voldaan). Tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis laat de betalingsverplichting onverlet;

- bepaalt dat als verdachte heeft voldaan aan haar verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als verdachte aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen;

- bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering, en dat de benadeelde partij de vordering voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

schadevergoeding benadeelde partij [naam 3]

- veroordeelt verdachte tot betaling aan benadeelde partij [naam 3] van een bedrag van € 86,21, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 4 juni 2018, voor zover dit bedrag niet door een mededader zal zijn voldaan;

- veroordeelt verdachte daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;

- legt de maatregel op dat verdachte verplicht is ter zake van het bewezenverklaarde feit 4 tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 86,21 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 4 juni 2018 ten behoeve van de benadeelde, met bevel, voor het geval dat volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt, dat vervangende hechtenis voor de duur van 1 dag zal worden toegepast (een en ander voor zover dit bedrag niet door een mededader zal zijn voldaan). Tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis laat de betalingsverplichting onverlet;

- bepaalt dat als verdachte heeft voldaan aan haar verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als verdachte aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen;

opheffing bevel voorlopige hechtenis

- heft het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis op.

Dit vonnis is gewezen door mr. E.J.M. Bos, voorzitter, mr. J.H.W.R. Orriëns-Schipper en

mr. M. van Berlo, rechters, in tegenwoordigheid van J.P. Ponsteen als griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 23 november 2018.

Buiten staat

mr. J.H.W.R. Orriëns-Schipper en J.P. Ponsteen zijn niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van de regiopolitie Oost-Nederland met nummers [nummer 1] , [nummer 2] , [nummer 3] , [nummer 4] en [nummer 5] (onderzoek Uranus). Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.